← Nederland

ECLI:NL:GHARL:2025:5736

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem, afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof: 200.342.223 (zaaknummer rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo: 10721533) arrest van 16 september 2025 in de zaak van [appellant] , h.o.d.n. [naam1] die woont in [woonplaats] die hoger beroep heeft ingesteld en bij de kantonrechter optrad als eiser hierna: [appellant] advocaat: mr. D.F. Linnartz tegen Instaltech Twente B.V. die is gevestigd in Goor en bij de kantonrechter optrad als gedaagde hierna: Instaltech advocaat: mr. R.F. Kötter 1Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep 1.

  1. Op 18 oktober 2024 heeft een mondeling behandeling (‘na aanbrengen’) plaatsgevonden. Hiervan is een verslag (proces-verbaal) gemaakt dat aan het dossier is toegevoegd. Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit: de memorie van grieven de memorie van antwoord. 2De kern van de zaak 2.
  2. [appellant] heeft voor Instaltech aanneemwerkzaamheden verricht. Hij heeft voor een perceel waar Instaltech een bedrijfspand op wilde zetten het grondverzet gedaan en het perceel bestraat. Ook heeft hij daartoe materialen geleverd: met name zand, puin en klinkers. De overeenkomst van aanneming is neergelegd in een door Instaltech ondertekende offerte die [appellant] heeft uitgebracht. Instaltech weigert de laatste factuur van [appellant] te betalen omdat z\ij vindt dat [appellant] veel meer in rekening brengt dan zij blijkens de overeenkomst hebben afgesproken. 2.
  3. [appellant] heeft bij de kantonrechter gevorderd dat die Instaltech veroordeelt tot betaling van de laatste factuur, zij het tot een bedrag van € 24.950,00 te vermeerderen met wettelijk handelsrente vanaf de dag van dagvaarding. 2.
  4. De kantonrechter heeft een bedrag van € 5.846,19 vermeerderd met rente en proceskosten toegewezen en het meerdere afgewezen. De bedoeling van het hoger beroep is dat de afgewezen vorderingen grotendeels alsnog worden toegewezen en dat Instaltech in de kosten van de procedure wordt veroordeeld. 2.
  5. Het hof zal beslissen dat Instaltech naast het door de kantonrechter toegewezen bedrag nog een gedeelte van de laatste factuur, te weten € 5.731,74 vermeerderd met de wettelijke handelsrente, moet betalen en licht dat hierna toe. Het hof laat de gevolgen van het vonnis van de kantonrechter deels in stand en beslist voor een deel anders. 3De toelichting op de beslissing van het hof De offerte en betaalde en onbetaalde facturen 3.
  6. De offerte die [appellant] heeft opgesteld op 14 juni 2021 en die door beide partijen is ondertekend, zodat een overeenkomst van aanneming tot stand is gekomen, luidt, voor zover van belang, als volgt: 3.
  7. [appellant] heeft tijdens en na de werkzaamheden in totaal 6 facturen uitgebracht. De eerste 5 facturen, tot een bedrag van € 57.966,04 heeft Instaltech voldaan. De laatste factuur, van € 25.023,97 incl. btw, heeft Instaltech niet betaald; naar haar mening wijkt [appellant] daarmee veel te ver af van wat partijen blijkens de offerte hadden afgesproken en was nog slechts € 7.595,11 incl. btw verschuldigd (ook dat bedrag heeft ze niet betaald). Instaltech wijt het surplus met name aan de hoeveelheden zand die [appellant] in rekening brengt en de extra kosten die hij rekent omdat het perceel dat bestraat moest worden niet 731 m2 groot was maar (ongeveer) 1000 m
  8. Als eerste dient zich dan ook de vraag aan, wat partijen hebben afgesproken. Wat hebben partijen afgesproken? 3.
  9. Partijen verschillen van mening over de vraag of voor het werk een vaste prijs is afgesproken van € 40.000 waarvan € 10.416,75 voor het bestraten. De kantonrechter heeft geoordeeld dat partijen een vaste prijs hebben afgesproken voor het werk en dat de facturen voor ‘meerwerk’ op grond daarvan niet hoeven te worden voldaan. [appellant] is het daar niet mee eens en wijst ter onderbouwing van zijn standpunt op de manier waarop de offerte is opgesteld. Deze bevat een tabel met de verschillende posten van werkzaamheden en materialen, uitgaande van de op dat moment geldende prijs van de materialen, en uitgaande van een te bestraten gedeelte van het perceel van 731 m
  10. Onder die tabel zijn echter zeven regels toegevoegd, die onder andere zien op het gebruik en verwerken van meer materialen, extra werkzaamheden maar ook meer vierkante meters die moeten worden bestraat. Volgens [appellant] duidt dat erop dat partijen voorzien hebben dat de inschatting van het perceel niet juist zou zijn en dat het om meerwerk zou gaan. 3.
