GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden, afdeling civiel zaaknummer gerechtshof 200.340.455/01 zaaknummer rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen 10457104 arrest van 19 augustus 2025 in de zaak van [appellant] , die woont in [woonplaats] , die hoger beroep heeft ingesteld, en bij de kantonrechter optrad als eiser in conventie en verweerder in reconventie, hierna: [appellant], advocaat: mr. S. Yadegari uit Amsterdam, tegen [geïntimeerde] , h.o.d.n. [naam1], die zaak doet in [vestigingsplaats] , die ook (voorwaardelijk) hoger beroep heeft ingesteld, en bij de kantonrechter optrad als gedaagde in conventie en eiser in reconventie, hierna: [geïntimeerde] en [naam1], advocaat: mr. T. Binnema uit Leeuwarden. 1Het verloop van de procedure in hoger beroep 1.1 Naar aanleiding van het arrest van 14 januari 2025 heeft op 24 april 2025 een mondelinge behandeling bij het hof plaatsgevonden. Daarvan is een verslag gemaakt dat aan het dossier is toegevoegd (het proces-verbaal). Hierna hebben partijen het hof gevraagd opnieuw arrest te wijzen. 1.2 Mr. Binnema heeft het hof in een brief van 22 mei 2025 aan het hof opmerkingen gemaakt naar aanleiding van het proces-verbaal. Hiertegen heeft mr. Yadegari, eveneens op 22 mei 2025, bezwaar gemaakt. Volgens hem is sprake van napleiten. Dat is niet het geval. De opmerkingen van mr. Binnema geven weer wat tijdens de mondelinge behandeling ook is besproken. Voor zover voor de beoordeling relevant zal het hof op deze opmerkingen ingaan. 2De kern van de zaak 2.1 Het gaat in deze procedure om de vraag of sprake is van non-conformiteit van de door [appellant] van [naam1] gekochte auto en, al naar gelang de uitkomst van die vraag, wat de gevolgen zijn van de (non-)conformiteit in dit geval. 2.2 [appellant] heeft bij de kantonrechter primair ontbinding van de koopovereenkomst gevorderd en veroordeling van [naam1] tot terugbetaling van de koopprijs en betaling van een schadevergoeding op straffe van een dwangsom voor elke dag dat [naam1] geen vrijwaringsbewijs verschaft. Subsidiair heeft [appellant] afgifte van de auto, herstel van de gebreken door een derde en verwijzing naar de schadestaat gevorderd. 2.3 [naam1] heeft in reconventie veroordeling gevorderd van [appellant] tot betaling van de factuur van € 202,92 en de stallingskosten van de auto van € 15,- per dag vanaf 2 maart 2023 tot het moment dat de auto wordt opgehaald, vermeerderd met de proceskosten. 2.4 De kantonrechter heeft de vorderingen van [appellant] in conventie afgewezen en hem in reconventie veroordeeld tot betaling van de transport- en stallingskosten van de auto. De kantonrechter heeft dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard. 2.5 De bedoeling van het hoger beroep van [appellant] is dat de vordering in conventie alsnog wordt toegewezen en de vordering in reconventie alsnog wordt afgewezen. In een arrest van 13 augustus 2024 in het door [appellant] opgeworpen incident heeft dit hof de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging toegewezen. In hoger beroep heeft [appellant] ook zijn eis gewijzigd. Daartegen bestaat geen bezwaar zodat recht wordt gedaan op de gewijzigde eis. 2.6 Ook [naam1] heeft hoger beroep ingesteld en haar vordering in reconventie vermeerderd. Daar zal hieronder in 4.4 tot en met 4.6 op worden ingegaan. 3De feiten 3.1 [appellant] heeft op 30 december 2022 voor € 3.750,- een tweedehands Alfa Romeo 159 JTS die op 25 januari 2007 op het kenteken [kenteken] is gesteld, (hierna ook: de auto) van [naam1] gekocht. De kilometerstand bedroeg op dat moment ruim 185.
