Afdeling strafrecht Parketnummer: 21-003088-22 Uitspraakdatum: 12 februari 2025 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, zittingslocatie Badhoevedorp, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, van 5 juli 2022 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken met parketnummers 16-659034-19, 16-659022-20, 16-659023-20, 16-659025-20, 16-659036-19, 16-659043-20, 16-659072-19, 16-659077-19 en 16-659126-19 tegen [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] ( [land] ) op [geboortedatum] 1970, momenteel verblijvende in [PI ] . 1INLEIDING 1.
- De loop van het onderzoek Op 7 juli 2017 is [slachtoffer 21] van het leven beroofd bij NS-station Breukelen (deelonderzoek Breuk). De politie kwam al snel op het spoor van twee verdachten, [kroongetuige] en [naam 24] . [kroongetuige] werd in oktober 2017 aangehouden in Spanje; [naam 24] in Nederland. [kroongetuige] heeft als verdachte vrijwel direct een bekennende verklaring afgelegd. Vervolgens werd duidelijk dat hij in staat en bereid was om meer te verklaren over mededaders en opdrachtgevers in het onderzoek Breuk, en ook over andere ernstige strafbare feiten. Hij heeft diverse kluisverklaringen afgelegd en uiteindelijk is met hem in november 2018 een overeenkomst als kroongetuige gesloten. Zijn verklaringen hebben nieuwe aanknopingspunten gegeven voor liquidatie-onderzoeken die waren vastgelopen en er is zicht gekregen op een groep personen die zich bezig leek te houden met het plegen van liquidaties en andere strafbare feiten die daarmee verband houden. Op 21 november 2018 is een landelijke actiedag gehouden, waarop vele aanhoudingen zijn verricht en een zeer groot aantal gegevensdragers in beslag is genomen. Het onderzoek naar deze criminele organisatie en de feiten die in dat kader zijn gepleegd, heeft de naam Eris gekregen. 1.
- Het onderzoek Eris Het onderzoek Eris heeft betrekking op 21 verdachten, die ervan worden beschuldigd samen met anderen, al dan niet in wisselende samenstelling, betrokken te zijn geweest bij een of meer liquidaties, pogingen daartoe of voorbereiding daarvan. Zeventien verdachten worden beschuldigd van het vormen van een criminele organisatie gericht op liquidaties, voorbereidingen daartoe en wapendelicten. Daarnaast worden enkele verdachten beschuldigd van andere strafbare feiten. Bij negentien verdachten is uiteindelijk hoger beroep ingesteld en gehandhaafd. In de zaak van de kroongetuige is het door het openbaar ministerie ingestelde hoger beroep ingetrokken. Bij een van de verdachten in de zaak Breuk is geen hoger beroep ingesteld. In dit arrest zijn de beslissingen van het hof opgenomen die in de strafzaak tegen de hierboven genoemde verdachte zijn genomen en de overwegingen die daartoe hebben geleid. Het procesdossier Eris bestaat uit een groot aantal deelonderzoeken, die voor een groot deel onderling met elkaar zijn verweven, al is het maar door de daarop gebaseerde verdenking van deelname aan de criminele organisatie. Deze verwevenheid maakt dat het hof net als de rechtbank niet alleen op de verweren van de betreffende verdachte zal ingaan, maar waar nodig ook op wat in andere zaken is aangevoerd. Voor de leesbaarheid van het arrest gebruikt het hof in plaats van de termen ‘(mede)verdachte’ de namen van de (mede)verdachten: [verdachte] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 18] , [medeverdachte 17] , [medeverdachte 11] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 7] , [medeverdachte 12] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 6] , [medeverdachte 1] , [kroongetuige] , [naam 24] , [medeverdachte 13] , [medeverdachte 16] , [medeverdachte 15] , [medeverdachte 10] , [medeverdachte 9] , [medeverdachte 8] en [medeverdachte 19] . Het hof gebruikt een voorletter in die gevallen waarin meerdere personen in het dossier dezelfde achternaam hebben. Waar het hof de naam ‘ [kroongetuige] ’ noemt, gaat het om [kroongetuige] ; zijn vader wordt steeds aangeduid als [getuige 4] . [kroongetuige] heeft verklaard dat [verdachte] hem heeft verteld dat ene [naam 45] de opdrachtgever van een aantal liquidaties was. Die naam wordt ook genoemd in een van de door [verdachte] vastgelegde PGPgesprekken. De officier van justitie heeft in eerste aanleg toegelicht dat [naam 45] ook daadwerkelijk als verdachte wordt beschouwd: hij zou de persoon zijn die aan de organisatie van [verdachte] liquidatieopdrachten heeft gegeven. Meer in het bijzonder zou zijn gebleken dat [verdachte] communiceerde met een of meer personen met de volgende gebruikersnamen: ‘Sir’; ‘ENEMY FOR ALL MOTHERFUCKER(S)’; ‘TICKET TO HELL MOTHERFUCKERS’; ‘LAST MAN STANDING’. In het dossier van het onderzoek Eris wordt verwezen naar conclusies waarop de politie baseert dat achter deze PGP-namen de persoon van [naam 45] schuilgaat. De onderliggende onderzoeksbevindingen zijn deels afkomstig uit het onderzoek in de strafzaak Marengo, maar die zijn grotendeels niet gevoegd in het Erisdossier. Omdat [naam 45] in het onderzoek Marengo wordt vervolgd, heeft het openbaar ministerie ervoor gekozen om hem niet ook in het onderzoek Eris te dagvaarden. Dit heeft tot gevolg dat [naam 45] zich in dit proces niet heeft kunnen verweren en dat de rechtbank en het hof hem ook niet hebben kunnen confronteren met aanwijzingen dat hij achter de genoemde PGP-namen schuilgaat. Daarnaast is het voor het beoordelen van de rol van de verdachten in Eris ook niet van belang welke persoon of personen schuilgaan achter de hierboven genoemde gebruikersnamen. Het hof zal daarom spreken van ‘de opdrachtgever’, tenzij de verklaringen van [kroongetuige] of de inhoud van andere bewijsmiddelen wordt weergegeven waarin de naam [naam 45] wordt genoemd. 1.
- Het Eris-dossier De verschillende deelonderzoeken van het onderzoek Eris zijn in chronologische volgorde: Charon, de moord op [slachtoffer 11] op 31 januari 2017; Eend, het beramen van de moord op [slachtoffer 15] in de periode van 2 februari 2017 tot en met 10 januari 2018;
- Kraai, het beramen van de moord op [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] op 18 februari 2017;
- Spreeuw, het beramen van de moord op [slachtoffer 22] op 18 februari 2017;
- Mus, het beramen van de moord op [slachtoffer 3] op 18 februari 2017;
- Duif, het beramen van de moord op [slachtoffer 12] en [slachtoffer 17] op 18 februari 2017;
- Barbera, de poging tot/voorbereiding van de moord op [slachtoffer 10] op 9 maart 2017;
- Arford, de poging tot/voorbereiding van de moord op [slachtoffer 14] , [slachtoffer 5] , [slachtoffer 13] en [slachtoffer 20] op 17 maart 2017;
- Charlie17, de moord op [slachtoffer 18] op 17 april 2017;
- Gezicht, de poging om met een raketwerper een granaat af te schieten op een woning in Doorn op 28 juni 2017 en het schieten met een automatisch vuurwapen op een woning in Doorn op 29 juni 2017;
- Breuk, de voorbereiding van de moord op [slachtoffer 21] op 5 juli 2017 en de moord op [slachtoffer 21] op 7 juli 2017;
- Langenhorst, de moord op [slachtoffer 23] op 26 juli 2017;
- Lis, de moord op [slachtoffer 4] op 21 september 2017;
- Goudvink, de voorbereiding van de moord op [slachtoffer 6] in de periode van juli 2018 tot en met 24 september 2018;
- Art. 140 Sr, deelname aan de criminele organisatie in de periode van januari 2017 tot en met 21 november
- Daarnaast maken de volgende deelonderzoeken deel uit van het onderzoek Eris:
- Waterspin, de afpersing en poging tot afpersing van [slachtoffer 19] en [slachtoffer 8] in de periode van 2017-2018 (verdachten [medeverdachte 13] en [medeverdachte 19] );
- Amarone, het bezit van en de handel in vuurwapens van 15 augustus 2017 tot en met 16 april 2019 (verdachte [medeverdachte 1] );
- Brunello, de mishandeling van [slachtoffer 16] op 7 februari 2019 en het bezit van een vuurwapen op 25 oktober 2016 (verdachte [medeverdachte 6] ). De rechtbank heeft over de samenstelling van de dossiers het volgende overwogen: In de strafdossiers van iedere verdachte zijn, behalve het gehele zogeheten Eris-dossier (bovengenoemde achttien deelonderzoeken), tevens gevoegd: alle processen-verbaal van de terechtzittingen van de rechtbank tegen ieder van de Eris-verdachten, met uitzondering van de processen-verbaal over de persoonlijke omstandigheden van de verdachten; alle processen-verbaal van (getuigen)verhoor door de rechter-commissaris die in de zaken van één of meer van de verdachten zijn opgemaakt, met uitzondering van enkele getuigenverklaringen in de zaak Waterspin die alleen in de zaken van verdachten [medeverdachte 13] en [medeverdachte 19] zijn opgenomen; documenten en bescheiden die, op initiatief van de verdediging of anderszins, gedurende de procedure zijn toegevoegd aan het dossier in de zaak tegen één of meer verdachten. Hoewel de meeste verdachten al dan niet op verzoek van een medeverdachte op zitting als getuige zijn gehoord, zijn daarnaast alle processen-verbaal van de zittingen in alle dossiers gevoegd vóórdat het requisitoir en de pleidooien zijn gehouden. Daardoor maken alle verklaringen van alle verdachten zoals afgelegd op de zittingen in bijzijn van hun advocaat deel uit van het procesdossier, dus niet alleen de verklaringen die zij daar als getuige hebben afgelegd, maar ook de verklaringen die zij in hun eigen zaak hebben afgelegd. Dit maakt dat het dossier voor elke verdachte gelijkluidend is. Anders dan in eerste aanleg zijn de processen-verbaal van de behandeling ter zitting in hoger beroep in de zaken van de medeverdachten niet in het dossier van elke verdachte gevoegd. Wel zijn de aanvullingen op de diverse zaakdossiers in het dossier van elke verdachte gevoegd. Daarnaast is het proces-verbaal van het verhoor als getuige van een verdachte in een zaak van een medeverdachte ook gevoegd in het dossier van die verdachte. 1.
- De opbouw van de arresten De arresten zijn in beginsel als volgt opgebouwd: Hoofdstuk 1: Inleiding Hoofdstuk 2: Het vonnis van de rechtbank Hoofdstuk 3: Het hoger beroep Hoofdstuk 4: De verkorte weergave van de tenlastelegging Hoofdstuk 5: De voorvragen, overwegingen en algemene conclusies over de kroongetuige en overwegingen over het onderzoek aan gegevensdragers en locatiegegevens Hoofdstuk 6: De waardering van het bewijs en de conclusies van de veredelingen Hoofdstuk 7: De bewezenverklaring Hoofdstuk 8: De strafbaarheid van de feiten Hoofdstuk 9: De strafbaarheid van de verdachte Hoofdstuk 10: De strafmaat Hoofdstuk 11: Het beslag Hoofdstuk 12: De vorderingen van de benadeelde partijen Hoofdstuk 13: De toepasselijke wettelijke voorschriften Hoofdstuk 14: De beslissing Bijlage 1: De zittingsdagen in eerste aanleg en in hoger beroep per verdachte Bijlage 2: De tenlastelegging per verdachte Bijlage 3: De door het hof vastgestelde veredelingen en identificaties Bijlage 4: De door het hof gebruikte (andere) bewijsmiddelen In bijlage 3 bij dit arrest heeft het hof de gebruikers van diverse PGP-accounts, telefoons, en andere gegevensdragers veredeld en geïdentificeerd. Waar het hof in het arrest overweegt dat een gebruiker is veredeld/geïdentificeerd, verwijst het hof daarvoor naar de bewijsmiddelen en conclusies in deze bijlage
- In bijlage 4 heeft het hof per deelonderzoek de bewijsmiddelen opgenomen die het voor het bewijs in dat deelonderzoek gebruikt. In een aantal deelonderzoeken verwijst het hof op grond van de onderlinge verwevenheid daarbij naar bewijsmiddelen die in andere deelonderzoeken zijn gebruikt, voor zover zij in dat deelonderzoek voor het bewijs ook redengevend zijn. Gelet op de onderlinge verwevenheid van de deelonderzoeken, inclusief het deelonderzoek over de criminele organisatie waarbinnen het merendeel van de vermoedelijke strafbare feiten is gepleegd, zijn in geval van een bewezenverklaring de bijlagen 3 en 4 voor alle verdachten grotendeels gelijkluidend. Dit geldt niet voor de deelonderzoeken Waterspin, Amarone en Brunello. De feiten van die deelonderzoeken zouden niet in het verband van de criminele organisatie zijn gepleegd. De bewijsmiddelen van de feiten van die deelonderzoeken zijn bij een bewezenverklaring daarom alleen in een bijlage bij het vonnis van de verdachten in die deelonderzoeken opgenomen. 2HET VONNIS VAN DE RECHTBANK De rechtbank Midden-Nederland heeft [verdachte] bij vonnis van 5 juli 2022 veroordeeld voor de volgende strafbare feiten: het medeplegen van moord op [slachtoffer 11] (deelonderzoek Charon); het medeplegen van voorbereiding van moord op [slachtoffer 10] (deelonderzoek Barbera); het medeplegen van voorbereiding van moord op [slachtoffer 14] en [slachtoffer 5] (deelonderzoek Arford); het medeplegen van moord op [slachtoffer 18] (deelonderzoek Charlie17); het medeplegen van bedreiging van de bewoners van de [adres] in Doorn, het medeplegen van het voorhanden hebben van een raketwerper en een projectiel, het in vereniging geweld plegen tegen de woningen gelegen aan de [adres] en de [adres] in Doorn en het medeplegen van het voorhanden hebben van een vuurwapen en scherpe patronen (deelonderzoek Gezicht); het medeplegen van moord op [slachtoffer 21] (deelonderzoek Breuk); het medeplegen van moord op [slachtoffer 23] (deelonderzoek Langenhorst); het medeplegen van moord op [slachtoffer 4] (deelonderzoek Lis); het als leider deelnemen aan een criminele organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. De rechtbank heeft aan [verdachte] een levenslange gevangenisstraf opgelegd. [verdachte] heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld. Het hof zal het vonnis van de rechtbank vernietigen. Voor zover het hof zich kan vinden in de overwegingen van de rechtbank, neemt het die voor een deel over. 3HET HOGER BEROEP 3.
- Het onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg. Een overzicht van de zittingsdagen in eerste aanleg en in hoger beroep is opgenomen in bijlage
- Dit arrest wordt op tegenspraak gewezen. Na voorbereidende zittingen is op 1 december 2023 de inhoudelijke behandeling begonnen en zijn meerdere zittingsdagen gevolgd. Op verscheidene dagen is de kroongetuige op zitting gehoord en zijn de deelonderzoeken en vorderingen van de benadeelde partijen behandeld. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van de advocaten-generaal in het onderzoek Eris en van wat [verdachte] en zijn raadslieden, mrs. P.J. Hoogendam en J.W. Grift, naar voren hebben gebracht. Ook heeft het hof kennisgenomen van de vorderingen van de benadeelde partijen en hun eventuele toelichting op die vorderingen. Dit betreft in de onderhavige zaak de volgende personen: [benadeelde partij 1] , bijgestaan door mr. F.J.M. Hamers; [benadeelde partij 7] , bijgestaan door mr. F.J.M. Hamers; [benadeelde partij 8] , bijgestaan door mr. F.J.M. Hamers; [benadeelde partij 10] , bijgestaan door mr. F.J.M. Hamers; [benadeelde partij 12] , bijgestaan door mr. F.J.M. Hamers; [benadeelde partij 11] , bijgestaan door mr. F.J.M. Hamers; [benadeelde partij 9] , bijgestaan door mr. S. Tromp; [benadeelde partij 13] , bijgestaan door mr. F.A. ten Berge; [benadeelde partij 14] , bijgestaan door mr. F.A. ten Berge; [benadeelde partij 17] ; [benadeelde partij 5] ; [benadeelde partij 16] , bijgestaan door mr. W. van Egmond; [benadeelde partij 15] , bijgestaan door mr. N. Köse-Albayrak; [benadeelde partij 18] , bijgestaan door mr. N. Köse-Albayrak; [benadeelde partij 19] , bijgestaan door mr. N. Köse-Albayrak; [benadeelde partij 20] , bijgestaan door mr. N. Köse-Albayrak; [benadeelde partij 21] , bijgestaan door mr. N. Köse-Albayrak; [benadeelde partij 22] , bijgestaan door mr. N. Köse-Albayrak; [benadeelde partij 6] , bijgestaan door mr. F.J.M. Hamers; [benadeelde partij 2] , bijgestaan door mr. F.J.M. Hamers; [benadeelde partij 3] , bijgestaan door mr. F.J.M. Hamers; [benadeelde partij 4] , bijgestaan door mr. F.J.M. Hamers. 3.