  11. Voor de uitleg van de overeenkomst is de taalkundige uitleg van die bepalingen van belang, maar daarbij moet het hof acht slaan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op wat hetgeen zij daarover redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Voor die uitleg zijn alle omstandigheden van belang. 3.
  12. Naar het oordeel van het hof duidt de tekst van de offerte, met name de bepalingen “meer m2 straten dan in offerte, € 14,50 /m2 meerprijs” en “indien meer zand en/of puin nodig komt er een meerprijs” erop dat sprake is van een overeenkomst met een gemengd karakter: een vaste prijs voor zover het te bestraten gedeelte niet groter is dan 731 m2 en een aanvullende prijs als dat terrein groter blijkt dan voorzien. Partijen zijn het erover eens dat het te bestraten gedeelte van het perceel niet zoals geschat 731 m2 bedroeg maar een omvang had van (ongeveer) 1.000 m
  13. 3.
  14. Verder is van belang dat Instaltech wist dat de gegevens in de offerte van 12 mei 2021 waren gebaseerd op niet meer dan een schatting aan de hand van een vergelijking met het naastgelegen perceel waar [appellant] vergelijkbare werkzaamheden had uitgevoerd. Toen [appellant] de oppervlakte van het perceel schatte, waren de grenzen van het perceel nog niet uitgezet. Eerst op 31 mei 2021 (productie 6 bij conclusie van antwoord), dus (onweersproken) nadat de graafwerkzaamheden al waren gestart, informeerde Instaltech hem dat de week ervoor samen met de gemeente de rooilijn door middel van piketten is afgezet. Omdat de geschatte afmetingen en corresponderende hoeveelheden materialen uit de offerte van 12 mei 2021 echter in de offerte van 14 juni 2021 waren overgenomen, wist Instaltech dat die nog steeds waren gebaseerd op een schatting. Instaltech heeft nog aangevoerd dat de bouwtekeningen van het beoogde bedrijfspand op 31 mei 2021 aan [appellant] zijn gestuurd waaruit de perceelgrootte kon worden afgeleid. Bij het uitbrengen van de offerte van 14 juni 2021 had [appellant] dus van de juiste afmetingen en corresponderende materialen uit moeten gaan, aldus Instaltech. Zelfs als juist is dat de perceelgrootte uit de tekeningen afgeleid zou kunnen worden (dat is betwist door [appellant] ) dan nog is Instaltech akkoord gegaan met een offerte waarin het te bestraten gedeelte en de daarvoor benodigde materialen waren geschat. 3.
  15. Als laatste betrekt het hof bij zijn oordeel dat voorafgaand aan deze procedure voor beide partijen uitgangspunt was dat Instaltech een hoger bedrag zou moeten betalen dan het bedrag volgens de offerte van € 40.000 (het bedrag van € 41.346,75 in de offerte is met de hand doorgestreept en daar is met de hand € 40.000 bijgeschreven). Zo schreef Instaltech op 21 oktober 2022: “Nu blijkt het daadwerkelijke straatwerk 269m2 meer te zijn dus krijgen jullie 269 x 14,50 euro = 3900,50 euro exclusief BTW extra betaald”. Zij heeft ook meer betaald, namelijk € 57.966,
  16. Bovendien heeft Instaltech tijdens de zitting bij het hof opgemerkt: “Ik ging ervan uit dat [appellant] wist om hoeveel m2 straatwerk het ging. Het kan dat dat in de praktijk dan meer blijkt te zijn. Dan betaal ik dat ook netjes”. 3.
  17. Vanwege de manier waarop de offerte tot stand is gekomen, de wijze waarop die is opgesteld en wat partijen daarover hebben gezegd, zoals hiervoor besproken, is het hof van oordeel dat de overeenkomst een gemengd karakter heeft, namelijk een ‘vast’ deel aangevuld met een gedeelte dat nog het meeste lijkt op een afspraak dat het tot stand gebrachte werk op regie-basis in rekening mag worden gebracht. Dat wil echter niet zeggen, dat [appellant] op grond daarvan zonder meer alle werkzaamheden en materialen waarvan de prijs boven het geoffreerde bedrag uitkomt in rekening mag brengen. Zoals hiervoor opgemerkt, gaat het er bij de uitleg van de overeenkomst mede om wat beide partijen van elkaar mochten verwachten. Instaltech kon en mocht immers verwachten dat de uiteindelijke prijs tenminste in een redelijke verhouding zou staan tot het geoffreerde bedrag, ervan uitgaande dat [appellant] zijn offerte op zorgvuldige wijze had uitgebracht. Instaltech doet ook een uitdrukkelijk beroep op die van [appellant] te verwachten zorgvuldigheid. Het hof zal de vordering van [appellant] dan ook beoordelen op wat Instaltech redelijkerwijs kon en mocht verwachten als te zijn overeengekomen, gegeven de offerte en de overige omstandigheden van het geval. Wat mocht [appellant] (niet) in rekening brengen? 3.
