GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.305.296 zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht 8843757 arrest van 2 september 2025 in de zaak van [de afnemer] die woont in [woonplaats1] hierna (in mannelijk enkelvoud): de afnemer advocaat: mr. J.B. Maliepaard en Groeivermogen N.V. die is gevestigd in Utrecht hierna: Groeivermogen advocaat: mr. W. de Jong 1Het verloop van de procedure in hoger beroep 1.1. De afnemer heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen het vonnis dat de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, (hierna: de kantonrechter) op 16 juni 2021 tussen partijen heeft uitgesproken (hierna: het bestreden vonnis). Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit: de dagvaarding in hoger beroep het anticipatie-exploot van 10 januari 2022 het arrest van 3 mei 2022 de meervoudige mondelinge behandeling na aanbrengen (regiezitting) van 2 juni 2022 (tegelijk met 21 andere zaken tegen Groeivermogen), waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt, en waarbij de in het H-formulier van 19 mei 2022 genoemde producties zijn overgelegd de memorie van grieven de memorie van antwoord het enkelvoudig regiegesprek op 15 november 2024 (tegelijk met 22 andere zaken tegen Groeivermogen), waarvan een verslag is opgemaakt het verzoek van partijen om arrest te wijzen. 2De kern van de zaak 2.1. Deze zaak gaat over een effectenleaseovereenkomst ten aanzien van het product VermogensVersneller (hierna: de effectenleaseovereenkomst) die de afnemer met Groeivermogen heeft gesloten. Het product komt er in grote lijnen op neer dat Groeivermogen geld leent aan de afnemer en effecten voor hem koopt. De rente over de lening en een zogenoemde premie Winstversneller worden ofwel vooruitbetaald ofwel maandelijks voldaan. De bedoeling is dat de lening na afloop van de looptijd wordt afgelost met de opbrengst van de effecten. Als de opbrengst te laag is voor die aflossing, is sprake van een restschuld. De afnemer vindt dat Groeivermogen voor het risico daarop niet of onvoldoende heeft gewaarschuwd en in zoverre haar zorgplicht heeft geschonden. Groeivermogen bestrijdt dat. 2.2. De afnemer heeft bij de kantonrechter gevorderd voor recht te verklaren dat Groeivermogen onrechtmatig heeft gehandeld en/of toerekenbaar tekort is geschoten, althans haar zorgplicht heeft geschonden jegens de afnemer en om Groeivermogen te veroordelen om aan de afnemer te voldoen al hetgeen hij uit hoofde van de effectenleaseovereenkomst aan Groeivermogen heeft voldaan, vermeerderd met de wettelijke rente, buitengerechtelijke kosten en proces- en nakosten. 2.3. De kantonrechter heeft het beroep op verjaring van Groeivermogen gehonoreerd en de afnemer niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering en hem veroordeeld in de proceskosten. De bedoeling van het hoger beroep is dat de vorderingen alsnog worden toegewezen. 2.4. Het hof zal beslissen dat de vorderingen niet zijn verjaard en dat de vorderingen deels toewijsbaar zijn. Het hof zal die beslissing toelichten. 3De vaststaande feiten Overeenkomst Groeivermogen en de afnemer 3.1. Tussen Groeivermogen en de afnemer is de onderstaande effectenleaseovereenkomst tot stand gekomen (hierna: de overeenkomst). Contractnr. Naam en tranche overeenkomst Datum overeenkomst Datum eind- afrekening Restschuld bij beëindiging overeenkomst [nummer1] Vermogensversneller 1998/3 10 juli 1998 10 juli 2003 € 1.754,71 3.2. In de door Groeivermogen opgestelde brochure betreffende ‘De VermogensVersneller 1998/Derde Tranche’ is onder meer het volgende opgenomen: “ Wat als de koers in 2003 lager is dan nu? Zelfs in het onwaarschijnlijke geval dat de verkoopkoers in 2003 lager is dan uw aankoopkoers nu, heeft u nog kans op winst. Want ook dan is de Winstversneller van