- In de koopovereenkomst is onder meer opgenomen dat de auto is gekocht “zoals gezien en bereden in getoonde staat, zonder garantie of coulance”. Ook is in de koopovereenkomst opgenomen dat de multiriem geluid maakt en op afspraak wordt afgesteld en indien nodig wordt vervangen. 3.2 Twee maanden na de verkoop en levering van de auto aan [appellant] is er eind februari 2023 een gebrek opgetreden aan de auto. Er was sprake van een lekke hydraulische druklager, een onderdeel van het koppelingssysteem, waardoor er niet meer met de auto kon worden gereden. [appellant] heeft de auto naar een andere garage, Autogarage [naam2] in [plaats1] , gebracht en hierover via WhatsApp contact met [naam1] opgenomen. Die garage heeft de reparatie geoffreerd voor € 2.400,-. 3.3 Naar aanleiding van WhatsApp-berichten tussen partijen heeft [naam1] de auto op 2 maart 2023 door [naam3] (hierna: [naam3] ) laten verplaatsen naar diens garage. 3.4 [naam3] heeft [naam1] op 8 maart 2023 een factuur gestuurd voor onder meer de kosten van het transport van € 202,
- In de factuur is daarbij voor de auto een kilometerstand van 188.500 vermeld. Uit coulance heeft [naam1] aangeboden het defecte onderdeel, de hydraulische druklager, voor € 900,- te vervangen en de kosten hiervan te delen. [appellant] is hier niet mee akkoord gegaan. 3.5 Vervolgens heeft [naam1] [appellant] deze rekening van € 202,92 voor het transport van de auto doorgestuurd. 3.6 Op 21 maart 2023 heeft de gemachtigde van [appellant] een ingebrekestelling gestuurd aan [naam1] waarin is aangezegd dat als [naam1] niet tijdig of niet volledig voldoet aan de ingebrekestelling de koop als ontbonden wordt beschouwd wegens non-conformiteit. 3.7 In een e-mail van 24 maart 2023 heeft [naam1] in reactie op de ingebrekestelling voor zover van belang, het volgende geschreven: “Onderstaand mijn vorderingen op de klant:
- In opdracht van de klant is een transporteur hof: [naam3] ) ingeschakeld voor transport en diagnose, kosten zijn reeds door mij voorgeschoten en bedragen € 202,92, (…) (factuur reeds in bezit van klant)
- Na betaling kan de auto opgehaald worden
- De auto staat hier inmiddels al vanaf 2 maart, daarvoor breng ik stallingskosten in rekening van € 15 exclusief BTW per dag. Deze kunnen afgerekend worden bij het ophalen van de auto op dit moment staat de auto reeds 22 dagen hier.
- Auto verlaat pas het terrein als alle vorderingen voldaan zijn.” 4Het oordeel van het hof Inleiding 4.1 Voordat het hof toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van de zaak, zal het eerst ingaan op enkele processuele bezwaren van partijen. - Bezwaar tegen nagekomen stukken 4.2 Voorafgaand aan de mondelinge behandeling heeft het hof bij [appellant] als fournerende partij twee aktes uit de eerste aanleg van de zijde van [naam1] van 10 oktober 2023 en 29 januari 2024 opgevraagd. Van de zijde van [appellant] is te kennen gegeven dat hij niet over deze stukken beschikt en er nimmer kennis van heeft genomen. Vervolgens heeft het hof de stukken opgevraagd bij [naam1] , waarna mr. Binnema deze op 22 april 2025 aan het hof en de wederpartij heeft toegezonden. De stukken zijn in de memorie van antwoord van [naam1] ook benoemd. Ter zitting is door [appellant] uitdrukkelijk bezwaar gemaakt tegen het meenemen van deze stukken bij de verdere beoordeling van de zaak. 4.3 Het hof oordeelt als volgt. Vooropgesteld wordt dat [naam1] in eerste aanleg in persoon procedeerde en deze stukken niet ook in afschrift aan de wederpartij heeft gezonden. In het vonnis van 19 maart 2024 is door de kantonrechter onder 1.1 een opsomming gegeven van de stukken. Hieruit blijkt onder meer dat na de mededeling van 29 november 2023 van de wrakingskamer dat het wrakingsverzoek is ingetrokken als laatste stukken “de nadere aktes van partijen” zijn overgelegd. [naam1] heeft het hof toegezonden een akte van de zijde van [appellant] van 29 januari 2024 die op 29 januari 2024 om 21:16 uur door een kantoorgenote