← Nederland

ECLI:NL:GHARL:2025:574

Afdeling strafrecht Parketnummer: 21-003037-22 Uitspraakdatum: 12 februari 2025 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, zittingslocatie Badhoevedorp, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, van 5 juli 2022 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken met parketnummers 16-659121-19, 16-659028-20, 16-659031-20 en 16-659035-20 tegen [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag] 1985, momenteel verblijvende in [PI] . 1INLEIDING 1.

  1. De loop van het onderzoek Op 7 juli 2017 is [slachtoffer 21] van het leven beroofd bij NS-station Breukelen (deelonderzoek Breuk). De politie kwam al snel op het spoor van twee verdachten, [kroongetuige] en [naam 24] . [kroongetuige] werd in oktober 2017 aangehouden in Spanje; [naam 24] in Nederland. [kroongetuige] heeft als verdachte vrijwel direct een bekennende verklaring afgelegd. Vervolgens werd duidelijk dat hij in staat en bereid was om meer te verklaren over mededaders en opdrachtgevers in het onderzoek Breuk, en ook over andere ernstige strafbare feiten. Hij heeft diverse kluisverklaringen afgelegd en uiteindelijk is met hem in november 2018 een overeenkomst als kroongetuige gesloten. Zijn verklaringen hebben nieuwe aanknopingspunten gegeven voor liquidatie-onderzoeken die waren vastgelopen en er is zicht gekregen op een groep personen die zich bezig leek te houden met het plegen van liquidaties en andere strafbare feiten die daarmee verband houden. Op 21 november 2018 is een landelijke actiedag gehouden, waarop vele aanhoudingen zijn verricht en een zeer groot aantal gegevensdragers in beslag is genomen. Het onderzoek naar deze criminele organisatie en de feiten die in dat kader zijn gepleegd, heeft de naam Eris gekregen. 1.
  2. Het onderzoek Eris Het onderzoek Eris heeft betrekking op 21 verdachten, die ervan worden beschuldigd samen met anderen, al dan niet in wisselende samenstelling, betrokken te zijn geweest bij een of meer liquidaties, pogingen daartoe of voorbereiding daarvan. Zeventien verdachten worden beschuldigd van het vormen van een criminele organisatie gericht op liquidaties, voorbereidingen daartoe en wapendelicten. Daarnaast worden enkele verdachten beschuldigd van andere strafbare feiten. Bij negentien verdachten is uiteindelijk hoger beroep ingesteld en gehandhaafd. In de zaak van de kroongetuige is het door het openbaar ministerie ingestelde hoger beroep ingetrokken. Bij een van de verdachten in de zaak Breuk is geen hoger beroep ingesteld. In dit arrest zijn de beslissingen van het hof opgenomen die in de strafzaak tegen de hierboven genoemde verdachte zijn genomen en de overwegingen die daartoe hebben geleid. Het procesdossier Eris bestaat uit een groot aantal deelonderzoeken, die voor een groot deel onderling met elkaar zijn verweven, al is het maar door de daarop gebaseerde verdenking van deelname aan de criminele organisatie. Deze verwevenheid maakt dat het hof net als de rechtbank niet alleen op de verweren van de betreffende verdachte zal ingaan, maar waar nodig ook op wat in andere zaken is aangevoerd. Voor de leesbaarheid van het arrest gebruikt het hof in plaats van de termen ‘(mede)verdachte’ de namen van de (mede)verdachten: [medeverdachte 14] , [medeverdachte 2] , [verdachte] , [medeverdachte 18] , [medeverdachte 17] , [medeverdachte 11] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 7] , [medeverdachte 12] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 6] , [medeverdachte 1] , [kroongetuige] , [naam 24] , [medeverdachte 13] , [medeverdachte 16] , [medeverdachte 15] , [medeverdachte 10] , [medeverdachte 9] , [medeverdachte 8] en [medeverdachte 19] . Het hof gebruikt een voorletter in die gevallen waarin meerdere personen in het dossier dezelfde achternaam hebben. Waar het hof de naam ‘ [kroongetuige] ’ noemt, gaat het om [kroongetuige] ; zijn vader wordt steeds aangeduid als [getuige 4] . [kroongetuige] heeft verklaard dat [medeverdachte 14] hem heeft verteld dat ene [naam 45] de opdrachtgever van een aantal liquidaties was. Die naam wordt ook genoemd in een van de door [medeverdachte 14] vastgelegde PGPgesprekken. De officier van justitie heeft in eerste aanleg toegelicht dat [naam 45] ook daadwerkelijk als verdachte wordt beschouwd: hij zou de persoon zijn die aan de organisatie van [medeverdachte 14] liquidatieopdrachten heeft gegeven. Meer in het bijzonder zou zijn gebleken dat [medeverdachte 14] communiceerde met een of meer personen met de volgende gebruikersnamen: ‘Sir’; ‘ENEMY FOR ALL MOTHERFUCKER(S)’; ‘TICKET TO HELL MOTHERFUCKERS’; ‘LAST MAN STANDING’. In het dossier van het onderzoek Eris wordt verwezen naar conclusies waarop de politie baseert dat achter deze PGP-namen de persoon van [naam 45] schuilgaat. De onderliggende onderzoeksbevindingen zijn deels afkomstig uit het onderzoek in de strafzaak Marengo, maar die zijn grotendeels niet gevoegd in het Erisdossier. Omdat [naam 45] in het onderzoek Marengo wordt vervolgd, heeft het openbaar ministerie ervoor gekozen om hem niet ook in het onderzoek Eris te dagvaarden. Dit heeft tot gevolg dat [naam 45] zich in dit proces niet heeft kunnen verweren en dat de rechtbank en het hof hem ook niet hebben kunnen confronteren met aanwijzingen dat hij achter de genoemde PGP-namen schuilgaat. Daarnaast is het voor het beoordelen van de rol van de verdachten in Eris ook niet van belang welke persoon of personen schuilgaan achter de hierboven genoemde gebruikersnamen. Het hof zal daarom spreken van ‘de opdrachtgever’, tenzij de verklaringen van [kroongetuige] of de inhoud van andere bewijsmiddelen wordt weergegeven waarin de naam [naam 45] wordt genoemd. 1.
  3. Het Eris-dossier De verschillende deelonderzoeken van het onderzoek Eris zijn in chronologische volgorde: Charon, de moord op [slachtoffer 11] op 31 januari 2017; Eend, het beramen van de moord op [slachtoffer 15] in de periode van 2 februari 2017 tot en met 10 januari 2018;
  4. Kraai, het beramen van de moord op [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] op 18 februari 2017;
  5. Spreeuw, het beramen van de moord op [slachtoffer 22] op 18 februari 2017;
  6. Mus, het beramen van de moord op [slachtoffer 3] op 18 februari 2017;
  7. Duif, het beramen van de moord op [slachtoffer 12] en [slachtoffer 17] op 18 februari 2017;
  8. Barbera, de poging tot/voorbereiding van de moord op [slachtoffer 10] op 9 maart 2017;
  9. Arford, de poging tot/voorbereiding van de moord op [slachtoffer 14] , [slachtoffer 5] , [slachtoffer 13] en [slachtoffer 20] op 17 maart 2017;
  10. Charlie17, de moord op [slachtoffer 18] op 17 april 2017;
  11. Gezicht, de poging om met een raketwerper een granaat af te schieten op een woning in Doorn op 28 juni 2017 en het schieten met een automatisch vuurwapen op een woning in Doorn op 29 juni 2017;
  12. Breuk, de voorbereiding van de moord op [slachtoffer 21] op 5 juli 2017 en de moord op [slachtoffer 21] op 7 juli 2017;
  13. Langenhorst, de moord op [slachtoffer 23] op 26 juli 2017;
  14. Lis, de moord op [slachtoffer 4] op 21 september 2017;
  15. Goudvink, de voorbereiding van de moord op [slachtoffer 6] in de periode van juli 2018 tot en met 24 september 2018;
  16. Art. 140 Sr, deelname aan de criminele organisatie in de periode van januari 2017 tot en met 21 november
  17. Daarnaast maken de volgende deelonderzoeken deel uit van het onderzoek Eris:
  18. Waterspin, de afpersing en poging tot afpersing van [slachtoffer 19] en [slachtoffer 8] in de periode van 2017-2018 (verdachten [medeverdachte 13] en [medeverdachte 19] );
  19. Amarone, het bezit van en de handel in vuurwapens van 15 augustus 2017 tot en met 16 april 2019 (verdachte [medeverdachte 1] );
  20. Brunello, de mishandeling van [slachtoffer 16] op 7 februari 2019 en het bezit van een vuurwapen op 25 oktober 2016 (verdachte [medeverdachte 6] ). De rechtbank heeft over de samenstelling van de dossiers het volgende overwogen: In de strafdossiers van iedere verdachte zijn, behalve het gehele zogeheten Eris-dossier (bovengenoemde achttien deelonderzoeken), tevens gevoegd: alle processen-verbaal van de terechtzittingen van de rechtbank tegen ieder van de Eris-verdachten, met uitzondering van de processen-verbaal over de persoonlijke omstandigheden van de verdachten; alle processen-verbaal van (getuigen)verhoor door de rechter-commissaris die in de zaken van één of meer van de verdachten zijn opgemaakt, met uitzondering van enkele getuigenverklaringen in de zaak Waterspin die alleen in de zaken van verdachten [medeverdachte 13] en [medeverdachte 19] zijn opgenomen; documenten en bescheiden die, op initiatief van de verdediging of anderszins, gedurende de procedure zijn toegevoegd aan het dossier in de zaak tegen één of meer verdachten. Hoewel de meeste verdachten al dan niet op verzoek van een medeverdachte op zitting als getuige zijn gehoord, zijn daarnaast alle processen-verbaal van de zittingen in alle dossiers gevoegd vóórdat het requisitoir en de pleidooien zijn gehouden. Daardoor maken alle verklaringen van alle verdachten zoals afgelegd op de zittingen in bijzijn van hun advocaat deel uit van het procesdossier, dus niet alleen de verklaringen die zij daar als getuige hebben afgelegd, maar ook de verklaringen die zij in hun eigen zaak hebben afgelegd. Dit maakt dat het dossier voor elke verdachte gelijkluidend is. Anders dan in eerste aanleg zijn de processen-verbaal van de behandeling ter zitting in hoger beroep in de zaken van de medeverdachten niet in het dossier van elke verdachte gevoegd. Wel zijn de aanvullingen op de diverse zaakdossiers in het dossier van elke verdachte gevoegd. Daarnaast is het proces-verbaal van het verhoor als getuige van een verdachte in een zaak van een medeverdachte ook gevoegd in het dossier van die verdachte. 1.
