GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden, afdeling civiel zaaknummer gerechtshof 200.353.678/01 zaaknummer rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, 11354483 beschikking van 1 september 2025 in de zaak van [appellant] , die woont in [woonplaats1] , die hoger beroep heeft ingesteld, en bij de kantonrechter optrad als verzoeker en als verweerder in het voorwaardelijk tegenverzoek, hierna: [appellant], advocaat: mr. J.P. Quist, tegen Van Mossel Land Rover B.V., die gevestigd is in Waalwijk, die ook hoger beroep heeft ingesteld, en bij de kantonrechter optrad als verweerster en als verzoekster in het voorwaardelijk tegenverzoek, hierna: werkgeefster, advocaat: mr. N. Mauer. 1De kern van de zaak en de uitkomst 1.1 De kantonrechter heeft de arbeidsovereenkomst van partijen per 1 maart 2025 ontbonden zonder toekenning van enige vergoeding aan [appellant] . [appellant] is het daarmee niet eens; volgens hem heeft werkgeefster tegenover hem ernstig verwijtbaar gehandeld. Daarom moet zij hem een transitievergoeding en een billijke vergoeding betalen, evenals achterstallig loon. 1.2 Het hof zal oordelen dat er geen reden is om tot ernstige verwijtbaarheid te concluderen, hoewel werkgeefster op bepaalde aspecten niet voldoende adequaat heeft gehandeld. Wel zal nog een bedrag aan verschuldigd loon worden toegewezen. Hieronder licht het hof toe hoe het tot deze uitkomst is gekomen. 2Het verloop van de procedure in hoger beroep 2.1 [appellant] heeft hoger beroep ingesteld tegen de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, van 23 januari
(15)’ en dat zijn spieren – aldus de sportmasseur – hierdoor een enorme klap hebben gekregen. 7.11 Met een en ander kan naar het oordeel van het hof het (causaal) verband tussen zijn werk bij werkgeefster en zijn arbeidsongeschiktheid op dit moment niet worden aangenomen. De oorzaak van het ontstaan van zijn arbeidsongeschiktheid is in dit verband dan ook voor het hof een neutraal gegeven en weegt daardoor niet mee in de beoordeling of sprake is van ernstige verwijtbaarheid van werkgeefster. Aan het bewijsaanbod van [appellant] over dit aspect gaat het hof dan ook voorbij als niet relevant. Re-integratie 1e spoor 7.12 Volgens [appellant] is de re-integratie 1e spoor mislukt omdat hij vanaf de start van zijn re-integratie te zware werkzaamheden heeft moeten verrichten die zijn beperkingen ver te boven gingen. Er is geen opbouw geweest in zijn belasting; de opbouw zag alleen op het aantal uren en was niet gelegen in de aard van de werkzaamheden, aldus [appellant] . 7.13 Uit de berichten van de bedrijfsarts blijkt dat hij regelmatig met [appellant] contact heeft gehad over zijn re-integratie in passend werk en het verloop daarvan. De door de bedrijfsarts gegeven adviezen gaan uit van een opbouw, zowel in uren als in aard van de werkzaamheden. Dat is lange tijd goed gegaan, getuige de opvolgende adviezen voor verdere opbouw. Het onder 3.8 vermelde Whatsapp-bericht van [appellant] van 26 januari 2023 bevestigt die opbouw, waaruit ook blijkt dat [appellant] zelf moest ervaren wat gezien zijn beperkingen en het herstel daarvan verantwoord was. Tot en met het consult van 8 mei 2023 verliep de in september 2022 feitelijk gestarte re-integratie kennelijk naar wens, waarbij de bedrijfsarts op 8 mei 2023 een gunstige prognose vermeldt met ‘doel en verwachting is volledig herstel in eigen werk’. Op dat moment werkte [appellant] weer zijn volledige uren en ging het erom dat hij weer alle werkzaamheden zou kunnen gaan verrichten en de nog bestaande (rest)beperking van ‘heffen boven schoudernivo en reiken’ zou verdwijnen. Tegen de verwachting op 8 mei 2023 in blijkt uit de rapportage van de bedrijfsarts van 10 juli 2023 dat de in voorbije periode uit te breiden werkzaamheden toch te veel / zwaar voor [appellant] waren en dat een en ander heeft geleid tot een forse terugval. Dat dit kon worden voorzien, is niet aannemelijk geworden. 