- De omvang van het hoger beroep De rechtbank heeft [verdachte] vrijgesproken van de ten laste gelegde feiten in de deelonderzoeken Eend, Kraai, Spreeuw, Mus en Duif. Het hoger beroep van [verdachte] is onbeperkt ingesteld en is dus mede gericht tegen deze vrijspraak. Gelet op wat er is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor [verdachte] tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal [verdachte] daarom niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis gegeven vrijspraak. 3.
- Het verzoek tot het horen van de getuige [getuige 6] Op 22 november 2023 is verzocht om het horen als getuige van [getuige 6] . De belangrijkste reden om deze persoon te horen is gelegen in de verklaring van [verdachte] dat hij via [getuige 6] in contact is gekomen met een zekere [getuige 5] . [getuige 6] zou het contact van [verdachte] met [getuige 5] kunnen bevestigen en daarmee ook het bestaan van [getuige 5] . Het hof heeft het verzoek toegewezen op 8 december 2023 en daarbij bepaald dat de getuige in alle zaken diende te worden gehoord. Van de getuige is geen verblijfplaats bekend geworden. Hij is uitgeschreven uit de Basisregistratie Personen onder vermelding van ‘vertrek naar het buitenland’, zonder dat bekend is naar welk land hij is vertrokken. Het raadplegen van de politiesystemen heeft niet geleid tot aanknopingspunten voor een verblijfplaats van de getuige. De verdediging heeft geen informatie verschaft en ook anderszins is geen informatie naar voren gekomen waaruit zou kunnen blijken dat de niet te traceren getuige binnen een aanvaardbare termijn kan worden gehoord. Het hof heeft daarom van de oproeping van de niet verschenen getuige afgezien op de grond dat het onaannemelijk is dat de getuige binnen een aanvaardbare termijn (ter terechtzitting) zal verschijnen als bedoeld in artikel 288, eerste lid, aanhef en onder a, van het Wetboek van Strafvordering. Voordat het hof uitspraak doet heeft het zich ervan vergewist dat de procedure in haar geheel voldoet aan het door artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces ondanks dat [getuige 6] niet als getuige is gehoord. De getuige is een zogenoemde ‘defence witness’ en geen getuige die al een voor [verdachte] belastende verklaring heeft afgelegd die het hof eventueel voor het bewijs zou kunnen gebruiken. Er is bovendien een goede reden dat de verdediging de getuige niet heeft kunnen bevragen: hij bleek ondanks de nodige inspanningen vanaf 8 december 2023 van de autoriteiten niet te traceren. Daarbij komt dat er geen aanwijzingen zijn dat de getuige uit eigen wetenschap iets zou kunnen verklaren over de aan [verdachte] ten laste gelegde feiten. 3.
- Het verzoek tot het horen van de getuige [getuige 9] De verdediging van [medeverdachte 16] heeft verzocht de getuige [getuige 9] te horen. Dit verzoek is op 31 maart 2023 toegewezen. Het verzoek is voornamelijk van belang in de zaak tegen [medeverdachte 16] omdat de getuige mogelijk (nader) kan verklaren over een auto met het kenteken [kenteken] die door de getuige van 7 juni 2017 tot en met 18 juli 2017 is gehuurd en waarvan [medeverdachte 16] in die periode gebruik zou hebben gemaakt. Het hof heeft bepaald dat deze getuige ook in de zaken tegen de medeverdachten in de zaak Breuk ( [medeverdachte 13] , [verdachte] en [medeverdachte 4] ) diende te worden gehoord. De actuele verblijfplaats van [getuige 9] is niet bekend geworden. Er zijn meerdere pogingen gedaan om de verblijfplaats van de getuige te achterhalen. Het laatst bekende adres (in het buitenland) bleek niet meer actueel. Op verzoek van het hof en de raadsheer-commissaris heeft de politie geregeld gecontroleerd of inmiddels een verblijfplaats van de getuige bekend was. Dat heeft niet tot bekendheid met een verblijfadres van de getuige geleid. De verdediging heeft geen informatie verschaft en ook anderszins is geen informatie naar voren gekomen waaruit zou kunnen blijken dat de niet te traceren getuige binnen een aanvaardbare termijn kan worden gehoord. Het hof heeft daarom uiteindelijk van de oproeping van de niet verschenen getuige afgezien op de grond dat het onaannemelijk is dat de getuige binnen een aanvaardbare termijn (ter terechtzitting) zal verschijnen als bedoeld in artikel 288, eerste lid, aanhef en onder a, van het Wetboek van Strafvordering. Voordat het hof uitspraak doet heeft het zich ervan vergewist dat de procedure in haar geheel voldoet aan het door artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces ondanks dat [getuige 9] niet als getuige is gehoord. De getuige heeft tegenover de politie al een verklaring afgelegd, maar niet kan worden gezegd dat deze verklaring een voor [verdachte] belastende strekking heeft (de verklaring houdt in essentie in dat hij wel eens auto’s huurt, maar dat hij geen herinnering heeft aan de huur van een auto met het kenteken [kenteken] in juni/juli 2017). Het betreft ook geen verklaring die de rechtbank voor het bewijs heeft gebruikt of die het hof voor het bewijs zou willen gebruiken. Er is bovendien een goede reden dat de verdediging de getuige niet heeft kunnen bevragen: hij bleek ondanks de nodige inspanningen vanaf 31 maart 2023 van de autoriteiten niet te traceren. Daarbij komt dat er geen aanwijzingen zijn dat de getuige uit eigen wetenschap iets zou kunnen verklaren over de aan [verdachte] ten laste gelegde feiten. 4DE TENLASTELEGGING De tenlastelegging is op de zitting in eerste aanleg gewijzigd. De gewijzigde tenlastelegging is, voor zover in hoger beroep nog aan de orde, als bijlage 2 aan dit arrest gehecht. De verdenking komt er kort, feitelijk en chronologisch weergegeven op neer dat [verdachte] : Ten aanzien van het deelonderzoek Charon (16-659023-20) Primair: op 31 januari 2017 in Amsterdam met een ander of anderen [slachtoffer 11] heeft vermoord; Subsidiair: in de periode van 12 januari tot en met 31 januari 2017 in Amsterdam met een ander of anderen de moord op [slachtoffer 11] heeft uitgelokt; Meer subsidiair: in de periode van 12 januari tot en met 31 januari 2017 in Amsterdam en/of Rotterdam met een ander of anderen medeplichtig is geweest aan de moord op [slachtoffer 11] ; Meest subsidiair: in de periode van 12 januari tot en met 31 januari 2017 in Nederland met een ander of anderen voorbereidingshandelingen voor de moord op [slachtoffer 11] heeft verricht; Ten aanzien van de deelonderzoeken Barbera en Arford (16-659126-19) Feit 3, primair: op 9 maart 2017 in Spijkenisse met een ander of anderen heeft geprobeerd [slachtoffer 10] te vermoorden; Feit 3, subsidiair: in de periode van januari tot en met 9 maart 2017 in Spijkenisse met een ander of anderen de poging om [slachtoffer 10] te vermoorden heeft uitgelokt; Feit 3, meer subsidiair: in de periode van januari tot en met 9 maart 2017 in Spijkenisse met een ander of anderen heeft geprobeerd de moord op [slachtoffer 10] uit te lokken; Feit 3, meest subsidiair: in de periode van januari tot en met 9 maart 2017 in Spijkenisse met een ander of anderen voorbereidingshandelingen voor de moord op [slachtoffer 10] heeft verricht; Feit 4, primair: op 17 maart 2017 in Amsterdam met een ander of anderen heeft geprobeerd [slachtoffer 14] , [slachtoffer 13] , [slachtoffer 20] en/of [slachtoffer 5] te vermoorden; Feit 4, subsidiair: in de periode van januari tot en met 17 maart 2017 in Amsterdam met een ander of anderen de poging om [slachtoffer 14] , [slachtoffer 13] , [slachtoffer 20] en/of [slachtoffer 5] te vermoorden heeft uitgelokt; Feit 4, meer subsidiair: in de periode van januari tot en met 17 maart 2017 in Amsterdam met een ander of anderen heeft geprobeerd de moorden op [slachtoffer 14] , [slachtoffer 13] , [slachtoffer 20] en/of [slachtoffer 5] uit te lokken; Feit 4, meest subsidiair: in de periode van januari tot en met 17 maart 2017 in Amsterdam met een ander of anderen voorbereidingshandelingen voor de moorden op [slachtoffer 14] , [slachtoffer 13] , [slachtoffer 20] en/of [slachtoffer 5] heeft verricht; Ten aanzien van het deelonderzoek Charlie17 (16-659077-19) Primair: op 17 april 2017 in Den Haag met een ander of anderen [slachtoffer 18] heeft vermoord; Subsidiair: in de periode van 1 januari tot en met 17 april 2017 in Zoetermeer, Utrecht, Amstelveen, Den Haag en/of Almere samen met een ander of anderen de moord op [slachtoffer 18] heeft uitgelokt; Ten aanzien van het deelonderzoek Gezicht (16-659072-19) Feit 1, primair: op 28 juni 2017 in Doorn met een ander of anderen heeft geprobeerd personen in/rond de woning aan de [adres] te doden door een raketwerper op de woning te richten en de trekker over te halen; Feit 1, subsidiair: in de periode van 26 juni tot en met 28 juni 2017 in Almere, Mijdrecht en/of Doorn de poging om personen in/rond de woning aan de [adres] te doden heeft uitgelokt; Feit 1, meer subsidiair: in de periode van 26 juni tot en met 28 juni 2017 in Almere, Mijdrecht en/of Doorn met een ander of anderen medeplichtig is geweest aan de poging om personen in/rond de woning aan de [adres] te doden; Feit 1, meer meer subsidiair: op 28 juni 2017 in Doorn met een ander of anderen personen in/rond de woningen aan de [adres] en [adres] met de dood heeft bedreigd door een raketwerper te richten; Feit 1, nog meer meer subsidiair: in de periode van 26 juni tot en met 28 juni 2017 in Almere, ijdrecht en/of Doorn de bedreiging van personen in/rond de woningen aan de [adres] en [adres] heeft uitgelokt; Feit 1, meest subsidiair: in de periode van 26 juni tot en met 28 juni 2017 in Almere, Mijdrecht en/of Doorn met een ander of anderen medeplichtig is geweest aan de bedreiging van personen in/rond de woningen aan de [adres] en [adres] ; Feit 2: op 28 juni 2017 in Doorn met een ander of anderen een raketwerper en/of projectiel voorhanden heeft gehad; Feit 3, primair: op 29 juni 2017 in Doorn met een ander of anderen heeft geprobeerd personen in/rond de woning aan de [adres] en een naastgelegen woning te doden door met een vuurwapen op die woningen te schieten; Feit 3, subsidiair: in de periode van 26 juni tot en met 29 juni 2017 in Almere, Mijdrecht en/of Doorn met een ander of anderen de poging tot het doden van personen in/rond de woningen aan de [adres] heeft uitgelokt; Feit 3, meer subsidiair: in de periode van 26 juni tot en met 29 juni 2017 in Almere, Mijdrecht en/of Doorn met een ander of anderen medeplichtig is geweest aan de poging tot het doden van personen in/rond de woningen aan de [adres] ; Feit 3, meer meer subsidiair: op 29 juni 2017 in Doorn openlijk geweld heeft gepleegd op de [adres] door woningen te beschieten; Feit 3, nog meer meer in de periode van 26 juni tot en met 29 juni 2017 in Almere, subsidiair: Mijdrecht en/of Doorn met een ander of anderen het plegen van openlijk geweld op de [adres] heeft uitgelokt; Feit 3, nog meer meer meer subsidiair: in de periode van 26 juni tot en met 29 juni 2017 in Almere, Mijdrecht en/of Doorn met een ander of anderen medeplichtig is geweest aan het plegen van openlijk geweld op de [adres] ; Feit 3, nog meer meer meer meer subsidiair: op 29 juni 2017 in Doorn met een ander of anderen personen in/rond de woningen aan de [adres] met de dood heeft bedreigd door met een vuurwapen op die woningen te schieten; Feit 3, nog meer meer meer meer meer subsidiair: in de periode van 26 juni tot en met 29 juni 2017 in Almere, Mijdrecht en/of Doorn de bedreiging van de bewoners van de [adres] heeft uitgelokt; Feit 3, meest subsidiair: in de periode van 26 juni tot en met 29 juni 2017 in Almere, Mijdrecht en/of Doorn met een ander of anderen medeplichtig is geweest aan de bedreiging van de bewoners van de [adres] ; Feit 4: op 29 juni in Doorn met een ander of anderen een vuurwapen en scherpe patronen voorhanden heeft gehad; Ten aanzien van het deelonderzoek Breuk (16-659034-19) Primair: op 7 juli 2017 in Breukelen [slachtoffer 21] met een ander of anderen heeft vermoord; Subsidiair: in de periode van 5 juli tot en met 7 juli 2017 in Zoetermeer, Den Haag, Almere, Leiden en/of Mijdrecht met een ander of anderen de moord op [slachtoffer 21] heeft uitgelokt; Meer subsidiair: in de periode van 5 juli tot en met op 7 juli 2017 in Zoetermeer, Den Haag, Almere, Leiden en/of Mijdrecht met een ander of anderen medeplichtig is geweest aan de moord op [slachtoffer 21] ; Ten aanzien van het deelonderzoek Langenhorst (16-659036-19) Primair: op 26 juli 2017 in Rotterdam met een ander of anderen [slachtoffer 23] heeft vermoord; Subsidiair: in de periode van 1 april tot en met 26 juli 2017 in Zoetermeer, Utrecht, Amstelveen, Vinkveen en/of Mijdrecht met een ander of anderen de moord op [slachtoffer 23] heeft uitgelokt; Meer subsidiair: in de periode van 1 april tot en met 26 juli 2017 in Zoetermeer, Utrecht, Amstelveen, Vinkveen en/of Mijdrecht met een ander of anderen medeplichtig is geweest aan de moord op [slachtoffer 23] ; Ten aanzien van het deelonderzoek Lis (16-659022-20) Primair: op 21 september 2017 in Spijkenisse met een ander of anderen [slachtoffer 4] heeft vermoord; Subsidiair: in de periode van 1 april tot en met 26 juli 2017 in Zoetermeer, Utrecht, Amstelveen, Vinkveen en/of Mijdrecht met een ander of anderen de moord op [slachtoffer 4] heeft uitgelokt; Ten aanzien van het deelonderzoek Criminele organisatie (16-659043-20) in de periode van 1 januari 2017 tot en met 21 november 2018 in Den Haag, Leiden, Almere, Rotterdam, Spijkenisse, Breukelen, Mijdrecht, Zoetermeer en/of Doorn heeft deelgenomen aan een criminele organisatie die als oogmerk het plegen van levensdelicten, de voorbereiding daarvan en het voorhanden hebben van wapens en munitie had. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. [verdachte] is daardoor niet geschaad in de verdediging.