  18. Dat de facturen zoveel hoger zijn uitgevallen dan begroot, is voornamelijk het gevolg van een drietal oorzaken: de prijzen van de materialen zijn in de loop van het project gestegen; [appellant] heeft een aanzienlijk groter perceel moeten bestraten dan hij had ingeschat; er is meer zand geleverd om op te vullen dan [appellant] had voorzien. Daarbij volgt uit de overeenkomst dat [appellant] een korting heeft aangeboden (althans dat Instaltech die heeft bedongen) van € 1.346,75 excl. btw. Verder heeft [appellant] in hoger beroep erkend dat hij een te hoog bedrag voor zaagwerk in rekening heeft gebracht. Volgens zijn factuur had hij € 15,00 per meter in rekening gebracht waar hij volgens de overeenkomst slechts € 5,00 per meter zou rekenen. Op grond daarvan heeft hij in hoger beroep zijn eis verminderd met € 1.370,
  19. 3.
  20. Het hof gaat voorbij aan de verweren die Instaltech in eerste aanleg heeft gevoerd op grond van de artt. 7:754 en 7:755 BW. Instaltech heeft onvoldoende gesteld op grond waarvan deze artikelen toepassing kunnen vinden. Zij heeft niet toegelicht voor welke onjuistheid in de opdracht of voor welke fouten of gebreken in de door haar verstrekte tekeningen [appellant] had moeten waarschuwen (art. 7:754 BW). Dat is in elk geval niet de aangevoerde ‘miscalculatie’ rond het zand, omdat partijen wisten dat het een schatting was. Er is ook geen sprake van in art. 7:755 BW bedoelde toevoegingen of veranderingen in de opdracht (met uitzondering van de twee kolken die echter geen onderdeel uitmaken van het geschil in hoger beroep).
  21. prijsstijgingen mogen worden doorberekend 3.
  22. De kantonrechter heeft in 5.15 overwogen dat de prijsstijging van de materialen door [appellant] in rekening gebracht mocht worden, omdat dit voorzien is in artikel 4.8 van de algemene voorwaarden die [appellant] hanteert. Dat laatste is door Instaltech niet bestreden. Instaltech heeft daar slechts tegenin gebracht dat die voorwaarden vernietigbaar zijn omdat ze niet ter hand waren gesteld. Met de kantonrechter is het hof van oordeel dat het beroep op vernietigbaarheid niet opgaat omdat de voorwaarden als bijlage bij de e-mail van 14 mei 2021 waren gevoegd. Het hof verwijst naar rechtsoverweging 5.12 van de kantonrechter en maakt dat oordeel tot het zijne. Dat betekent dat de algemene voorwaarden deel uitmaakten van de overeenkomst en dat de prijsstijgingen mochten worden doorberekend.
  23. meer bestraten mag worden doorberekend 3.
  24. Omdat het perceel 1.000 m2 groot bleek te zijn, heeft Instaltech in haar e-mail van 22 september 2022 aangeboden om op basis van voormelde regel in de ondertekende offerte voor 269 m2, te weten het aantal meters boven 731 m2, een bedrag van € 3.900,50 extra te betalen voor extra klinkers en bestraten. Dat is gebaseerd op de afgesproken meerprijs van € 14,50 per m
  25. [appellant] rekent voor de extra vierkante meters echter per vierkante meter een prijs van € 19,03: € 4,53 voor het ‘instraten’ (de arbeid, begrijpt het hof) plus € 15,50 voor de gebruikte H-klinkers, zo blijkt uit de slotfactuur van 13 oktober
  26. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [appellant] uitgelegd dat hierin een meerprijs van € 6,00 per vierkante meter is begrepen omdat de klinkers zoveel duurder waren geworden. Uit de door [appellant] overgelegde facturen (productie 24) blijkt dat de prijs van de klinkers ruim een jaar na de offerte, in augustus 2022, € 14,00 bedroeg en in november 2022 € 14,75 per vierkante meter. Ervan uitgaande dat in de overeengekomen meerprijs van € 14,50 per vierkante meter zowel arbeid als materiaal is verwerkt, heeft [appellant] daarmee voldoende onderbouwd dat hij met die overeengekomen meerprijs niet uitkwam omdat de klinkers duurder waren (geworden) dan ten tijde van het opstellen van de offerte. Hij mocht dit meerdere gelet op artikel 4.8 van de algemene voorwaarden in rekening brengen.