toepassing, in de vorm van een uitkering die even groot is als het verschil tussen de laagste koers in het eerste jaar en de verkoopkoers in 2003 (zie grafiek 3). Alleen in het nóg onwaarschijnlijker scenario dat de verkoopkoers in 2003 gelijk is aan of lager is dan de laagste koers in het eerste jaar heeft u geen opbrengst (zie grafiek 4). NB. Ter geruststelling: scenario’s 3 en 4 hebben zich de afgelopen 20 jaar nog nooit voorgedaan. Unieke optie: de 0% Koersrisico verzekering Het risico dat uw aandelen bij verkoop in 2003 minder waard zijn dan nu, kunt u afdekken met de 0% Koersrisico verzekering. Als premie betaalt u dan 15%/van het aankoopbedrag. De 0% Koersrisico verzekering garandeert dat uw aandelen tenminste tegen het aankoopbedrag verkocht worden op de einddatum. Door dit uitgekiende vangnet kunt u geen koersverlies lijden. N.B. Zonder 0% Koersrisico verzekering loopt u in 2003 het risico bij te moeten betalen. U kunt dan echter ook kiezen voor het aanhouden van uw aandelen.” 3.3. De afnemer heeft op 24 juli 2003 de restschuld aan Groeivermogen voldaan. Procesverloop collectieve procedure VCG 3.4. Bij dagvaarding van 2 mei 2005 heeft de Vereniging Consument & Geldzaken (hierna: VCG), samen met dertien individuele eisers - waaronder niet de afnemer - , (onder meer) gevorderd voor recht te verklaren dat Groeivermogen is tekortgeschoten in haar contractuele verplichtingen en/of onrechtmatig heeft gehandeld vanwege de schending van de op haar rustende zorgplicht jegens particuliere cliënten (hierna: de collectieve actie). 3.5. Bij vonnis van 8 augustus 2007 heeft de rechtbank Utrecht deze vordering gedeeltelijk toegewezen en (onder 8.1) voor recht verklaard dat Groeivermogen ten aanzien van de contracten GroeiVermogen, BeursVersneller, VermogensVersneller en KoerswinstStapelaar onrechtmatig heeft gehandeld vanwege de schending van de op haar rustende zorgplicht jegens haar particuliere cliënten. Daarnaast heeft de rechtbank aan één individuele eiser schadevergoeding toekend. 3.6. VCG en de overige individuele eisers hebben tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld. Na gedeeltelijk royement, is dit hoger beroep enkel ten aanzien van VCG voortgezet. Het gerechtshof Amsterdam (nevenzittingsplaats Arnhem) heeft op 25 maart 2014, 21 april 2015 en 26 februari 2019 een drietal tussenarresten gewezen. 3.7. Op 20 augustus 2019 heeft dit hof eindarrest gewezen. Het hof heeft daarin het vonnis van de rechtbank Utrecht van 8 augustus 2007 bekrachtigd, behoudens voor wat betreft de verklaring voor recht onder 8.1, dit vonnis in zoverre vernietigd en (met compensatie van kosten en onder afwijzing van alle overige vorderingen) als volgt beslist: “verklaart voor recht dat Groeivermogen wat betreft het Contract GroeiVermogen en wat betreft die tranches van het Contract VermogensVersneller die een restschuldrisico kenden, onrechtmatig heeft gehandeld door schending van de op haar rustende bijzondere zorgplicht; verklaart voor recht dat Groeivermogen onrechtmatig heeft gehandeld door cliënten aan te nemen van een cliëntenremisier zonder vergunning, indien de cliëntenremisier jegens de belegger als financieel adviseur is opgetreden en Groeivermogen hiervan op de hoogte was of behoorde te zijn;. 3.8. Tegen het eindarrest is geen cassatieberoep ingesteld, zodat dit arrest op 20 november 2019 in kracht van gewijsde is gegaan. 4De toelichting op de beslissing van het hof Valt het product onder de collectieve actie? 