  21. De opbouw van de arresten De arresten zijn in beginsel als volgt opgebouwd: Hoofdstuk 1: Inleiding Hoofdstuk 2: Het vonnis van de rechtbank Hoofdstuk 3: Het hoger beroep Hoofdstuk 4: De verkorte weergave van de tenlastelegging Hoofdstuk 5: De voorvragen, overwegingen en algemene conclusies over de kroongetuige en overwegingen over het onderzoek aan gegevensdragers en locatiegegevens Hoofdstuk 6: De waardering van het bewijs en de conclusies van de veredelingen Hoofdstuk 7: De bewezenverklaring Hoofdstuk 8: De strafbaarheid van de feiten Hoofdstuk 9: De strafbaarheid van de verdachte Hoofdstuk 10: De strafmaat Hoofdstuk 11: Het beslag Hoofdstuk 12: De vorderingen van de benadeelde partijen Hoofdstuk 13: De toepasselijke wettelijke voorschriften Hoofdstuk 14: De beslissing Bijlage 1: De zittingsdagen in eerste aanleg en in hoger beroep per verdachte Bijlage 2: De tenlastelegging per verdachte Bijlage 3: De door het hof vastgestelde veredelingen en identificaties Bijlage 4: De door het hof gebruikte (andere) bewijsmiddelen In bijlage 3 bij dit arrest heeft het hof de gebruikers van diverse PGP-accounts, telefoons, en andere gegevensdragers veredeld en geïdentificeerd. Waar het hof in het arrest overweegt dat een gebruiker is veredeld/geïdentificeerd, verwijst het hof daarvoor naar de bewijsmiddelen en conclusies in deze bijlage
  22. In bijlage 4 heeft het hof per deelonderzoek de bewijsmiddelen opgenomen die het voor het bewijs in dat deelonderzoek gebruikt. In een aantal deelonderzoeken verwijst het hof op grond van de onderlinge verwevenheid daarbij naar bewijsmiddelen die in andere deelonderzoeken zijn gebruikt, voor zover zij in dat deelonderzoek voor het bewijs ook redengevend zijn. Gelet op de onderlinge verwevenheid van de deelonderzoeken, inclusief het deelonderzoek over de criminele organisatie waarbinnen het merendeel van de vermoedelijke strafbare feiten is gepleegd, zijn in geval van een bewezenverklaring de bijlagen 3 en 4 voor alle verdachten grotendeels gelijkluidend. Dit geldt niet voor de deelonderzoeken Waterspin, Amarone en Brunello. De feiten van die deelonderzoeken zouden niet in het verband van de criminele organisatie zijn gepleegd. De bewijsmiddelen van de feiten van die deelonderzoeken zijn bij een bewezenverklaring daarom alleen in een bijlage bij het vonnis van de verdachten in die deelonderzoeken opgenomen. 2Het vonnis van de rechtbank De rechtbank Midden-Nederland heeft [verdachte] bij vonnis van 5 juli 2022 veroordeeld voor de volgende strafbare feiten: het medeplegen van poging tot uitlokking van het medeplegen van moord op [slachtoffer 15] (deelonderzoek Eend); het medeplegen van poging tot uitlokking van het medeplegen van moord op [slachtoffer 3] (deelonderzoek Mus); het medeplegen van poging tot uitlokking van het medeplegen van moord op [slachtoffer 10] (deelonderzoek Barbera); het medeplegen van uitlokking van het medeplegen van moord op [slachtoffer 18] (deelonderzoek Charlie17); het medeplegen van uitlokking van het medeplegen van bedreiging van de bewoners van de [adres] in Doorn en het medeplegen van uitlokking van het in vereniging geweld plegen tegen de woningen gelegen aan de [adres] en de [adres] in Doorn (deelonderzoek Gezicht); het medeplegen van moord op [slachtoffer 21] (deelonderzoek Breuk); het als leider deelnemen aan een criminele organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. De rechtbank heeft aan [verdachte] een levenslange gevangenisstraf opgelegd. [verdachte] heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld. Het hof zal het vonnis van de rechtbank vernietigen. Voor zover het hof zich kan vinden in de overwegingen van de rechtbank, neemt het die voor een deel over. 3HET HOGER BEROEP 3.
  23. Het onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg. Een overzicht van de zittingsdagen in eerste aanleg en in hoger beroep is opgenomen in bijlage
  24. Dit arrest wordt op tegenspraak gewezen. Na voorbereidende zittingen is op 1 december 2023 de inhoudelijke behandeling begonnen en zijn meerdere zittingsdagen gevolgd. Op verscheidene dagen is de kroongetuige op zitting gehoord en zijn de deelonderzoeken en vorderingen van de benadeelde partijen behandeld. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van de advocaten-generaal in het onderzoek Eris en van wat [verdachte] en zijn raadslieden, mrs. J.B. van Faassen en N.C.J. Meijering, naar voren hebben gebracht. Ook heeft het hof kennisgenomen van de vorderingen van de benadeelde partijen en hun eventuele toelichting op die vorderingen. Dit betreft in de onderhavige zaak de volgende personen: [benadeelde partij 13] , bijgestaan door mr. F.A. ten Berge; [benadeelde partij 14] , bijgestaan door mr. F.A. ten Berge; [benadeelde partij 17] ; [benadeelde partij 5] ; [benadeelde partij 16] , bijgestaan door mr. W. van Egmond. 3.
  25. De omvang van het hoger beroep De rechtbank heeft [verdachte] vrijgesproken van het tenlastegelegde in het deelonderzoek Arford en het onder de feiten 5 en 7 tenlastegelegde in het deelonderzoek Gezicht. Het hoger beroep van [verdachte] is onbeperkt ingesteld en is dus mede gericht tegen deze vrijspraak. Gelet op wat er is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor [verdachte] tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal [verdachte] daarom niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis gegeven vrijspraak. 3.
  26. Het verzoek tot het horen van de getuige [getuige 6] Op 22 november 2023 is verzocht om het horen als getuige van [getuige 6] . De belangrijkste reden om deze persoon te horen is gelegen in de verklaring van [medeverdachte 14] dat hij via [getuige 6] in contact is gekomen met een zekere [getuige 5] . [getuige 6] zou het contact van [medeverdachte 14] met [getuige 5] kunnen bevestigen en daarmee ook het bestaan van [getuige 5] . Het hof heeft het verzoek toegewezen op 8 december 2023 en daarbij bepaald dat de getuige in alle zaken diende te worden gehoord. Van de getuige is geen verblijfplaats bekend geworden. Hij is uitgeschreven uit de Basisregistratie Personen onder vermelding van ‘vertrek naar het buitenland’, zonder dat bekend is naar welk land hij is vertrokken. Het raadplegen van de politiesystemen heeft niet geleid tot aanknopingspunten voor een verblijfplaats van de getuige. De verdediging heeft geen informatie verschaft en ook anderszins is geen informatie naar voren gekomen waaruit zou kunnen blijken dat de niet te traceren getuige binnen een aanvaardbare termijn kan worden gehoord. Het hof heeft daarom van de oproeping van de niet verschenen getuige afgezien op de grond dat het onaannemelijk is dat de getuige binnen een aanvaardbare termijn (ter terechtzitting) zal verschijnen als bedoeld in artikel 288, eerste lid, aanhef en onder a, van het Wetboek van Strafvordering. Voordat het hof uitspraak doet heeft het zich ervan vergewist dat de procedure in haar geheel voldoet aan het door artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces ondanks dat [getuige 6] niet als getuige is gehoord. De getuige is een zogenoemde ‘defence witness’ en geen getuige die al een voor [verdachte] belastende verklaring heeft afgelegd die het hof eventueel voor het bewijs zou kunnen gebruiken. Er is bovendien een goede reden dat de verdediging de getuige niet heeft kunnen bevragen: hij bleek ondanks de nodige inspanningen vanaf 8 december 2023 van de autoriteiten niet te traceren. Daarbij komt dat er geen aanwijzingen zijn dat de getuige uit eigen wetenschap iets zou kunnen verklaren over de aan [verdachte] ten laste gelegde feiten. 3.
  27. Het verzoek tot het horen van de getuige [getuige 9] De verdediging van [medeverdachte 16] heeft verzocht de getuige [getuige 9] te horen. Dit verzoek is op 31 maart 2023 toegewezen. Het verzoek is voornamelijk van belang in de zaak tegen [medeverdachte 16] omdat de getuige mogelijk (nader) kan verklaren over een auto met het kenteken [kenteken] die door de getuige van 7 juni 2017 tot en met 18 juli 2017 is gehuurd en waarvan [medeverdachte 16] in die periode gebruik zou hebben gemaakt. Het hof heeft bepaald dat deze getuige ook in de zaken tegen de medeverdachten in de zaak Breuk ( [medeverdachte 13] , [medeverdachte 14] en [verdachte] ) diende te worden gehoord. De actuele verblijfplaats van [getuige 9] is niet bekend geworden. Er zijn meerdere pogingen gedaan om de verblijfplaats van de getuige te achterhalen. Het laatst bekende adres (in het buitenland) bleek niet meer actueel. Op verzoek van het hof en de raadsheer-commissaris heeft de politie geregeld gecontroleerd of inmiddels een verblijfplaats van de getuige bekend was. Dat heeft niet tot bekendheid met een verblijfadres van de getuige geleid. De verdediging heeft geen informatie verschaft en ook anderszins is geen informatie naar voren gekomen waaruit zou kunnen blijken dat de niet te traceren getuige binnen een aanvaardbare termijn kan worden gehoord. Het hof heeft daarom uiteindelijk van de oproeping van de niet verschenen getuige afgezien op de grond dat het onaannemelijk is dat de getuige binnen een aanvaardbare termijn (ter terechtzitting) zal verschijnen als bedoeld in artikel 288, eerste lid, aanhef en onder a, van het Wetboek van Strafvordering. Voordat het hof uitspraak doet heeft het zich ervan vergewist dat de procedure in haar geheel voldoet aan het door artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces ondanks dat [getuige 9] niet als getuige is gehoord. De getuige heeft tegenover de politie al een verklaring afgelegd, maar niet kan worden gezegd dat deze verklaring een voor [verdachte] belastende strekking heeft (de verklaring houdt in essentie in dat hij wel eens auto’s huurt, maar dat hij geen herinnering heeft aan de huur van een auto met het kenteken [kenteken] in juni/juli 2017). Het betreft ook geen verklaring die de rechtbank voor het bewijs heeft gebruikt of die het hof voor het bewijs zou willen gebruiken. Er is bovendien een goede reden dat de verdediging de getuige niet heeft kunnen bevragen: hij bleek ondanks de nodige inspanningen vanaf 31 maart 2023 van de autoriteiten niet te traceren. Daarbij komt dat er geen aanwijzingen zijn dat de getuige uit eigen wetenschap iets zou kunnen verklaren over de aan [verdachte] ten laste gelegde feiten. 