  27. klein deel van het extra zand mag worden doorberekend 3.
  28. Wat Instaltech blijkens de correspondentie niet verwachtte en naar het oordeel van het hof ook niet hoefde te verwachten, is dat de hoeveelheid geleverd zand vele malen groter was dan volgens de offerte. De geleverde partijen puin zijn terug te voeren op de offerte, maar dat geldt niet voor de hoeveelheid te leveren zand. Hiervoor heeft [appellant] 331 ton in de offerte opgenomen terwijl er 1132 ton méér is geleverd (1463,81 ton in totaal). Instaltech heeft betwist dat de opgegeven hoeveelheden zand aan haar zijn geleverd, maar zij heeft te weinig aangevoerd om dat verweer te doen slagen. [appellant] heeft die aantallen namelijk onderbouwd door het overleggen van weegbonnen. Instaltech plaatst daar vraagtekens bij omdat uit die weegbonnen niet blijkt dat ze bij deze opdracht horen. Dat is echter te weinig om de weegbonnen in twijfel te trekken. Zij weerspreekt ook niet dat [appellant] op dat moment geen andere grondverzetklussen onder handen had. Het hof gaat dan ook aan dat verweer van Instaltech voorbij. 3.
  29. Van een deel van de grotere hoeveelheid geleverd zand kan worden gesteld dat dit redelijkerwijs binnen de verwachting van partijen moet hebben gelegen, namelijk voor zover het is terug te voeren op het grotere perceel, de vraag aan [appellant] om twee slootjes op te vullen en het feit dat het bedrijfspand van Instaltech 5 cm hoger bleek te liggen dan het naastgelegen perceel van Zwembadplus waar de offerte op was gebaseerd. Uit de e-mail van 22 september 2022 van Instaltech blijkt dat zij verwachtte dat [appellant] in zijn slotfactuur nog 10 vrachten zand à € 2.100 in rekening zou brengen voor het extra straatwerk. 3.
  30. Uitgaande van de extra werkzaamheden komt het hof op de navolgende redelijke verwachting. Het hoogteverschil correspondeert bij een perceel van 1.000 m2 met 50 m3 zand, wat gegeven het gewicht van zand neerkomt op ongeveer 80 ton (volgens de dagvaarding in eerste aanleg, nr. 28, weegt een ton zand ongeveer 1.600 kilogram en wat Instaltech daarin in de conclusie van antwoord, nr. 24, over opmerkt, geeft geen aanleiding om van die opgave af te wijken). 3.
  31. Voor het te bestraten gedeelte van het perceel is in de offerte (omschreven als “buitenom aanvullen en verdichten”) klaarblijkelijk een hoeveelheid zand voorzien van 80 ton. Aangezien het perceel ongeveer 1.000/730 keer groter was dan waar de offerte op zag, zou voor het grotere perceel naar evenredigheid naar verwachting geen 80 ton maar ongeveer 110 ton benodigd zijn. Dat is 30 ton meer. Daarnaast schat het hof, bij gebrek aan nadere gegevens, dat nog eens 100 ton zand benodigd was om de slootjes te vullen. 3.
  32. Dat betekent dat Instaltech bij het grotere perceel rekening had moeten houden met 80 plus 30 plus 100 = 210 extra ton zand en niet met 1.132 extra ton zand zoals door [appellant] gefactureerd. [appellant] heeft dan ook 922 ton zand meer gefactureerd dan wat Instaltech redelijkerwijs hoefde te verwachten. 3.
  33. Voor het terugrekenen naar wat dit betekent voor de door Instaltech te betalen prijs, zal het hof rekenen met de gemiddelde zandprijs van ((€ 10,00 plus € 12,50)/2 =) € 11,25 per ton. Dat betekent dat [appellant] € 10.372,50 incl. btw meer voor het zand in rekening heeft gebracht dan wat partijen – binnen in redelijkheid te verwachten grenzen – waren overeengekomen. Die afwijking van wat Instaltech diende te verwachten komt voor rekening van [appellant] en dient dan ook in mindering te worden gebracht op de facturen. Korting 3.