van mr. Yadegari aan zowel de kantonrechter als aan [naam1] is gemaild. Hierna volgt een e-mail met bijlagen van 29 januari 2024 van 23:44 uur van [naam1] aan (alleen) de kantonrechter waarin [naam1] reageert op de inhoud van de akte van [appellant] . De inhoud van deze akte heeft de kantonrechter bij zijn oordeel betrokken. Ook heeft de kantonrechter in r.o. 4.6 expliciet de door [naam1] op 10 oktober 2023 overgelegde WhatsApp-correspondentie tussen partijen benoemd. Het voorgaande brengt mee dat het vonnis in voldoende mate aangeeft op welke stukken het is gebaseerd. Dat zijn dus ook de door mr. Binnema aan het hof nagezonden e-mails van [naam1] aan de kantonrechter van zowel 10 oktober 2023 als 29 januari 2024, die de kantonrechter beide als akte heeft gekwalificeerd. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de kantonrechter andere stukken heeft bedoeld. Evenmin heeft hij voldoende aannemelijk gemaakt dat de kantonrechter deze stukken niet aan [appellant] heeft verzonden. Het blijft bij een ontkenning, maar een onderbouwing daarvan ontbreekt, bijvoorbeeld door een verklaring van de griffier dat, hoewel de stukken in het vonnis zijn genoemd, deze toch niet aan [appellant] zijn toegezonden. Voor zover [appellant] daadwerkelijk de stukken niet kent, dient dat voor rekening van [appellant] te blijven. Hij heeft uit het vonnis kunnen afleiden dat deze stukken tot het procesdossier behoren. Hij heeft niet gegriefd tegen de vaststelling door de kantonrechter van het procesdossier, noch tegen het gebruik van de WhatsApp-correspondentie als zodanig die zijn eigen client met [naam1] heeft gevoerd en die op 10 oktober 2023 door [naam1] zijn overgelegd. Het verzoek van [appellant] om alsnog bij akte op deze stukken te mogen reageren, wordt om voorgaande redenen afgewezen. Het hof zal de stukken dan ook meenemen in de inhoudelijke beoordeling van de zaak. - Bezwaar tegen incidenteel hoger beroep met vermeerdering van eis van [naam1] 4.4 Verder heeft de kantonrechter het vonnis, waarin de vordering van [naam1] in reconventie is toegewezen, uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Het hof heeft op 13 augustus 2024 in het door [appellant] opgeworpen incident geoordeeld dat de kantonrechter dit ten onrechte heeft gedaan, omdat dit niet uitdrukkelijk door [naam1] is gevorderd. [naam1] heeft vervolgens incidenteel hoger beroep ingesteld en daarbij haar eis in reconventie vermeerderd met als doel de veroordeling van [appellant] alsnog uitvoerbaar bij voorraad te laten verklaren. 4.5 [appellant] stelt zich op het standpunt dat [naam1] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in het incidentele hoger beroep, dan wel dat dit afgewezen dient te worden. [appellant] stelt daartoe dat [naam1] zich in hoger beroep op het standpunt stelt dat zij in eerste aanleg al heeft gevorderd om het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren en de kantonrechter dit heeft toegewezen. Dat kan zij dan in hoger beroep niet nogmaals doen. 4.6 Het hof verwerpt dit betoog. Het hof heeft in het incident geoordeeld dat het oordeel van de kantonrechter om het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren op een kennelijke misslag berust, omdat [naam1] in eerste aanleg niet uitdrukkelijk heeft gevorderd het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Een partij is in hoger beroep in beginsel bevoegd haar eis te vermeerderen (zie artikel 130 Rv jo. artikel 353) en zodoende eventuele (eigen) omissies te herstellen. Uitgangspunt daarbij is dat de vermeerdering van eis niet later dient plaats te vinden dan (in dit geval ten aanzien van [naam1] ) in de memorie van antwoord in het principale hoger beroep. Het hof stelt vast dat de eisvermeerdering van [naam1] aan deze voorwaarde voldoet. [appellant] heeft daarbij ook voldoende gelegenheid gehad om op de vermeerderde eis te reageren. Het hof zal dan ook recht doen op de gewijzigde eis. De grieven tegen het bestreden vonnis 4.7 Het hof komt vervolgens toe aan een inhoudelijke beoordeling van de zaak. Het hof zal de zaak thematisch behandelen. In dat verband zullen ook de zeven bezwaren (grieven), zoals [appellant] die in zijn memorie van grieven heeft geformuleerd, worden besproken. 