4.1. Partijen verschillen van mening over de beantwoording van de vraag of het product dat de afnemer bij Groeivermogen heeft aangeschaft, dus de VermogensVersneller 1998/3 valt onder het bereik van de gevoerde collectieve actie. Deze vraag is van belang voor het verweer van Groeivermogen dat de vordering van de afnemer is verjaard en voor de stelling van de afnemer dat Groeivermogen haar zorgplicht heeft geschonden. Afnemer beantwoordt die vraag bevestigend. Volgens Groeivermogen heeft de uitspraak in de collectieve actie, voor zover het betreft haar product VermogensVersneller, alleen betrekking op de tranche VermogensVersneller 1997/3 en dan alleen nog voor zover er geen koersrisicoverzekering was afgesloten en er niet vooruit werd betaald. 4.2. Het hof is het eens met het standpunt van afnemer. Als wordt gekeken naar de vorderingen van VCG zoals die zijn ingesteld in de collectieve procedure en de beoordeling door de rechtbank en het hof, blijkt daaruit dat de inzet daarvan was de zorgplichtschending ten tijde van het aangaan van diverse Groeivermogen-contracten, waaronder het product VermogensVersneller. Dat de over dit product verstrekte informatie (brochures) door de jaren heen enkele (meestal kleine) wijzigingen heeft ondergaan is bij de beoordeling van de collectieve actie expliciet onderkend. Niettemin heeft de rechtbank geoordeeld dat Groeivermogen in haar zorgplicht jegens de deelnemers van dit product is tekortgeschoten omdat zij onvoldoende heeft gewaarschuwd voor het risico van het verlies van de inleg (betaalde rente en premie) en het ontstaan van een restschuld en omdat de informatie onvolledig was over het met dit product te behalen rendement, wilden de deelnemers aan het einde van de looptijd een uitkering ontvangen die hun investering minus eventueel fiscaal voordeel zou overtreffen. 4.3. Uit het vonnis blijkt dat de rechtbank Utrecht bij zijn oordeel niet alleen is afgegaan op de informatie die is verstrekt ten aanzien van VermogensVersneller 1997/3, maar ook van de versie 1998/4 en – blijkens de verwijzing naar een eerdere uitspraak van 5 april 2006 – daarnaast acht heeft geslagen op de versie 1998/3. Ook in die uitspraak komt de rechtbank overigens tot de conclusie dat Groeivermogen haar zorgplicht heeft geschonden doordat de informatie over het product onvolledig was. In het dictum van de collectieve actie onder 8.1 heeft de rechtbank de verklaring voor recht gegeven met betrekking tot (onder meer) het product VermogensVersneller, zonder enige beperking naar de verschillende in de overwegingen betrokken jaren of tranches. 4.4. In hoger beroep heeft het hof naar aanleiding van klachten van Groeivermogen overwogen dat ten aanzien van VermogensVersneller-contracten die geen risico van een restschuld meebrachten (“omdat een koersrisicoverzekering was ingebouwd en/of de gehele inleg plus rente werd vooruitbetaald”) de door de rechtbank afgegeven verklaring voor recht diende te worden aangepast in die zin dat de zorgplichtschending van Groeivermogen uitsluitend geldt voor die tranches van het contract VermogensVersneller die een restschuldrisico kenden. Uit het voorgaande volgt dat het contract VermogensVersneller volledig onderdeel heeft uitgemaakt van de rechtsstrijd in de collectieve procedure en de vordering van afnemer die is gebaseerd op het contract VermogensVersneller 1998/3 onder het bereik van de collectieve actie valt. 4.5. De stelling van Groeivermogen dat het door de afnemer gesloten contract geen restschuldrisico kende in de zin van het dictum van het eindarrest in de collectieve actie, mist feitelijke grondslag, omdat vaststaat dat bij deze afnemer een restschuld is ontstaan (zie hiervoor onder 3.1 en 3.3). Voor zover Groeivermogen nog heeft betoogd dat het restschuldrisico bij voorbaat werd afgedekt door de belastingteruggave, mist dat betoog iedere onderbouwing. Bovendien heeft Groeivermogen het restschuldrisico erkend door te betogen dat de afnemer een 0% Koersrisico verzekering had kunnen afsluiten om dit risico af te dekken (op welk betoog hierna wordt teruggekomen). 