7.14 Onvoldoende is onderbouwd, zoals [appellant] wel stelt, dat die terugval is te wijten aan een structureel te zware belasting tijdens de re-integratie in afwijking van de adviezen van de bedrijfsarts. [appellant] betoogt dat uit de werkbonnen blijkt welke werkzaamheden hij feitelijk tijdens de re-integratie heeft verricht én dat die gezien zijn beperkingen te zwaar voor hem zijn geweest. Het hof gaat daaraan voorbij. Nog daargelaten dat werkgeefster heeft aangevoerd dat de werkbonnen niet aantonen dat [appellant] de betreffende werkzaamheden steeds alleen heeft uitgevoerd, wat zij ook gemotiveerd betwist, volgt uit voormeld verloop van de re-integratie en de adviezen in dat verband van de bedrijfsarts dat de feitelijke re-integratie, opbouwend, passend en succesvol was. Dat vindt ook bevestiging in wat de door [appellant] geraadpleegde sportarts op 18 juli 2023 als ‘anamnese’ heeft vastgelegd, te weten: “Werkt nu weer 3 dagen, maar wel beperkt in belasting. Heeft een lange tijd afleverings gedaan aan het werk, waardoor hij weinig schouder belastend werk deed. Nu een maand geleden weer begonnen met normaal bovenhands werk te doen. Na een paar weken namen daarmee de klachten toe. Nu heeft hij een week thuis gezeten op advies van de bedrijfsarts.” Omdat [appellant] zijn stelling zoals hierboven uiteengezet onvoldoende heeft onderbouwd, komt het hof niet aan bewijslevering toen en passeert hij de bewijsopdracht van [appellant] . 7.15 Nadat [appellant] in juli 2023 is uitgevallen en de re-integratie bij werkgeefster tot stilstand is gekomen, is conform een daarop gericht advies van de bedrijfsarts van 6 mei 2024 de re-integratie op 4 juni 2024 herstart. [appellant] heeft die dag gedurende twee uren aangepaste werkzaamheden verricht, waarna de re-integratie feitelijk opnieuw stil is komen te liggen omdat partijen het oneens waren over hoe het advies van de bedrijfsarts moest worden opgevat. Wat daarover ook geldt, [appellant] heeft niet gesteld dat hij die dag te zware werkzaamheden heeft verricht. 7.16 Evenmin kan worden aangenomen dat [appellant] door zijn discussie met werkgeefster over hoe het advies van de bedrijfsarts van 6 mei 2024 moest worden opgevolgd, een kans op een succesvolle re-integratie heeft gemist. Uit het deskundigenoordeel van het UWV van 13 augustus 2024 volgt immers dat er geen mogelijkheden werden gezien om bij werkgeefster terug te keren in eigen werk of ander passend, structureel werk en dat partijen zich hadden te richten op een 2e spoortraject. Re-integratie 2e spoor 7.17 Volgens [appellant] heeft werkgeefster (ook) ernstig verwijtbaar gehandeld door de re-integratie 2e spoor niet tijdig in te zetten. Werkgeefster heeft daarvoor terecht van het UWV een loonsanctie opgelegd gekregen, wat bijdraagt aan het ernstig verwijtbaar handelen en nalaten van werkgeefster. Als werkgeefster hem niet te zwaar was blijven belasten in het 1e spoor maar tijdig het 2e spoor, waaraan hij steeds heeft meegewerkt, had ingezet, had hij veel meer kans gehad om te herstellen, aldus [appellant] . 7.18 Het hof stelt voorop dat het enkele opleggen van een loonsanctie door het UWV op zichzelf onvoldoende is om te spreken van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten door een werkgever ten aanzien van de re-integratie. Het hof moet de feiten waarvoor de loonsanctie is opgelegd zelfstandig beoordelen en kwalificeren als ernstig verwijtbaar. 