4.8 Voor zover [appellant] in de spreekaantekeningen van zijn advocaat nieuwe grieven en stellingen heeft aangevoerd, geldt het volgende. Op grond van artikel 347 Rv en vaste rechtspraak van de Hoge Raad moeten de grieven tegen het vonnis in het eerste inhoudelijke processtuk naar voren worden gebracht (hier voor [appellant] : de memorie van grieven) en moeten grieven die later worden geformuleerd buiten beschouwing worden gelaten, tenzij zich één van de uitzonderingen op deze ‘in beginsel strakke regel’ (ook wel: de tweeconclusie-regel) voordoet. Eén van die uitzonderingen houdt in dat de nieuwe grief is ingegeven door nieuw gebleken feiten en met aanpassing van de bestaande grieven wordt voorkomen dat een oordeel wordt gegeven op basis van achterhaalde feiten of een nieuwe procedure moet worden aangespannen. 4.9 Mr. Yadegari heeft naar aanleiding van de hiervoor in r.o. 4.2 en 4.3 besproken nagekomen stukken in zijn spreekaantekeningen ook een “aanvullende grief c.q. uitbreiding van eis” geformuleerd namens [appellant] . Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, dient het niet kennen van die stukken voor rekening van [appellant] te blijven. Daarmee is geen sprake van nieuwe feiten die een uitzondering op de ‘in beginsel strakke regel’ rechtvaardigen. Andere uitzonderingen op deze regel zijn niet gesteld of gebleken. Het hof zal de “aanvullende grief c.q. uitbreiding van eis” dan ook buiten beschouwing laten. Dat geldt eveneens voor andere stellingen of standpunten die in strijd met de tweeconclusie-regel door partijen worden aangevoerd. Het juridisch kader bij non-conformiteit 4.10 Tussen partijen is niet in geschil dat de aankoop van de auto door [appellant] een consumentenkoop is in de zin van artikel 7:5 lid 1 BW. Hierop is artikel 7:17 BW van toepassing, dat onder meer in lid 1 bepaalt dat een afgeleverde zaak aan de overeenkomst moet beantwoorden. Gelet op het tweede lid van dit artikel beantwoordt een zaak niet aan de overeenkomst indien zij, mede gelet op de aard van de zaak en de mededelingen die de verkoper over de zaak heeft gedaan, niet de eigenschappen bezit die de koper op grond van de overeenkomst mocht verwachten (en is daarmee sprake van non-conformiteit). De koper mag verwachten dat de zaak de eigenschappen bezit die voor een normaal gebruik van de zaak nodig zijn en waarvan de koper de aanwezigheid niet hoefde te betwijfelen. 4.11 Het conformiteitsvereiste is voor een consumentenkoop tegen de achtergrond van de genoemde bepaling nader uitgewerkt in de artikelen 7:18 en 18a BW. Voor de vraag of een op grond van een consumentenkoop afgeleverde zaak aan de overeenkomst beantwoordt, moet de zaak met name voldoen aan de in deze bepalingen nader omschreven eisen, voor zover die in een concreet geval van toepassing zijn. 4.12 De wetgever heeft onderscheid gemaakt tussen zogenoemde subjectieve (artikel 7:18 lid 1 BW) en objectieve (artikel 7:18 lid 2 BW) conformiteitseisen. Die sluiten op elkaar aan, maar zijn niet altijd strikt te scheiden. Zo moet de zaak bijvoorbeeld (voor zover van toepassing) wat betreft de beschrijving, het type en kwaliteit voldoen aan de overeenkomst (artikel 7:18 lid 1 sub a BW) en moet de zaak geschikt zijn voor de doeleinden waarvoor zaken van hetzelfde type gewoonlijk worden gebruikt en ook de kenmerken bezitten, onder meer met betrekking tot duurzaamheid en functionaliteit, die voor hetzelfde type zaken normaal zijn en die de koper redelijkerwijs mag verwachten gelet op onder meer de aard van de zaak (artikel 7:18 lid 2 sub a respectievelijk sub d BW). Een afwijking van de objectieve conformiteitseisen is alleen mogelijk als de consument hiervan uitdrukkelijk in kennis is gesteld én de consument die afwijking uitdrukkelijk en afzonderlijk heeft aanvaard (artikel 7:18 lid 6 BW). 