- DE VOORVRAGEN, OVERWEGINGEN EN ALGEMENE CONCLUSIES OVER DE KROONGETUIGE EN OVERWEGINGEN OVER HET ONDERZOEK AAN GEGEVENSDRAGERS EN LOCATIEGEGEVENS De dagvaarding is geldig, het hof is bevoegd tot kennisneming van het tenlastegelegde, het openbaar ministerie is ontvankelijk in de vervolging van [verdachte] en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging. Het debat dat is gevoerd over de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging heeft zich toegespitst op het inzetten van de kroongetuige in het Eris-proces. 5.
- De kroongetuige De rechtbank heeft uitgebreide overwegingen gewijd aan de kroongetuige en de betrouwbaarheid van de door hem afgelegde verklaringen. Het hof kan zich grotendeels vinden in de overwegingen van de rechtbank over de kroongetuige en neemt deze daarom voor een groot deel over. Op enkele onderdelen wijkt het hof ervan af. 5.1.
- Algemeen De kerntaak van de feitenrechter met betrekking tot een kroongetuige is tweeledig. De feitenrechter beoordeelt de betrouwbaarheid van diens verklaringen en de rechtmatigheid van de overeenkomst die met de kroongetuige is gesloten, voor zover de rechtmatigheid daarvan is betwist. Als eerste zal het hof de totstandkoming van de overeenkomst met [kroongetuige] schetsen. Daarna zal het de verweren bespreken die de rechtmatigheid van de overeenkomst betreffen en de daaraan te verbinden gevolgen. Vervolgens komen de verweren die de betrouwbaarheid van de verklaringen van de kroongetuige betwisten aan bod. Hoewel niet alle raadslieden zich (concreet) bij alle verweren hebben aangesloten, of zelfs expliciet hebben aangegeven een verweer niet te voeren, zal het hof deze verweren ambtshalve bespreken in alle arresten waarin de verklaringen van [kroongetuige] van belang zijn. Bij de beoordeling heeft het hof rekening gehouden met de artikelen 226g e.v. van het Wetboek van Strafvordering die zien op de kroongetuigeregeling, met artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering en met artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Ook heeft het hof acht geslagen op de voorafgaande beschouwing over het gebruik van verklaringen van kroongetuigen in HR 23 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:602 (Passageproces), onder
- 5.1.
- De totstandkoming van de overeenkomst Op 13 oktober 2017 is [kroongetuige] aangehouden op verdenking van de moord op [slachtoffer 21] , gepleegd op 7 juli 2017 in Breukelen. Hij heeft als verdachte in die zaak een bekennende verklaring afgelegd. In november 2017 heeft [kroongetuige] kenbaar gemaakt dat hij bereid en in staat is om over meer dan alleen zijn eigen rol in deze zaak verklaringen af te leggen in ruil voor bescherming, omdat hij vreesde voor zijn leven. Tussen januari 2018 tot en met mei 2018 heeft [kroongetuige] in totaal 25 zogenoemde kluisverklaringen afgelegd tegenover het team Bijzondere Getuigen. Op 12 november 2018 heeft de rechter-commissaris in strafzaken de voorgenomen overeenkomst tussen de Staat en [kroongetuige] getoetst en rechtmatig bevonden. Op 13 november 2018 heeft de Staat met [kroongetuige] een overeenkomst gesloten. Daarbij heeft [kroongetuige] zich verbonden om als getuige zonder voorbehoud, volledig en naar waarheid verklaringen af te leggen over een aantal in de overeenkomst genoemde misdrijven (de zogenoemde ‘dealfeiten’) en afstand gedaan van zijn verschoningsrecht als verdachte [het hof begrijpt: in zijn hoedanigheid van getuige]. De officier van justitie verbond zich om bij volledige nakoming door [kroongetuige] van de overeenkomst de strafeis voor zijn aandeel in de dealfeiten op twaalf jaren gevangenisstraf te stellen. Daarbij werd opgemerkt dat de strafeis tegen een verdachte die geen kroongetuige is, bij gelijke omstandigheden een gevangenisstraf van 24 jaren zou bedragen (de basisstrafeis). De strafvervolging van [kroongetuige] zou zich, behoudens bij gewijzigde omstandigheden, uitstrekken tot het medeplegen van de moord op [slachtoffer 21] , het medeplegen van het voorhanden hebben van twee vuurwapens, het medeplegen van opzetheling van twee personenauto’s, het medeplegen van opzettelijk gebruikmaken van een valse kentekenplaat, en ook – bij voldoende bewijs – het medeplegen van poging doodslag dan wel bedreiging en vernieling op 28 en 29 juni 2017 in Doorn en tot deelname aan een criminele organisatie. 5.1.
- De rechtmatigheid van de overeenkomst Er zijn meerdere verweren gevoerd die strekken tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie of tot bewijsuitsluiting van de verklaringen van [kroongetuige] , omdat de overeenkomst met [kroongetuige] niet rechtmatig zou zijn. Er is onder meer aangevoerd dat het onmogelijk is om te toetsen of de inhoud van de verklaringen van [kroongetuige] is beïnvloed door eventuele verboden toezeggingen in het kader van de met [kroongetuige] gesloten beschermingsovereenkomst, omdat deze laatste niet toetsbaar of controleerbaar is. Verder zou de uiteindelijke nettostrafeis van acht jaren in de overeenkomst disproportioneel laag zijn en zou het openbaar ministerie op ongerechtvaardigde en onbegrijpelijke gronden hebben afgezien van vervolging van [kroongetuige] in het deelonderzoek Langenhorst. Ook is aangevoerd dat in de overeenkomst verboden beloningen zijn ingebouwd, met name omdat het openbaar ministerie geen ontnemingsvordering indient voor onder meer het door [kroongetuige] wederrechtelijk verkregen voordeel van € 10.000,- voor de moord op [slachtoffer 21] , omdat [kroongetuige] een miljoenenschuld die hij aan derden heeft niet meer zal hoeven te betalen omdat hij straks in de anonimiteit verdwijnt en omdat de vader van [kroongetuige] niet wordt vervolgd. Deze beloningen zouden niet openlijk zijn gedeeld met de rechter en de verdediging. Het hof beantwoordt aan de hand van de feiten en omstandigheden die ten tijde van het tot stand komen van de overeenkomst met [kroongetuige] aan de orde waren, de vraag of deze overeenkomst binnen de grenzen van het recht is gebleven. Het hof bespreekt dit aan de hand van de hieronder genoemde onderwerpen. Overeenkomst met kroongetuige in dit geval mogelijk? Het hof beoordeelt allereerst of de overeenkomst met [kroongetuige] dringend noodzakelijk was om de opsporing, voorkoming of beëindiging van feiten mogelijk te maken die anders niet of niet tijdig zou plaatsvinden, of er een redelijke verhouding was tussen het belang van de te verkrijgen informatie en de te leveren tegenprestatie en of de overeenkomst ook overigens binnen de grenzen van het recht is gebleven. Het hof stelt vast dat de verklaringen van [kroongetuige] betrekking hebben op misdrijven als bedoeld in artikel 226g, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering. Het hof is van oordeel dat het openbaar ministerie het op goede gronden dringend noodzakelijk heeft geacht om tot een overeenkomst met [kroongetuige] te komen. [kroongetuige] kon verklaren over een aantal voltooide levensdelicten waarvan de opsporing op een dood spoor was beland en zonder zijn verklaringen niet binnen afzienbare tijd tot resultaat had geleid. Zijn verklaringen betroffen niet alleen vermeende uitvoerders, maar ook vermeende opdrachtgevers. Door de verklaringen van [kroongetuige] is zicht gekregen op een criminele organisatie die als oogmerk had het plegen van liquidaties in opdracht van anderen voor geld en die tot dan toe onder de radar was gebleven. Zijn verklaringen boden veel aanknopingspunten voor nader onderzoek in lopende onderzoeken en voor onderzoek naar zaken die op dat moment nog niet bekend waren bij de politie. Beïnvloeding door beschermingsovereenkomst? Het openbaar ministerie heeft aangevoerd dat vóór het sluiten van de overeenkomst niet over de details van een getuigenbeschermingsovereenkomst met de kroongetuige wordt gesproken. Er wordt alleen toegezegd dat kroongetuigen hulp en steun krijgen om na afloop van de detentie elders een veilig bestaan op te bouwen. De details en de financiële aspecten komen pas aan de orde als de (fictieve) datum van invrijheidstelling van de kroongetuige in zicht komt. Omdat de verklaringen al lang daarvoor zijn afgelegd, kunnen die niet beïnvloed zijn door de beschermingsovereenkomst, aldus het openbaar ministerie. Het hof bespreekt het verweer over de beschermingsovereenkomst in het licht van de zorgplicht die wordt ontleend aan de positieve verplichtingen van het EVRM, aan het burgerlijk recht en aan de in artikel 226l van het Wetboek van Strafvordering neergelegde bepaling. Aan deze zorgplicht wordt in voorkomende gevallen uitvoering gegeven door het maken van afspraken over getuigenbescherming met kroongetuigen. De Staat neemt ook een gedeelte van de verantwoordelijkheid voor de veiligheid van deze persoon op zich door zijn medewerking aan de opsporing te vragen. Uit het samenstel van de wettelijke regeling en de toepasselijke beleidsregels volgt dat ten aanzien van de rechtmatigheid en de doelmatigheid van maatregelen van getuigenbescherming in de strafvorderlijke context aan de strafrechter geen toetsende rol is toebedeeld. De totstandkoming van de afspraak in de zin van artikel 226g, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering en de specifieke maatregelen voor de bescherming van de getuige zijn juridisch twee verschillende trajecten. Hoewel in de afgelopen jaren soms duidelijk is geworden dat er in de praktijk wel degelijk verstrengeling kan bestaan tussen de kroongetuigenovereenkomst en de beschermingsovereenkomst, in die zin dat hoe de kroongetuige de specifieke maatregelen voor zijn feitelijke bescherming ervaart en de bereidheid om te verklaren elkaar kunnen beïnvloeden, en in de literatuur regelmatig wordt gepleit voor een vorm van externe, rechterlijke, toetsing van de beschermingsovereenkomst, biedt de wet hiervoor ook nu nog geen grond. Het openbaar ministerie is niet gehouden de processenverbaal en/of andere voorwerpen betreffende toezeggingen die zijn gedaan in verband met de feitelijke bescherming van de getuige op enig moment bij de processtukken te voegen. Zo een verplichting zou – temeer omdat de huidige wet geen specifieke regeling kent met betrekking tot de afscherming van processtukken in het belang van de veiligheid van de kroongetuige – onverenigbaar zijn met het doel van de bescherming van de getuige en de aard van de daartoe strekkende maatregelen. Het hof wijst er overigens in dit verband op dat [kroongetuige] de kluisverklaringen al heeft afgelegd voordat met hem de in artikel 226g, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering bedoelde afspraak is gemaakt, dus zonder dat hij wist of de afspraak zou worden gemaakt en, zo ja, onder welke voorwaarden, terwijl de details van de toegezegde feitelijke maatregelen voor de bescherming van [kroongetuige] nóg later, pas kort voor het aflopen van de gevangenisstraf worden bepaald. Er is dus geen aanwijzing dat er sprake is van verboden toezeggingen in het kader van de beschermingsovereenkomst, laat staan dat onder invloed van verboden toezeggingen in strijd met de waarheid zou zijn verklaard. Ook overigens is niet gebleken van verboden toezeggingen. Overeenkomst proportioneel? Het hof zal achtereenvolgens ingaan op de omvang van de vervolging van [kroongetuige] en het afzien van vervolging van de vader van [kroongetuige] , de basisstrafeis, de eis en het achterwege laten van een ontnemingsvordering en het feit dat [kroongetuige] een schuld aan derden niet meer zou hoeven te betalen. Bij requisitoir heeft het openbaar ministerie uitgebreid toegelicht dat de beslissing om [kroongetuige] niet te vervolgen in het deelonderzoek Langenhorst ruim na het sluiten van de overeenkomst door de zaaksofficieren naar aanleiding van de resultaten van het opsporingsonderzoek is genomen en dat daarbij niet het opportuniteitsbeginsel is toegepast, maar dat is beslist dat een vervolging in de ogen van het openbaar ministerie geen kans van slagen had. Deze beslissing was volgens het openbaar ministerie gelegen in het gegeven dat [kroongetuige] – in tegenstelling tot de andere verdachten – heeft duidelijk gemaakt dat hij de moord helemaal niet wilde plegen en ook tijdig is gestopt. Zijn verklaringen hierover acht het openbaar ministerie betrouwbaar en in lijn met andere onderzoeksbevindingen. In de Aanwijzing toezeggingen aan getuigen in strafzaken (hierna: de Aanwijzing) zijn beleidsregels geformuleerd over de toepassing van de artikelen 226g tot en met 226l van het Wetboek van Strafvordering. In de Aanwijzing is geregeld welke toezeggingen aan getuigen toelaatbaar zijn en welke toezeggingen niet. Punt 5.1 van de Aanwijzing bevat een verbod om toezeggingen te doen met betrekking tot de inhoud van de tenlastelegging (bijvoorbeeld het aantal feiten op de tenlastelegging en de zwaarte daarvan). Punt 5.2 bevat een verbod om in afwijking van het geldende opsporings- en vervolgingsbeleid af te zien van actieve opsporing of vervolging van strafbare feiten. Bij de beoordeling door het openbaar ministerie of vervolging van een verdachte voor een bepaald strafbaar feit opportuun is, spelen in ieder geval de aard van het feit, de bewijsbaarheid van het feit en het algemeen belang een rol. Ook in geval van een potentiële kroongetuige is de afweging daarvan bij uitstek een taak van het openbaar ministerie. De rechter die de overeenkomst met een kroongetuige toetst, dient deze afweging in beginsel te eerbiedigen. Het is niet de taak van die rechter om zelf te bepalen voor welke feiten de kroongetuige zou moeten worden vervolgd en welke strafeis bij die vervolging zou passen. Wel dient de rechter, gelet op de geldende wet- en regelgeving, te toetsen of er geen sprake is geweest van onderhandelingen met de getuige over het aantal ten laste te leggen feiten en de kwalificatie daarvan en of niet in afwijking van het geldende opsporings- en vervolgingsbeleid aan de getuige is toegezegd af te zien van vervolging voor bepaalde feiten. In dat geval zou er sprake kunnen zijn van een niet toelaatbare toezegging in de zin van de Aanwijzing. Het hof stelt vast dat is gesteld noch gebleken dat [kroongetuige] en het openbaar ministerie hebben onderhandeld over de ten laste te leggen feiten. Het openbaar ministerie heeft aangegeven dat de vervolgingsbeslissing in het deelonderzoek Langenhorst het resultaat was van intern overleg tussen de zaaksofficieren ruim ná het sluiten van de overeenkomst en dat het resultaat daarvan aan [kroongetuige] is meegedeeld. Ook is niet gebleken dat het achterwege laten van vervolging van [kroongetuige] voor zijn handelingen in het deelonderzoek Langenhorst is te duiden als een niet toelaatbare toezegging. Artikel 226g, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering schrijft voor dat in de op schrift gestelde afspraak met de kroongetuige wordt vastgelegd voor welke strafbare feiten de getuige zelf zal worden vervolgd. Dat betekent dat het openbaar ministerie de strafbaarheid van het feit, de kans op een veroordeling en aspecten van algemeen belang naar de stand van zaken van dat moment moet inschatten. Vanuit een oogpunt van algemeen belang is het niet onbegrijpelijk dat het openbaar ministerie de vervolging van de potentiële kroongetuige beperkt tot feiten waarvoor op dat moment al voldoende bewijs voorhanden lijkt te zijn of waarvoor in ieder geval geldt dat de mogelijkheid van voldoende bewijs na verder onderzoek reëel is. Als het openbaar ministerie een kroongetuige ook zou moeten vervolgen voor feiten waarin de bewijspositie dubieus is of vervolging zeer weinig kans van slagen heeft, zouden de te verwachten veroordeling en de straf(eis) uiterst onzeker worden. Het nuttig effect van de kroongetuigenregeling zou volgens die interpretatie ernstig worden aangetast. Het openbaar ministerie heeft na de totstandkoming van de overeenkomst geoordeeld dat de slagingskans van een vervolging van [kroongetuige] in de zaak Langenhorst te klein was, omdat – kort gezegd – bewijs voor het vereiste opzet op de moord bij [kroongetuige] ontbrak. Het hof constateert dat ook medeverdachte [naam 24] niet is vervolgd in de zaak Langenhorst en dat er aanwijzingen