7.19 In dit geval was de re-integratie van [appellant] , conform de adviezen van de bedrijfsarts, aanvankelijk alleen gericht op hervatting van zijn eigen werk. Nadat [appellant] – tegen de verwachting in, zoals overwogen – in juli 2023 opnieuw volledig uitviel, heeft de daarna ingeschakelde arbeidsdeskundige op 17 augustus 2023 geadviseerd, naast re-integratie in tijdelijk aangepast werk, de re-integratie 2e spoor op te starten. Werkgeefster heeft daaraan onmiddellijk gehoor gegeven door Best Match in te schakelen, die daarna in september 2023 probeert met [appellant] in contact te komen. Dat werkgeefster dit traject dan eerder had moeten inzetten, zoals [appellant] haar verwijt, laat zich dan ook niet inzien. Dat traject komt echter vervolgens pas in maart 2024 van de grond en dat is dan wel te laat. 7.20 Anders dan [appellant] aanvoert, is die vertraging echter niet alleen aan werkgeefster te wijten. [appellant] hield in eerste instantie Best Match af omdat hij het niet eens was met het advies van de arbeidsdeskundige en hij eerst daarover met de bedrijfsarts wilde spreken. Vervolgens is eind oktober 2023 tussen partijen over die impasse gesproken, waarna zij een mediation hebben beproefd. Dat laatste traject is op 14 februari 2024 afgesloten, waarna Best Match op 19 februari 2024 is gevraagd het 2e spoortraject voort te zetten, waaraan [appellant] nu wel wilde meewerken. Uit een en ander blijkt in voldoende mate dat werkgeefster voldoende serieus heeft ingezet op een re-integratie 2e spoor en dat alleen haar keuze om dat traject ‘on hold’ te zetten tijdens de mediation als onjuist moet worden aangemerkt. Van belang is verder dat uit niets blijkt dat [appellant] op enig moment zelf vergeefs heeft aangedrongen op de inzet dan wel de voortzetting van het 2e spoortraject. Van ernstig verwijtbaar handelen van de zijde van de werkgeefster is daarom geen sprake. 7.21 Uit het besluit van UWV van 22 januari 2025 blijkt daarnaast dat werkgeefster haar tekortkoming in de re-integratie naar de stand van zaken per 12 december 2024 had hersteld. Een re-integratie bij werkgeefster werd, gezien het arbeidsdeskundig onderzoek van 16 mei 2024 en het deskundigenoordeel van 13 augustus 2024, niet meer mogelijk geacht en de sinds 8 maart 2024 verrichte inspanningen in het 2e spoortraject werden als adequaat aangemerkt. Re-integratie - conclusie 7.22 Met het voorgaande kan het hof niet tot de slotsom komen dat werkgeefster (grovelijk) haar verplichtingen in verband met de re-integratie van [appellant] heeft geschonden. Een en ander levert daarmee geen steun voor de stelling van [appellant] dat de verstoring van de arbeidsrelatie op ernstige wijze is te wijten aan werkgeefster. Andere verwijten 7.23 [appellant] heeft voor zijn stelling dat de verstoorde arbeidsverhouding te wijten is aan ernstig verwijtbaar handelen van werkgeefster nog een aantal andere verwijten opgesomd, te weten: het niet op eerste verzoek verstrekken van de RI&E (gevraagd in november 2023) en het PSA-beleid (gevraagd in februari 2024); het niet verstrekken van de benodigde gereedschappen; het onderscheid maken bij cadeaubonnen, kerstpakket, klussen op zaterdagen en betalen voor vloeistoffen; het antedateren en onjuist invullen van het Plan van Aanpak en de eerstejaarsevaluatie; het verwijderen van [appellant] uit de WhatsApp-groepen; de toegang tot het personeelsinformatiesysteem AFAS beperken; een onjuist samengestelde klachtencommissie die zijn klachten onjuist heeft afgehandeld; et onterecht opleggen van twee loonsancties; en in hoger beroep nog expliciet gewezen op: het niet ondersteunen van [appellant] bij zijn terugkeer op 4 juni 2024; het weigeren vragen te beantwoorden over waarom de loonsancties zijn opgelegd en het na