4.13 Volgens vaste rechtspraak wordt bij de koop van een tweedehands auto die bestemd is om aan het verkeer deel te nemen, aangenomen dat de auto niet aan de overeenkomst beantwoordt als het gebruik van de auto een gevaar voor de verkeersveiligheid oplevert door een gebrek dat niet eenvoudig door de koper kan worden ontdekt en hersteld. Hierop zijn uitzonderingen mogelijk. Onder omstandigheden kunnen ook andere afwijkingen van de verwachtingen non-conformiteit opleveren. Bezien moet worden wat de koper die ook consument is, op grond van alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de zaak en de mededelingen van de verkoper, van de auto mocht verwachten. Een en ander moet getoetst worden aan de artikelen 7:17, 7:18 en 7:18a BW. De stelplicht en bewijslast van de non-conformiteit van de auto rusten in beginsel op de koper. 4.14 Bij een consumentenkoop geldt verder het wettelijke bewijsvermoeden van artikel 7:18a lid 2 BW. Indien de afwijking van wat is overeengekomen zich binnen één jaar na aflevering openbaart, wordt vermoed dat de zaak bij aflevering niet aan de overeenkomst heeft beantwoord, tenzij de aard van de zaak of de aard van de afwijking zich daartegen verzet. Deze lijn vindt bevestiging in een uitspraak van het Europese Hof van Justitie waarin onder meer is overwogen dat het aan de verkoper is om “rechtens genoegzaam” te bewijzen dat het ‘gebrek aan overeenstemming’ het gevolg is van of zijn oorsprong vindt in een omstandigheid die zich na de aflevering van het goed heeft voorgedaan. Dit alles brengt mee dat het aan [naam1] is om te stellen én te bewijzen dat de auto bij aflevering wel aan de overeenkomst beantwoordde en dat niet kan worden volstaan met het ontzenuwen van dit zogenaamde bewijsvermoeden. Was de auto ten tijde van de levering aan [appellant] non-conform? 4.15 Het hof gaat bij de beantwoording van de vraag of de auto ten tijde van de levering aan de overeenkomst beantwoordde, allereerst uit van de volgende – tussen partijen niet ter discussie staande – feiten. [appellant] heeft op 30 december 2022 de auto van [naam1] gekocht. Voorafgaand aan de koop heeft [appellant] een proefrit gemaakt. Na de aankoop heeft [appellant] zo’n twee maanden en minstens 1.600 kilometer met de auto gereden, totdat er zich een gebrek aan de auto voordeed en er vanaf dat moment niet meer mee kon worden gereden. [appellant] heeft de auto naar een garage van familie laten vervoeren en aldaar is vastgesteld dat het gebrek een defect betrof aan de hydraulische druklager, een onderdeel van het koppelingssysteem. Reparatie hiervan was geoffreerd voor € 2.400,-. Hierna heeft [appellant] contact opgenomen met [naam1] en is de auto begin maart 2023 vervoerd naar de garage van [naam3] . Door [naam3] is (ook) vastgesteld dat de hydraulische druklager defect is, zo blijkt uit overgelegde correspondentie. [naam3] heeft na het transport van de auto naar zijn garage het met de hydraulische druklager verbonden vloeistofreservoir (remvloeistof) bijgevuld. Het transport en het bijvullen van de vloeistof wordt onderbouwd door de factuur van [naam3] aan [naam1] van 8 maart 2023 van in totaal € 202,
- Partijen zijn het niet eens over de betaling van de kosten van deze factuur en de kosten van reparatie van de defecte hydraulische druklager. In aanvulling hierop stelt het hof vast dat de stelling van [appellant] dat er nader onderzoek moet worden gedaan om met zekerheid vast te kunnen stellen of de hydraulische druklager defect is, een nieuwe stelling is die, gelet op wat hiervoor is overwogen, te laat is. Dat geldt eveneens voor de stelling van [appellant] dat de kilometerstand (ten tijde van de koop, zo begrijpt het hof) onjuist is en mogelijk is teruggedraaid. 