4De tenlastelegging De tenlastelegging is op de zitting in eerste aanleg en op de zitting in hoger beroep gewijzigd. De gewijzigde tenlastelegging is, voor zover in hoger beroep nog aan de orde, als bijlage 2 aan dit arrest gehecht. De verdenking komt er kort, feitelijk en chronologisch weergegeven op neer dat [verdachte] : Ten aanzien van het deelonderzoek Eend (16-659028-20) Primair: in de periode van 2 februari 2017 tot en met 10 januari 2018 in Nederland met een ander of anderen heeft geprobeerd de moord op [slachtoffer 15] uit te lokken; Subsidiair: op 26 februari 2017 in Nederland medeplichtig is geweest aan de poging tot het uitlokken van de moord op [slachtoffer 15] ; Meer subsidiair: in de periode van 2 februari 2017 tot en met 10 januari 2018 in Nederland met een ander of anderen voorbereidingshandelingen voor de moord op [slachtoffer 15] heeft verricht; Ten aanzien van de deelonderzoeken Mus en Barbera (16-659121-19) Feit 1, primair: in de periode van 17 februari tot en met 19 februari 2017 in Nederland met een ander of anderen heeft geprobeerd [slachtoffer 3] te vermoorden; Feit 1, subsidiair: in de periode van 17 februari tot en met 19 februari 2017 in Nederland met een ander of anderen de poging om [slachtoffer 3] te vermoorden heeft uitgelokt; Feit 1, meer subsidiair: in de periode van 17 februari tot en met 19 februari 2017 in Nederland met een ander of anderen medeplichtig is geweest aan de poging om [slachtoffer 3] te vermoorden; Feit 1, nog meer subsidiair: in de periode van 17 februari tot en met 19 februari 2017 in Nederland met een ander of anderen heeft geprobeerd de moord op [slachtoffer 3] uit te lokken; Feit 1, nog meer meer in de periode van 17 februari tot en met 19 februari 2017 in subsidiair: Nederland met een ander of anderen de voorbereiding van de moord op [slachtoffer 3] heeft uitgelokt; Feit 1, meest subsidiair: in de periode van 17 februari tot en met 19 februari 2017 in Nederland met een ander of anderen voorbereidingshandelingen voor de moord op [slachtoffer 3] heeft verricht; Feit 2, primair: op 9 maart 2017 in Spijkenisse met een ander of anderen heeft geprobeerd [slachtoffer 10] te vermoorden; Feit 2, subsidiair: in de periode van januari tot en met 9 maart 2017 in Spijkenisse en/of Nieuwegein met een ander of anderen de poging om [slachtoffer 10] te vermoorden heeft uitgelokt; Feit 2, meer subsidiair: in de periode van januari tot en met 9 maart 2017 in Nieuwegein met een ander of anderen heeft geprobeerd de moord op [slachtoffer 10] uit te lokken; Feit 2, nog meer meer in de periode van januari tot en met 9 maart 2017 in subsidiair: Spijkenisse met een ander of anderen de voorbereiding van de moord op [slachtoffer 10] heeft uitgelokt; Feit 2, meest subsidiair: in de periode van januari tot en met 9 maart 2017 te Spijkenisse met een ander of anderen voorbereidingshandelingen voor de moord op [slachtoffer 10] heeft verricht; Ten aanzien van het deelonderzoek Charlie17 (16-659031-20) Primair: op 17 april 2017 in Den Haag met een ander of anderen [slachtoffer 18] heeft vermoord; Subsidiair: in de periode van 1 januari tot en met 17 april 2017 in Den Haag met een ander of anderen de moord op [slachtoffer 18] heeft uitgelokt; Meer subsidiair: in de periode van 1 januari tot en met 17 april 2017 in Den Haag met een ander of anderen medeplichtig is geweest aan de moord op [slachtoffer 18] ; Ten aanzien van de deelonderzoeken Gezicht en Breuk (16-659121-19) Feit 4, primair: op 28 juni 2017 in Doorn met een ander of anderen heeft geprobeerd personen in/rond de woning aan de [adres] te doden door een raketwerper op de woning te richten en de trekker over te halen; Feit 4, subsidiair: in de periode van 26 juni tot en met 28 juni 2017 in Nieuwegein en/of Doorn met een ander of anderen de poging om personen in/rond de woning aan de [adres] te doden heeft uitgelokt; Feit 4, meer subsidiair: in de periode van 26 juni tot en met 28 juni 2017 in Nieuwegein en/of Doorn met een ander of anderen medeplichtig is geweest aan de poging om personen in/rond de woning aan de [adres] te doden; Feit 4, meer meer subsidiair: op 28 juni 2017 in Doorn met een ander of anderen personen in/rond de woningen aan de [adres] en [adres] met de dood heeft bedreigd door een raketwerper op de woning aan de [adres] te richten; Feit 4, nog meer meer in de periode van 26 juni tot en met 28 juni 2017 in Doorn subsidiair: en/of Nieuwegein met een ander of anderen de bedreiging van personen in/rond de woningen aan de [adres] en [adres] heeft uitgelokt; Feit 4, meest subsidiair: in de periode van 26 juni tot en met 28 juni 2017 in Nieuwegein en/of Doorn met een ander of anderen medeplichtig is geweest aan de bedreiging van personen in/rond de woningen aan de [adres] en [adres] ; Feit 6, primair: op 29 juni 2017 in Doorn met een ander of anderen heeft geprobeerd personen in/rond de woning aan de [adres] en een naastgelegen woning te doden door met een vuurwapen op die woningen te schieten; Feit 6, subsidiair: in de periode van 26 juni tot en met 29 juni 2017 in Nieuwegein en/of Doorn met een ander of anderen de poging tot het doden van personen in/rond de woningen aan de [adres] heeft uitgelokt; Feit 6, meer subsidiair: in de periode van 26 juni tot en met 29 juni 2017 in Nieuwegein en/of Doorn met een ander of anderen medeplichtig is geweest aan de poging tot het doden van personen in/rond de woningen aan de [adres] ; Feit 6, meer meer subsidiair: op 29 juni 2017 in Doorn openlijk geweld heeft gepleegd op de [adres] door woningen te beschieten; Feit 6, nog meer meer in de periode van 26 juni tot en met 29 juni 2017 in Doorn subsidiair: en/of Nieuwegein met een ander of anderen het plegen van openlijk geweld op de [adres] heeft uitgelokt; Feit 6, nog meer meer meer in de periode van 26 juni tot en met 29 juni 2017 in Doorn subsidiair: en/of Nieuwegein met een ander of anderen medeplichtig is geweest aan het plegen van openlijk geweld op de [adres] ; Feit 6, nog meer meer meer op 29 juni 2017 in Doorn met een ander of anderen meer subsidiair: personen in/rond de woningen aan de [adres] met de dood heeft bedreigd door met een vuurwapen op die woningen te schieten; Feit 6, nog meer meer meer in de periode van 26 juni tot en met 29 juni 2017 in Doorn meer meer subsidiair: en/of Nieuwegein de bedreiging van de bewoners van de [adres] heeft uitgelokt; Feit 6, meest subsidiair: in de periode van 26 juni tot en met 29 juni 2017 in Doorn en/of Nieuwegein met een ander of anderen medeplichtig is geweest aan de bedreiging van de bewoners van de [adres] ; Feit 8, primair: op 7 juli 2017 in Breukelen [slachtoffer 21] met een ander of anderen heeft vermoord; Feit 8, subsidiair: in de periode van 5 juli tot en met 7 juli 2017 in Nieuwegein, Breukelen en/of Mijdrecht met een ander of anderen de moord op [slachtoffer 21] heeft uitgelokt; Feit 8, meer subsidiair: in de periode van 5 juli tot en met op 7 juli 2017 in Nieuwegein, Breukelen, en/of Mijdrecht met een ander of anderen medeplichtig is geweest aan de moord op [slachtoffer 21] ; Ten aanzien van het deelonderzoek Criminele organisatie (16-659035-20) in de periode van 1 januari 2017 tot en met 21 november 2018 in Den Haag, Leiden, Almere, Rotterdam, Spijkenisse, Breukelen, Mijdrecht, Zoetermeer en/of Doorn heeft deelgenomen aan een criminele organisatie die als oogmerk het plegen van levensdelicten, de voorbereiding daarvan en het voorhanden hebben van wapens en munitie had. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. [verdachte] is daardoor niet geschaad in de verdediging.
  28. DE VOORVRAGEN, OVERWEGINGEN EN ALGEMENE CONCLUSIES OVER DE KROONGETUIGE EN OVERWEGINGEN OVER HET ONDERZOEK AAN GEGEVENSDRAGERS EN LOCATIEGEGEVENS De dagvaarding is geldig, het hof is bevoegd tot kennisneming van het tenlastegelegde, het openbaar ministerie is ontvankelijk in de vervolging van [verdachte] en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging. Het debat dat is gevoerd over de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging heeft zich toegespitst op het inzetten van de kroongetuige in het Eris-proces. 5.
  29. De kroongetuige De rechtbank heeft uitgebreide overwegingen gewijd aan de kroongetuige en de betrouwbaarheid van de door hem afgelegde verklaringen. Het hof kan zich grotendeels vinden in de overwegingen van de rechtbank over de kroongetuige en neemt deze daarom voor een groot deel over. Op enkele onderdelen wijkt het hof ervan af. 5.1.
  30. Algemeen De kerntaak van de feitenrechter met betrekking tot een kroongetuige is tweeledig. De feitenrechter beoordeelt de betrouwbaarheid van diens verklaringen en de rechtmatigheid van de overeenkomst die met de kroongetuige is gesloten, voor zover de rechtmatigheid daarvan is betwist. Als eerste zal het hof de totstandkoming van de overeenkomst met [kroongetuige] schetsen. Daarna zal het de verweren bespreken die de rechtmatigheid van de overeenkomst betreffen en de daaraan te verbinden gevolgen. Vervolgens komen de verweren die de betrouwbaarheid van de verklaringen van de kroongetuige betwisten aan bod. Hoewel niet alle raadslieden zich (concreet) bij alle verweren hebben aangesloten, of zelfs expliciet hebben aangegeven een verweer niet te voeren, zal het hof deze verweren ambtshalve bespreken in alle arresten waarin de verklaringen van [kroongetuige] van belang zijn. Bij de beoordeling heeft het hof rekening gehouden met de artikelen 226g e.v. van het Wetboek van Strafvordering die zien op de kroongetuigeregeling, met artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering en met artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Ook heeft het hof acht geslagen op de voorafgaande beschouwing over het gebruik van verklaringen van kroongetuigen in HR 23 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:602 (Passageproces), onder
  31. 5.1.
  32. De totstandkoming van de overeenkomst Op 13 oktober 2017 is [kroongetuige] aangehouden op verdenking van de moord op [slachtoffer 21] , gepleegd op 7 juli 2017 in Breukelen. Hij heeft als verdachte in die zaak een bekennende verklaring afgelegd. In november 2017 heeft [kroongetuige] kenbaar gemaakt dat hij bereid en in staat is om over meer dan alleen zijn eigen rol in deze zaak verklaringen af te leggen in ruil voor bescherming, omdat hij vreesde voor zijn leven. Tussen januari 2018 tot en met mei 2018 heeft [kroongetuige] in totaal 25 zogenoemde kluisverklaringen afgelegd tegenover het team Bijzondere Getuigen. Op 12 november 2018 heeft de rechter-commissaris in strafzaken de voorgenomen overeenkomst tussen de Staat en [kroongetuige] getoetst en rechtmatig bevonden. Op 13 november 2018 heeft de Staat met [kroongetuige] een overeenkomst gesloten. Daarbij heeft [kroongetuige] zich verbonden om als getuige zonder voorbehoud, volledig en naar waarheid verklaringen af te leggen over een aantal in de overeenkomst genoemde misdrijven (de zogenoemde ‘dealfeiten’) en afstand gedaan van zijn verschoningsrecht als verdachte [het hof begrijpt: in zijn hoedanigheid van getuige]. De officier van justitie verbond zich om bij volledige nakoming door [kroongetuige] van de overeenkomst de strafeis voor zijn aandeel in de dealfeiten op twaalf jaren gevangenisstraf te stellen. Daarbij werd opgemerkt dat de strafeis tegen een verdachte die geen kroongetuige is, bij gelijke omstandigheden een gevangenisstraf van 24 jaren zou bedragen (de basisstrafeis). De strafvervolging van [kroongetuige] zou zich, behoudens bij gewijzigde omstandigheden, uitstrekken tot het medeplegen van de moord op [slachtoffer 21] , het medeplegen van het voorhanden hebben van twee vuurwapens, het medeplegen van opzetheling van twee personenauto’s, het medeplegen van opzettelijk gebruikmaken van een valse kentekenplaat, en ook – bij voldoende bewijs – het medeplegen van poging doodslag dan wel bedreiging en vernieling op 28 en 29 juni 2017 in Doorn en tot deelname aan een criminele organisatie. 5.1.