zijn ziekmelding in maart 2022 onder druk zetten om te komen werken. Ook bij de beoordeling van deze verwijten stelt het hof voorop dat de lat voor het aannemen van ernstige verwijtbaarheid hoog ligt. 7.24 Over de punten a., f. en j. kan het hof kort zijn: tussen deze verwijten en de oorzaak van de verstoorde arbeidsverhouding die aan de verzochte ontbinding ten grondslag ligt, bestaat geen (duidelijk gemaakt) verband. In deze procedure kan onbesproken blijven of die verwijten van [appellant] ook juist zijn. 7.25 Over punt b.: Volgens [appellant] had werkgeefster ervoor moeten zorgen dat de door haar aan hem ter beschikking gestelde gereedschapskist tijdens zijn arbeidsongeschiktheid compleet was gebleven en dat andere monteurs daar geen gereedschap uit hadden genomen. [appellant] stelt verder dat werkgeefster hem gereedschap van lichter gewicht ter hand had moeten stellen. Onvoldoende is komen vast te staan dat [appellant] tijdens en voor zijn aangepaste werkzaamheden vanaf september 2022 niet over het vereiste gereedschap heeft kunnen beschikken. Uit de periodieke terugkoppeling van de bedrijfsarts blijkt ook niet dat [appellant] bij zijn re-integratie hinder heeft ondervonden van onjuist of te zwaar gereedschap of van het ‘moeten lenen’ bij collega’s. Het hof neemt aan dat het gebruik door collega’s van wat [appellant] als ‘zijn’ gereedschap beschouwde, bij hem tot ongenoegen heeft geleid, maar daarvan valt werkgeefster geen voldoende relevant verwijt te maken. 7.26 Over punt c: Het staat vast dat [appellant] bij verdeling van de door importeur ter beschikking gestelde cadeaubonnen een lager bedrag aan bonnen heeft gekregen dan de andere monteurs. De daarvoor door werkgeefster gegeven rechtvaardiging van [appellant] ’ afwezigheid wegens arbeidsongeschiktheid kan niet worden aanvaard. Werkgeefster heeft [appellant] hiermee ten onrechte achtergesteld en daarvan valt haar een verwijt te maken; een ernstig verwijt is dat echter niet. Dat [appellant] een kerstpakket is onthouden, is gemotiveerd door werkgeefster betwist; de juistheid van dat verwijt is daarmee niet komen vast te staan. Dat werkgeefster [appellant] tijdens én wegens zijn arbeidsongeschiktheid niet wilde toestaan dat hij op zaterdagen gebruik zou maken van haar werkplaats, is alleszins te billijken, nog daargelaten dat het hof niet inziet dat het hier gaat om een recht van [appellant] . Tot slot heeft het hof in de stukken geen aanknopingspunt gevonden voor de juistheid van – de door werkgeefster betwiste – stelling van [appellant] dat hij wel en de andere monteurs niet hoefde(n) te betalen voor motorvloeistoffen. 7.27 Over punt d.: Werkgeefster heeft erkend dat zij in september 2023 het Plan van Aanpak en de eerstejaarsevaluatie heeft ingevuld zonder overleg met en instemming van [appellant] en dat de daarin opgenomen datering van die stukken eveneens onjuist is. Die handelwijze is zonder meer onjuist, maar het hof heeft niet de overtuiging dat werkgeefster dat met een laakbaar motief heeft gedaan. Werkgeefster heeft in die stukken haar lezing van het verloop van de re-integratie vermeld, waarop [appellant] een ander perspectief had, zoals blijkt uit zijn reactie van 6 oktober 2023 op die stukken. Daar had werkgeefster bij de verwoording al rekening kunnen en moeten houden, gezien de al ontstane meningsverschillen tussen partijen. Op dit punt heeft werkgeefster dus onzorgvuldig gehandeld en bijgedragen aan het wantrouwen en het onbegrip. Een ernstig verwijt levert dit naar het oordeel van het hof echter niet op. 7.28 Over punt e.: Het staat vast dat [appellant] in november 2023 uit twee WhatsApp-groepen van de werknemers van de vestiging in [plaats1] is verwijderd. Uit de