GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN locatie Leeuwarden nummer BK-ARN 23/1569 uitspraakdatum: 9 september 2025 Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer op het hoger beroep van [belanghebbende] h.o.d.n. [naam1] te [woonplaats] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 9 mei 2023, nummer LEE 21/2496, in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur van de Belastingdienst/Centrale administratieve processen (hierna: de Inspecteur) en de Minister van Justitie en Veiligheid (hierna: de Minister). 1Ontstaan en loop van het geding 1.1 Belanghebbende heeft op 29 augustus 2019 een bedrag van € 8.019 aan belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM) op aangifte voldaan. Belanghebbende heeft tegen de voldoening op aangifte bezwaar gemaakt. 1.2 Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de Inspecteur bij uitspraak op bezwaar het bezwaar ongegrond verklaard. 1.3 Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Noord-Nederland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 9 mei 2023 ongegrond verklaard, de Inspecteur en de Minister veroordeeld tot het betalen van een immateriële schadevergoeding, de Inspecteur en de Minister opgedragen ieder voor de helft het betaalde griffierecht te vergoeden, te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf vier weken na de datum waarop deze uitspraak is gedaan tot aan de dag van voldoening, en de Inspecteur en de Minister ieder voor de helft veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende. 1.4 Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. 1.5 Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 augustus 2025 te Leeuwarden. Daarbij zijn verschenen en gehoord A.F.J.M. Verhoeven, als de gemachtigde van belanghebbende, alsmede [naam2] en [naam3] namens de Inspecteur. 1.6 De gemachtigde van belanghebbende heeft voorafgaand aan de zitting een pleitnota naar het Hof en de wederpartij gestuurd, welke geacht wordt ter zitting te zijn voorgedragen. 1.7 Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat bij deze uitspraak is gevoegd. 2De vaststaande feiten 2.1 Met dagtekening 26 augustus 2019 heeft belanghebbende aangifte BPM gedaan voor een Chausson Trigano F14 ( [kenteken] ) (hierna: de kampeerauto). De verschuldigde BPM die is aangegeven bedraagt € 8.020, berekend naar een netto catalogusprijs van € 31.400, rekening houdend met een afschrijving aan de hand van de forfaitaire afschrijvingstabel. 2.2 De datum eerste toelating van de kampeerauto is 27 augustus 2018. 3Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen 3.1 In geschil is of de uitspraak van de Rechtbank juist is. 3.2 Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend en concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank. 3.3 De Inspecteur beantwoordt de hiervoor – onder 3.1 – vermelde vraag bevestigend en concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank. 3.4 Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan hebben zij ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in het bij deze uitspraak gevoegde proces-verbaal van de zitting. 4Beoordeling van het geschil Bevoegdheid uitleggen Unierecht 4.1 De gemachtigde van belanghebbende voert aan dat de nationale rechters het Unierecht niet mogen uitleggen en dat alleen het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof van Justitie) die bevoegdheid heeft. 4.2 Dit betoog kan niet slagen. De nationale rechters zijn verplicht om het Unierecht toe te passen (vgl. HvJ 14 september 2017, ECLI:EU:C:2017:687). Indien een nationale rechter het wenselijk of noodzakelijk acht, kan hij over de uitleg van het Unierecht prejudiciële vragen stellen aan het Hof van Justitie. Alleen de nationale rechter tegen wiens beslissingen geen hoger beroep kan worden ingesteld heeft op grond van artikel 267 van het Verdrag inzake de werking van de Europese Unie (VWEU) een plicht zich tot het Hof van Justitie te wenden bij vragen over de uitleg van het Unierecht als daarover onduidelijkheid bestaat. 