  34. Wat Instaltech eveneens niet hoefde te verwachten is dat [appellant] geen rekening zou houden met de bedongen korting op het te factureren bedrag. De getekende offerte sloot op € 41.346,75 maar partijen spraken af dat [appellant] voor die tot dat bedrag geleverde diensten en materialen € 40.000,00 in rekening zou brengen. Dat heeft hij in de facturering niet verwerkt en ook met de als gevolg daarvan hogere factuur hoefde Instaltech in zoverre geen rekening te houden. Het bedrag van € 1.346,75 excl. btw (€ 1.629,57 incl. btw) dient dan ook eveneens in mindering te worden gebracht op het toe te wijzen bedrag. 3.
  35. In totaal dient op de vordering van [appellant] dan ook een bedrag van (€ 10.372,50 incl. btw + € 1.629,57 incl. btw is, afgerond) € 12.002,00 incl. btw in mindering te worden gebracht. In die vordering was al rekening gehouden met de eisvermindering vanwege te veel berekende zaagkosten. Omdat de kantonrechter al een bedrag van € 5.846,19 incl. btw heeft toegewezen (waartegen Instaltech niet in hoger beroep is gekomen) heeft [appellant] zijn vordering van de hoofdsom in hoger beroep beperkt tot € 17.733,
  36. Daarvan kan dan ook nog (€ 17.733,81 incl. btw -/- € 12.002,00 incl. btw is) € 5.731,81 incl. btw worden toegewezen. 3.
  37. Daarnaast heeft [appellant] buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. Deze zal het hof eveneens toewijzen, nu de verschuldigdheid daarvan niet, althans niet voldoende gemotiveerd is weersproken. Het hof berekent die over het totaal toegewezen bedrag, in eerste aanleg en in hoger beroep, van in totaal € 11.577,93, zodat met inachtneming van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten deze kosten € 890,78 bedragen. Geen bewijslevering 3.
  38. Omdat partijen geen voldoende concrete stellingen hebben ingenomen die tot een ander oordeel kunnen leiden, komt het hof niet toe aan bewijslevering. Het gaat daarom voorbij aan de bewijsaanbiedingen van partijen. De conclusie 3.
  39. Het hoger beroep slaagt deels. Omdat beide partijen deels gelijk en deels ongelijk krijgen, zal het hof de proceskosten van beide partijen compenseren zodat iedere partij de eigen kosten draagt. Dat geldt ook voor de proceskosten in eerste aanleg, zodat [appellant] ten onrechte door de kantonrechter is veroordeeld tot betaling van de proceskosten van Instaltech en Instaltech deze moet terugbetalen. Om proceseconomische redenen zal het hof het gehele vonnis vernietigen, ook het gedeelte waarin de vordering van [appellant] deels al is toegewezen, en opnieuw recht doen. 3.
  40. In hoger beroep heeft [appellant] , onder verwijzing naar de algemene voorwaarden, over het bedrag van € 17.733,81 wettelijke handelsrente gevorderd met ingang van de datum waarop volgens hem Instaltech in verzuim verkeert, namelijk 28 oktober
  41. Instaltech heeft de verschuldigdheid van wettelijke handelsrente en de ingangsdatum niet weersproken, zodat het hof hiervan uit zal gaan. [appellant] heeft geen grief gericht tegen de door de kantonrechter toegewezen ingangsdatum van wettelijke handelsrente (18 september 2023) over het bedrag van € 5.846,19, zodat dat in stand zal worden gelaten. Voor het berekenen van handelsrente over de buitengerechtelijke incassokosten bestaat geen rechtsgrond, zodat het hof de gewone wettelijke rente daarover zal toewijzen. 3.
  42. De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad). 4De beslissing Het hof: 4.
  43. vernietigt het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo van 20 februari 2024, en beslist als volgt: veroordeelt Instaltech om binnen veertien dagen na dagtekening van het arrest, tegen behoorlijk bewijs van kwijting, aan [appellant] een bedrag te betalen van € 5.846,19, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente met ingang vanaf 18 september 2023, alsmede een bedrag van € 5.731,74, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente met ingang van 28 oktober 2022, alsmede tot betaling binnen veertien dagen na dagtekening van het arrest, tegen behoorlijk bewijs van kwijting, van de buitengerechtelijke incassokosten van € 890,78, vanaf veertien dagen na de datum van het arrest te vermeerderen met wettelijke rente, 4.
  44. bepaalt dat de proceskosten worden gecompenseerd in beide instanties, 4.
  45. verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad, 4.
  46. wijst af wat verder is gevorderd. Dit arrest is gewezen door mrs. R. Verkijk, L.J. de Kerpel-van de Poel en G.A. Diebels, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 16 september 2025.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.