  33. De rechtmatigheid van de overeenkomst Er zijn meerdere verweren gevoerd die strekken tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie of tot bewijsuitsluiting van de verklaringen van [kroongetuige] , omdat de overeenkomst met [kroongetuige] niet rechtmatig zou zijn. Er is onder meer aangevoerd dat het onmogelijk is om te toetsen of de inhoud van de verklaringen van [kroongetuige] is beïnvloed door eventuele verboden toezeggingen in het kader van de met [kroongetuige] gesloten beschermingsovereenkomst, omdat deze laatste niet toetsbaar of controleerbaar is. Verder zou de uiteindelijke nettostrafeis van acht jaren in de overeenkomst disproportioneel laag zijn en zou het openbaar ministerie op ongerechtvaardigde en onbegrijpelijke gronden hebben afgezien van vervolging van [kroongetuige] in het deelonderzoek Langenhorst. Ook is aangevoerd dat in de overeenkomst verboden beloningen zijn ingebouwd, met name omdat het openbaar ministerie geen ontnemingsvordering indient voor onder meer het door [kroongetuige] wederrechtelijk verkregen voordeel van € 10.000,- voor de moord op [slachtoffer 21] , omdat [kroongetuige] een miljoenenschuld die hij aan derden heeft niet meer zal hoeven te betalen omdat hij straks in de anonimiteit verdwijnt en omdat de vader van [kroongetuige] niet wordt vervolgd. Deze beloningen zouden niet openlijk zijn gedeeld met de rechter en de verdediging. Het hof beantwoordt aan de hand van de feiten en omstandigheden die ten tijde van het tot stand komen van de overeenkomst met [kroongetuige] aan de orde waren, de vraag of deze overeenkomst binnen de grenzen van het recht is gebleven. Het hof bespreekt dit aan de hand van de hieronder genoemde onderwerpen. Overeenkomst met kroongetuige in dit geval mogelijk? Het hof beoordeelt allereerst of de overeenkomst met [kroongetuige] dringend noodzakelijk was om de opsporing, voorkoming of beëindiging van feiten mogelijk te maken die anders niet of niet tijdig zou plaatsvinden, of er een redelijke verhouding was tussen het belang van de te verkrijgen informatie en de te leveren tegenprestatie en of de overeenkomst ook overigens binnen de grenzen van het recht is gebleven. Het hof stelt vast dat de verklaringen van [kroongetuige] betrekking hebben op misdrijven als bedoeld in artikel 226g, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering. Het hof is van oordeel dat het openbaar ministerie het op goede gronden dringend noodzakelijk heeft geacht om tot een overeenkomst met [kroongetuige] te komen. [kroongetuige] kon verklaren over een aantal voltooide levensdelicten waarvan de opsporing op een dood spoor was beland en zonder zijn verklaringen niet binnen afzienbare tijd tot resultaat had geleid. Zijn verklaringen betroffen niet alleen vermeende uitvoerders, maar ook vermeende opdrachtgevers. Door de verklaringen van [kroongetuige] is zicht gekregen op een criminele organisatie die als oogmerk had het plegen van liquidaties in opdracht van anderen voor geld en die tot dan toe onder de radar was gebleven. Zijn verklaringen boden veel aanknopingspunten voor nader onderzoek in lopende onderzoeken en voor onderzoek naar zaken die op dat moment nog niet bekend waren bij de politie. Beïnvloeding door beschermingsovereenkomst? Het openbaar ministerie heeft aangevoerd dat vóór het sluiten van de overeenkomst niet over de details van een getuigenbeschermingsovereenkomst met de kroongetuige wordt gesproken. Er wordt alleen toegezegd dat kroongetuigen hulp en steun krijgen om na afloop van de detentie elders een veilig bestaan op te bouwen. De details en de financiële aspecten komen pas aan de orde als de (fictieve) datum van invrijheidstelling van de kroongetuige in zicht komt. Omdat de verklaringen al lang daarvoor zijn afgelegd, kunnen die niet beïnvloed zijn door de beschermingsovereenkomst, aldus het openbaar ministerie. Het hof bespreekt het verweer over de beschermingsovereenkomst in het licht van de zorgplicht die wordt ontleend aan de positieve verplichtingen van het EVRM, aan het burgerlijk recht en aan de in artikel 226l van het Wetboek van Strafvordering neergelegde bepaling. Aan deze zorgplicht wordt in voorkomende gevallen uitvoering gegeven door het maken van afspraken over getuigenbescherming met kroongetuigen. De Staat neemt ook een gedeelte van de verantwoordelijkheid voor de veiligheid van deze persoon op zich door zijn medewerking aan de opsporing te vragen. Uit het samenstel van de wettelijke regeling en de toepasselijke beleidsregels volgt dat ten aanzien van de rechtmatigheid en de doelmatigheid van maatregelen van getuigenbescherming in de strafvorderlijke context aan de strafrechter geen toetsende rol is toebedeeld. De totstandkoming van de afspraak in de zin van artikel 226g, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering en de specifieke maatregelen voor de bescherming van de getuige zijn juridisch twee verschillende trajecten. Hoewel in de afgelopen jaren soms duidelijk is geworden dat er in de praktijk wel degelijk verstrengeling kan bestaan tussen de kroongetuigenovereenkomst en de beschermingsovereenkomst, in die zin dat hoe de kroongetuige de specifieke maatregelen voor zijn feitelijke bescherming ervaart en de bereidheid om te verklaren elkaar kunnen beïnvloeden, en in de literatuur regelmatig wordt gepleit voor een vorm van externe, rechterlijke, toetsing van de beschermingsovereenkomst, biedt de wet hiervoor ook nu nog geen grond. Het openbaar ministerie is niet gehouden de processenverbaal en/of andere voorwerpen betreffende toezeggingen die zijn gedaan in verband met de feitelijke bescherming van de getuige op enig moment bij de processtukken te voegen. Zo een verplichting zou – temeer omdat de huidige wet geen specifieke regeling kent met betrekking tot de afscherming van processtukken in het belang van de veiligheid van de kroongetuige – onverenigbaar zijn met het doel van de bescherming van de getuige en de aard van de daartoe strekkende maatregelen. Het hof wijst er overigens in dit verband op dat [kroongetuige] de kluisverklaringen al heeft afgelegd voordat met hem de in artikel 226g, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering bedoelde afspraak is gemaakt, dus zonder dat hij wist of de afspraak zou worden gemaakt en, zo ja, onder welke voorwaarden, terwijl de details van de toegezegde feitelijke maatregelen voor de bescherming van [kroongetuige] nóg later, pas kort voor het aflopen van de gevangenisstraf worden bepaald. Er is dus geen aanwijzing dat er sprake is van verboden toezeggingen in het kader van de beschermingsovereenkomst, laat staan dat onder invloed van verboden toezeggingen in strijd met de waarheid zou zijn verklaard. Ook overigens is niet gebleken van verboden toezeggingen. Overeenkomst proportioneel? Het hof zal achtereenvolgens ingaan op de omvang van de vervolging van [kroongetuige] en het afzien van vervolging van de vader van [kroongetuige] , de basisstrafeis, de eis en het achterwege laten van een ontnemingsvordering en het feit dat [kroongetuige] een schuld aan derden niet meer zou hoeven te betalen. Bij requisitoir heeft het openbaar ministerie uitgebreid toegelicht dat de beslissing om [kroongetuige] niet te vervolgen in het deelonderzoek Langenhorst ruim na het sluiten van de overeenkomst door de zaaksofficieren naar aanleiding van de resultaten van het opsporingsonderzoek is genomen en dat daarbij niet het opportuniteitsbeginsel is toegepast, maar dat is beslist dat een vervolging in de ogen van het openbaar ministerie geen kans van slagen had. Deze beslissing was volgens het openbaar ministerie gelegen in het gegeven dat [kroongetuige] – in tegenstelling tot de andere verdachten – heeft duidelijk gemaakt dat hij de moord helemaal niet wilde plegen en ook tijdig is gestopt. Zijn verklaringen hierover acht het openbaar ministerie betrouwbaar en in lijn met andere onderzoeksbevindingen. In de Aanwijzing toezeggingen aan getuigen in strafzaken (hierna: de Aanwijzing) zijn beleidsregels geformuleerd over de toepassing van de artikelen 226g tot en met 226l van het Wetboek van Strafvordering. In de Aanwijzing is geregeld welke toezeggingen aan getuigen toelaatbaar zijn en welke toezeggingen niet. Punt 5.1 van de Aanwijzing bevat een verbod om toezeggingen te doen met betrekking tot de inhoud van de tenlastelegging (bijvoorbeeld het aantal feiten op de tenlastelegging en de zwaarte daarvan). Punt 5.2 bevat een verbod om in afwijking van het geldende opsporings- en vervolgingsbeleid af te zien van actieve opsporing of vervolging van strafbare feiten. Bij de beoordeling door het openbaar ministerie of vervolging van een verdachte voor een bepaald strafbaar feit opportuun is, spelen in ieder geval de aard van het feit, de bewijsbaarheid van het feit en het algemeen belang een rol. Ook in geval van een potentiële kroongetuige is de afweging daarvan bij uitstek een taak van het openbaar ministerie. De rechter die de overeenkomst met een kroongetuige toetst, dient deze afweging in beginsel te eerbiedigen. Het is niet de taak van die rechter om zelf te bepalen voor welke feiten de kroongetuige zou moeten worden vervolgd en welke strafeis bij die vervolging zou passen. Wel dient de rechter, gelet op de geldende wet- en regelgeving, te toetsen of er geen sprake is geweest van onderhandelingen met de getuige over het aantal ten laste te leggen feiten en de kwalificatie daarvan en of niet in afwijking van het geldende opsporings- en vervolgingsbeleid aan de getuige is toegezegd af te zien van vervolging voor bepaalde feiten. In dat geval zou er sprake kunnen zijn van een niet toelaatbare toezegging in de zin van de Aanwijzing. Het hof stelt vast dat is gesteld noch gebleken dat [kroongetuige] en het openbaar ministerie hebben onderhandeld over de ten laste te leggen feiten. Het openbaar ministerie heeft aangegeven dat de vervolgingsbeslissing in het deelonderzoek Langenhorst het resultaat was van intern overleg tussen de zaaksofficieren ruim ná het sluiten van de overeenkomst en dat het resultaat daarvan aan [kroongetuige] is meegedeeld. Ook is niet gebleken dat het achterwege laten van vervolging van [kroongetuige] voor zijn handelingen in het deelonderzoek Langenhorst is te duiden als een niet toelaatbare toezegging. Artikel 226g, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering schrijft voor dat in de op schrift gestelde afspraak met de kroongetuige wordt vastgelegd voor welke strafbare feiten de getuige zelf zal worden vervolgd. Dat betekent dat het openbaar ministerie de strafbaarheid van het feit, de kans op een veroordeling en aspecten van algemeen belang naar de stand van zaken van dat moment moet inschatten. Vanuit een oogpunt van algemeen belang is het niet onbegrijpelijk dat het openbaar ministerie de vervolging van de potentiële kroongetuige beperkt tot feiten waarvoor op dat moment al voldoende bewijs voorhanden lijkt te zijn of waarvoor in ieder geval geldt dat de mogelijkheid van voldoende bewijs na verder onderzoek reëel is. Als het openbaar ministerie een kroongetuige ook zou moeten vervolgen voor feiten waarin de bewijspositie dubieus is of vervolging zeer weinig kans van slagen heeft, zouden de te verwachten veroordeling en de straf(eis) uiterst onzeker worden. Het nuttig effect van de kroongetuigenregeling zou volgens die interpretatie ernstig worden aangetast. Het openbaar ministerie heeft na de totstandkoming van de overeenkomst geoordeeld dat de slagingskans van een vervolging van [kroongetuige] in de zaak Langenhorst te klein was, omdat – kort gezegd – bewijs voor het vereiste opzet op de moord bij [kroongetuige] ontbrak. Het hof constateert dat ook medeverdachte [naam 24] niet is vervolgd in de zaak Langenhorst en dat er aanwijzingen zijn dat [naam 24] en [kroongetuige] zich in aanloop naar de liquidatie hebben teruggetrokken. Men kan er over twisten of daardoor het opzet niet is te bewijzen of dat er sprake is van vrijwillige terugtred, maar het hof acht de beoordeling van de slagingskans van een vervolging van [kroongetuige] in de zaak Langenhorst niet onbegrijpelijk. Er is geen sprake van een situatie waarin het niet anders kan dan dat in afwijking van het geldende opsporings- en vervolgingsbeleid aan de getuige is toegezegd van vervolging voor bepaalde feiten af te zien en het achterwege laten van vervolging achteraf moet worden opgevat als een verkapte verboden toezegging voor het afleggen van verklaringen. Tijdens de behandeling in hoger beroep heeft het openbaar ministerie besloten dat de vader van de kroongetuige, [getuige 4] , niet