4.3 In de onderhavige procedure ziet het Hof geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie. In dat verband wordt opgemerkt dat de uitspraken van het Hof vatbaar zijn voor cassatieberoep bij de Hoge Raad, zodat artikel 267 VWEU niet dwingt tot het voorleggen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie (vgl. Hof Arnhem-Leeuwarden 2 februari 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:936, r.o. 4.2). BPM-bedrag 4.4 Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de BPM te hoog is vastgesteld. Voor de restant BPM bij een binnenlandse kampeerauto wordt aangesloten bij de restantwaarde van de bestelauto waarop deze is gebaseerd. Door voor te importeren voertuigen een andere grondslag of heffingsmodaliteit te gebruiken, wordt inbreuk gemaakt op artikel 110 van het VWEU. De Inspecteur dient voor de waarde van de onderhavige geïmporteerde kampeerauto aan te sluiten bij een koerslijstwaarde van een soortgelijke of vergelijkbare binnenlandse bestelauto (Fiat, type Ducato). 4.5 De Rechtbank heeft met juistheid overwogen dat belanghebbende in het onderhavige geval aangifte heeft gedaan aan de hand van de forfaitaire afschrijvingstabel en niet op basis van een koerslijst of een taxatierapport. Bij de import van de kampeerauto is de afschrijving die volgt uit de tabel toegepast op de BPM die verschuldigd is voor een in Nederland nieuw geregistreerde kampeerauto. Dit heeft tot gevolg dat geen sprake is van het door belanghebbende gestelde verschil in heffingsmodaliteit tussen een binnenlandse kampeerauto en de door belanghebbende geïmporteerde kampeerauto. 4.6 Ter zitting van het Hof heeft de gemachtigde van belanghebbende nog gesteld dat het mogelijk zou moeten zijn om voor een kampeerauto aangifte te doen met behulp van een koerslijst. Nu een koerslijst voor kampeerauto’s ontbreekt, zou aangifte mogelijk moeten zijn op basis van een koerslijst voor bestelauto’s. Dit betoog stuit evenwel af op de gronden zoals weergegeven in het arrest van de Hoge Raad van 12 mei 2017 (ECLI:NL:HR:2017:847). Zoals de gemachtigde van belanghebbende ter zitting van het Hof heeft aangegeven, verzoekt hij voor die situatie niet om de Inspecteur te gelasten een koerslijst over te leggen, noch verzoekt hij om aanhouding van de zaak om zelf een koerslijst te kunnen overleggen. 4.7 Volgens belanghebbende is de kampeerauto te naam gesteld op 9 september 2019 en is de BPM betaald op 29 augustus 2019. De BPM is daarmee volgens belanghebbende 12 dagen te vroeg betaald en het voorafgaand aan de registratie moeten betalen van BPM is in strijd met het Unierecht. Volgens belanghebbende moet dit leiden tot een vergoeding van € 22. 4.8 Het Hof volgt belanghebbende niet in zijn stelling op de gronden gegeven in het arrest van de Hoge Raad van 15 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:1087, r.o. 3.1.3. Naar het oordeel van het Hof is de verschuldigde BPM juist vastgesteld. Voor terugwijzing naar de Inspecteur ziet het Hof geen termen. Belasting onverschuldigd gedaan 4.9 Belanghebbende heeft gesteld dat hij de BPM onverschuldigd heeft voldaan, nu hij niet de eerste kentekenhouder in Nederland is. 4.10 Op grond van artikel 7, eerste lid, van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 is degene die de aanvraag voor de inschrijving van een personenauto in het kentekenregister doet, gehouden de belasting op aangifte te voldoen (vgl. HR 11 april 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE3220). 