zijn dat [naam 24] en [kroongetuige] zich in aanloop naar de liquidatie hebben teruggetrokken. Men kan er over twisten of daardoor het opzet niet is te bewijzen of dat er sprake is van vrijwillige terugtred, maar het hof acht de beoordeling van de slagingskans van een vervolging van [kroongetuige] in de zaak Langenhorst niet onbegrijpelijk. Er is geen sprake van een situatie waarin het niet anders kan dan dat in afwijking van het geldende opsporings- en vervolgingsbeleid aan de getuige is toegezegd van vervolging voor bepaalde feiten af te zien en het achterwege laten van vervolging, achteraf moet worden opgevat als een verkapte verboden toezegging voor het afleggen van verklaringen. Tijdens de behandeling in hoger beroep heeft het openbaar ministerie besloten dat de vader van de kroongetuige, [getuige 4] , niet zal worden vervolgd voor mogelijke betrokkenheid bij strafbare feiten in het dossier Eris. Maar voor een toezegging aan [kroongetuige] dat zijn vader niet zal worden vervolgd voor strafbare feiten in Eris, is geen aanwijzing gevonden. Netto strafeis disproportioneel? Het openbaar ministerie heeft gesteld dat de strafeis niet disproportioneel laag is. Het openbaar ministerie heeft in de overeenkomst de basisstrafeis bepaald op 24 jaren en, bij nakoming van de verplichtingen door [kroongetuige] , toegezegd om 50% hiervan, dus twaalf jaren gevangenisstraf, als straf te eisen. Ook voor de tegen een kroongetuige te formuleren basisstrafeis geldt dat het openbaar ministerie een ruime beoordelingsvrijheid heeft die de rechter heeft te eerbiedigen. Op voorhand kan echter niet worden uitgesloten dat een toegezegde basisstrafeis zo onbegrijpelijk laag is dat het verschil met een reguliere strafeis niet anders kan worden opgevat dan als tegenprestatie voor de door de kroongetuige af te leggen verklaringen. De rechter dient in verband daarmee te toetsen of het openbaar ministerie, gelet op alle omstandigheden van het geval en met inachtneming van zijn ruime beoordelingsvrijheid, in redelijkheid tot de toegezegde basisstrafeis heeft kunnen komen. Het hof kan de rechtmatigheid van de basisstrafeis slechts afmeten aan de feiten die aan [kroongetuige] zijn ten laste gelegd. Zoals gezegd, gaat het om het medeplegen van moord, het voorhanden hebben van wapens, de heling van auto’s en het voorhanden hebben van een valse kentekenplaat. Daarbij zijn ook de feiten in het deelonderzoek Gezicht en deelname aan een criminele organisatie betrokken. Gelet op de ten laste gelegde feiten en de andere omstandigheden van het geval en in aanmerking genomen zijn ruime beoordelingsvrijheid, heeft het openbaar ministerie in redelijkheid tot de toegezegde basisstrafeis kunnen komen. Die basisstrafeis, van 24 jaren gevangenisstraf, is niet zo laag dat deze niet anders kan worden verklaard dan als een verkapte tegenprestatie voor het afleggen van verklaringen. Daarom acht het hof de overeenkomst met [kroongetuige] ook op dit punt niet onrechtmatig. Bij aanvang van de inhoudelijke behandeling in eerste aanleg heeft het openbaar ministerie aangekondigd bij requisitoir een lagere straf te eisen dan in de overeenkomst is toegezegd. Dat is ook gebeurd. De reden was dat sinds de inwerkingtreding van de Wet straffen en beschermen op 1 juli 2021 de periode waarover voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend niet langer kan zijn dan twee jaren. Ten tijde van het sluiten van de overeenkomst zou een gevangenisstraf van twaalf jaren in beginsel nog een nettostraf van acht jaren betekenen. Daar mocht [kroongetuige] bij het sluiten van de overeenkomst van uitgaan, aldus het openbaar ministerie. Uitgaande van de nieuwe wet betekent een gevangenisstraf van twaalf jaren in beginsel een nettostraf van tien jaren. De inhoud van de overeenkomst bood volgens het openbaar ministerie ruimte om een zodanige gevangenisstraf te eisen dat de kroongetuige netto acht jaren moet zitten. In eerste aanleg is daarom niet 24 jaren gevangenisstraf als uitgangspunt genomen, maar twintig jaren gevangenisstraf, die met 50% is verminderd tot de uiteindelijke eis van tien jaren (in plaats van twaalf jaren) gevangenisstraf. Het hof stelt vast dat het openbaar ministerie in afwijking van de tekst van de overeenkomst met de kroongetuige een gevangenisstraf van tien jaren in plaats van twaalf jaren heeft gevorderd. Er zijn geen aanwijzingen dat die lagere strafeis eerder aan de kroongetuige was toegezegd. Het openbaar ministerie heeft de afwijking van de in de overeenkomst genoemde bruto-eis gemotiveerd en de rechtbank heeft die motivering beoordeeld en de strafeis overgenomen. Het hof vindt in deze gang van zaken geen aanleiding de overeenkomst met de kroongetuige of de uitvoering daarvan onrechtmatig te achten. Er is geen reden om aan te nemen dat door deze gang van zaken de verklaringen van de kroongetuige zijn beïnvloed of dat op een andere manier rechtens te respecteren belangen van verdachten zijn geschaad. Ontoelaatbare toezegging inzake ontneming? Als het openbaar ministerie los van een eventuele overeenkomst niet tot vordering van het wederrechtelijk verkregen voordeel zou zijn overgegaan, hoeft het dat bij een getuige met wie een overeenkomst is gesloten ook niet te doen. Het openbaar ministerie kan dan eenzijdig beslissen van ontneming af te zien, zonder dat van een toezegging in de zin van de Aanwijzing sprake is. Ook op dit punt komt aan het openbaar ministerie een zekere beoordelingsvrijheid toe. Wel zal uit de motivering van het besluit om volledig van een ontnemingsvordering af te zien, moeten blijken dat geen sprake is van een verkapte financiële beloning voor het afleggen van verklaringen. Volgens het openbaar ministerie is geen sprake geweest van een toezegging aan [kroongetuige] dat tegen hem geen ontnemingsvordering zal worden ingediend. Uit de processtukken blijkt niet dat hierover is gesproken tussen de officier van justitie van het team Bijzondere Getuigen en [kroongetuige] en zijn raadsman. Hoewel dit had gekund, is daarover geen afspraak gemaakt. Het openbaar ministerie heeft verder aangevoerd dat [kroongetuige] na afloop van zijn detentie elders, vermoedelijk in een ander land, een veilig nieuw bestaan zal moeten opbouwen. Financieel gezien begint hij bij nul. Hij zal in het begin een redelijke tegemoetkoming van het Team Getuigenbescherming ontvangen. Uitgangspunt voor de hoogte van die tegemoetkoming is dat iemand gezien de nieuwe leefomstandigheden een redelijk bestaan moet kunnen opbouwen. Een eventuele ontneming zou dus in feite ook door het Team Getuigenbescherming moeten worden betaald. Dat is volgens het openbaar ministerie geen werkelijke ontneming en uit het oogpunt van de Staat een vestzak-broekzakaangelegenheid. Om die reden dient het openbaar ministerie geen vordering ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel in tegen [kroongetuige] . Nog los van het feit dat niet gebleken is van een toezegging aan de kroongetuige over ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel is het hof van oordeel dat het openbaar ministerie voldoende reden heeft kunnen zien om het aanhangig maken van een ontnemingsvordering niet opportuun te achten. Het hof betrekt hierbij ook dat bij geen van de andere verdachten in het Eris-dossier een ontnemingsvordering is ingediend (of is aangekondigd) en de hoogte van het bedrag dat [kroongetuige] voor zijn rol in de moord op [slachtoffer 21] betaald heeft gekregen (€ 10.000,-). Van een zo onbegrijpelijke beslissing dat er in feite slechts sprake kan zijn van een verkapte financiële beloning is geen sprake. De verdediging heeft nog aangevoerd dat [kroongetuige] in het criminele circuit een miljoenenschuld heeft aan derden en dat deze schuld hem feitelijk is kwijtgescholden omdat hij door het aangaan van de overeenkomst onvindbaar is geworden voor zijn schuldeisers. Voor zover de verdediging daarmee heeft bedoeld te betogen dat op dit punt sprake is van een (verkapte) financiële beloning en daarmee van een niet toelaatbare toezegging, kan dit betoog niet slagen. Niet is gebleken dat de kroongetuige een juridisch afdwingbare (miljoenen)schuld heeft bij derden. Bovendien is niet gebleken van enige toezegging door het openbaar ministerie dat deze eventuele schulden niet meer zouden hoeven te worden betaald. Samenvatting en conclusie De overeenkomst met [kroongetuige] heeft betrekking op feiten als bedoeld in artikel 226g van het Wetboek van Strafvordering. Het openbaar ministerie heeft het sluiten van de overeenkomst op goede gronden dringend noodzakelijk geacht. Uit de omvang van de vervolging, de strafeis en evenmin uit het achterwege laten van een ontnemingsvordering kan worden afgeleid dat aan [kroongetuige] verboden toezeggingen zijn gedaan in ruil voor het afleggen van verklaringen. Ook in onderling verband en samenhang bezien is bij de met [kroongetuige] gemaakte afspraak als bedoeld in artikel 226g van het Wetboek van Strafvordering geen sprake van een overschrijding van de grenzen van proportionaliteit en subsidiariteit. De verweren strekkende tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging van de verdachte of het uitsluiten van de verklaringen van [kroongetuige] van het gebruik voor het bewijs, slagen dus niet. 5.1.
- De betrouwbaarheid van de verklaringen van de kroongetuige Meerdere raadslieden hebben gewezen op de onbetrouwbaarheid van de kroongetuige. Aangevoerd is dat [kroongetuige] al sinds jonge leeftijd op meerdere terreinen strafbare feiten pleegt, zoals handel in drugs en oplichting. Omdat hij al zijn hele leven liegt en bedriegt, is het zeer riskant om zijn verklaringen te gebruiken voor het bewijs, zeker nu [kroongetuige] een duidelijk eigen belang heeft bij het afleggen van zijn verklaringen, aldus de raadslieden. Bijna alle raadslieden hebben daarnaast op inhoudelijke gronden de bruikbaarheid en de betrouwbaarheid van (een deel van) de verklaringen van [kroongetuige] betwist. In de zaak van [medeverdachte 13] is dit punt – in eerste aanleg en herhaald in hoger beroep – als volgt verwoord: De kroongetuige heeft veel vermoedens, invullingen, veronderstellingen en gevoelens en verkeerde ten tijde van de feiten waarover hij verklaart niet zelden onder invloed van verdovende middelen. Hij is na talloze verhoren door de politie, bij de rechter-commissaris en op de zitting nauwelijks meer in staat om onderscheid te maken tussen wat hij daadwerkelijk heeft meegemaakt, wat hij van derden heeft gehoord en wat hij later heeft opgepikt uit de media. De primaire bron is uiteindelijk vaak [verdachte] , die ooit iets tegen hem gezegd zou hebben, al weet hij niet meer waar, wanneer, in welke bewoordingen en in welke context. Andere raadslieden hebben daaraan nog toegevoegd dat de verklaringen bewust of onbewust onbetrouwbaar zijn te achten: door het toepassen van Neuro Linguïstisch Programmeren (NLP) tijdens het verhoren van [kroongetuige] , het bestaan van valse herinneringen en het voeden met informatie door politie en justitie. De verklaringen kunnen daarom niet worden gebruikt voor het bewijs. In ieder geval is het volgens de raadslieden noodzakelijk om deze verklaringen met grote voorzichtigheid te benaderen. Voorwaardelijk is verzocht om nader deskundigenonderzoek te gelasten over geheugentraining en de werking van het geheugen, of om een deskundige ter zitting daarover te bevragen. Het openbaar ministerie heeft het volgende aangevoerd. [kroongetuige] heeft in zijn kluisverklaringen uitsluitend uit zijn eigen geheugen geput. In de vele tactische verklaringen die [kroongetuige] bij de verhoorders in het onderzoek Eris heeft afgelegd, heeft hij over een onderwerp globaal telkens hetzelfde verhaal als tijdens de kluisverklaringen verteld, maar vooral méér dan in zijn kluisverklaringen. Nergens is hij teruggekomen op zijn eerder afgelegde kluisverklaringen in de zin dat deze bewust onjuist zouden zijn geweest. De tactische verklaringen bevatten naar aanleiding van verhelderende vragen vooral meer details dan de kluisverklaringen. Uiteindelijk is [kroongetuige] geconfronteerd met de onderzoeksresultaten. Dat gebeurde soms om uit te leggen hoe zijn verklaringen passen in het beeld dat met (objectieve) onderzoeksbevindingen tot stand is gekomen, maar ook om zaken die hij zich kennelijk niet goed herinnerde helder te krijgen. Dat ging vaak om het verduidelijken van tijd en plaats. Zo heeft [kroongetuige] zich vergist in de plaats waar een van zijn vele ontmoetingen met [verdachte] is geweest (Leiden of Zoetermeer) en heeft hij grote moeite gehad om bepaalde gebeurtenissen goed in de tijd te plaatsen. Het openbaar ministerie heeft in dit verband tot slot opgemerkt dat in elk geval helder is hoe de verklaringen van [kroongetuige] tot stand zijn gekomen en dat controle voor de bruikbaarheid van zijn verklaringen goed uit te voeren is, als gevolg van de zeer getrapte manier van verhoren van [kroongetuige] en de woordelijke uitwerking van zijn verhoren. Het hof stelt in dit verband voorop dat het niet de betrouwbaarheid van de persoon van [kroongetuige] maar die van zijn verklaringen dient te toetsen. Het feit dat een kroongetuige in het verleden ook bij andere misdrijven betrokken is geweest en/of dat hij in het verleden mogelijk onbetrouwbaar is gebleken wat betreft zijn verklaringen over niet in de afspraak als bedoeld in artikel 226g van het Wetboek van Strafvordering opgenomen misdrijven, is op zich geen reden om geen waarde te hechten aan zijn als kroongetuige afgelegde verklaringen. Uiteindelijk gaat het erom of de verklaringen van de kroongetuige over de aan de verdachten ten laste gelegde feiten betrouwbaar zijn. Een kritische benadering van de verklaringen van [kroongetuige] ligt voor de hand, nu hij deze heeft afgelegd als kroongetuige en aan hem strafvermindering en bescherming in het vooruitzicht zijn gesteld in ruil voor informatie over misdrijven. Het gaat dan meestal om informatie die zonder de verklaring van de kroongetuige niet, of zeer moeilijk, door de opsporingsinstanties is te verkrijgen. De van de kroongetuige te verkrijgen informatie moet voor de opsporingsautoriteiten een meerwaarde hebben. Daarin kan een motief zijn gelegen om informatie te verschaffen die niet op waarheid berust. Om die reden is het van belang dat de door de kroongetuige gegeven informatie zoveel mogelijk wordt getoetst in het opsporingsonderzoek en bij de berechting. Om diezelfde reden dienen zijn verklaringen met extra behoedzaamheid te worden beoordeeld, zoals ook tot uitdrukking komt in de motiveringseis van artikel 360, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering en de bewijsminimumregel dat het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan niet uitsluitend op de verklaring van één getuige mag worden aangenomen. De eis van behoedzaamheid geldt in het bijzonder waar het gaat om de verklaringen die zien op informatie die [kroongetuige] stelt van [verdachte] te hebben verkregen. Zowel [kroongetuige] als [medeverdachte 3] heeft verklaard dat [verdachte] informatie wel eens aandikte of dat hij met desinformatie strooide. Uitgangspunt is dat een verklaring van een getuige over wat hij van een andere persoon heeft gehoord in beginsel bruikbaar is voor het bewijs, maar dat de verdediging wel de gelegenheid moet hebben gehad om de getuige, het liefst ter terechtzitting, te horen. Vastgesteld kan worden dat de verdediging [kroongetuige] zowel bij de rechter-commissaris als ter terechtzitting in eerste aanleg en hoger beroep aan vele indringende verhoren heeft onderworpen, waarbij het aspect dat hij iets van [verdachte] heeft gehoord uitvoerig aan de orde is geweest. Het zou dan ook te ver gaan om aan de verklaringen van [kroongetuige] om die reden op voorhand slechts de waarde van steunbewijs toe te kennen, zeker omdat de beweerde bron van dergelijke verklaringen, [verdachte] , zich hoofdzakelijk heeft beperkt tot het ontkennen van de beweringen van [kroongetuige] en het presenteren van een ongeloofwaardig alternatief scenario. De van de kroongetuige verkregen informatie is divers van aard. Zo heeft hij niet alleen verklaard