zal worden vervolgd voor mogelijke betrokkenheid bij strafbare feiten in het dossier Eris. Maar voor een toezegging aan [kroongetuige] dat zijn vader niet zal worden vervolgd voor strafbare feiten in Eris, is geen aanwijzing gevonden. Netto strafeis disproportioneel? Het openbaar ministerie heeft gesteld dat de strafeis niet disproportioneel laag is. Het openbaar ministerie heeft in de overeenkomst de basisstrafeis bepaald op 24 jaren en, bij nakoming van de verplichtingen door [kroongetuige] , toegezegd om 50% hiervan, dus twaalf jaren gevangenisstraf, als straf te eisen. Ook voor de tegen een kroongetuige te formuleren basisstrafeis geldt dat het openbaar ministerie een ruime beoordelingsvrijheid heeft die de rechter heeft te eerbiedigen. Op voorhand kan echter niet worden uitgesloten dat een toegezegde basisstrafeis zo onbegrijpelijk laag is dat het verschil met een reguliere strafeis niet anders kan worden opgevat dan als tegenprestatie voor de door de kroongetuige af te leggen verklaringen. De rechter dient in verband daarmee te toetsen of het openbaar ministerie, gelet op alle omstandigheden van het geval en met inachtneming van zijn ruime beoordelingsvrijheid, in redelijkheid tot de toegezegde basisstrafeis heeft kunnen komen. Het hof kan de rechtmatigheid van de basisstrafeis slechts afmeten aan de feiten die aan [kroongetuige] zijn ten laste gelegd. Zoals gezegd, gaat het om het medeplegen van moord, het voorhanden hebben van wapens, de heling van auto’s en het voorhanden hebben van een valse kentekenplaat. Daarbij zijn ook de feiten in het deelonderzoek Gezicht en deelname aan een criminele organisatie betrokken. Gelet op de ten laste gelegde feiten en de andere omstandigheden van het geval en in aanmerking genomen zijn ruime beoordelingsvrijheid, heeft het openbaar ministerie in redelijkheid tot de toegezegde basisstrafeis kunnen komen. Die basisstrafeis, van 24 jaren gevangenisstraf, is niet zo laag dat deze niet anders kan worden verklaard dan als een verkapte tegenprestatie voor het afleggen van verklaringen. Daarom acht het hof de overeenkomst met [kroongetuige] ook op dit punt niet onrechtmatig. Bij aanvang van de inhoudelijke behandeling in eerste aanleg heeft het openbaar ministerie aangekondigd bij requisitoir een lagere straf te eisen dan in de overeenkomst is toegezegd. Dat is ook gebeurd. De reden was dat sinds de inwerkingtreding van de Wet straffen en beschermen op 1 juli 2021 de periode waarover voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend niet langer kan zijn dan twee jaren. Ten tijde van het sluiten van de overeenkomst zou een gevangenisstraf van twaalf jaren in beginsel nog een nettostraf van acht jaren betekenen. Daar mocht [kroongetuige] bij het sluiten van de overeenkomst van uitgaan, aldus het openbaar ministerie. Uitgaande van de nieuwe wet betekent een gevangenisstraf van twaalf jaren in beginsel een nettostraf van tien jaren. De inhoud van de overeenkomst bood volgens het openbaar ministerie ruimte om een zodanige gevangenisstraf te eisen dat de kroongetuige netto acht jaren moet zitten. In eerste aanleg is daarom niet 24 jaren gevangenisstraf als uitgangspunt genomen, maar twintig jaren gevangenisstraf, die met 50% is verminderd tot de uiteindelijke eis van tien jaren (in plaats van twaalf jaren) gevangenisstraf. Het hof stelt vast dat het openbaar ministerie in afwijking van de tekst van de overeenkomst met de kroongetuige een gevangenisstraf van tien jaren in plaats van twaalf jaren heeft gevorderd. Er zijn geen aanwijzingen dat die lagere strafeis eerder aan de kroongetuige was toegezegd. Het openbaar ministerie heeft de afwijking van de in de overeenkomst genoemde bruto-eis gemotiveerd en de rechtbank heeft die motivering beoordeeld en de strafeis overgenomen. Het hof vindt in deze gang van zaken geen aanleiding de overeenkomst met de kroongetuige of de uitvoering daarvan onrechtmatig te achten. Er is geen reden om aan te nemen dat door deze gang van zaken de verklaringen van de kroongetuige zijn beïnvloed of dat op een andere manier rechtens te respecteren belangen van verdachten zijn geschaad. Ontoelaatbare toezegging inzake ontneming? Als het openbaar ministerie los van een eventuele overeenkomst niet tot vordering van het wederrechtelijk verkregen voordeel zou zijn overgegaan, hoeft het dat bij een getuige met wie een overeenkomst is gesloten ook niet te doen. Het openbaar ministerie kan dan eenzijdig beslissen van ontneming af te zien, zonder dat van een toezegging in de zin van de Aanwijzing sprake is. Ook op dit punt komt aan het openbaar ministerie een zekere beoordelingsvrijheid toe. Wel zal uit de motivering van het besluit om volledig van een ontnemingsvordering af te zien, moeten blijken dat geen sprake is van een verkapte financiële beloning voor het afleggen van verklaringen. Volgens het openbaar ministerie is geen sprake geweest van een toezegging aan [kroongetuige] dat tegen hem geen ontnemingsvordering zal worden ingediend. Uit de processtukken blijkt niet dat hierover is gesproken tussen de officier van justitie van het team Bijzondere Getuigen en [kroongetuige] en zijn raadsman. Hoewel dit had gekund, is daarover geen afspraak gemaakt. Het openbaar ministerie heeft verder aangevoerd dat [kroongetuige] na afloop van zijn detentie elders, vermoedelijk in een ander land, een veilig nieuw bestaan zal moeten opbouwen. Financieel gezien begint hij bij nul. Hij zal in het begin een redelijke tegemoetkoming van het Team Getuigenbescherming ontvangen. Uitgangspunt voor de hoogte van die tegemoetkoming is dat iemand gezien de nieuwe leefomstandigheden een redelijk bestaan moet kunnen opbouwen. Een eventuele ontneming zou dus in feite ook door het Team Getuigenbescherming moeten worden betaald. Dat is volgens het openbaar ministerie geen werkelijke ontneming en uit het oogpunt van de Staat een vestzak-broekzakaangelegenheid. Om die reden dient het openbaar ministerie geen vordering ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel in tegen [kroongetuige] . Nog los van het feit dat niet gebleken is van een toezegging aan de kroongetuige over ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel is het hof van oordeel dat het openbaar ministerie voldoende reden heeft kunnen zien om het aanhangig maken van een ontnemingsvordering niet opportuun te achten. Het hof betrekt hierbij ook dat bij geen van de andere verdachten in het Eris-dossier een ontnemingsvordering is ingediend (of is aangekondigd) en de hoogte van het bedrag dat [kroongetuige] voor zijn rol in de moord op [slachtoffer 21] betaald heeft gekregen (€ 10.000,-). Van een zo onbegrijpelijke beslissing dat er in feite slechts sprake kan zijn van een verkapte financiële beloning is geen sprake. De verdediging heeft nog aangevoerd dat [kroongetuige] in het criminele circuit een miljoenenschuld heeft aan derden en dat deze schuld hem feitelijk is kwijtgescholden omdat hij door het aangaan van de overeenkomst onvindbaar is geworden voor zijn schuldeisers. Voor zover de verdediging daarmee heeft bedoeld te betogen dat op dit punt sprake is van een (verkapte) financiële beloning en daarmee van een niet toelaatbare toezegging, kan dit betoog niet slagen. Niet is gebleken dat de kroongetuige een juridisch afdwingbare (miljoenen)schuld heeft bij derden. Bovendien is niet gebleken van enige toezegging door het openbaar ministerie dat deze eventuele schulden niet meer zouden hoeven te worden betaald. Samenvatting en conclusie De overeenkomst met [kroongetuige] heeft betrekking op feiten als bedoeld in artikel 226g van het Wetboek van Strafvordering. Het openbaar ministerie heeft het sluiten van de overeenkomst op goede gronden dringend noodzakelijk geacht. Uit de omvang van de vervolging, de strafeis en evenmin uit het achterwege laten van een ontnemingsvordering kan worden afgeleid dat aan [kroongetuige] verboden toezeggingen zijn gedaan in ruil voor het afleggen van verklaringen. Ook in onderling verband en samenhang bezien is bij de met [kroongetuige] gemaakte afspraak als bedoeld in artikel 226g van het Wetboek van Strafvordering geen sprake van een overschrijding van de grenzen van proportionaliteit en subsidiariteit. De verweren strekkende tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging van de verdachte of het uitsluiten van de verklaringen van [kroongetuige] van het gebruik voor het bewijs, slagen dus niet. 5.1.
  34. De betrouwbaarheid van de verklaringen van de kroongetuige Meerdere raadslieden hebben gewezen op de onbetrouwbaarheid van de kroongetuige. Aangevoerd is dat [kroongetuige] al sinds jonge leeftijd op meerdere terreinen strafbare feiten pleegt, zoals handel in drugs en oplichting. Omdat hij al zijn hele leven liegt en bedriegt, is het zeer riskant om zijn verklaringen te gebruiken voor het bewijs, zeker nu [kroongetuige] een duidelijk eigen belang heeft bij het afleggen van zijn verklaringen, aldus de raadslieden. Bijna alle raadslieden hebben daarnaast op inhoudelijke gronden de bruikbaarheid en de betrouwbaarheid van (een deel van) de verklaringen van [kroongetuige] betwist. In de zaak van [medeverdachte 13] is dit punt – in eerste aanleg en herhaald in hoger beroep – als volgt verwoord: De kroongetuige heeft veel vermoedens, invullingen, veronderstellingen en gevoelens en verkeerde ten tijde van de feiten waarover hij verklaart niet zelden onder invloed van verdovende middelen. Hij is na talloze verhoren door de politie, bij de rechter-commissaris en op de zitting nauwelijks meer in staat om onderscheid te maken tussen wat hij daadwerkelijk heeft meegemaakt, wat hij van derden heeft gehoord en wat hij later heeft opgepikt uit de media. De primaire bron is uiteindelijk vaak [medeverdachte 14] , die ooit iets tegen hem gezegd zou hebben, al weet hij niet meer waar, wanneer, in welke bewoordingen en in welke context. Andere raadslieden hebben daaraan nog toegevoegd dat de verklaringen bewust of onbewust onbetrouwbaar zijn te achten: door het toepassen van Neuro Linguïstisch Programmeren (NLP) tijdens het verhoren van [kroongetuige] , het bestaan van valse herinneringen en het voeden met informatie door politie en justitie. De verklaringen kunnen daarom niet worden gebruikt voor het bewijs. In ieder geval is het volgens de raadslieden noodzakelijk om deze verklaringen met grote voorzichtigheid te benaderen. Voorwaardelijk is verzocht om nader deskundigenonderzoek te gelasten over geheugentraining en de werking van het geheugen, of om een deskundige ter zitting daarover te bevragen. Het openbaar ministerie heeft het volgende aangevoerd. [kroongetuige] heeft in zijn kluisverklaringen uitsluitend uit zijn eigen geheugen geput. In de vele tactische verklaringen die [kroongetuige] bij de verhoorders in het onderzoek Eris heeft afgelegd, heeft hij over een onderwerp globaal telkens hetzelfde verhaal als tijdens de kluisverklaringen verteld, maar vooral méér dan in zijn kluisverklaringen. Nergens is hij teruggekomen op zijn eerder afgelegde kluisverklaringen in de zin dat deze bewust onjuist zouden zijn geweest. De tactische verklaringen bevatten naar aanleiding van verhelderende vragen vooral meer details dan de kluisverklaringen. Uiteindelijk is [kroongetuige] geconfronteerd met de onderzoeksresultaten. Dat gebeurde soms om uit te leggen hoe zijn verklaringen passen in het beeld dat met (objectieve) onderzoeksbevindingen tot stand is gekomen, maar ook om zaken die hij zich kennelijk niet goed herinnerde helder te krijgen. Dat ging vaak om het verduidelijken van tijd en plaats. Zo heeft [kroongetuige] zich vergist in de plaats waar een van zijn vele ontmoetingen met [medeverdachte 14] is geweest (Leiden of Zoetermeer) en heeft hij grote moeite gehad om bepaalde gebeurtenissen goed in de tijd te plaatsen. Het openbaar ministerie heeft in dit verband tot slot opgemerkt dat in elk geval helder is hoe de verklaringen van [kroongetuige] tot stand zijn gekomen en dat controle voor de bruikbaarheid van zijn verklaringen goed uit te voeren is, als gevolg van de zeer getrapte manier van verhoren van [kroongetuige] en de woordelijke uitwerking van zijn verhoren. Het hof stelt in dit verband voorop dat het niet de betrouwbaarheid van de persoon van [kroongetuige] maar die van zijn verklaringen dient te toetsen. Het feit dat een kroongetuige in het verleden ook bij andere misdrijven betrokken is geweest en/of dat hij in het verleden mogelijk onbetrouwbaar is gebleken wat betreft zijn verklaringen over niet in de afspraak als bedoeld in artikel 226g van het Wetboek van Strafvordering