4.6. Het hof wijst er ten slotte op dat het in de zaak [afnemerX] /Groeivermogen tot hetzelfde oordeel is gekomen en dat de daartegen aangevoerde cassatieklachten (onderdeel 3 van het cassatiemiddel) met toepassing van artikel 81 RO zijn verworpen. Beroep op verjaring slaagt niet 4.7. Met zijn grieven (klachten) bestrijdt de afnemer het oordeel van de kantonrechter dat zijn vordering is verjaard omdat hij die niet op de voet van artikel 3:316 lid 2 BW binnen zes maanden na het eindigen van de collectieve procedure heeft ingesteld (gevolgd door toewijzing van de vordering). 4.8. In zijn hiervoor (rov. 4.6) genoemde tussenarrest van 21 februari 2023 in de zaak [afnemerX] /Groeivermogen heeft dit hof het beroep op verjaring door Groeivermogen verworpen. De Hoge Raad heeft de juistheid van de oordelen van het hof bevestigd en het cassatieberoep tegen de uitspraak van het hof verworpen in zijn arrest van 27 september 2024. Wat het hof in de zaak [afnemerX] /Groeivermogen heeft geoordeeld neemt het hof over in deze zaak. De feiten in de onderhavige zaak verschillen op de voor het beroep op verjaring relevante punten niet van die in de zaak [afnemerX] /Groeivermogen. Ook in deze zaak is niet in geschil dat de verjaringstermijn nog liep op het moment waarop de collectieve procedure aanhangig werd gemaakt. Ook het onderhavige product valt onder het bereik van de collectieve actie (zie 4.1 tot en met 4.6). Uitgangspunt is dat het instellen van de vordering van de Vereniging Consument en Geldzaken in de collectieve actie de verjaring van individuele vorderingen die op de collectieve actie aansluiten, op de voet van artikel 3:316 lid 1 BW heeft gestuit totdat de uitspraak in de collectieve actie in kracht van gewijsde is gegaan. Toewijzing in die collectieve procedure van de gevorderde verklaring voor recht brengt mee dat vanaf de dag na het in kracht van gewijsde gaan van de toewijzende uitspraak in de collectieve actie een nieuwe verjaringstermijn begint te lopen voor de vorderingen van individuele belanghebbenden die op de collectieve actie aansluiten, die gelijk is aan de oorspronkelijke verjaringstermijn, in dit geval vijf jaar. Het eindarrest van het hof van 20 augustus 2019 in de collectieve actie heeft op 20 november 2019 kracht van gewijsde gekregen. Vanaf 21 november 2019 is voor de onderhavige vordering tot schadevergoeding op grond van onrechtmatige daad een nieuwe verjaringstermijn van vijf jaar gaan lopen. 4.9. De vordering is ruimschoots binnen die termijn in rechte ingesteld en dus faalt het beroep op verjaring. 4.10. Daarmee slagen de grieven. Dat brengt mee dat het hof zich alsnog moet buigen over de vordering zoals die bij de kantonrechter is ingesteld en de daartegen aangevoerde andere verweren dan het beroep op verjaring. Het hof zal achtereenvolgens bespreken: het beroep op schending van de klachtplicht de schending van de zorgplicht het causaal verband de omvang van de schadevergoedingsplicht/eigen schuld de omvang van de schade/voordeelsverrekening wettelijke rente buitengerechtelijke kosten. Beroep op schending van de klachtplicht slaagt niet 4.11. Volgens Groeivermogen is het recht van de afnemer om schadevergoeding te vorderen, komen te vervallen, omdat de afnemer niet binnen bekwame tijd na het (kunnen) ontdekken van het gebrek in de prestatie van de zijde van Groeivermogen hierover bij Groeivermogen heeft geprotesteerd. Volgens Groeivermogen is pas voor het eerst inhoudelijk over schending van de zorgplicht geklaagd in de inleidende dagvaarding. 4.12. De vordering van de afnemer is gebaseerd op de stelling dat Groeivermogen bij het aangaan van de overeenkomst haar jegens de afnemer in acht te nemen zorgplicht heeft geschonden door niet of onvoldoende te waarschuwen voor het risico van een restschuld. 