over gebeurtenissen die hij zelf heeft meegemaakt, maar ook over wat hij van anderen, met name [verdachte] , heeft gehoord. Ten slotte heeft hij ook verklaard over de algemene gang van zaken bij Caloh Wagoh, waarvan hij deel heeft uitgemaakt. Als informatie die de kroongetuige zegt te hebben verkregen van derden niet past bij de overige onderzoeksresultaten, kan maar hoeft dat niet te duiden op onbetrouwbaarheid van de kroongetuige. In dat geval is het ook mogelijk dat de kroongetuige naar waarheid heeft verklaard over wat hij heeft gehoord maar van die derde niet de juiste informatie heeft gekregen. Als voorbeeld noemt het hof een voorval in het deelonderzoek Breuk. De kroongetuige heeft verklaard dat zijn opdrachtgever hem op 5 juli 2017 heeft bericht dat het beoogde slachtoffer vanwege een file later zou komen. Dat het beoogde slachtoffer die dag na zijn vertrek uit Rotterdam om ongeveer 19.00 uur door een file is opgehouden, acht het hof niet waarschijnlijk. Voor deze ogenschijnlijke onjuistheid zijn meerdere verklaringen mogelijk: de kroongetuige kan de file hebben verzonnen, maar hij kan ook naar waarheid hebben verklaard over onjuiste informatie die hij van de opdrachtgever had gekregen, waarbij de opdrachtgever op zijn beurt deze onjuiste informatie van derden kan hebben ontvangen. Van belang is of onderdelen van de verklaring van de kroongetuige steun vinden in ander bewijsmateriaal en passen bij de overige bevindingen van het onderzoek. De verdediging heeft gewezen op de mogelijkheid van beïnvloeding van de kroongetuige door de politie. In dat verband is van belang of en, zo ja, hoe en wanneer de informatie van de kroongetuige in het onderzoek is bevestigd. Hierbij is een aantal situaties te onderscheiden: De informatie van de kroongetuige is geheel nieuw en wordt pas later in het onderzoek bevestigd door gegevens waarvan de kroongetuige niet op de hoogte kon zijn; De informatie kan worden bevestigd met zich al in het dossier bevindende onderzoeksresultaten of andere gegevens waarvan de kroongetuige op de hoogte kon zijn; De informatie wordt verkregen naar aanleiding van aan de kroongetuige voorgehouden onderzoeksresultaten. Het is duidelijk dat de mogelijkheid van beïnvloeding in de als eerste vermelde situatie het kleinst en in de laatste situatie het grootst is. Ook op het hof komt [kroongetuige] in zijn manier van verklaren bij de politie en de rechter-commissaris, maar ook ter terechtzitting over als een getuige die duidelijk en in grote lijnen consistent en zonder te aarzelen verklaart. Van belang is ook dat [kroongetuige] ook heeft verklaard over zijn rol in zaken waarin hij tot op dat moment bij het openbaar ministerie niet in beeld was gekomen en dat zijn op punten gedetailleerde verklaringen voor een belangrijk deel bevestiging vinden in objectieve onderzoeksbevindingen zoals die in het verificatie/falsificatiedossier. Veel verklaringen van [kroongetuige] vinden bevestiging in opnames van PGP- en whatsappgesprekken die pas later onder [verdachte] zijn aangetroffen. Van de aanwezigheid van die opnames waren [kroongetuige] en de politie niet op de hoogte op het moment dat de kluisverklaringen werden afgelegd. Het hof geeft daarvan enkele voorbeelden: De verklaring van de kroongetuige dat een zekere “ [naam gelijkend op naam 45] ” of “ [naam gelijkend op naam 45] ” opdrachtgever voor een aantal liquidaties was, komt overeen met een PGP-gesprek tussen [verdachte] en ‘The wizzard’ waarin “ [naam gelijkend op naam 45] ” als opdrachtgever wordt genoemd; De kroongetuige heeft verklaard dat [verdachte] hem een A4’tje met een foto van [slachtoffer 23] op een bruiloft heeft laten zien. Op die foto was het hoofd van [slachtoffer 23] omcirkeld. Op gegevensdragers van [verdachte] is een foto gevonden van een A4’tje met een foto van [slachtoffer 23] met zijn hoofd omcirkeld die ook verder aan de beschrijving van de kroongetuige voldoet; [verdachte] zou opdracht hebben gegeven voor de beschieting van een woning aan de [adres] in Doorn. Op gegevensdragers van [verdachte] is een beeldopname van een PGP-gesprek aangetroffen waarin wordt gesproken over een donkere straat met bomen bij de afslag Maarn (Doorn) van de A
- Ook is op die gegevensdrager een afbeelding van een printje van een routebeschrijving van Google Maps van ‘Mijn locatie’ naar de [adres] in Doorn gevonden; [verdachte] zou zijn benaderd door [medeverdachte 18] omdat zijn zoon in de problemen was gekomen door een vergismoord. Onder [verdachte] zijn beeldopnames van whatsappgesprekken en PGPgesprekken tussen beiden van ongeveer twee weken na de betreffende vergismoord over de zoon van [medeverdachte 18] aangetroffen; Het geld voor de moord op [slachtoffer 21] zou op de dag na de moord door een motorrijder zijn opgehaald. Op gegevensdragers van [verdachte] is de volgende chat van 8 juli 2017 aangetroffen: “Ok ik stuur hem, hij komt op de motor”. Ook op veel andere onderdelen worden de verklaringen van de kroongetuige bevestigd door die bij [verdachte] aangetroffen opnames. Het hof komt daar bij de bespreking van de zaakdossiers op terug. De conclusie is dat de verklaringen van de kroongetuige in de kern en op hoofdlijnen als betrouwbaar kunnen worden aangemerkt. Wel is duidelijk gebleken dat [kroongetuige] moeite heeft met het plaatsen van gebeurtenissen in de tijd en dat hij bepaalde feitelijkheden (nader) heeft ingevuld en met elkaar heeft verward, zoals in de deelonderzoeken Lis en Barbera, waar hij het heeft over het Belgische slachtoffer. Ook heeft [kroongetuige] zijn verklaringen gedurende het proces op punten moeten nuanceren, daar waar hij eerder al dan niet ingegeven door zijn eigen overtuiging in al te concluderende zin had verklaard. Sommige ongerijmdheden in de verklaringen van [kroongetuige] zijn niet geheel opgehelderd of op andere wijze verklaarbaar gebleken. Hiervan is bijvoorbeeld sprake in de deelonderzoeken Charlie17 en Langenhorst, daar waar het de gang van zaken in aanloop naar de moord en de rol van [kroongetuige] zelf betreft. Een aantal raadslieden heeft ook terecht erop gewezen dat het geheugen alleen al door het tijdsverloop beïnvloedbaar is en dat informatie die naderhand is verkregen, vermengd kan worden met wat een getuige zelf heeft waargenomen. Het hof komt niet tot de conclusie dat [kroongetuige] bewust niet volledig naar waarheid heeft verklaard. Dat neemt niet weg dat de verklaringen van [kroongetuige] slechts bruikbaar zijn voor het bewijs als het hof oordeelt dat zij betrouwbaar zijn en conform de waarheid zijn afgelegd. Ondanks de kanttekeningen die op onderdelen bij de verklaringen van [kroongetuige] kunnen worden geplaatst, blijft tegen de achtergrond van het totaal van zijn vele verklaringen en in het licht van de overige onderzoeksbevindingen het beeld van [kroongetuige] als een overwegend betrouwbaar verklarende getuige in stand. Uit de woordelijk uitgewerkte verhoren van [kroongetuige] is van het toepassen van NLP, van het opwekken van valse herinneringen of het voeden van informatie in de verhoren door de politie niet gebleken. Ook verder zijn hiervoor geen aanwijzingen te vinden. Het hof ziet geen noodzaak om in dit verband nader deskundigenonderzoek te laten doen of een deskundige te bevragen, zodat het (voorwaardelijke) verzoek daartoe wordt afgewezen. Bewijsminimum Een aantal raadslieden heeft aangevoerd dat de strafrechtelijke betrokkenheid van een verdachte niet enkel of in beslissende mate kan worden gegrond op de verklaring van een kroongetuige. Er moet voldoende ander bewijs zijn voor de strafrechtelijke betrokkenheid van de verdachte. Naar het oordeel van het hof is deze opvatting onjuist. Het tweede lid van artikel 342 van het Wetboek van Strafvordering bepaalt dat het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan door de rechter niet uitsluitend kan worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Deze bepaling heeft betrekking op de tenlastelegging in haar geheel en niet op een onderdeel daarvan. Zij beoogt de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing te waarborgen, in die zin dat artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen als de door één getuige naar voren gebrachte feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal (HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM2452, rov. 2.4). De beslissing tot de bewezenverklaring van een ten laste gelegd feit moet naast de eventuele verklaring van de kroongetuige ook op een of meer andere bewijsmiddelen zijn gebaseerd. Die andere bewijsmiddelen mogen volgens artikel 344a van het Wetboek van Strafvordering niet slechts bestaan uit verklaringen van andere kroongetuigen. Dat neemt niet weg dat de wettelijke regeling van de kroongetuige inclusief artikel 344a, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering en de bewijsminimumregel van artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering zich niet ertegen verzetten dat de bewezenverklaring van het tenlastegelegde in overwegende mate steunt op verklaringen van een getuige met wie door de officier van justitie een afspraak is gemaakt op grond van artikel 226h, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering (zie HR 23 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:601, rov. 8.4). Dat het gebruik van een verklaring van een kroongetuige voor de bewezenverklaring van het tenlastegelegde niet is onderworpen aan een verdere wettelijke beperking dan die van artikel 344a, vierde lid, en artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, laat onverlet dat het hof bij de beoordeling van de betrouwbaarheid en de waardering van de bewijswaarde van de verklaringen van de kroongetuige, zoals hiervoor al is overwogen, behoedzaam te werk gaat. 5.
- Het onderzoek aan gegevensdragers en locatiegegevens In het onderzoek Eris zijn diverse mobiele telefoons, computers en andere elektronische gegevensdragers inbeslaggenomen. De politie heeft zich toegang verschaft tot die gegevensdragers en onderzoek gedaan naar de gegevens die daarin zijn opgeslagen of anderszins zijn te vinden. Daarnaast heeft de officier van justitie in het onderzoek Eris verkeers- en locatiegegevens gevorderd, hebben telecomaanbieders toegang verleend tot dergelijke gegevens en heeft de politie ook daarnaar onderzoek gedaan. Naar aanleiding van de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) en de Hoge Raad ziet het hof aanleiding ambtshalve het volgende te overwegen over het onderzoek aan de gegevens in mobiele telefoons, computers en andere gegevensdragers en over het onderzoek aan de verkeers- en locatiegegevens. Het HvJ EU heeft geoordeeld dat een onderzoek naar de gegevens die beschikbaar zijn in een elektronische gegevensdrager, zoals een smartphone, valt onder de reikwijdte van de Richtlijn gegevensbescherming opsporing en vervolging (EU) 2016/
- Deze richtlijn diende uiterlijk op 6 mei 2018 in nationale wetgeving te zijn omgezet. Met de wetgeving waarmee Nederland uitvoering heeft gegeven aan Richtlijn (EU) 2016/680 zijn geen wijzigingen doorgevoerd van het Wetboek van Strafvordering ten aanzien van de regeling van de inbeslagneming van een gegevensdrager en het onderzoek van de gegevens die op of in een (mobiele) gegevensdrager zijn te vinden. In HvJ EU 4 oktober 2024, zaak C-548/21, ECLI:EU:C:2024:830 (Landeck) heeft het hof geoordeeld dat voor het verkrijgen van toegang tot dergelijke gegevens voorafgaande toestemming nodig is van een rechterlijke instantie of een onafhankelijk, niet bij de opsporing betrokken, bestuursorgaan indien er een kans is dat die toegang het mogelijk maakt nauwkeurige conclusies over iemands privéleven te trekken. Richtlijn 2002/85/EG geeft regels over privacy en elektronische communicatie en bepaalt (in artikel 5) dat de lidstaten het vertrouwelijke karakter van elektronische communicatie en daarmee verband houdende persoonsgegevens in de vorm van (historische) verkeers- en locatiegegevens garanderen. Richtlijn 2002/85/EG biedt de lidstaten de mogelijkheid die vertrouwelijkheid te doorbreken voor de bestrijding, opsporing en vervolging van strafbare feiten (zie artikel 15). Daarvoor gelden voorwaarden. De richtlijn betreffende privacy en elektronische communicatie is in Nederland geïmplementeerd in de Telecommunicatiewet. Telecomaanbieders mogen op grond van de Telecommunicatiewet de vertrouwelijkheid van de door hen verzamelde gegevens doorbreken als dit noodzakelijk is in het belang van de voorkoming, opsporing en vervolging van strafbare feiten. In een arrest van 2 maart 2021 heeft het HvJ EU de voorwaarden voor toegang tot bewaarde verkeers- en locatiegegevens verduidelijkt en aangescherpt. De toegang tot historische verkeersgegevens, waaruit (nauwkeurige) conclusies kunnen worden getrokken over de persoonlijke levenssfeer van de gebruiker, moet zijn onderworpen aan een voorafgaande toetsing door een rechterlijke instantie of een onafhankelijk bestuursorgaan. Naar aanleiding van HvJ EU 2 maart 2021, C-746/18, ECLI:EU:C:2021:152 (Prokuratuur) is de Hoge Raad tot het oordeel gekomen dat de onder andere in artikel 126n van het Wetboek van Strafvordering neergelegde bevoegdheden tot het vorderen van verkeers- en locatiegegevens niet in overeenstemming is met de eisen die Richtlijn 2002/58/EG stelt, als de toepassing van de betreffende bevoegdheid meebrengt dat sprake is van een ernstige inmenging in het recht op bescherming van het privéleven en de beslissing tot de toepassing van die bevoegdheid wordt genomen door de officier van justitie. Vereist is in een dergelijk geval – behalve in spoedeisende situaties – dat voorafgaand toezicht door een rechterlijke instantie of door een onafhankelijke bestuurlijke entiteit plaatsvindt. Dit voorafgaande toezicht is niet vereist wanneer het uitsluitend gaat om het verlenen van toegang tot gegevens aan de hand waarvan de betrokken gebruiker kan worden geïdentificeerd, zonder dat de gegevens in verband kunnen worden gebracht met informatie over de tot stand gebrachte communicatie. De Hoge Raad heeft in het arrest HvJ EU 2 maart 2021, C-746/18, ECLI:EU:C:2021:152 (Prokuratuur) aanleiding gezien te bepalen dat als de officier van justitie verkeers- en locatiegegevens wil verkrijgen die meer omvatten dan uitsluitend identificerende gegevens, hij gehouden is een schriftelijke machtiging van de rechter-commissaris te vorderen voor het vorderen van die gegevens. Het hof constateert dat uit de procestukken niet ten aanzien van elke gegevensdrager duidelijk wordt of de rechter-commissaris, de officier van justitie of een andere opsporingsambtenaar deze in beslag heeft genomen. Waar een mobiele telefoon of een andere elektronische gegevensdrager in beslag is genomen door de rechter-commissaris kan er – behoudens aanwijzingen voor het tegendeel – van worden uitgegaan dat met de inbeslagneming is beoogd onderzoek naar de inhoud van deze gegevensdrager te laten doen door de politie en andere door politie en justitie ingeschakelde personen zoals deskundigen van het NFI. De bevoegdheid van de rechter-commissaris tot inbeslagneming biedt in een dergelijk geval de grondslag voor het verrichten van onderzoek aan het inbeslaggenomen voorwerp, ook als dat een meer dan beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer meebrengt. Omdat de processtukken niet ten aanzien van elke gegevensdrager duidelijk maken door wie deze in beslag is genomen, moet ermee rekening worden gehouden dat niet alleen de rechtercommissaris maar ook de officier van justitie en andere opsporingsambtenaren elektronische gegevensdragers in beslag hebben genomen. Het hof kan bovendien aan de hand van de processtukken niet vaststellen of de rechter-commissaris – een rechterlijke instantie volgens de rechtspraak van het HvJ EU – per afzonderlijke gegevensdrager toestemming heeft gegeven voor onderzoek aan de daarin beschikbare gegevens, ook als er een kans is dat die toegang het mogelijk maakt nauwkeurige conclusies over iemands privéleven te trekken. Daarnaast moet het hof op grond van de processtukken ervan uitgaan dat de politie zonder voorafgaand toezicht door een