opgenomen misdrijven, is op zich geen reden om geen waarde te hechten aan zijn als kroongetuige afgelegde verklaringen. Uiteindelijk gaat het erom of de verklaringen van de kroongetuige over de aan de verdachten ten laste gelegde feiten betrouwbaar zijn. Een kritische benadering van de verklaringen van [kroongetuige] ligt voor de hand, nu hij deze heeft afgelegd als kroongetuige en aan hem strafvermindering en bescherming in het vooruitzicht zijn gesteld in ruil voor informatie over misdrijven. Het gaat dan meestal om informatie die zonder de verklaring van de kroongetuige niet, of zeer moeilijk, door de opsporingsinstanties is te verkrijgen. De van de kroongetuige te verkrijgen informatie moet voor de opsporingsautoriteiten een meerwaarde hebben. Daarin kan een motief zijn gelegen om informatie te verschaffen die niet op waarheid berust. Om die reden is het van belang dat de door de kroongetuige gegeven informatie zoveel mogelijk wordt getoetst in het opsporingsonderzoek en bij de berechting. Om diezelfde reden dienen zijn verklaringen met extra behoedzaamheid te worden beoordeeld, zoals ook tot uitdrukking komt in de motiveringseis van artikel 360, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering en de bewijsminimumregel dat het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan niet uitsluitend op de verklaring van één getuige mag worden aangenomen. De eis van behoedzaamheid geldt in het bijzonder waar het gaat om de verklaringen die zien op informatie die [kroongetuige] stelt van [medeverdachte 14] te hebben verkregen. Zowel [kroongetuige] als [medeverdachte 3] heeft verklaard dat [medeverdachte 14] informatie wel eens aandikte of dat hij met desinformatie strooide. Uitgangspunt is dat een verklaring van een getuige over wat hij van een andere persoon heeft gehoord in beginsel bruikbaar is voor het bewijs, maar dat de verdediging wel de gelegenheid moet hebben gehad om de getuige, het liefst ter terechtzitting, te horen. Vastgesteld kan worden dat de verdediging [kroongetuige] zowel bij de rechter-commissaris als ter terechtzitting in eerste aanleg en hoger beroep aan vele indringende verhoren heeft onderworpen, waarbij het aspect dat hij iets van [medeverdachte 14] heeft gehoord uitvoerig aan de orde is geweest. Het zou dan ook te ver gaan om aan de verklaringen van [kroongetuige] om die reden op voorhand slechts de waarde van steunbewijs toe te kennen, zeker omdat de beweerde bron van dergelijke verklaringen, [medeverdachte 14] , zich hoofdzakelijk heeft beperkt tot het ontkennen van de beweringen van [kroongetuige] en het presenteren van een ongeloofwaardig alternatief scenario. De van de kroongetuige verkregen informatie is divers van aard. Zo heeft hij niet alleen verklaard over gebeurtenissen die hij zelf heeft meegemaakt, maar ook over wat hij van anderen, met name [medeverdachte 14] , heeft gehoord. Ten slotte heeft hij ook verklaard over de algemene gang van zaken bij Caloh Wagoh, waarvan hij deel heeft uitgemaakt. Als informatie die de kroongetuige zegt te hebben verkregen van derden niet past bij de overige onderzoeksresultaten, kan maar hoeft dat niet te duiden op onbetrouwbaarheid van de kroongetuige. In dat geval is het ook mogelijk dat de kroongetuige naar waarheid heeft verklaard over wat hij heeft gehoord maar van die derde niet de juiste informatie heeft gekregen. Als voorbeeld noemt het hof een voorval in het deelonderzoek Breuk. De kroongetuige heeft verklaard dat zijn opdrachtgever hem op 5 juli 2017 heeft bericht dat het beoogde slachtoffer vanwege een file later zou komen. Dat het beoogde slachtoffer die dag na zijn vertrek uit Rotterdam om ongeveer 19.00 uur door een file is opgehouden, acht het hof niet waarschijnlijk. Voor deze ogenschijnlijke onjuistheid zijn meerdere verklaringen mogelijk: de kroongetuige kan de file hebben verzonnen, maar hij kan ook naar waarheid hebben verklaard over onjuiste informatie die hij van de opdrachtgever had gekregen, waarbij de opdrachtgever op zijn beurt deze onjuiste informatie van derden kan hebben ontvangen. Van belang is of onderdelen van de verklaring van de kroongetuige steun vinden in ander bewijsmateriaal en passen bij de overige bevindingen van het onderzoek. De verdediging heeft gewezen op de mogelijkheid van beïnvloeding van de kroongetuige door de politie. In dat verband is van belang of en, zo ja, hoe en wanneer de informatie van de kroongetuige in het onderzoek is bevestigd. Hierbij is een aantal situaties te onderscheiden: De informatie van de kroongetuige is geheel nieuw en wordt pas later in het onderzoek bevestigd door gegevens waarvan de kroongetuige niet op de hoogte kon zijn; De informatie kan worden bevestigd met zich al in het dossier bevindende onderzoeksresultaten of andere gegevens waarvan de kroongetuige op de hoogte kon zijn; De informatie wordt verkregen naar aanleiding van aan de kroongetuige voorgehouden onderzoeksresultaten. Het is duidelijk dat de mogelijkheid van beïnvloeding in de als eerste vermelde situatie het kleinst en in de laatste situatie het grootst is. Ook op het hof komt [kroongetuige] in zijn manier van verklaren bij de politie en de rechter-commissaris, maar ook ter terechtzitting over als een getuige die duidelijk en in grote lijnen consistent en zonder te aarzelen verklaart. Van belang is ook dat [kroongetuige] ook heeft verklaard over zijn rol in zaken waarin hij tot op dat moment bij het openbaar ministerie niet in beeld was gekomen en dat zijn op punten gedetailleerde verklaringen voor een belangrijk deel bevestiging vinden in objectieve onderzoeksbevindingen zoals die in het verificatie/falsificatiedossier. Veel verklaringen van [kroongetuige] vinden bevestiging in opnames van PGP- en whatsappgesprekken die pas later onder [medeverdachte 14] zijn aangetroffen. Van de aanwezigheid van die opnames waren [kroongetuige] en de politie niet op de hoogte op het moment dat de kluisverklaringen werden afgelegd. Het hof geeft daarvan enkele voorbeelden: De verklaring van de kroongetuige dat een zekere “ [naam gelijkend op naam 45] ” of “ [naam gelijkend op naam 45] ” opdrachtgever voor een aantal liquidaties was, komt overeen met een PGP-gesprek tussen [medeverdachte 14] en ‘The wizzard’ waarin “ [naam gelijkend op naam 45] ” als opdrachtgever wordt genoemd; De kroongetuige heeft verklaard dat [medeverdachte 14] hem een A4’tje met een foto van [slachtoffer 23] op een bruiloft heeft laten zien. Op die foto was het hoofd van [slachtoffer 23] omcirkeld. Op gegevensdragers van [medeverdachte 14] is een foto gevonden van een A4’tje met een foto van [slachtoffer 23] met zijn hoofd omcirkeld die ook verder aan de beschrijving van de kroongetuige voldoet; [medeverdachte 14] zou opdracht hebben gegeven voor de beschieting van een woning aan de [adres] in Doorn. Op gegevensdragers van [medeverdachte 14] is een beeldopname van een PGP-gesprek aangetroffen waarin wordt gesproken over een donkere straat met bomen bij de afslag Maarn (Doorn) van de A
  35. Ook is op die gegevensdrager een afbeelding van een printje van een routebeschrijving van Google Maps van ‘Mijn locatie’ naar de [adres] in Doorn gevonden; [medeverdachte 14] zou zijn benaderd door [medeverdachte 18] omdat zijn zoon in de problemen was gekomen door een vergismoord. Onder [medeverdachte 14] zijn beeldopnames van whatsappgesprekken en PGPgesprekken tussen beiden van ongeveer twee weken na de betreffende vergismoord over de zoon van [medeverdachte 18] aangetroffen; Het geld voor de moord op [slachtoffer 21] zou op de dag na de moord door een motorrijder zijn opgehaald. Op gegevensdragers van [medeverdachte 14] is de volgende chat van 8 juli 2017 aangetroffen: “Ok ik stuur hem, hij komt op de motor”. Ook op veel andere onderdelen worden de verklaringen van de kroongetuige bevestigd door die bij [medeverdachte 14] aangetroffen opnames. Het hof komt daar bij de bespreking van de zaakdossiers op terug. De conclusie is dat de verklaringen van de kroongetuige in de kern en op hoofdlijnen als betrouwbaar kunnen worden aangemerkt. Wel is duidelijk gebleken dat [kroongetuige] moeite heeft met het plaatsen van gebeurtenissen in de tijd en dat hij bepaalde feitelijkheden (nader) heeft ingevuld en met elkaar heeft verward, zoals in de deelonderzoeken Lis en Barbera, waar hij het heeft over het Belgische slachtoffer. Ook heeft [kroongetuige] zijn verklaringen gedurende het proces op punten moeten nuanceren, daar waar hij eerder al dan niet ingegeven door zijn eigen overtuiging in al te concluderende zin had verklaard. Sommige ongerijmdheden in de verklaringen van [kroongetuige] zijn niet geheel opgehelderd of op andere wijze verklaarbaar gebleken. Hiervan is bijvoorbeeld sprake in de deelonderzoeken Charlie17 en Langenhorst, daar waar het de gang van zaken in aanloop naar de moord en de rol van [kroongetuige] zelf betreft. Een aantal raadslieden heeft ook terecht erop gewezen dat het geheugen alleen al door het tijdsverloop beïnvloedbaar is en dat informatie die naderhand is verkregen, vermengd kan worden met wat een getuige zelf heeft waargenomen. Het hof komt niet tot de conclusie dat [kroongetuige] bewust niet volledig naar waarheid heeft verklaard. Dat neemt niet weg dat de verklaringen van [kroongetuige] slechts bruikbaar zijn voor het bewijs als het hof oordeelt dat zij betrouwbaar zijn en conform de waarheid zijn afgelegd. Ondanks de kanttekeningen die op onderdelen bij de verklaringen van [kroongetuige] kunnen worden geplaatst, blijft tegen de achtergrond van het totaal van zijn vele verklaringen en in het licht van de overige onderzoeksbevindingen het beeld van [kroongetuige] als een overwegend betrouwbaar verklarende getuige in stand. Uit de woordelijk uitgewerkte verhoren van [kroongetuige] is van het toepassen van NLP, van het opwekken van valse herinneringen of het voeden van informatie in de verhoren door de politie niet gebleken. Ook verder zijn hiervoor geen aanwijzingen te vinden. Het hof ziet geen noodzaak om in dit verband nader deskundigenonderzoek te laten doen of een deskundige te bevragen, zodat het (voorwaardelijke) verzoek daartoe wordt afgewezen. Bewijsminimum Een aantal raadslieden heeft aangevoerd dat de strafrechtelijke betrokkenheid van een verdachte niet enkel of in beslissende mate kan worden gegrond op de verklaring van een kroongetuige. Er moet voldoende ander bewijs zijn voor de strafrechtelijke betrokkenheid van de verdachte. Naar het oordeel van het hof is deze opvatting onjuist. Het tweede lid van artikel 342 van het Wetboek van Strafvordering bepaalt dat het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan door de rechter niet uitsluitend kan worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Deze bepaling heeft betrekking op de tenlastelegging in haar geheel en niet op een onderdeel daarvan. Zij beoogt de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing te waarborgen, in die zin dat artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen als de door één getuige naar voren gebrachte feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal (HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM2452, rov. 2.4). De beslissing tot de bewezenverklaring van een ten laste gelegd feit moet naast de eventuele verklaring van de kroongetuige ook op een of meer andere bewijsmiddelen zijn gebaseerd. Die andere bewijsmiddelen mogen volgens artikel 344a van het Wetboek van Strafvordering niet slechts bestaan uit verklaringen van andere kroongetuigen. Dat neemt niet weg dat de wettelijke regeling van de kroongetuige inclusief artikel 344a, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering en de bewijsminimumregel van artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering zich niet ertegen verzetten dat de bewezenverklaring van het tenlastegelegde in overwegende mate steunt op verklaringen van een getuige met wie door de officier van justitie een afspraak is gemaakt op grond van artikel 226h, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering (zie HR 23 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:601, rov. 8.4). Dat het gebruik van een verklaring van een kroongetuige voor de bewezenverklaring van het tenlastegelegde niet is onderworpen aan een verdere wettelijke beperking dan die van artikel 344a, vierde lid, en artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, laat onverlet dat het hof bij de beoordeling van de betrouwbaarheid en de waardering van de bewijswaarde van de verklaringen van de kroongetuige, zoals hiervoor al is overwogen, behoedzaam te werk gaat. 5.