4.13. Artikel 6:89 BW is van toepassing op alle verbintenissen, waaronder volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad ook de verbintenissen die voor een bank in het kader van een beleggingsadviesrelatie uit haar zorgplicht jegens haar afnemer voortvloeien. Het hof gaat ervan uit dat ook in deze zaak, waar het gaat om een beroep op schending van de zorgplicht door een professionele dienstverlener op het terrein van beleggingen in effecten in de precontractuele fase, de klachtplicht van toepassing is. Het anders luidende standpunt van de afnemer is gebaseerd op de opvatting dat bij een vordering gebaseerd op onrechtmatige daad een beroep op de klachtplicht categorisch is uitgesloten. Die opvatting ziet eraan voorbij dat ook bij een vordering gebaseerd op onrechtmatige daad een beroep op de klachtplicht mogelijk is als de vordering is gericht tegen een schuldenaar en is gebaseerd op feiten die tevens de stelling zouden rechtvaardigen dat de prestatie niet aan de verbintenis beantwoordt. Die verbintenis vloeit in dit geval voort uit de redelijkheid en billijkheid die partijen in de precontractuele fase jegens elkaar in acht moeten nemen. Vervolgens is nog wel de vraag of (het verwijt luidt dat) de zorgplicht in het geheel niet is nagekomen – dus dat er niet is gepresteerd, in welk geval de klachtplicht niet geldt – of dat onvoldoende/gebrekkig is nagekomen, in welk geval de klachtplicht wel geldt. Het hof zal bij de verdere beoordeling veronderstellenderwijs van het laatste uitgaan, aangezien zal blijken dat dit Groeivermogen niet zal baten. 4.14. Indien de schuldenaar het verweer voert dat niet tijdig is geklaagd, is het aan de schuldeiser om gemotiveerd te stellen en zo nodig te bewijzen dat er geklaagd is en op welk moment. Vervolgens is het aan de schuldenaar om het bevrijdend verweer te voeren dat dit moment van klagen niet tijdig was. De schuldenaar dient dus de feiten en omstandigheden te stellen en zo nodig te bewijzen, waaruit voortvloeit dat er niet meer gesproken kan worden over een tijdige klacht. Het gaat dan in dit geval om feiten en omstandigheden waaruit kan volgen op welk moment de afnemer heeft ontdekt of bij een redelijkerwijs van hem te vergen onderzoek had behoren te ontdekken dat Groeivermogen haar zorgplicht had geschonden, alsmede dat het tijdsverloop vanaf dat moment tot aan het moment waarop de afnemer geklaagd heeft zo lang is geweest dat niet kan worden gesproken van een tijdige klacht als bedoeld in artikel 6:89 BW. Bij beantwoording van de vraag of de afnemer heeft voldaan aan de in artikel 6:89 BW besloten liggende onderzoeks- en klachtplicht moet acht worden geslagen op alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard en de inhoud van de rechtsverhouding, de aard en inhoud van de prestatie en de aard van het gestelde gebrek in de prestatie. De afnemer heeft pas een onderzoeksplicht op grond van dit artikel als hij het bestaan van de zorgplicht kent en gerede aanleiding heeft om een schending daarvan te vermoeden. Bij de beoordeling of het beroep van Groeivermogen op artikel 6:89 BW gegrond is, komt ook groot gewicht toe aan het antwoord op de vraag of zij nadeel lijdt door het tijdsverloop tussen het moment van ontdekking van de tekortkoming door de klant en het moment waarop is geprotesteerd, zoals verslechtering van de bewijspositie en schadebeperkingsmogelijkheden. 4.15. Vaststaat dat de afnemer in een brief van 18 mei 2020 bij Groeivermogen een verzoek heeft ingediend tot vergoeding van de door hem betaalde bedragen vanwege een zorgplichtschending. Vaststaat dan ook dat de afnemer in elk geval op dat moment heeft geklaagd. Volgens Groeivermogen is daarmee niet tijdig geklaagd. Een onderbouwing daarvoor ontbreekt echter. Groeivermogen had moeten stellen (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.