ene groep is [appellant] verwijderd door de chef werkplaats en uit de andere groep door de vestigingsdirecteur. Omdat die WhatsApp-groepen, zo is gebleken, ook werkgerelateerd zijn, was daarvan het gevolg dat [appellant] niet op gelijke wijze als de andere werknemers van de vestiging werd geïnformeerd over zijn functie en/of werkzaamheden mogelijk relevante informatie. Voor die verwijdering heeft werkgeefster geen overtuigende verklaring kunnen geven, anders dan die verwijdering kennelijk een reactie is geweest op de door [appellant] tegen de chef werkplaats ingediende klacht. De enkele afwezigheid wegens arbeidsongeschiktheid kan die verwijdering niet dragen. [appellant] is hierdoor achtergesteld op andere werknemers zonder redelijke grond, wat onjuist is. Tot een ernstig verwijt leidt dit echter niet. 7.29 Over punt g.: De door [appellant] ingediende klachten zijn afgehandeld door een klachtencommissie waarvan de samenstelling als ongebruikelijk en ongelukkig moet worden aangemerkt. Van die commissie maakte deel uit de Operationeel directeur (COO) van de holding, waarvan werkgeefster deel uitmaakt, en een extern vertrouwenspersoon. De COO stond in hiërarchische verhouding tot de betrokkenen waartegen [appellant] klachten had ingediend en de extern vertrouwenspersoon had eerder in die hoedanigheid al met [appellant] gesproken over de bij [appellant] levende bezwaren over de door hem ervaren re-integratie. In de stukken kan het hof echter geen aanknopingspunten vinden dat de klachtencommissie de klachten van [appellant] niet zorgvuldig heeft behandeld en haar bevindingen en haar advies niet verdedigbaar zijn/is. Ook dit aspect leidt niet tot de conclusie dat van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten sprake is. 7.30 Over punt h, eerste loonstop: Uit de stukken blijkt dat eind augustus 2023 een impasse was ontstaan in de re-integratie omdat [appellant] het niet eens was met het advies van de arbeidsdeskundige van 17 augustus
- Over die impasse wilde werkgeefster met [appellant] in gesprek, zo blijkt uit de hiervoor in 3.16 weergegeven mailwisseling van begin september
- [appellant] hield echter een gesprek af, waarna werkgeefster een loonstop aankondigde voor het geval [appellant] niet beschikbaar was voor een gesprek in de week van 11 september
- [appellant] heeft daar niet anders op gereageerd (via zijn advocaat) dan dat hij zich niet in staat achtte een gesprek bij en met zijn werkgever aan te gaan. Daarvoor ontbreekt echter iedere medische onderbouwing. De op 8 september 2023 aangezegde loonstop acht het hof dan ook niet zonder grond. Ook op een werkgever rusten immers verplichtingen om de re-integratie te bevorderen, en daaronder valt ook dat de werkgever soms confronterend moet optreden, wanneer er sprake is of lijkt te zijn dat de werknemer ten onrechte talmt. Het door werkgeefster gewenste gesprek met [appellant] heeft uiteindelijk op 27 oktober 2023 plaatsgevonden, op welk moment werkgeefster de loonstop ook met terugwerkende kracht ongedaan heeft gemaakt. Van een en ander valt werkgeefster naar het oordeel van het hof geen verwijt te maken, laat staan een ernstig verwijt. 