  36. Het onderzoek aan gegevensdragers en locatiegegevens In het onderzoek Eris zijn diverse mobiele telefoons, computers en andere elektronische gegevensdragers inbeslaggenomen. De politie heeft zich toegang verschaft tot die gegevensdragers en onderzoek gedaan naar de gegevens die daarin zijn opgeslagen of anderszins zijn te vinden. Daarnaast heeft de officier van justitie in het onderzoek Eris verkeers- en locatiegegevens gevorderd, hebben telecomaanbieders toegang verleend tot dergelijke gegevens en heeft de politie ook daarnaar onderzoek gedaan. Naar aanleiding van de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) en de Hoge Raad ziet het hof aanleiding ambtshalve het volgende te overwegen over het onderzoek aan de gegevens in mobiele telefoons, computers en andere gegevensdragers en over het onderzoek aan de verkeers- en locatiegegevens. Het HvJ EU heeft geoordeeld dat een onderzoek naar de gegevens die beschikbaar zijn in een elektronische gegevensdrager, zoals een smartphone, valt onder de reikwijdte van de Richtlijn gegevensbescherming opsporing en vervolging (EU) 2016/
  37. Deze richtlijn diende uiterlijk op 6 mei 2018 in nationale wetgeving te zijn omgezet. Met de wetgeving waarmee Nederland uitvoering heeft gegeven aan Richtlijn (EU) 2016/680 zijn geen wijzigingen doorgevoerd van het Wetboek van Strafvordering ten aanzien van de regeling van de inbeslagneming van een gegevensdrager en het onderzoek van de gegevens die op of in een (mobiele) gegevensdrager zijn te vinden. In HvJ EU 4 oktober 2024, zaak C-548/21, ECLI:EU:C:2024:830 (Landeck) heeft het hof geoordeeld dat voor het verkrijgen van toegang tot dergelijke gegevens voorafgaande toestemming nodig is van een rechterlijke instantie of een onafhankelijk, niet bij de opsporing betrokken, bestuursorgaan indien er een kans is dat die toegang het mogelijk maakt nauwkeurige conclusies over iemands privéleven te trekken. Richtlijn 2002/85/EG geeft regels over privacy en elektronische communicatie en bepaalt (in artikel 5) dat de lidstaten het vertrouwelijke karakter van elektronische communicatie en daarmee verband houdende persoonsgegevens in de vorm van (historische) verkeers- en locatiegegevens garanderen. Richtlijn 2002/85/EG biedt de lidstaten de mogelijkheid die vertrouwelijkheid te doorbreken voor de bestrijding, opsporing en vervolging van strafbare feiten (zie artikel 15). Daarvoor gelden voorwaarden. De richtlijn betreffende privacy en elektronische communicatie is in Nederland geïmplementeerd in de Telecommunicatiewet. Telecomaanbieders mogen op grond van de Telecommunicatiewet de vertrouwelijkheid van de door hen verzamelde gegevens doorbreken als dit noodzakelijk is in het belang van de voorkoming, opsporing en vervolging van strafbare feiten. In een arrest van 2 maart 2021 heeft het HvJ EU de voorwaarden voor toegang tot bewaarde verkeers- en locatiegegevens verduidelijkt en aangescherpt. De toegang tot historische verkeersgegevens, waaruit (nauwkeurige) conclusies kunnen worden getrokken over de persoonlijke levenssfeer van de gebruiker, moet zijn onderworpen aan een voorafgaande toetsing door een rechterlijke instantie of een onafhankelijk bestuursorgaan. Naar aanleiding van HvJ EU 2 maart 2021, C-746/18, ECLI:EU:C:2021:152 (Prokuratuur) is de Hoge Raad tot het oordeel gekomen dat de onder andere in artikel 126n van het Wetboek van Strafvordering neergelegde bevoegdheden tot het vorderen van verkeers- en locatiegegevens niet in overeenstemming is met de eisen die Richtlijn 2002/58/EG stelt, als de toepassing van de betreffende bevoegdheid meebrengt dat sprake is van een ernstige inmenging in het recht op bescherming van het privéleven en de beslissing tot de toepassing van die bevoegdheid wordt genomen door de officier van justitie. Vereist is in een dergelijk geval – behalve in spoedeisende situaties – dat voorafgaand toezicht door een rechterlijke instantie of door een onafhankelijke bestuurlijke entiteit plaatsvindt. Dit voorafgaande toezicht is niet vereist wanneer het uitsluitend gaat om het verlenen van toegang tot gegevens aan de hand waarvan de betrokken gebruiker kan worden geïdentificeerd, zonder dat de gegevens in verband kunnen worden gebracht met informatie over de tot stand gebrachte communicatie. De Hoge Raad heeft in het arrest HvJ EU 2 maart 2021, C-746/18, ECLI:EU:C:2021:152 (Prokuratuur) aanleiding gezien te bepalen dat als de officier van justitie verkeers- en locatiegegevens wil verkrijgen die meer omvatten dan uitsluitend identificerende gegevens, hij gehouden is een schriftelijke machtiging van de rechter-commissaris te vorderen voor het vorderen van die gegevens. Het hof constateert dat uit de procestukken niet ten aanzien van elke gegevensdrager duidelijk wordt of de rechter-commissaris, de officier van justitie of een andere opsporingsambtenaar deze in beslag heeft genomen. Waar een mobiele telefoon of een andere elektronische gegevensdrager in beslag is genomen door de rechter-commissaris kan er – behoudens aanwijzingen voor het tegendeel – van worden uitgegaan dat met de inbeslagneming is beoogd onderzoek naar de inhoud van deze gegevensdrager te laten doen door de politie en andere door politie en justitie ingeschakelde personen zoals deskundigen van het NFI. De bevoegdheid van de rechter-commissaris tot inbeslagneming biedt in een dergelijk geval de grondslag voor het verrichten van onderzoek aan het inbeslaggenomen voorwerp, ook als dat een meer dan beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer meebrengt. Omdat de processtukken niet ten aanzien van elke gegevensdrager duidelijk maken door wie deze in beslag is genomen, moet ermee rekening worden gehouden dat niet alleen de rechtercommissaris maar ook de officier van justitie en andere opsporingsambtenaren elektronische gegevensdragers in beslag hebben genomen. Het hof kan bovendien aan de hand van de processtukken niet vaststellen of de rechter-commissaris – een rechterlijke instantie volgens de rechtspraak van het HvJ EU – per afzonderlijke gegevensdrager toestemming heeft gegeven voor onderzoek aan de daarin beschikbare gegevens, ook als er een kans is dat die toegang het mogelijk maakt nauwkeurige conclusies over iemands privéleven te trekken. Daarnaast moet het hof op grond van de processtukken ervan uitgaan dat de politie zonder voorafgaand toezicht door een rechterlijke instantie of een onafhankelijke bestuurlijke entiteit onderzoek heeft gedaan aan gevorderde verkeers- en locatiegegevens (anders dan uitsluitend identificerende gegevens). In het geval dat voorafgaande toestemming (in de vorm van een schriftelijke machtiging) van de rechter-commissaris ontbreekt, is er in de zojuist bedoelde gevallen waarin een elektronische gegevensdrager bij het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte door de officier van justitie of een andere opsporingsambtenaar in beslag is genomen en onderzoek is gedaan naar de daarin beschikbare gegevens, waarbij er een kans bestaat dat nauwkeurige conclusies over iemands privéleven worden getrokken, en in de gevallen waarin onderzoek is gedaan aan door de officier van justitie gevorderde verkeers- en locatiegegevens (anders dan uitsluitend identificerende gegevens), sprake van een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte. De omstandigheid dat de officier van justitie bij het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte een vordering heeft gedaan tot het verstrekken van verkeers- of locatiegegevens (anders dan uitsluitend identificerende gegevens) zonder dat van tevoren een machtiging van de rechter-commissaris is verkregen, terwijl die machtiging wel was vereist, levert als zodanig geen grond op voor bewijsuitsluiting (zie HR 5 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:475, rov. 6.12.4). Naar het oordeel van het hof heeft hetzelfde te gelden ten aanzien van het vormverzuim dat zonder voorafgaande toestemming van de rechter-commissaris onderzoek is gedaan aan in een gegevensdrager beschikbare gegevens als er een kans is om nauwkeurige conclusies over iemands privéleven te trekken. Van belang hierbij is dat het uitsluiten van de resultaten van dergelijk onderzoek van het gebruik voor het bewijs niet noodzakelijk is om een schending van het recht op een eerlijk proces zoals gewaarborgd door artikel 6 EVRM – en het daarmee overeenkomende artikel 47, tweede lid, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie – te voorkomen, tenzij door een of meer van de vormverzuimen in het verloop van de strafprocedure complicaties zijn opgetreden die het voeren van de verdediging ernstig hebben bemoeilijkt en die vormverzuimen vervolgens niet in voldoende mate zijn hersteld om het proces als geheel eerlijk te laten verlopen. Dergelijke complicaties zijn door de verdediging niet gesteld en ook overigens niet gebleken. Voor de toepassing van strafvermindering is vereist dat de verdachte door het vormverzuim daadwerkelijk nadeel heeft ondervonden en dat strafvermindering ook in het licht van het belang van het geschonden voorschrift en de ernst van het verzuim is gerechtvaardigd. Strafvermindering laat zich als rechtsgevolg dat geschikt is voor compensatie van door de verdachte ondervonden nadeel, verbinden aan onder meer vormverzuimen waardoor inbreuk is gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte. De vraag of, en de mate waarin de persoonlijke levenssfeer van de verdachte is geschonden, is daarbij mede bepalend voor de ernst van het verzuim en het door het verzuim daadwerkelijk geleden nadeel. Voor de toepassing van strafvermindering moet het gaan om een voldoende ernstig vormverzuim dat concreet de belangen van de verdachte in de strafzaak heeft aangetast. Als door het vormverzuim in niet meer dan geringe mate inbreuk is gemaakt op het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer, kan de rechter volstaan met de enkele constatering van dat vormverzuim. (HR 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1889, rov. 2.3.2 en 2.3.4.) In het onderzoek Eris gaat het om de verdenking van zeer ernstige strafbare feiten. Het onderzoek is gericht tegen een criminele organisatie die zich zou hebben beziggehouden met het plegen van liquidaties en daarbij gebruikmaakte van PGP-telefoons. Het onderzoeken van de inhoud van inbeslaggenomen gegevensdragers was noodzakelijk. Minder ingrijpende, maar even effectieve mogelijkheden, waren niet voorhanden. De inbreuk op het privéleven van de verdachte verschilt per gegevensdrager. In het geval van gegevens in PGP-telefoons gaat het – als deze bewaard zijn gebleven – voornamelijk om communicatie over de voorbereiding en de uitvoering van ernstige misdrijven en was ook van tevoren duidelijk dat het gebruik van PGP-telefoons alleen diende om criminele activiteiten te verhullen. De kans om dan nauwkeurige conclusies over iemands privéleven te trekken is gering. Bij het onderzoek aan gegevens in andere gegevensdragers dan PGP-telefoons is in het onderzoek Eris, naast talloze gegevens over criminele gedragingen, ook toegang verkregen tot gegevens die niet met criminele activiteiten te maken hebben. Daarbij is de privacy van de verdachte en personen uit zijn directe omgeving zoals gezinsleden (wel) in het geding. Niet is gebleken dat de politie toegang heeft verkregen tot gegevens van grote aantallen willekeurige derden, zoals het geval kan zijn bij het zich toegang verschaffen tot de op een server beschikbare gegevens, in welk geval het nemen van maatregelen ter bescherming van de privacy van derden kan zijn geboden. De gegevens waartoe in het onderzoek Eris toegang is verkregen, betreffen voornamelijk de verdachten zelf en personen uit hun omgeving. Dat door het onderzoek aan de gegevens die in de (onder de verdachte) inbeslaggenomen gegevensdragers beschikbaar zijn en door het onderzoek aan de verkeers- en locatiegegevens inzicht is verkregen in aspecten van het privéleven van de verdachte en eventueel degenen waarmee de verdachte contact had, is onontkoombaar. Het hof is van oordeel dat de ernst van de feiten die in het onderzoek Eris centraal staan het rechtvaardigt dat dit onderzoek is verricht en dat het belang daarvan opweegt tegen de daarmee gepaard gaande schending van de privacy van de verdachte en een beperkt aantal derden. Het hof gaat er dan ook van uit dat, gelet vooral op de aard en ernst van de verdenkingen, de rechter-commissaris voor dit onderzoek voorafgaande toestemming zou hebben verleend als de officier van justitie deze had gevorderd. De verdachte heeft geen verweer gevoerd over de hier door het hof ambtshalve aan de orde gestelde vormverzuimen in het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte, die (mogelijk) een inbreuk hebben gemaakt op het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de verdachte. De verdediging heeft niet gesteld dat de belangen van de verdachte in de strafzaak door een of meer van de bedoelde vormverzuimen concreet zijn aangetast. Het hof volstaat mede daarom met de enkele constatering dat in het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte een of meerdere van de door het hof aan de orde gestelde vormverzuimen zijn begaan. 6De waardering van het bewijs en de conclusies van de veredelingen 6.