rechterlijke instantie of een onafhankelijke bestuurlijke entiteit onderzoek heeft gedaan aan gevorderde verkeers- en locatiegegevens (anders dan uitsluitend identificerende gegevens). In het geval dat voorafgaande toestemming (in de vorm van een schriftelijke machtiging) van de rechter-commissaris ontbreekt, is er in de zojuist bedoelde gevallen waarin een elektronische gegevensdrager bij het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte door de officier van justitie of een andere opsporingsambtenaar in beslag is genomen en onderzoek is gedaan naar de daarin beschikbare gegevens, waarbij er een kans bestaat dat nauwkeurige conclusies over iemands privéleven worden getrokken, en in de gevallen waarin onderzoek is gedaan aan door de officier van justitie gevorderde verkeers- en locatiegegevens (anders dan uitsluitend identificerende gegevens), sprake van een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte. De omstandigheid dat de officier van justitie bij het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte een vordering heeft gedaan tot het verstrekken van verkeers- of locatiegegevens (anders dan uitsluitend identificerende gegevens) zonder dat van tevoren een machtiging van de rechter-commissaris is verkregen, terwijl die machtiging wel was vereist, levert als zodanig geen grond op voor bewijsuitsluiting (zie HR 5 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:475, rov. 6.12.4). Naar het oordeel van het hof heeft hetzelfde te gelden ten aanzien van het vormverzuim dat zonder voorafgaande toestemming van de rechter-commissaris onderzoek is gedaan aan in een gegevensdrager beschikbare gegevens als er een kans is om nauwkeurige conclusies over iemands privéleven te trekken. Van belang hierbij is dat het uitsluiten van de resultaten van dergelijk onderzoek van het gebruik voor het bewijs niet noodzakelijk is om een schending van het recht op een eerlijk proces zoals gewaarborgd door artikel 6 EVRM – en het daarmee overeenkomende artikel 47, tweede lid, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie – te voorkomen, tenzij door een of meer van de vormverzuimen in het verloop van de strafprocedure complicaties zijn opgetreden die het voeren van de verdediging ernstig hebben bemoeilijkt en die vormverzuimen vervolgens niet in voldoende mate zijn hersteld om het proces als geheel eerlijk te laten verlopen. Dergelijke complicaties zijn door de verdediging niet gesteld en ook overigens niet gebleken. Voor de toepassing van strafvermindering is vereist dat de verdachte door het vormverzuim daadwerkelijk nadeel heeft ondervonden en dat strafvermindering ook in het licht van het belang van het geschonden voorschrift en de ernst van het verzuim is gerechtvaardigd. Strafvermindering laat zich als rechtsgevolg dat geschikt is voor compensatie van door de verdachte ondervonden nadeel, verbinden aan onder meer vormverzuimen waardoor inbreuk is gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte. De vraag of, en de mate waarin de persoonlijke levenssfeer van de verdachte is geschonden, is daarbij mede bepalend voor de ernst van het verzuim en het door het verzuim daadwerkelijk geleden nadeel. Voor de toepassing van strafvermindering moet het gaan om een voldoende ernstig vormverzuim dat concreet de belangen van de verdachte in de strafzaak heeft aangetast. Als door het vormverzuim in niet meer dan geringe mate inbreuk is gemaakt op het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer, kan de rechter volstaan met de enkele constatering van dat vormverzuim. (HR 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1889, rov. 2.3.2 en 2.3.4.) In het onderzoek Eris gaat het om de verdenking van zeer ernstige strafbare feiten. Het onderzoek is gericht tegen een criminele organisatie die zich zou hebben beziggehouden met het plegen van liquidaties en daarbij gebruikmaakte van PGP-telefoons. Het onderzoeken van de inhoud van inbeslaggenomen gegevensdragers was noodzakelijk. Minder ingrijpende, maar even effectieve mogelijkheden, waren niet voorhanden. De inbreuk op het privéleven van de verdachte verschilt per gegevensdrager. In het geval van gegevens in PGP-telefoons gaat het – als deze bewaard zijn gebleven – voornamelijk om communicatie over de voorbereiding en de uitvoering van ernstige misdrijven en was ook van tevoren duidelijk dat het gebruik van PGP-telefoons alleen diende om criminele activiteiten te verhullen. De kans om dan nauwkeurige conclusies over iemands privéleven te trekken is gering. Bij het onderzoek aan gegevens in andere gegevensdragers dan PGP-telefoons is in het onderzoek Eris, naast talloze gegevens over criminele gedragingen, ook toegang verkregen tot gegevens die niet met criminele activiteiten te maken hebben. Daarbij is de privacy van de verdachte en personen uit zijn directe omgeving zoals gezinsleden (wel) in het geding. Niet is gebleken dat de politie toegang heeft verkregen tot gegevens van grote aantallen willekeurige derden, zoals het geval kan zijn bij het zich toegang verschaffen tot de op een server beschikbare gegevens, in welk geval het nemen van maatregelen ter bescherming van de privacy van derden kan zijn geboden. De gegevens waartoe in het onderzoek Eris toegang is verkregen, betreffen voornamelijk de verdachten zelf en personen uit hun omgeving. Dat door het onderzoek aan de gegevens die in de (onder de verdachte) inbeslaggenomen gegevensdragers beschikbaar zijn en door het onderzoek aan de verkeers- en locatiegegevens inzicht is verkregen in aspecten van het privéleven van de verdachte en eventueel degenen waarmee de verdachte contact had, is onontkoombaar. Het hof is van oordeel dat de ernst van de feiten die in het onderzoek Eris centraal staan het rechtvaardigt dat dit onderzoek is verricht en dat het belang daarvan opweegt tegen de daarmee gepaard gaande schending van de privacy van de verdachte en een beperkt aantal derden. Het hof gaat er dan ook van uit dat, gelet vooral op de aard en ernst van de verdenkingen, de rechter-commissaris voor dit onderzoek voorafgaande toestemming zou hebben verleend als de officier van justitie deze had gevorderd. De verdachte heeft geen verweer gevoerd over de hier door het hof ambtshalve aan de orde gestelde vormverzuimen in het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte, die (mogelijk) een inbreuk hebben gemaakt op het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de verdachte. De verdediging heeft niet gesteld dat de belangen van de verdachte in de strafzaak door een of meer van de bedoelde vormverzuimen concreet zijn aangetast. Het hof volstaat mede daarom met de enkele constatering dat in het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte een of meerdere van de door het hof aan de orde gestelde vormverzuimen zijn begaan. 6DE WAARDERING VAN HET BEWIJS EN DE CONCLUSIES VAN DE VEREDELINGEN 6.
- De vordering van het openbaar ministerie De advocaten-generaal hebben zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat [verdachte] het in de deelonderzoeken Charon, Charlie17, Breuk, Langenhorst en Lis primair tenlastegelegde heeft begaan. Verder zijn zij van oordeel dat ten aanzien van het deelonderzoek Gezicht het medeplegen van bedreiging en het medeplegen van wapenbezit wettig en overtuigend bewezen kan worden. Ten aanzien van de deelonderzoeken Barbera en Arford stellen de advocaten-generaal zich op het standpunt dat het medeplegen van het voorbereiden van moord wettig en overtuigend kan worden bewezen. Ten slotte zijn zij van oordeel dat kan worden bewezen dat [verdachte] als leider heeft deelgenomen aan een criminele organisatie. De advocaten-generaal verwijzen daartoe naar de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen. 6.
- Het standpunt van de verdediging De verdediging van [verdachte] heeft verzocht hem vrij te spreken van alle ten laste gelegde feiten. De daartoe gevoerde verweren komen, voor zover van belang voor de bewijswaardering, aan de orde in de overwegingen van het hof. 6.
- Het oordeel van het hof 6.3.
- Conclusies veredelingen en identificaties Het hof heeft op basis van de bewijsmiddelen en conclusies die zijn opgenomen in bijlage 3 onder meer de volgende veredelingen van PGP-namen en bijnamen vastgesteld. [verdachte] is de persoon die schuilging achter de PGP-namen: ‘CB1D45’ (tussen 18 en 20 februari 2017); ‘C murder/971817’; ‘C MURDAH’; ‘C40’; NN2 (deelonderzoek Goudvink). De verdediging van [verdachte] heeft aangevoerd dat de nodige behoedzaamheid moet worden betracht bij het trekken van conclusies over de gebruikers van de PGP-berichten. De werking van de chatapplicatie, het feit dat de toestellen en namen aantoonbaar wisselden en het feit dat het dossier niet de volledige chatgeschiedenis bevat, maken dat uiteindelijk slechts een beperkt beeld is verkregen. De aanwijzingen die uit dit beperkte beeld zijn verkregen, zijn onvoldoende om buiten redelijke twijfel vast te stellen dat [verdachte] gedurende de genoemde periodes schuilging achter de PGP-namen ‘C murder’, ‘CB1D45’, ‘C MURDAH’ en ‘C40’. In ieder geval kan niet zonder meer worden vastgesteld dat het de volledige periodes betrof. Meer in het bijzonder heeft de verdediging van [verdachte] aangevoerd dat het onder [verdachte] aangetroffen materiaal het resultaat is van research voor zijn werk als documentairemaker en dat hij dus niet degene hoeft te zijn die schuilging achter de genoemde PGP-namen. In hoger beroep heeft [verdachte] verklaard dat de gesprekken die zijn aangetroffen op zijn gegevensdragers afkomstig zijn van een ‘fixer’ waarvan hij de naam wel kent, maar niet wil noemen. Voorafgaand aan een tweede verhoor heeft [verdachte] een schriftelijke verklaring overgelegd waarin hij zegt dat de fixer [getuige 5] heet. Een achternaam wist hij niet en contactgegevens van [getuige 5] zouden zich niet op zijn telefoon bevinden. Op de filmpjes van PGP-gesprekken is te zien dat ook na de zichtbare destructietijd van de berichten nog opnames van die berichten zijn gemaakt. Daaruit zou volgens [verdachte] zijn af te leiden dat manipulatie van de berichten mogelijk is. Het hof verwerpt deze verweren. Het bewijs waaruit volgt dat de onder [verdachte] inbeslaggenomen telefoons en gegevensdragers, met daarop de belastende (foto’s en films van) chatgesprekken en overige gegevens, daadwerkelijk aan [verdachte] toebehoren, is overtuigend en het verweer van [verdachte] biedt geen aanknopingspunten om hieraan te twijfelen. Uit de bewijsmiddelen volgt onmiskenbaar dat [verdachte] schuilgaat achter de PGP-namen ‘C murder/971817’, ‘CB1D45’, ‘C MURDAH’ en ‘C40’. [verdachte] heeft geen enkele concrete omstandigheid naar voren gebracht die tot een andere conclusie kan leiden. De betekenis van de op de opnames vermelde destructietijd is niet duidelijk geworden. Wel blijkt uit de filmpjes dat er in één chat ook wel verschillende destructietijden worden gezien. De filmpjes waarop de gesprekken te zien zijn, hebben veelal bestandsnamen waarin de datum van de opname lijkt te zijn verwerkt. De opnames lijken telkens kort na de gevoerde gesprekken te zijn gemaakt en de inhoud past in veel gevallen bij andere gebeurtenissen rond het tijdstip van de gesprekken en de opnamen. Het hof vindt geen aanwijzingen dat de gesprekken geheel of gedeeltelijk zijn gemanipuleerd voordat zij zijn gefilmd. Het verhaal over [getuige 5] is ongeloofwaardig. Het is slecht voorstelbaar dat [verdachte] niet zou beschikken over contactgegevens van [getuige 5] , met wie hij – als zijn verklaring juist is – toch intensief zou moeten hebben samengewerkt. Naar aanleiding van de summiere gegevens die [verdachte] heeft gegeven is onderzoek gedaan om [getuige 5] te identificeren en als getuige te horen. Niemand kent een [getuige 5] die voldoet aan de beschrijving die [verdachte] heeft gegeven. [verdachte] heeft bij de behandeling van zijn zaak op de zitting aangegeven dat hij, ook al heeft hij geen contactgegevens, [getuige 5] wel kan vinden als hij daartoe in de gelegenheid wordt gesteld. Bij pleidooi is vervolgens gemeld dat [getuige 5] in 2018 is overleden en dat de foto’s van zijn begrafenis zich in het dossier bevinden. In het dossier bevinden zich inderdaad foto’s van een begrafenis van een lid van Caloh Wagoh en whatsappgesprekken die op de begrafenis van dat lid betrekking hebben. Die whatsappgesprekken zijn gevoerd tussen [verdachte] en een derde. Het is volstrekt onduidelijk waarom [verdachte] eerst aandringt op een zoektocht naar ‘ [getuige 5] ’, terwijl hij later aangeeft dat hij ervan op de hoogte was dat die persoon al in 2018 is overleden. Wat [verdachte] heeft gezegd over [getuige 5] is niet alleen ongeloofwaardig, maar ook tegenstrijdig. Naar aanleiding van het verweer van [verdachte] heeft de politie nogmaals de opnames van de PGP-gesprekken afgespeeld om te zoeken naar aanwijzingen dat anderen dan [verdachte] betrokken zouden zijn bij het opnemen van de gesprekken. Die aanwijzingen zijn niet verkregen. Er is geen enkele aanwijzing dat de door [verdachte] bedoelde [getuige 5] bestaan heeft of dat een ander dan [verdachte] de gesprekken zou hebben opgenomen én zou hebben gevoerd. Dat het ook [verdachte] is die daadwerkelijk deelnemer is aan de op de gegevensdragers gevoerde chats met de namen ‘C murder/971817’, ‘CB1D45’, ‘C MURDAH’ en ‘C40’ volgt eveneens overtuigend uit de bewijsmiddelen, zodat het verweer van [verdachte] al door de gebruikte bewijsmiddelen wordt weersproken. Het hof betrekt daarbij in het bijzonder ook de omstandigheid dat uit de bewijsmiddelen blijkt dat de gebruiker van de PGP-naam ‘C murder’ zichzelf ‘ [bijnaam verdachte] ’ noemt, ‘baas van [groep] en een grote motorclub’ en van zichzelf ook meldt dat hij uit ‘ [plaats] ’ komt en dat onder meer ‘ [verdachte] ’ zijn naam is. [verdachte] heeft ter terechtzitting nog de suggestie gewekt dat iemand anders zich mogelijk op deze wijze heeft voorgedaan als [verdachte] , maar hiervoor is geen enkele aanwijzing in het dossier te vinden en bovendien wijzen ook de andere gebruikte bewijsmiddelen ieder voor zich en in onderling verband naar [verdachte] als de gebruiker van de accountnaam ‘C murder’. [verdachte] heeft erkend dat hij degene is die de opnames van de PGP-gesprekken heeft gemaakt. Ten slotte betrekt het hof hierbij de conclusies van het onderzoek naar de schrijfstijl van de berichten van de genoemde PGPnamen. Het hof neemt die conclusies over. De conclusie uit het rapport luidt dat de (overeenkomende) kenmerken in schrijfstijl veel waarschijnlijker zijn als [verdachte] de auteur is van de gefilmde en gefotografeerde berichten van ‘C murder’, ‘971817’, ‘CB1D45’ en ‘C MURDAH’ dan als iemand anders de auteur is en dat zij waarschijnlijker zijn als [verdachte] de auteur is van de berichten van ‘C40’ dan als iemand anders de auteur is. In het licht van de gebruikte bewijsmiddelen lijdt het geen twijfel dat [verdachte] telkens degene is die schuilging achter de accountnamen ‘C murder/971817’, ‘CB1D45’ (in de periode 1820 februari 2017), ‘C MURDAH’ en ‘C40’ op het moment dat door [verdachte] de opnames werden gemaakt van de chats die onder deze accountnamen met anderen werden gevoerd. Overige verdachten Het hof concludeert ten aanzien van de andere verdachten het volgende: [medeverdachte 2] is de gebruiker van het PGP-account ‘The wizzard’; [medeverdachte 4] is de gebruiker van de PGP-accounts ‘B.I.G’, ‘Keyser soze’ en ‘Keyser soze0’; [medeverdachte 6] is de gebruiker van het PGP-account ‘Max Payne’ en [medeverdachte 6] heeft de bijnamen ‘ [bijnaam medeverdachte 6] ’ en ‘Max’; [medeverdachte 3] is van 22 tot en met 24 februari 2017 de gebruiker van het PGP-account ‘CB1D45’ en [medeverdachte 3] heeft de bijnamen ‘ [bijnaam medeverdachte 3] ’; [medeverdachte 7] is van 14 maart 2017 tot en met 17 maart 2017 de gebruiker van het PGP-account ‘CB1D45’ en [medeverdachte 7] heeft de bijnaam ‘ [bijnaam medeverdachte 7] ’; [medeverdachte 10] heeft de bijnaam ‘ [bijnaam medeverdachte 10] ’; [medeverdachte 18] heeft de bijnaam ‘ [bijnaam medeverdachte 18] ’; [medeverdachte 17] is de gebruiker van het PGP-account ‘Storing’. 6.3.