4.16 Ter zitting is door [geïntimeerde] het volgende verklaard. [naam1] en [naam3] hebben, nadat de auto bij [naam3] was aangekomen en onderzocht, besloten de auto te verplaatsen naar het terrein van [naam1] . De garage van [naam3] bevond zich op circa 800 meter van het terrein van [naam1] . Het vloeistofreservoir was toen – conform de hiervoor genoemde factuur – bijgevuld. Na deze korte rit naar het terrein van [naam1] was het reservoir leeg, waardoor de pedaaldruk was weggevallen, en kon er wederom niet meer met de auto gereden worden. 4.17 Door [naam1] is aangevoerd dat de auto, voordat deze te koop werd aangeboden, uitgebreid is nagekeken door [naam3] . Ter onderbouwing hiervan heeft [naam1] bij de akte van 29 januari 2024, waarin [naam1] puntsgewijs ingaat op de akte van [appellant] van dezelfde datum, een factuur gevoegd van [naam3] aan [naam1] van 11 november 2022 voor € 1.370,51 ter zake van de Alfa Romeo van [appellant] (zie XX). Op de factuur staat onder meer vermeld dat de auto bij de eerste proefrit soms op drie cilinders liep en slecht reageerde op gas. Ook is een lekkage in de aanzuigslang naar de luchtmassameter en een lekkage in de uitlaat geconstateerd. Deze punten zijn gerepareerd, aldus de factuur. Daarnaast zijn er enkele onderdelen, waaronder de distributieketting, vervangen. Naderhand, zo staat op de factuur, is diverse malen met de auto proefgereden en is geconstateerd dat het probleem is opgelost en er geen verdere foutcodes zijn. Er zijn op dat moment dus geen problemen met het koppelingssysteem geconstateerd. Ook heeft [geïntimeerde] aangevoerd dat hij na de proefrit van [appellant] een tjilpend geluid hoorde toen de auto het terrein weer opreed. Het klonk volgens [geïntimeerde] als “een riem die iets slipt”. Dit heeft hij ook gemeld aan [appellant] en voordat hij de auto kon meenemen, heeft [geïntimeerde] de multiriem laten repareren, waarna dit probleem was verholpen. 4.18 Uit deze gang van zaken volgt genoegzaam dat de auto ten tijde van de aflevering geen gebrek had aan de hydraulische druklager, wat de auto op dat moment non-conform zou hebben gemaakt. Immers, de auto is voorafgaand aan de verkoop uitgebreid nagekeken en daarbij zijn geen problemen aan het koppelingssysteem geconstateerd, [appellant] heeft voorafgaand aan de koop een proefrit gemaakt en evenmin problemen met het koppelen geconstateerd en [appellant] heeft vervolgens nog twee maanden en ten minste 1.600 kilometer met de auto gereden. [naam1] heeft in dat verband ook voldoende overtuigend uiteengezet dat het gebrek (het wegvallen van druk en het als gevolg daarvan niet meer kunnen koppelen van de versnellingen) naar haar aard pas onmiddellijk voor het niet meer kunnen rijden van de auto is ontstaan en dat tot dat moment de hydraulische druklager niet defect kon zijn geweest, ondanks daaraan optredende slijtage. [appellant] heeft dat onvoldoende weersproken. Onder deze omstandigheden kan het hof niet tot de conclusie komen dat de auto ten tijde van de levering niet aan de overeenkomst beantwoordde. 4.19 Voor zover uit de stellingen van [appellant] nog moet worden begrepen dat de auto ook non-conform is, omdat [appellant] niet binnen twee maanden na de aankoop van de auto een dergelijk gebrek – en daarmee dergelijke reparatiekosten – hoefde te verwachten, oordeelt het hof als volgt. 4.20 Wat betreft de aard van de zaak (vergelijk artikel 7:18 lid 2 sub a respectievelijk sub d BW) geldt het volgende. Als gezegd heeft [appellant] eind 2022 een ruim vijftien jaar oude Alfa Romeo, zonder garantie, gekocht voor een koopprijs van € 3.750,-. De auto had op dat moment ruim 185.000 kilometer op de teller. Op grond van deze eigenschappen lag het niet voor de hand dat de auto geheel vrij zou zijn van enige slijtage. Een tweedehands auto met deze eigenschappen heeft nu eenmaal onderdelen die aan slijtage onderhevig zijn. Een koper van een gebruikte auto op leeftijd met een fikse kilometerstand moet er dan ook rekening mee houden dat (relevante onderdelen van) een dergelijke auto slijtage kent (kennen) die voor dit type zaken normaal zijn en die van invloed zijn