7.31 Over punt h., tweede loonstop: Het staat (achteraf bezien) vast dat een re-integratie in eigen of aangepast werk bij werkgeefster naar de stand van zaken per 4 juni 2024 als niet meer mogelijk moest worden geacht en dat het op 4 juni 2024 aangeboden werk als niet passend heeft gegolden. Daarmee kan hoe dan ook niet (meer) aan [appellant] worden tegengeworpen dat hij een andere visie dan werkgeefster had over hoe het advies van de bedrijfsarts moest worden opgevat en dat hij pas zijn re-integratie bij werkgeefster wilde voortzetten als hij over dat eerdere advies en de van elkaar afwijkende interpretaties daarvan door partijen, met de bedrijfsarts had gesproken. Daarmee heeft werkgeefster ten onrechte aan [appellant] een loonstop opgelegd. Dit heeft zij ook onderkend door na het deskundigenoordeel van 13 augustus 2024 de loonbetaling te hervatten. Onjuist is echter dat werkgeefster de betaling niet met terugwerkende kracht heeft hervat; uit het deskundigenoordeel volgt immers dat al vanaf 4 juni 2024 een re-integratie bij werkgeefster niet meer mogelijk en het aangeboden werk niet passend was. Dit nalaten is onzorgvuldig maar haalt niet de hoge lat van ernstige verwijtbaarheid. 7.32 Over punt i: In de mailwisseling tussen de COO en [appellant] voorafgaande aan de hervatting van zijn re-integratie op 4 juni 2024 is [appellant] toegezegd dat hij die dag om 08.00 uur zal worden opgevangen, in welk verband de COO de divisiedirecteur en de vestigingsdirecteur zal informeren. Daarmee is de indruk gewekt dat zij [appellant] bij zijn herstartende re-integratie bij werkgeefster zouden opvangen. Zo’n opvang en daarmee begeleiding in de terugkeer van [appellant] op de werkvloer was ook aangewezen omdat hij bijna één jaar afwezig was geweest en in de tussentijd veel tussen partijen was gebeurd, waaronder een doorlopen klachtprocedure, als gevolg waarvan de chef werkplaats een disciplinaire straf was opgelegd. Het staat vast dat geen van genoemde directeuren aanwezig was op het afgesproken tijdstip en dat zij zich die dag niet met de feitelijke terugkeer van [appellant] hebben bemoeid. Het niet-opvolgen van die niet onbelangrijke toezegging is onzorgvuldig en zal het vertrouwen van [appellant] in werkgeefster onmiskenbaar geen goed hebben gedaan. Anderzijds blijkt uit de wisseling van WhatsApp-berichten met de COO die dag dat er wel betrokkenheid bij [appellant] was en dat de COO die omissie de volgende dag wil (laten) goedmaken. Zo ver is het echter niet gekomen, gezien de daarna ontstane discussie over hoe het advies van de bedrijfsarts van 6 mei 2024 over de hervatting van de re-integratie moest worden opgevat en het daarna wegblijven van [appellant] . Van bedoeld nalaten valt werkgeefster echter geen ernstig verwijt te maken. 7.33 Over punt k: Het verwijt dat werkgeefster hem al na zijn uitval in maart 2022 onder druk heeft gezet om weer te komen, is in de eerste plaats onderbouwd met de stellingen dat dat werkgeefster wilde dat hij op gesprek zou komen en dat werkgeefster heeft gedreigd met disciplinaire maatregelen voor het geval [appellant] zijn re-integratieverplichtingen niet zou nakomen. Waar [appellant] zich precies op baseert, is het hof niet duidelijk geworden, zodat het daaraan voorbijgaat. [appellant] heeft in dit verband ook gewezen op de zijns inziens onterecht opgelegde loonstops, maar die zijn hiervoor al beoordeeld. 7.34 Ook als alle voorgaande aangedragen verwijten in onderlinge samenhang worden gewogen, komt het hof niet verder dan dat werkgeefster op onderdelen beter of anders had kunnen en moeten handelen, maar dat dat in de gegeven omstandigheden niet de hoge drempel voor het aannemen van ernstige verwijtbaarheid haalt. Ernstige verwijtbaarheid – slotsom 7.35 Op grond van het bovenstaande komt het hof tot de slotsom dat werkgeefster op de door [appellant] aangevoerde argumenten op zichzelf noch in combinatie daarvan ernstig verwijtbaar heeft gehandeld of nagelaten jegens [appellant] . Alles overziende is naar de overtuiging van het hof sprake van een situatie dat beide partijen hebben geprobeerd om met inzet en goede intenties de re-integratie tot een succes te maken. Gaandeweg is hun verstandhouding ondanks de veelvuldige en soms uitvoerige en gedetailleerde