← Nederland

ECLI:NL:GHARL:2025:5540

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN zittingsplaats Leeuwarden Zaaknummer : Wahv 200.352.705/01 CJIB-nummer : 256047854 Uitspraak d.d. : 9 september 2025 Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant van 20 januari 2025, betreffende [de betrokkene] (hierna: de betrokkene), wonende te [woonplaats] . De gemachtigde van de betrokkene is M.J.M. Bergers, kantoorhoudende te Maastricht. De beslissing van de kantonrechter De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen. Het verloop van de procedure De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding. De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend. De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht. De advocaat-generaal heeft daarop gereageerd. De beoordeling

  1. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de officier van justitie de hoorplicht heeft geschonden. De gemachtigde stelt hierbij dat het hof in de uitspraak van 11 september 2024 (ECLI:NL:GHARL:2024:5796) heeft voorgesorteerd op een schending van de hoorplicht na 1 oktober
  2. Nu de beslissing van de officier van justitie dateert van 26 oktober 2023, dus ruimschoots na 1 oktober 2023, verzoekt de gemachtigde consequenties te verbinden aan de schending van de hoorplicht. De gemachtigde verwijst hierbij naar de arresten van het hof van 8 mei 2025 (ECLI:NL:GHARL:2025:2852) en 13 mei 2025 (ECLI:NL:GHARL:2025:2912), die zien op schending van de hoorplicht na 1 oktober
  3. Nu de officier van justitie duidelijk had gecommuniceerd dat vanaf 1 oktober de hoorplicht weer toegepast zou worden, mocht de betrokkene er op vertrouwen dat er nog een hoorzitting zou plaatsvinden. De verwijzing door de advocaat-generaal naar het arrest van het hof van 17 augustus 2023 (ECLI:NL:GHARL:2023:6930) gaat niet op.
  4. In deze zaak is op 14 april 2023 door de gemachtigde administratief beroep ingesteld. Op 26 april 2023 is de gemachtigde door de officier van justitie een extra schriftelijke ronde geboden ter vervangen van het (telefonisch) horen. Op 24 mei 2023 heeft de gemachtigde het beroep (schriftelijk) aangevuld, waarna de officier van justitie op 19 oktober 2023 op het beroep van de betrokkene heeft beslist.
  5. Het hof stelt vast dat sprake is van schending van de hoorplicht. In het arrest van 17 augustus 2023 (ECLI:NL:GHARL:2023:6930) heeft het hof geoordeeld dat het in de gelegenheid stellen schriftelijke gronden aan te voeren geen hoorzitting is als bedoeld in de Algemene wet bestuursrecht en dus niet in de plaats kan komen voor het horen. Het hof zal daarom de beslissing van de kantonrechter vernietigen, het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaren en ook die beslissing vernietigen. Het hof zal vervolgens het beroep tegen de inleidende beschikking beoordelen.
  6. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie van € 150,- opgelegd voor: “voor het motorrijtuig met een toegestane maximummassa van 3500 kg of minder heeft het keuringsbewijs geldigheid verloren”. Volgens een registercontrole van de RDW zou deze gedraging op 24 februari 2023 zijn verricht met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
  7. De gemachtigde voert aan dat het voertuig gedurende een aantal maanden bij de garage stond. De reparatie duurde van januari tot december door een storing die moeilijk te repareren was. Ter onderbouwing van dit verweer heeft de gemachtigde een door de garagehouder ondertekende verklaring overgelegd.
  8. Uit het dossier blijkt dat voor het betreffende voertuig op 23 december 2022 het keuringsbewijs geldigheid had verloren. Voorts kan worden vastgesteld dat de tenaamstelling van het voertuig niet was geschorst. De gedraging wordt ook niet betwist. Dat de gedraging is verricht, staat dan ook vast. Gelet op wat is aangevoerd dient het hof te beoordelen of er redenen zijn om het bedrag van de sanctie te matigen.
  9. Van dergelijke redenen is niet gebleken. Op grond van de wettelijke bepalingen met betrekking tot de keuringsplicht bestaat er een zorgplicht voor kentekenhouders om tijdig hun voertuig te laten keuren. Een kentekenhouder kan zich van deze verplichting bevrijden door de tenaamstelling van het voertuig te schorsen. De keuringsplicht geldt dan tijdelijk niet. De RDW voert registercontroles uit om na te gaan of de keuringsplicht wordt nageleefd. Als blijkt dat de geldigheid van het keuringsbewijs is verlopen, terwijl de tenaamstelling van het voertuig in het kentekenregister niet is geschorst, kan een sanctie worden opgelegd. Of het voertuig op de openbare weg is gebruikt dan wel kon worden gebruikt, speelt daarbij geen rol. Dit geldt eveneens voor de vraag of er sprake was van een onvoorzienbare omstandigheid. Indien het voor de betrokkene niet mogelijk bleek het voertuig tijdig te laten keuren, omdat het een moeilijk te repareren storing betrof, had de betrokkene zich van die verplichting kunnen bevrijden door de tenaamstelling van het kenteken in het kentekenregister te laten schorsen. Nu de betrokkene het schorsen van het kenteken in het kentekenregister heeft nagelaten, komen de gevolgen daarvan voor rekening van de betrokkene. De aangevoerde gronden treffen geen doel.
  10. Met betrekking tot de hierboven onder
  11. geconstateerde schending van de hoorplicht door de officier van justitie en eventueel daaraan te verbinden consequenties, overweegt het hof als volgt.
  12. Gelet op hetgeen het hof in de arresten van 22 november 2022 (ECLI:NL:GHARL:2022:9934) en 17 augustus 2023, (ECLI:NL:GHARL:2023:6930), heeft overwogen, leidt de geconstateerde schending van de hoorplicht in het onderhavige geval niet tot matiging van het sanctiebedrag. Voor zaken waarin een betrokkene in administratief beroep wordt bijgestaan door een gemachtigde worden aan de structurele schending van de hoorplicht door de officier van justitie geen consequenties voor de inleidende beschikking verbonden, omdat de professionele gemachtigde een extra schriftelijke ronde heeft gekregen om zijn standpunt naar voren te brengen en de officier van justitie op 1 oktober 2023 weer uitvoering zou gaan geven aan de verplichting tot het horen van gemachtigden. Hoewel de beslissing van de officier van justitie in deze zaak dateert van enkele weken na 1 oktober 2023, is de feitelijke situatie hier niet anders is dan de zaak die heeft geleid tot genoemd arrest van 17 augustus
  13. De verwijzing van de gemachtigde naar de arresten van het hof van 8 en 13 mei 2025 gaat niet op. In die zaken was sprake van door het openbaar ministerie erkend beleid om de hoorplicht in bepaalde soorten zaken bewust te schenden. De onderhavige zaak valt niet onder die categorie zaken. Daarom zal het hof aan deze schending van de hoorplicht geen consequenties verbinden voor de inleidende beschikking.
  14. Gezien het voorgaande zal het hof het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaren. Aanleiding voor het toekennen van een proceskostenvergoeding is er niet. Gelet hierop behoeft de aangevoerde grond met betrekking tot het per 1 januari 2024 gewijzigde artikel 13a, tweede lid, van de Wahv geen bespreking meer. De beslissing Het gerechtshof: vernietigt de beslissing van de kantonrechter; verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing; verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond; wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af. Dit arrest is gewezen door mr. De Witt, in tegenwoordigheid van mr. Landstra als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.