4.11 Niet in geschil is dat belanghebbende de aangifte heeft gedaan en op aangifte de BPM heeft voldaan. Blijkens het tot de stukken van het geding behorende aangiftebiljet van 26 augustus 2019, heeft belanghebbende onder vraag 2 van het aangiftebiljet en onder vermelding van zijn eigen burgerservicenummer aangifte gedaan voor de BPM. Bij vraag 5a van het aangiftebiljet is door belanghebbende de vraag “Is de onder vraag 2 genoemde persoon de aanvrager van het kenteken bij de RDW?” als antwoord “ja” aangekruist. Daarmee mist de stelling van belanghebbende feitelijke grondslag. Rente over de betaalde BPM 4.12 Belanghebbende maakt aanspraak op een passende rentevergoeding over de op grond van het Unierecht onverschuldigd betaalde BPM. Belanghebbende heeft in dat verband gesteld dat artikel 28c van de Invorderingswet 1990 onverbindend is. Volgens belanghebbende vloeit het recht op vergoeding van rente – over de gehele termijn waarover zij niet over de onverschuldigd betaalde belasting heeft kunnen beschikken – rechtstreeks uit het Unierecht voort, zonder dat daaraan een verzoek ten grondslag behoeft te worden gelegd. Naar het oordeel van het Hof, behoeft deze grief geen behandeling, aangezien belanghebbende in het onderhavige geval niet te veel BPM op aangifte heeft voldaan. Immateriële schadevergoeding in de beroepsfase 4.13 De Rechtbank heeft in haar uitspraak, waarvan hoger beroep, met betrekking tot de immateriële schadevergoeding het volgende overwogen (daarbij wordt met “verweerder” de Inspecteur bedoeld en met “eiser” belanghebbende): “9. Eiser heeft in zijn stukken verzocht om een immateriële schadevergoeding (ISV). Eiser stelt dat de redelijke termijn voor berechting in eerste aanleg is overschreden zodat op grond daarvan recht bestaat op ISV. 9.1. De rechtbank overweegt als volgt. Volgens vaste jurisprudentie geldt voor een uitspraak in eerste aanleg dat deze niet binnen een redelijke termijn is geschied als de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak doet, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. In die termijn is de duur van de bezwaarfase begrepen. De termijn vangt aan op de dag van ontvangst van het bezwaarschrift en eindigt op de dag van de uitspraak in het beroep. Als de redelijke termijn is overschreden, dan moet de rechtbank beoordelen in hoeverre die overschrijding is toe te rekenen aan verweerder en in hoeverre aan de rechtbank. Daarbij heeft te gelden dat de bezwaarfase niet langer dan een half jaar mag duren en de beroepsfase niet langer dan anderhalf jaar. De ISV bedraagt forfaitair € 500 per half jaar (of deel daarvan) van overschrijding. [Noot 5: Zie Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252.] 9.2. Verweerder heeft gesteld dat de termijn van twee jaar verlengd moet worden met 3 maanden omdat er in de periode november 2019 tot en met februari 2020 overleg was tussen partijen om voor alle landelijk aanhangige zaken van de gemachtigde van eiser tot een compromis te komen. Verweerder heeft gesteld dat de gemachtigde van eiser heeft verklaard zich voor die periode niet op overschrijding van de redelijke termijn te beroepen. 9.3. Met betrekking tot de verlenging van de redelijke termijn vanwege de pogingen om tot een compromis te komen, overweegt de rechtbank dat de daarover gemaakte afspraken niet door de gemachtigde van eiser zijn betwist. De rechtbank gaat er daarom met verweerder vanuit dat eiser voor de duur van deze periode heeft ingestemd met verlenging van de termijn. De rechtbank zal daarom de redelijke termijn met 3 maanden verlengen op grond van de door verweerder aangevoerde omstandigheden. 9.4. De rechtbank overweegt dat verweerder het bezwaarschrift op 25 september 2019 heeft ontvangen. Tot de datum van deze uitspraak zijn er dus 3 jaar en 7 ½ maanden verstreken. De totale overschrijding – rekening houdend met de hiervoor genoemde verlenging van de redelijke termijn – bedraagt hierdoor 16 ½ maanden. Dit leidt tot een ISV van € 1.500. De uitspraak op bezwaar is gedaan op 16 juli 2021. De bezwaarfase heeft dus 21 ½ maanden geduurd. Dat is 15 ½ maanden te lang. Hierop komen 3 maanden in mindering (zie 9.3.) De termijnoverschrijding is dus voor 12 ½ maanden toe te rekenen aan verweerder, dat is dus 12 ½ / 16 ½ x € 1.500 = € 1.136. De rest (ongeveer 4 maanden) komt voor rekening van de rechtbank en dus voor de Minister, dat is dus 4/16 ½ x € 1.500 = € 364.” 