communicatie onder spanning komen te staan, met als gevolg (vanwege het eigen perspectief) wantrouwen en onbegrip, waarbij niet steeds adequaat is gehandeld. Dat werkgeefster in dat verband zodanig heeft gehandeld of nagelaten dat zij haar werkgeversverplichtingen op ernstige wijze heeft geschonden, moedwillig heeft aangestuurd op een verstoorde arbeidsverhouding en/of op de instandhouding van een verstoring, en daarmee een ontbinding van het dienstverband wegens een verstoorde arbeidsverhouding heeft nagestreefd, is echter niet komen vast te staan. Het verzoek van [appellant] om werkgeefster te veroordelen tot een transitievergoeding en een billijke vergoeding zal daarom (ook in hoger beroep) worden afgewezen. Schadevergoeding op grond van artikel 7:611 BW 7.36 [appellant] heeft zijn vordering tot betaling van een vergoeding van € 141.480,55 bruto aanvankelijk ook gegrond op de (meer algemene) grondslag van artikel 7:611 BW, die inhoudelijk op dezelfde feiten en omstandigheden steunt als de aangevoerde grond van ernstige verwijtbaarheid. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [appellant] daarnaar gevraagd meegedeeld dat het hof niet afzonderlijk op die subsidiaire grond hoeft te beslissen. Die grond laat het hof dan ook verder onbesproken. Achterstallig loon en wettelijke verhoging 7.37 Uit wat hiervoor is overwogen, volgt dat werkgeefster, tegen de achtergrond van het oordeel van de arbeidsdeskundige van het UWV van 13 augustus 2024, welk oordeel uiteindelijk is overgenomen door de bedrijfsarts, niet alleen de loonbetaling met ingang van 12 augustus 2024 had moeten hervatten maar ook de loonstop per 5 juni 2024 ongedaan had moeten maken. Immers, re-integratie bij werkgeefster werd per 4 juni 2024 als niet (meer) mogelijk beoordeeld en partijen dienden zich te richten op een re-integratie 2e spoor, aldus het UWV, waarin de bedrijfsarts is meegegaan. Daarmee ontviel de basis voor de staking van de loonbetaling (het niet voldoende door [appellant] meewerken aan een re-integratie bij werkgeefster). 7.38 Het door [appellant] over genoemde periode gestelde loon met vakantietoeslag van € 2.783,82 bruto is niet afzonderlijk door werkgeefster betwist, zodat het hof van de juistheid daarvan uitgaat. Dat bedrag zal dan ook worden toegewezen. 7.39 [appellant] heeft over voormeld loon de toewijzing van de maximale wettelijke verhoging verzocht. Het hof gaat daarin niet mee. Op grond van artikel 7:625 BW is de werkgever een wettelijke verhoging van maximaal 50% verschuldigd bij niet tijdige betaling van het in geld vastgestelde loon. De wettelijke verhoging strekt ertoe de werkgever te stimuleren voor tijdige betaling zorg te dragen. In dit geval was wel sprake van niet-tijdig betalen maar niet van een situatie dat willens en wetens zonder enige grond niet is betaald. Het niet-betalen is (achteraf bezien) onjuist, maar was op het moment zelf niet onverdedigbaar. Dit is later met het deskundigenoordeel anders geworden. In de omstandigheden vindt het hof een matiging van de verhoging tot 30% passend. 7.40 [appellant] heeft ook over het aanvankelijk over de periode van 8 september 2023 tot 27 oktober 2023 opgeschorte loon de toewijzing van de maximale wettelijke verhoging verzocht, door hem berekend op € 487,