op de duurzaamheid en functionaliteit. Dit betekent dat [appellant] er dan ook niet zomaar van uit kon gaan dat de auto na aankoop zonder meer en voor langere tijd volledig klachtenvrij zou zijn en dat een gebrek als het onderhavige, dat zijn oorsprong vindt in slijtage, zich niet zou kunnen voordoen. Dat geldt temeer omdat [appellant] in een periode van twee maanden minstens 1.600 kilometer met de auto heeft gereden. Een afwijking van objectieve conformiteitseisen in de zin van artikel 7:18 lid 2 BW (eventueel in samenhang gelezen met artikel 7:18 lid 6 BW) oftewel een afwijking van het gebruikelijke, betekent dit nog niet. Het hof komt dan ook tot het oordeel dat ook deze door [appellant] aangevoerde omstandigheden, niet de conclusie kunnen rechtvaardigen dat de auto non-conform is. Van een gebrek aan overeenstemming kan in dit geval dan ook geen sprake zijn. Redengevende feiten die een andere conclusie rechtvaardigen, zijn door [appellant] onvoldoende gesteld, zodat aan bewijslevering niet wordt toegekomen. 4.21 Dit brengt mee dat de vorderingen van [appellant] toe hun grondslag vinden in de vermeende non-conformiteit van de auto, niet toewijsbaar zijn. De tegenvorderingen van [naam1] 4.22 Dan komt het hof vervolgens toe aan de beoordeling van de door de kantonrechter toegewezen vorderingen ter zake van de transportkosten en de stallingskosten. - de transportkosten 4.23 Wat betreft de factuur van € 202,92 voor onder meer de transportkosten betwist [appellant] aan [naam1] de opdracht te hebben gegeven om de auto in maart 2023 te vervoeren naar [naam3] . 4.24 Uit de WhatsApp-berichten tussen partijen blijkt het volgende. [appellant] heeft [naam1] eind februari 2023 bericht: “het probleem is dat hij niet meer schakelt dus ik kan hem zelf niet meer naar jou toe krijgen. Heb jij een manier om hem op te halen?” Hierop heeft [naam1] aangegeven op het verzoek terug te komen. Op 28 februari 2023 heeft [appellant] het volgende geschreven: “Hallo, weet je al wat meer? De auto staat nog steeds bij de garage maar daar kan hij uiteraard niet te lang blijven staan”. [naam1] heeft [appellant] gevraagd waar de auto precies stond, waarop [appellant] heeft geantwoord, waarna [naam1] op 1 maart 2023 aan [appellant] bericht dat de auto de dag erna wordt opgehaald. [appellant] heeft hierop gereageerd met: “Top ”. 4.25 Uit deze correspondentie staat voor het hof voldoende vast dat [appellant] aan [naam1] opdracht heeft gegeven voor het transport van de auto en derhalve gehouden is de daarvoor door [naam1] gemaakte kosten te vergoeden. 4.26 In het verlengde hiervan zal het hof oordelen dat [naam1] , zodra deze factuur door [appellant] is voldaan, gehouden is de Alfa Romeo af te geven aan [appellant] , wat meer specifiek inhoudt dat het [appellant] toegestaan wordt de Alfa Romeo bij [naam1] op te halen. Het hof ziet geen aanleiding om hieraan, zoals door [appellant] gevorderd, een dwangsom te verbinden. -de stallingskosten 4.27 Verder komt [appellant] op tegen de door de kantonrechter toegewezen vordering van [naam1] tot betaling door [appellant] van stallingskosten. [naam1] heeft met ingang van 2 maart 2023 bij [appellant] stallingskosten in rekening gebracht van € 15,- exclusief btw per dag. [naam1] heeft als grondslag voor deze vordering aangevoerd dat er sprake is van bewaarneming. [appellant] betwist deze stallingskosten verschuldigd te zijn en stelt dat [naam1] de auto gijzelt en weigert deze terug te geven. 