- CHARON Het hof leidt uit de inhoud van de bewijsmiddelen de volgende gang van zaken af. 6.3.2.
- De liquidatie van [slachtoffer 11] Op 31 januari 2017 omstreeks 22.30 uur is [slachtoffer 11] in Amsterdam neergeschoten en als gevolg daarvan diezelfde dag overleden. Het onderzoek in deze zaak onder de naam 13Penseel leidde niet tot vervolging van verdachten en werd afgesloten. Nadat [kroongetuige] verklaringen had afgelegd als kroongetuige is het onderzoek voortgezet. 6.3.2.
- De verklaringen van [kroongetuige] In de verklaringen van [kroongetuige] komt meerdere keren terug dat hij weet dat er een vergismoord in Utrecht heeft plaatsgevonden. Samengevat komen deze verklaringen erop neer dat de zoon van [bijnaam medeverdachte 18] betrokken was bij die vergismoord en problemen had. [bijnaam medeverdachte 18] heeft [verdachte] vervolgens om hulp gevraagd, om ervoor te zorgen dat zijn zoon niets zou overkomen. Daarvoor moest [verdachte] een represaille uitvoeren. Als die was geslaagd, zou [verdachte] het stokje overnemen van de zoon van [bijnaam medeverdachte 18] . Een van de personen die betrokken waren bij de vergismoord is vervolgens daadwerkelijk geliquideerd, aldus de verklaring van [kroongetuige] . [verdachte] zou dat hebben geregeld in opdracht van de organisatie die ook achter de vergismoord zat. Hij zou zich daarmee hebben bewezen tegenover die organisatie. Aanvankelijk stond de zoon van [bijnaam medeverdachte 18] in rechtstreeks contact met die organisatie en voerde hij werkzaamheden voor die organisatie uit. Na de geslaagde represaille mocht [verdachte] het werk overnemen van de zoon van [bijnaam medeverdachte 18] . Het hof acht de verklaringen van [kroongetuige] over wat hij van [verdachte] heeft vernomen over de gang van zaken betrouwbaar, omdat die verklaringen voor een groot deel bevestiging vinden in de door [verdachte] vastgelegde PGP-gesprekken en ander bewijsmateriaal. Op basis van de inhoud van deze verklaringen, in samenhang bezien met het vonnis en arrest in de zaak over onderzoek Roos/Doorn en de bewijsmiddelen uit het onderzoek Charon, concludeert het hof dat [kroongetuige] doelt op de vergismoord van [naam 13] in Utrecht en dat de represaille de liquidatie van het slachtoffer [slachtoffer 11] is. Het staat vast dat [verdachte] in opdracht van een andere organisatie de liquidatie van [slachtoffer 11] heeft georganiseerd. Dat blijkt uit de verklaringen van [kroongetuige] , PGP-gesprekken, het feit dat [medeverdachte 12] in opdracht van [verdachte] de vluchtauto in brand heeft gestoken en uit de contacten met de opdrachtgevers. Daarom kan ook worden aangenomen dat alle hierna beschreven activiteiten van [verdachte] verband houden met de moord op [slachtoffer 11] . 6.3.2.
- Tijdlijn Het hof zal hierna aan de hand van een tijdlijn vaststellen welke gebeurtenissen hebben plaatsgevonden in de periode van 12 januari 2017 tot en met 23 februari
- Daarbij zal het zoveel mogelijk duiding geven aan de verschillende gebeurtenissen. Het vaststellen van de tijdlijn acht het hof van belang voor de beoordeling van de ten laste gelegde feiten. Donderdag 12 januari 2017 Zoals hiervoor overwogen, neemt het hof als uitgangspunt dat [medeverdachte 17] en [medeverdachte 11] enerzijds en [slachtoffer 11] anderzijds op 12 januari 2017 als respectievelijk schutters en bestuurder betrokken zijn geweest bij de liquidatie van [naam 13] , de zogenoemde vergismoord in Utrecht. Het beoogde doelwit van deze liquidatie bleek [naam 20] te zijn. [medeverdachte 17] en [medeverdachte 11] zijn onherroepelijk veroordeeld voor deze liquidatie. Vrijdag 13 januari 2017 Op 13 januari 2017 treffen [medeverdachte 17] en [medeverdachte 11] voorbereidingen om het beoogde doelwit [naam 20] alsnog te vermoorden. [slachtoffer 11] is daar opnieuw bij betrokken. Tijdens de verkenning van de plek waar de beoogde liquidatie moet plaatsvinden, zit ook getuige [getuige 12] in de auto. Het hof stelt aan de hand van de verklaring van getuige [getuige 12] vast dat [slachtoffer 11] zich tijdens de voorbereiding voor de beoogde moord op [naam 20] heeft teruggetrokken. Op enig moment was er een discussie met [slachtoffer 11] en toen is hij weggelopen. Dat er een discussie met [slachtoffer 11] heeft plaatsgevonden, vindt steun in de verklaring van [benadeelde partij 1] . Hij heeft verklaard dat hij van [slachtoffer 11] heeft gehoord dat hij niet meer wilde meedoen aan de liquidatie van [naam 20] . Als [slachtoffer 11] niet meer mee zou gaan, zou het ophouden voor hem, zo heeft hij kennelijk aan [benadeelde partij 1] verteld. Zaterdag 14 januari 2017 Met het telefoonnummer *0028, dat in gebruik is bij [medeverdachte 2] , wordt contact gezocht met de telefoonnummers van [naam 25] en [medeverdachte 11] . Ook in de periode vóór 14 januari 2017 is er regelmatig contact tussen de telefoonnummers van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 11] . Vrijdag 20 januari 2017 [benadeelde partij 1] heeft verklaard dat [slachtoffer 11] hem op vrijdag 20 januari 2017 heeft verteld dat hij samen met [medeverdachte 17] en [medeverdachte 11] betrokken is geweest bij de liquidatie in Utrecht waarbij de verkeerde was neergeschoten. Volgens [benadeelde partij 1] zou [slachtoffer 11] met meer mensen hebben gesproken over de vergismoord. Woensdag 25 januari 2017 Op 25 januari 2017 vindt er een ontmoeting plaats tussen [verdachte] en ‘ [bijnaam medeverdachte 18] ’. Dat blijkt uit een chat tussen beiden van die dag. Het hof concludeert op basis van de bewijsmiddelen dat [bijnaam medeverdachte 18] (net als [bijnaam medeverdachte 18] ) een bijnaam is van [medeverdachte 18] , de vader van [medeverdachte 17] . Dat er op 25 januari 2017 een ontmoeting heeft plaatsgevonden tussen hem en [verdachte] , past bij de verklaring van [kroongetuige] dat [bijnaam medeverdachte 18] in de periode na de vergismoord naar [verdachte] is gegaan om hulp te vragen. Donderdag 26 januari 2017 Op 26 januari 2017 vindt er een ontmoeting plaats tussen [medeverdachte 18] en [verdachte] , waarbij ook [medeverdachte 17] aanwezig is. Vrijdag 27 januari 2017 Op vrijdag 27 januari 2017 vindt er weer een ontmoeting plaats tussen [verdachte] en [medeverdachte 17] . Uit de inhoud van de chats, in combinatie met de historische verkeersgegevens van de telefoon van [medeverdachte 17] , volgt dat er in Rotterdam rond 22.00 uur wordt afgesproken, waarna [medeverdachte 17] rond 23.30 uur met de trein vanaf Den Haag Centraal richting Amsterdam reist. Zaterdag 28 januari 2017 Op 28 januari 2017 vinden er meerdere chats plaats tussen [verdachte] en [medeverdachte 18] . Deze chats kunnen niet anders worden uitgelegd dan dat [medeverdachte 17] en [medeverdachte 11] die dag op zoek zijn geweest naar [slachtoffer 11] en dat [medeverdachte 17] daarover communiceerde met zijn vader, die de informatie vervolgens doorgaf aan [verdachte] . [medeverdachte 17] en [medeverdachte 11] zijn op zoek naar hem langs zowel de moeder als de vriendin van [slachtoffer 11] gegaan. Uiteindelijk vinden ze hem ’s avonds bij zijn vader, [benadeelde partij 1] . Tijdens dit bezoek is er kennelijk gesproken over iets nieuws dat [slachtoffer 11] moest gaan doen. Daarvoor moest hij ook telefonisch bereikbaar zijn. [benadeelde partij 1] heeft daarom een Lyca-kaartje voor een telefoon van het merk Alcatel aan [slachtoffer 11] gegeven. De informatie over de zoektocht naar, en vervolgens het bezoek aan, [slachtoffer 11] is kennelijk relevant voor [verdachte] , nu dit direct met hem wordt gedeeld. In de berichten wordt gezegd dat [verdachte] “paraat was en dat hij het even moet cancelen”, wat erop duidt dat er iets stond te gebeuren dat niet door kon gaan. [verdachte] wordt niet alleen direct geïnformeerd over de zoektocht naar, en uiteindelijk het vinden van, [slachtoffer 11] , maar na afloop van het bezoek geeft [medeverdachte 17] via [medeverdachte 18] ook aan snel contact met [verdachte] te willen. Direct daarop maken [medeverdachte 17] en [verdachte] onderling een afspraak om elkaar de volgende dag te treffen in Amsterdam. Zondag 29 januari 2017 Op 29 januari 2017 stuurt [medeverdachte 17] even na middernacht een bericht naar [verdachte] . Kennelijk wil [medeverdachte 17] hem die dag voor 12.00 uur ontmoeten, wat wordt bevestigd in een whatsappgesprek tussen [medeverdachte 18] en [verdachte] diezelfde nacht. Uit het vervolg van het whatsappgesprek tussen [medeverdachte 18] en [verdachte] blijkt dat er daadwerkelijk rond 12.00 uur een afspraak heeft plaatsgevonden tussen (wederom) [medeverdachte 17] en [verdachte] in Amsterdam aan de [adres] . Even voor 13.00 uur vindt een whatsappgesprek plaats tussen [medeverdachte 18] en [verdachte] . [medeverdachte 18] laat aan [verdachte] weten dat “dat ding vandaag geregeld moet worden” en dat die mannen druk zetten. Ook zegt hij: “Morgen heeft het gevolgen voor die mannen”. [verdachte] maakt duidelijk dat vandaag niet kan en dat hij “die man heeft uitgelegd” dat hij één dag moet hebben, omdat “wij” anders fouten maken. Dat “het gevolgen kan hebben voor die mannen” past bij de verklaring van [kroongetuige] dat [bijnaam medeverdachte 18] hulp heeft gezocht bij [verdachte] om ervoor te zorgen dat zijn zoon, die in de problemen zat door de vergismoord, niets zou overkomen. Het hof concludeert op basis van deze gesprekken dat er kennelijk druk werd uitgeoefend op (het team van) [verdachte] . Uit de verklaring van [benadeelde partij 1] volgt dat dezelfde dag ook een ontmoeting heeft plaatsgevonden tussen [medeverdachte 17] , [medeverdachte 11] en [slachtoffer 11] . [slachtoffer 11] moest zich in Amsterdam in de middag melden om 15.00 uur of 17.00 uur. Dit is na de ontmoeting tussen [medeverdachte 17] en [verdachte] , die rond 12.00 uur plaatsvond. [slachtoffer 11] was over deze ontmoeting gebeld op het telefoonnummer behorend bij zijn Lycakaartje. [slachtoffer 11] had aan [benadeelde partij 1] verteld dat het om dezelfde jongens ging. Dit vindt bevestiging in de verklaring van [medeverdachte 11] , die heeft verklaard dat ze voor die dag via het telefoonnummer behorend bij het Lyca-kaartje een afspraak met [slachtoffer 11] hadden gemaakt en dat [slachtoffer 11] rond 16.00 uur naar de lounge in Amsterdam is gekomen. [slachtoffer 11] is na ongeveer twee uren weggegaan, wat past bij de verklaring van [benadeelde partij 1] dat hij rond 19.30 uur weer thuiskwam. [medeverdachte 17] en [medeverdachte 11] zijn in de lounge gebleven. Maandag 30 januari 2017 De dag begint om 00.07 uur met een chat tussen [medeverdachte 18] en [verdachte] , waarin [medeverdachte 18] aangeeft dat die jongen een manier heeft gevonden om dat ding uit te stellen tot morgen. Het hof concludeert dat met “die jongen” wederom [medeverdachte 17] wordt bedoeld. Dat volgt uit de rest van de chat. Daarin wordt afgesproken dat [verdachte] hem de dag erna op dezelfde plek als “vandaag” zal ontmoeten. Zoals hiervoor vastgesteld, heeft op 29 januari 2017 rond 12.00 uur een ontmoeting plaatsgevonden tussen [verdachte] en [medeverdachte 17] aan de [adres] in Amsterdam. Gelet op het tijdstip van de chat in combinatie met de inhoud gaat het hof ervan uit dat met “vandaag” 29 januari 2017 wordt bedoeld. Op basis van het vervolg van het gesprek stelt het hof vast dat op 30 januari 2017 uiteindelijk rond kwart voor twee ’s middags er opnieuw een afspraak tussen [medeverdachte 17] en [verdachte] aan de [adres] in Amsterdam is geweest. In de middag van 30 januari 2017 is er weer een ontmoeting in Amsterdam tussen [medeverdachte 17] , [medeverdachte 11] en [slachtoffer 11] . Dat volgt niet alleen uit de verklaring van [benadeelde partij 1] , maar ook uit de verklaring van [medeverdachte 11] . Deze ontmoeting gaat in de avond en nacht door. Vanaf ongeveer 18.00 uur tot 20.00 uur en vanaf ongeveer 22.30 uur heeft het nummer eindigend op *7682, dat zoals blijkt uit de bewijsmiddelen aan [medeverdachte 17] kan worden toegeschreven, zendmasten aangestraald in de buurt van café [café] in Amsterdam. Het hof leidt hieruit en ook uit de verklaring van [medeverdachte 11] af dat de ontmoeting opnieuw in dat loungecafé heeft plaatsgevonden. Tussen [medeverdachte 17] , [medeverdachte 11] en [slachtoffer 11] is die dag afgesproken dat ze elkaar de volgende dag, 31 januari 2017, weer zullen ontmoeten. Uit een whatsappgesprek tussen [medeverdachte 18] en [verdachte] volgt dat er die avond ook nog een ontmoeting heeft plaatsgevonden tussen [verdachte] en [medeverdachte 17] . Om 20.18 uur stuurt [medeverdachte 18] aan [verdachte] : “Same place”. Om 20.23 uur zegt hij: “3 à 4 min is hij er”. Zo lijken [verdachte] en [medeverdachte 17] elkaar rond 20.26 à 20.27 uur te zien. De historische gegevens van de telefoon van [medeverdachte 17] laten zien dat zijn toestel die avond in ieder geval om 21.12.31 uur een zendmast heeft aangestraald in de directe omgeving van de [adres] te Amsterdam, waar [verdachte] en [medeverdachte 17] elkaar twee keer eerder hebben ontmoet. Dat duidt erop dat [medeverdachte 17] zijn ontmoeting met [slachtoffer 11] in [café] die avond heeft onderbroken voor wederom een ontmoeting met [verdachte] . De telefoons van [naam 1] en [naam 3] stralen vanaf 19.32 uur aan in Amsterdam. In ieder geval [naam 3] kan worden gerekend tot de organisatie van de opdrachtgever. Om 20.10 uur wordt de Renault Clio met het valse kenteken [kenteken] geregistreerd door een camera op de A10 Noord. Van deze gestolen auto zijn het originele kenteken en kentekenbewijs in februari 2017 aangetroffen in een loods in Landsmeer die ook in gebruik was bij de organisatie van de opdrachtgever. Hetzelfde voertuig wordt op 4 februari 2017 uitgebrand gevonden bij De Zilk. Opvallend is dat de contactnaam ‘The wizzard’, die op basis van de processen-verbaal van veredeling aan [medeverdachte 2] kan worden toegeschreven, die avond om 20.29 uur in een PGP-toestel is geplaatst met een nummer eindigend op *