- Zoals hiervoor is overwogen, mocht werkgeefster het loon echter opschorten. Op het moment dat partijen weer met elkaar gesprek kwamen, heeft werkgeefster het teruggehouden loon over de daaraan voorafgegane periode alsnog uitbetaald. Het hof ziet in een en ander dan ook geen reden voor de toewijzing van een wettelijke verhoging. Buitengerechtelijke kosten 7.41 [appellant] vordert vergoeding van kosten van rechtsbijstand, te weten buitengerechtelijke incassokosten van € 15.594,48 incl. btw, die zien op de tijd die zijn advocaat heeft besteed voordat tussen partijen een procedure aanhangig was. Het hof wijst een vergoeding toe; de gestelde kosten zien onder meer op de contacten van de advocaat van [appellant] met werkgeefster nadat werkgeefster aan hem te kennen had gegeven dat het loon vanaf 5 juni 2024 werd opgeschort. In zoverre hebben deze kosten geen betrekking op werkzaamheden die onder artikel 237 Rv vallen. Zij zijn immers gemaakt ruim voordat het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst is ingediend op 14 oktober
- De omvang van de toe te wijzen vergoeding zal conform de incassostaffel worden afgestemd op wat aan loon en wettelijke verhoging zal worden toegewezen. Dit betreft een bedrag van € 486,
- Het hof is van oordeel dat dit redelijke kosten zijn ter verkrijging van voldoening buiten rechte in de zin van artikel 6:96 BW en dat de eisen van goed werkgeverschap met zich brengen dat deze door werkgeefster aan [appellant] worden vergoed. Wat [appellant] meer vordert, zal worden afgewezen omdat daarvoor geen grond is aan te wijzen. Proceskosten kantonprocedure 7.42 Gezien het voorgaande is er geen reden om anders te denken over de compensatie door de kantonrechter van de proceskosten van partijen, wat het hof ook op dit punt een billijke uitkomst vindt. Het hof laat de beslissing van de kantonrechter over de proceskosten dan ook in stand. Bewijsaanbod 7.43 [appellant] heeft nog een bewijsaanbod gedaan. Hiervoor in 7.11 en 7.14 heeft het hof dat aanbod voor zover dat ziet op schending van de zorgplicht, zowel met betrekking tot het moeten uitvoeren van te zware werkzaamheden als de omstandigheden waaronder de monteurs in de garage moesten werken, en de re-integratie 1e spoor al besproken en gepasseerd. Aan wat van dat aanbod nog resteert, gaat het hof ook voorbij omdat het belang daarvan, tegen de achtergrond van wat hiervoor al is vastgesteld en overwogen, onvoldoende is toegelicht. Conclusie 7.44 Het hoger beroep slaagt op twee onderdelen. De andere klachten slagen niet en in zoverre zal de beschikking worden bekrachtigd. Omdat partijen in hoger beroep deels in het gelijk en deels in het ongelijk zijn gesteld, zal het hof de proceskosten van het hoger beroep tussen hen compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten moet dragen. 7.45 De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad). 8De beslissing Het hof: 8.1 bekrachtigt, voor zover aan hoger beroep onderworpen, de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, van 23 januari 2025, met uitzondering van beslissing 6.5 die hierbij wordt vernietigd, en beslist voor het overige opnieuw als volgt: 8.2 veroordeelt werkgeefster aan [appellant] te betalen € 2.783,82 bruto voor loon en vakantietoeslag over de periode van 5 juni 2024 tot en met 12 augustus 2024, te vermeerderen met een wettelijke verhoging van 30% en te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de data dat werkgeefster met de loonbetalingen in verzuim verkeert tot aan de dag van betaling; 8.3 veroordeelt werkgeefster aan [appellant] te betalen € 486,90 voor vergoeding van buitengerechtelijke kosten; 8.4 verklaart de veroordelingen in deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad; 8.5 compenseert tussen partijen de proceskosten in hoger beroep; 8.6 wijst af wat verder is verzocht. Deze beschikking is gegeven door mrs. W.F. Boele, A.A. van Rossum en A. Elgersma, en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 1 september
- niet gepubliceerd. Buiten de termijn van tien kalenderdagen voor de mondelinge behandeling als bedoeld in 87 lid 6 in verbinding met artikel 279 lid 6 Rv.