4.14 Het Hof onderschrijft de hierboven onder 9.1. weergegeven overweging van de Rechtbank en neemt deze over. Het Hof voegt daar aan toe dat de Inspecteur zijn stelling als weergegeven in de uitspraak van de Rechtbank onder 9.2. heeft herhaald in hoger beroep. Anders dan in eerste aanleg heeft belanghebbende die stelling in hoger beroep betwist door aan te voeren dat de onderhavige zaak niet in dat overleg begrepen was, aangezien deze zaak in eerste aanleg niet is gevoerd bij de rechtbank Gelderland. Het Hof wijst erop dat de Inspecteur in dit geding geen stukken heeft ingebracht betreffende het gestelde overleg om tot een compromis te komen voor alle zaken waarbij de gemachtigde is betrokken en de gestelde verklaring dat laatstgenoemde zich voor de periode van het gevoerde overleg niet op overschrijding van de redelijke termijn zou beroepen (zie anders Hof Arnhem-Leeuwarden 9 juli 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:4599). Gelet hierop en in samenhang met de gemotiveerde weerspreking door belanghebbende is het Hof van oordeel dat de Inspecteur in dit geding niet aannemelijk heeft gemaakt dat grond bestaat voor verlenging van de redelijke termijn en is het gelijk op dit punt aan de zijde van belanghebbende. Het Hof volgt belanghebbende echter niet in zijn stelling dat op grond van het Unierecht een hogere vergoeding dan het forfaitaire bedrag van € 500 per half jaar (of een deel daarvan) overschrijding aangewezen is. Dit leidt tot een (verdere) overschrijding van de redelijke termijn tot 19½ maanden en derhalve tot een vergoeding van immateriële schade van 4 x € 500 is € 2.000. De bezwaarfase heeft 21½ maanden geduurd. Dat is 15 ½ maanden te lang. De termijnoverschrijding is dus voor 15 ½ maanden toe te rekenen aan de Inspecteur, dat is dus 15 ½ / 19 ½ x € 2.000 = (afgerond) € 1.590. De rest (ongeveer 4 maanden) komt voor rekening van de Minister, dat is dus 4/19 ½ x € 2.000 = (afgerond) € 410. Immateriële schadevergoeding in de hogerberoepsfase 4.15 Belanghebbende heeft in zijn pleitnota van 31 juli 2025 voor het eerst verzocht om een vergoeding van immateriële schade in de hogerberoepsfase. Het hoger beroep is ingesteld op 12 juni 2023. Aangezien deze uitspraak heden is gedaan, is sprake van overschrijding van de redelijke behandelingstermijn met minder dan 12 maanden. 4.16 In het onderhavige geval is echter sprake van een bijzondere omstandigheid op grond waarvan geen spanning en frustratie kan worden verondersteld, aangezien het financiële belang bij de procedure minder dan € 1.000 bedraagt en de redelijke termijn met niet meer dan twaalf maanden is overschreden. Het Hof kan daarom volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden (HR 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853). 4.17 Het financiële belang kan alleen betrekking hebben op een of meer belastingaanslagen en/of voor bezwaar vatbare beschikkingen als bedoeld in artikel 26, leden 1 en 2, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen waarover de belastingplichtige een procedure voert (fiscale beschikkingen). Bij de vaststelling van dat financiële belang wordt daarom geen rekening gehouden met het belang dat is gemoeid met nevenbeslissingen van bestuursorganen en rechters met betrekking tot zo’n procedure, dat wil zeggen beslissingen die verband houden met het voeren van bezwaar- en beroepsprocedures. Dat betreft bijvoorbeeld beslissingen over vergoeding van proceskosten, griffierechten, wettelijke rente en materiële en/of immateriële schade, en beslissingen over de verschuldigdheid van een dwangsom wegens niet tijdig beslissen. Het financiële belang bij de procedure bestaat in beginsel uit het financiële voordeel dat de belanghebbende met betrekking tot de fiscale beschikking(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.