- Dit PGP-toestel heeft die dag een reisbeweging gemaakt van Utrecht naar Amsterdam. Bij het eerste gebruik straalde deze PGP een zendmast aan in de directe omgeving van de woning van [naam 3] in Utrecht. Bij hem thuis is administratie aangetroffen van meerdere simkaarten van PGP-toestellen, die onder meer te relateren zijn aan [verdachte] en de accounts ‘The wizzard’ en ‘B.I.G’. Het eerste deel van de reisbeweging van Utrecht naar Amsterdam heeft de PGP ook samen met [naam 3] gemaakt. Dat blijkt uit de zendmasten die de telefoon van [naam 3] tijdens die reisbeweging heeft aangestraald. Op enig moment, vanaf 20.21 uur, lopen de reisbeweging van [naam 3] enerzijds en die van de PGP anderzijds uiteen. Dat betekent dat een overdracht van de PGP aan een ander heeft plaatsgevonden. Het moment dat de contactnaam ‘The wizzard’ in het PGP-toestel werd gezet, is rondom het moment van de ontmoeting tussen [medeverdachte 17] en [verdachte] die avond in Amsterdam aan de [adres] . Het hof leidt uit de bewijsmiddelen af dat tijdens deze ontmoeting het PGP-toestel met daarin de naam ‘The wizzard’ aan [verdachte] moet zijn overgedragen. Dat vindt bevestiging in de chat tussen [verdachte] en [medeverdachte 18] van 31 januari 2017, waarin [verdachte] om 11.34 uur zegt: “Ik ga zo op dat ding” in combinatie met de datasessie van dit PGP-toestel om 12.41 uur. Dat [medeverdachte 17] betrokken is bij de overdracht van deze PGP blijkt uit het bericht om 17.11 uur van [medeverdachte 18] aan [verdachte] : “Hij zei dat hij je een nieuwe telefoon heeft gegeven”, “hij zegt dat die mannen zien dat je leest maar dat je niet reageert op zijn berichten” en “dat vragen ze aan hem waarom jij niet reageert”. Ook wordt [medeverdachte 17] er kennelijk op aangesproken als [verdachte] niet reageert op berichten op dit PGP-toestel. Dat met “hij” in de chats [medeverdachte 17] wordt bedoeld, leidt het hof af uit het vervolg van datzelfde gesprek waarin [verdachte] laat weten: “die jongen van jou moet veel leren”. Ongeveer een uur na de ontmoeting tussen [verdachte] en [medeverdachte 17] op 30 januari 2017 beginnen er whatsappgesprekken tussen [verdachte] en [medeverdachte 7] en [verdachte] en [naam 35] . [verdachte] zegt dan onder meer dat hij in de [restaurant ] in de Meern is. Het PGP-toestel met nummer *9768 straalt op dat moment aan op een zendlocatie in De Meern. Het hof ziet hierin bevestiging dat het PGP-toestel met nummer *9768 die avond aan [verdachte] is overgedragen. Dinsdag 31 januari 2017 Op 31 januari 2017 om 01.02 uur straalt de telefoon van [medeverdachte 7] een mast aan de A12 in de buurt van Harmelen aan. Dit past bij aanwezigheid van [medeverdachte 7] vlak daarvóór in De Meern. Ook vindt vanaf ongeveer 01.00 uur opnieuw contact plaats tussen [verdachte] en [naam 35] . [verdachte] geeft aan [naam 35] huisnummer [huisnummer] en het adres [adres] door. Dat is het adres van een vriendin van [verdachte] met de bijnaam Widow. Rond 01.30 uur meldt [naam 35] dat hij er is. [verdachte] is daar op dat moment blijkbaar ook aanwezig en vraagt [naam 35] om boven te komen. Dezelfde nacht, om 04.19 uur, komt [slachtoffer 11] terug van zijn ontmoeting met in ieder geval [medeverdachte 17] en [medeverdachte 11] . [medeverdachte 17] kwam die ochtend ook pas rond 05.00 uur thuis, zo blijkt uit een gesprek tussen [verdachte] en [medeverdachte 18] rond 11.30 uur. Ook [medeverdachte 11] heeft verklaard dat zij op 31 januari 2017 tot vroeg in de ochtend in Amsterdam zijn geweest. [slachtoffer 11] laat bij thuiskomst aan [benadeelde partij 1] zien dat hij een PGP-telefoon heeft gekregen. Gelet op het feit dat hij de PGP-telefoon meteen na thuiskomst laat zien, na een lange ontmoeting met in ieder geval [medeverdachte 17] en [medeverdachte 11] , concludeert het hof dat [slachtoffer 11] die PGP tijdens die ontmoeting heeft ontvangen. Later die ochtend vertelt [slachtoffer 11] aan [benadeelde partij 1] dat er die avond iets gaat gebeuren. Hij moet een laatste klusje doen. Uit zijn gebaar met zijn hand langs zijn keel maakt [benadeelde partij 1] op dat er iemand dood moest. Het hof concludeert dat het voor [slachtoffer 11] duidelijk moet zijn geweest dat er die avond nog een liquidatie zou plaatsvinden. Dat hij een PGP heeft ontvangen, past daarbij. Rond 16.00 uur vindt er weer chatcontact plaats tussen [medeverdachte 18] en [verdachte] . [medeverdachte 18] bericht: “Hoe laat vraagt ie” en “zou je op zijn schrijven kunnen reageren”. [slachtoffer 11] vertrekt rond 17.00 uur die dag richting Amsterdam. Hij ontmoet [medeverdachte 17] , [medeverdachte 11] en een vierde man op station Amsterdam Lelylaan. [medeverdachte 17] , [medeverdachte 11] en die vierde man waren daarvóór al samen in de stad geweest. In de buurt van het [school] lopen ze vervolgens met zijn vieren rond. Daarna gaan zijn ze enige tijd uit elkaar. [slachtoffer 11] en de vierde man gaan de ene kant op en [medeverdachte 17] en [medeverdachte 11] de andere kant (naar huis). [medeverdachte 17] heeft zich toen omgekleed. Dat was tussen 20.00 uur en 21.00 uur. In die tussentijd, om 20.35 uur, bericht [medeverdachte 18] aan [verdachte] dat hij moet texten, want die jongen wacht op hem. Het hof concludeert dat [medeverdachte 17] op dat moment wacht op een bericht van [verdachte] . Eerder die avond, om 18.55 uur, laat [naam 35] in een chat aan [verdachte] weten dat hij die dag niet mee kan. Dezelfde avond stuurt [verdachte] aan Widow de volgende berichten: “Heb je doek en tas voor dat”, “Regel dat voor me. En schoon. Dus oppassen” en “Doe je tomtom erbij”. Kort daarop vraagt [verdachte] aan [naam 38] , zijn broer, of hij nog met [bijnaam medeverdachte 7] is. Ook vraagt hij of ze [bijnaam medeverdachte 5] halen. “ [bijnaam medeverdachte 7] weet. Ze moeten iets daar ophalen. Bij sport. Daarna Widow en dan kom ik naar sport”, zegt hij erbij. Met “sport” wordt de sportschool van [verdachte] broer [naam 38] in Den Haag bedoeld. Om 20.30 uur appt [verdachte] aan Widow: “kom maar brengen. Ben er”. Widow antwoordt: “ik kom. Achter”. Het hof duidt de activiteiten en contacten in het kader van de voorbereiding van de liquidatie. In die contacten gaat het erom dat men iets moet ophalen bij “sport” en wordt ook Widow genoemd. In het licht van de overige bewijsmiddelen gaat het hof ervan uit dat met “schoon” wordt bedoeld vrij van sporen en dat bij Widow het moordwapen was gestald. Uit latere PGP-gesprekken die [verdachte] heeft gevoerd met ‘The wizzard’ en ‘B.I.G’ blijkt dat de organisatie van de opdrachtgever doorgaans zorgde voor “yzers en fietsen”, oftewel wapens en auto’s. De conclusie van het hof is dat rond 30 januari 2017 een of meer PGP-telefoons, auto’s en wapens zijn overgedragen vanuit de organisatie van de opdrachtgever aan [verdachte] en anderen die nauw met hem in contact stonden. [medeverdachte 17] , [medeverdachte 11] , de vierde man en [slachtoffer 11] treffen elkaar later die avond weer op de [adres] . Na wat rondlopen komen ze op het pleintje van de [adres] . [slachtoffer 11] loopt op dat moment voorop. [medeverdachte 17] loopt daarachter en [medeverdachte 11] en de vierde man lopen daar weer achter. [medeverdachte 17] ziet op dat moment een man op hen afkomen en hij hoort schoten. Hij rent weg, maar ziet bij het omkijken nog dat [slachtoffer 11] in elkaar zakt. [slachtoffer 11] is doodgeschoten. In de directe omgeving van [slachtoffer 11] worden meerdere hulzen aangetroffen. Op drie daarvan wordt DNA aangetroffen met dezelfde kenmerken als het DNA-profiel van [medeverdachte 7] (bijnaam: [bijnaam medeverdachte 7] ). De telefoon van [medeverdachte 7] straalde om 18.29 uur een mast in Leiden aan en om 19.53 uur een mast in Den Haag. De eerstvolgende geregistreerde verbinding van de telefoon van [medeverdachte 7] is na de liquidatie om ongeveer 00.34 uur (op woensdag 1 februari 2017). Rond hetzelfde tijdstip wordt een aan [medeverdachte 3] toegeschreven telefoon geregistreerd. De door beide toestellen daarbij gebruikte masten staan aan of in de buurt van de [adres] in Den Haag. Verder is gebleken dat een contact van [medeverdachte 7] geprobeerd heeft hem te bereiken maar dat er geen verbinding tot stand kwam. Dat kan erop wijzen dat het toestel geen bereik had of uitgeschakeld is geweest. Van het op 30 januari 2017 aan [verdachte] overhandigde PGPtoestel *9768 zijn mastgegevens geregistreerd. Het toestel straalde om 17.42 uur een mast bij de woning van [verdachte] in Zoetermeer aan. Later op de avond werd er met het toestel een datasessie gestart. Daarbij wordt in ieder geval om de twee uren een mast geregistreerd. Dat is een mast die in de twee uur vóór de registratie binnen bereik is geweest van het toestel. Daaruit blijkt dat het toestel is gesignaleerd op een mast nabij de snelweg bij Hoofddorp en later (tussen 22.16 uur en 00.16 uur op 1 februari 2017) op een mast bij Vijfhuizen. Dat past bij een rit van Den Haag naar de plaats van de liquidatie in AmsterdamOsdorp en bij een rit van AmsterdamOsdorp naar de plek waar de vluchtauto later uitgebrand is aangetroffen. Het PGPtoestel *9768 is op 30 januari 2017 aan [verdachte] overhandigd, maar dat wil nog niet zeggen dat het toestel ook in de nabijheid van [verdachte] is geweest gedurende die nacht. Uit het dossier blijkt dat het toestel met dit nummer diverse keren door anderen is gebruikt. Zo is het toestel begin februari 2017 in gebruik geweest bij [medeverdachte 3] en op 17 maart 2017 onder [medeverdachte 7] aangetroffen bij de aanhouding van [medeverdachte 7] , [medeverdachte 12] en [medeverdachte 3] in Amsterdam (onderzoek Arford). Woensdag 1 februari 2017 Om 03.39 uur zoekt [verdachte] op zijn telefoon naar berichten over de liquidatie in Amsterdam. Op 1 februari 2017 chatten [verdachte] en [medeverdachte 18] weer over “die jongen”. [medeverdachte 18] kan hem kennelijk niet bereiken. Om 20.52 uur zegt [medeverdachte 18] tegen [verdachte] dat hij kan komen. [verdachte] noemt het adres [adres] . Om 22.10 uur zegt [medeverdachte 18] dat hij voor het hotel staat. Uit een uitnodiging van [medeverdachte 5] volgt dat hij die avond een feest geeft in een restaurant aan de [adres] in Den Haag. Gelet op het gesprek tussen [verdachte] en [medeverdachte 18] concludeert het hof dat [medeverdachte 18] en [verdachte] elkaar bij het restaurant waar het feest werd gehouden, hebben ontmoet. Op een telefoon van [medeverdachte 7] zijn diverse foto’s aangetroffen. Op een van de foto’s zijn onder andere [naam 35] , [medeverdachte 12] en [medeverdachte 7] te zien. Die foto is genomen op de locatie van het feest, zodat het hof concludeert dat de hiervoor genoemde personen ook op het feest in het restaurant aan de [adres] in Den Haag aanwezig waren. Op een andere foto die op de telefoon van [medeverdachte 7] is gevonden, is een stapel bankbiljetten in een toiletruimte te zien. De foto is genomen of verzonden op 1 februari 2017 om 23.36.57 uur. Gelet op het tijdstip van de foto concludeert het hof dat deze foto ook tijdens hetzelfde feest is genomen. Kennelijk beschikte [medeverdachte 7] op dat moment over een grote hoeveelheid contant geld. Vrijdag 3 februari 2017 Op vrijdag 3 februari 2017 is er chatcontact tussen [medeverdachte 17] en zijn vader, [medeverdachte 18] . Op de vraag van zijn vader hoe het met hem gaat, antwoordt [medeverdachte 17] : “Ja relaxed ff”. [medeverdachte 18] vraagt in de chat of [medeverdachte 17] al voor hem heeft wat hij hem zou geven: “a djing djing”. “Nog niet”, reageert [medeverdachte 17] , maar “komt goed”. Zaterdag 4 februari 2017 Op 4 februari 20