4.28 Het hof overweegt als volgt. [naam1] heeft in de e-mail aan de advocaat van [appellant] van 24 maart 2023 (zie r.o. 3.7) medegedeeld dat [appellant] de factuur van € 202,92 diende te betalen, waarna de auto kon worden opgehaald. Tot die tijd zouden de stallingskosten in rekening worden gebracht. [naam1] eindigt de e-mail met de mededeling: “Auto verlaat pas het terrein als alle vorderingen voldaan zijn”. Niet is gebleken van enig bericht van de zijde van [appellant] dat met deze voorwaarden wordt ingestemd. Sterker nog, namens [appellant] wordt nadrukkelijk bezwaar gemaakt tegen deze kosten. Daarmee staat voldoende vast dat [naam1] eenzijdig en zonder instemming van [appellant] de stallingskosten in rekening heeft gebracht. Een bewaarnemingsovereenkomst kan niet eenzijdig worden gesloten. Daarvoor is de instemming van beide partijen noodzakelijk. Van een bewaarnemingsovereenkomst kan onder deze omstandigheden dan ook geen sprake zijn. Er zijn geen gronden of feiten aangevoerd die om een andere reden tot toewijzing van de stallingskosten moeten leiden. Dit betekent dat de stallingskosten ten onrechte in rekening zijn gebracht en dat [naam1] zal worden veroordeeld tot terugbetaling aan [appellant] van wat [appellant] aan stallingskosten aan [naam1] heeft betaald. Uitvoerbaarverklaring bij voorraad van het vonnis 4.29 Het incidentele hoger beroep van [naam1] en de vermeerdering van eis strekken ertoe dat de door de kantonrechter gewezen vonnis alsnog uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard. Tegen het uitvoerbaar bij voorraad verklaren van het vonnis zijn, anders dan de hiervoor onder 4.6 besproken en verworpen verweren, geen nadere bezwaren aangevoerd. Bij deze stand van zaken zal het hof het vonnis, voor zover dat wordt bekrachtigd, alsnog uitvoerbaar bij voorraad verklaren. De conclusie 4.30 Al het voorgaande leidt tot de conclusie dat het hoger beroep deels slaagt. Het hof zal het vonnis bekrachtigen, behalve voor zover de vordering van [naam1] ter zake van de stallingskosten is toegewezen en zal deze alsnog afwijzen. 4.31 Bij deze uitkomst blijft [appellant] de in eerste aanleg in hoofdzaak in het ongelijk gestelde partij, zodat de kostenveroordeling die door de kantonrechter is uitgesproken in stand zal worden gelaten. 4.32 In hoger beroep zijn partijen over en weer in het ongelijk gesteld. Daarin ziet het hof aanleiding de kosten in hoger beroep, zowel in het incident als in het principaal en incidenteel hoger beroep, te compenseren in die zin dat elke partij zijn eigen kosten moet dragen. 5De beslissing Het hof: 5.1 bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 19 maart 2024, behalve de veroordeling van [appellant] tot betaling van de stallingskosten van € 15,- per dag exclusief btw vanaf 2 maart 2023, welke veroordeling hierbij wordt vernietigd; 5.2 veroordeelt [naam1] tot terugbetaling aan [appellant] van wat hij op grond van het vonnis aan stallingskosten aan [naam1] heeft betaald, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van die betaling(en) tot de dag van terugbetaling; 5.3 bepaalt dat [naam1] gehouden is tot afgifte van de auto aan [appellant] , vanaf het moment dat [appellant] de factuur ter zake van de transportkosten aan [naam1] heeft voldaan; 5.4 verklaart het vonnis van 19 maart 2024 alsnog uitvoerbaar bij voorraad; 5.5 verklaart dit arrest eveneens uitvoerbaar bij voorraad; 5.6 bepaalt dat iedere partij de eigen kosten van het hoger beroep draagt, zowel van die van [appellant] als die van [naam1] , daaronder begrepen de kosten van het incident; 5.7 wijst af wat verder is gevorderd. Dit arrest is gewezen door mrs. J.E. Wichers, H. de Hek en W.F. Boele, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 19 augustus
- Onder meer in r.o. 4.3 ter zake van het al dan niet kunnen koppelen met het gestelde gebrek. Zie HR 20 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC4959 ( [naam4] /NOM). Zie eveneens HR 20 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC4959 ( [naam4] /NOM). Zie HR 19 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI8771 (Wertenbroek q.q./Van den Heuvel). Zie HR 15 april 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1338 en HR 8 juli 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT
- HvJ EU 4 juni 2015, ECLI:EU:C:2015:357, C-497/13 (Faber/Autobedrijf Hazet) Zie HR 5 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:
- De grieven I, II, III en IV falen. Grief V faalt. Grief VI slaagt.