  38. De vordering van het openbaar ministerie De advocaten-generaal hebben zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat [verdachte] zich heeft schuldig gemaakt aan: het in het deelonderzoek Eend primair tenlastegelegde; het in het deelonderzoek Mus onder 1 nog meer subsidiair tenlastegelegde; het in het deelonderzoek Barbera onder 2 meer subsidiair tenlastegelegde; het in het deelonderzoek Gezicht onder 4 nog meer meer subsidiair en feit 6 nog meer meer subsidiair tenlastegelegde; het in het deelonderzoek Breuk onder 8 primair tenlastegelegde; het in het deelonderzoek Charlie17 subsidiair tenlastegelegde; het als leider deelnemen aan een criminele organisatie. De advocaten-generaal verwijzen daartoe naar de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen. 6.
  39. Het standpunt van de verdediging De verdediging van [verdachte] heeft verzocht hem vrij te spreken van het in de deelonderzoeken Eend, Mus, Gezicht en Charlie17 tenlastegelegde. De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat wat betreft het deelonderzoek Breuk hooguit medeplichtigheid aan moord kan worden bewezen. Ten aanzien van het deelonderzoek Criminele organisatie heeft de verdediging verzocht [verdachte] vrij te spreken van de strafverzwarende kwalificatie ‘leidinggeven’. De verdediging heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van het tenlastegelegde in het deelonderzoek Barbera. 6.
  40. Het oordeel van het hof 6.3.
  41. Conclusies veredelingen en identificaties Het hof heeft op basis van de bewijsmiddelen en conclusies die zijn opgenomen in bijlage 3 onder meer de volgende veredelingen van PGP-namen en bijnamen vastgesteld. [verdachte] Op basis van de gebruikte bewijsmiddelen stelt het hof vast dat [verdachte] schuilging achter de PGPaccounts ‘B.I.G’, ‘Keyser soze’, ‘Keyser soze0’ en ‘Keyser soze new’. [verdachte] heeft uiteindelijk ter terechtzitting bekend dat hij tot medio april 2017 de gebruiker was van het account ‘B.I.G’, althans dat hij het betreffende toestel in die periode in zijn bezit heeft gehad en heeft gebruikt, nadat hij dit overigens aanvankelijk bij de politie zeer stellig heeft ontkend. Ook zonder deze erkenning van de zijde van [verdachte] volgt uit de gebruikte bewijsmiddelen onmiskenbaar dat [verdachte] het PGPaccount ‘B.I.G’ heeft gebruikt. Het hof volgt [verdachte] niet in zijn verweer dat hij sinds medio april 2017 niet langer schuilging achter het account ‘B.I.G’, aangezien dit wordt weersproken door de gebruikte bewijsmiddelen. Het hof overweegt daartoe als volgt. De PGP-naam ‘B.I.G’ behoort bij PGP-pin F19C
  42. Dit blijkt uit de administratie die bij [naam 3] is aangetroffen en correspondeert met de gegevens die zijn gevonden in het PGPtoestel van [kroongetuige] , waarin de naam ‘B.I.G’ ook in combinatie met de PIN F19C54 wordt genoemd. Uit de administratie van [naam 3] blijkt dat dit PGP-pinnummer in ieder geval vanaf 14 januari 2017 is gekoppeld aan het simnummer eindigend op *7053, terwijl daarbij de naam ‘Bigga’ en [plaats] ’ [het hof begrijpt: [adres] in Nieuwegein] staat vermeld. Het hof concludeert dat de simkaart eindigend op *7053 en behorend bij de PGP-pin F19C54 op enig moment na 14 januari 2017 aan [verdachte] is verstrekt. Het simnummer *7053 is bevraagd bij BlackBerry, waaruit naar voren is gekomen dat dit nummer ook geregistreerd stond in combinatie met het IMEInummer 356966052620491 (verder: #0491) en het IMSInummer 310170809369705 (verder: *9705), die voor het eerst is gezien op 18 april
  43. Uit de bewijsmiddelen volgt dat het (gewone) telefoonnummer van [verdachte] (*3580) ook in de periode vanaf 18 april 2017 veelvuldig in de directe nabijheid is van de PGP met het IMSI-nummer eindigend op *9705, terwijl beide toestellen gezamenlijk dezelfde reisbewegingen maken en op dezelfde momenten (ook in de nachtelijke uren) in de directe nabijheid van de woning van [verdachte] zendmasten aanstralen. Op geen enkel moment bevinden de toestellen zich rond een zelfde tijdstip op locaties die zover van elkaar af liggen dat gezamenlijke reisbewegingen onwaarschijnlijk zijn. Dat is opmerkelijk omdat beide toestellen geregeld buiten Nieuwegein zijn gebruikt. Ook de inhoud van de hierna te bespreken berichten geeft steun aan de conclusie dat de gebruiker van ‘B.I.G’, ‘Keyser soze’, ‘Keyser soze0’ en ‘Keyser soze new’ telkens dezelfde persoon is. Op grond hiervan stelt het hof vast dat [verdachte] ook in de periode na medio april 2017 gebruik heeft gemaakt van de PGP met de accountnaam ‘B.I.G’. [verdachte] heeft gesuggereerd dat niet hij maar bijvoorbeeld iemand die vaak met hem meereisde en/of vlak bij hem in de buurt woonde, de gebruiker van het betreffende PGP-toestel zou kunnen zijn. Dit is echter zo onwaarschijnlijk, gelet op de veelvoud aan voor [verdachte] belastende omstandigheden, dat die enkele niet nader onderbouwde suggestie niet tot een andere conclusie kan leiden. Naar aanleiding van vragen van de rechtbank is nog nader onderzocht of een specifieke andere persoon, genaamd [getuige 15] , na medio april 2017 wellicht over het PGP-toestel met de accountnaam ‘B.I.G’ heeft kunnen beschikken, maar de resultaten van dat onderzoek bieden geen aanknopingspunten voor de gevolgtrekking dat die persoon in plaats van [verdachte] het toestel in zijn bezit zou hebben gehad, maar versterken juist de conclusie dat [verdachte] de accountnaam ook na medio april 2017 heeft gebruikt. In hoger beroep is [getuige 15] als getuige gehoord. Hij heeft verklaard dat hij na zijn detentie in Suriname (in maart 2017) niet meer in Nederland is geweest. De verdediging stelt dat in verklaringen van [medeverdachte 14] en [kroongetuige] steun kan worden gevonden voor het scenario dat [getuige 15] na medio april 2017 de gebruiker is geweest van het account ‘B.I.G’. Aan het noemen van de naam [getuige 15] of [getuige 15] door [kroongetuige] en [medeverdachte 14] hecht het hof geen waarde. [kroongetuige] heeft verklaard dat hij op grond van berichten in de media betrokkenheid van ene [getuige 15] vermoedt, maar hij heeft dat zelf nooit gehoord. Uit eigen wetenschap weet hij niets over [getuige 15] . Aan de verklaring van [medeverdachte 14] over [getuige 15] hecht het hof ook geen waarde. [medeverdachte 14] heeft verklaard [getuige 15] niet te kennen, maar hij zou de naam hebben gehoord van een zekere [getuige 5] . Het hof heeft vastgesteld dat het verhaal over het bestaan en de rol van [getuige 5] zeer onwaarschijnlijk en ongeloofwaardig is. Met betrekking tot de accountnamen ‘Keyser soze’, ‘Keyser soze0’ en ‘Keyser soze new’ heeft [verdachte] zich op zijn zwijgrecht beroepen. Uit de bewijsmiddelen volgt onmiskenbaar dat [verdachte] de gebruiker is van deze accountnamen. In de genoemde PGP-chatgesprekken tussen ‘Keyser soze0’ en ‘C murder’ (veredeld als [medeverdachte 14] ) spreekt ‘Keyser soze0’ van een wapen (‘ijzer’) dat door de mannen van [medeverdachte 14] kan worden opgepikt op de [adres] in Nieuwegein, de straatnaam van het toenmalige woonadres van [verdachte] . Ook spreekt ‘Keyser soze0’ over een track [het hof begrijpt: baken] onder zijn auto en schakelt hij [medeverdachte 14] mannen in om hem daarbij te helpen. Uit onderzoek Loos naar de poging tot liquidatie van twee mannen in Noordeloos bleek uit een melding van een Sirenebureau dat [verdachte] op 16 februari 2018 in Spanje is gecontroleerd. Dat ‘Keyser soze’ aangaf dat een baken onder zijn auto zat en dat [verdachte] op 16 februari 2018 in Spanje was, zoals in het PGP-gesprek van 10 januari 2018 door ‘Keyser soze’ wordt aangegeven, versterkt de conclusie dat ‘Keyser soze’ als accountnaam door [verdachte] werd gebruikt. Het ligt voor de hand dat het account ‘Keyser soze new’ een nieuw account is van de gebruiker van ‘Keyser soze’ en ‘Keyser soze0’. Dit wordt bevestigd door een bericht van ‘Keyser soze new’ van 28 februari 2018 waarin wordt gesproken over een vergadering in Hotel [hotel] , volgens ‘Keyser soze new’, “1 afslag na die afslag bij mij na beneden”. Hotel [hotel] ligt aan de snelweg A2 bij afslag
  44. Afslag 10 is ten noorden van afslag 11 en is de afslag van de A2 die het dichtste bij de toenmalige woning van [verdachte] aan de [adres] is gelegen. Uit de volgende chats leidt het hof af dat de ‘Keyser soze’accounts en het ‘B.I.G’-account gebruikt werden door dezelfde persoon die ook wel als ‘big’ wordt aangeduid. Op 11 december 2017 om 12.21 uur schrijft [medeverdachte 14] aan ‘Max Payne’, veredeld als [medeverdachte 6] : “Heb big je mail gestuurd. Voor als ik slaag of niet te bereiken ben”. ‘Max Payne’ antwoordt om 12.22 uur: “Ja sir ik heb hem”. Uit de contacttabel van een onder [medeverdachte 6] inbeslaggenomen telefoon blijkt dat het contact ‘Keyser soze’ op 10 december 2017 om 23.21 uur is toegevoegd. De tijd in die tabel is weergegeven in UTC+
  45. Dat betekent dat de werkelijke tijd in Nederland een uur later was en exact overeenkomt met het bericht van [medeverdachte 14] dat ‘Max Payne’ de email van big ontvangt. In de chats van 14 december 2017 tussen [medeverdachte 14] en ‘LAST MAN STANDING’ wordt gesproken over de situatie met ‘Big’ en de track, die duidelijk verwijst naar de chats tussen ‘Keyser soze0’ en [medeverdachte 14] . Op dezelfde dag vraagt ‘Max Payne’ aan ‘Keyser soze’ of het laat wordt wat het geld betreft. ‘Keyser soze’ antwoordt dat “C” dat zal geven aan ‘Max Payne’. Daarop vraagt ‘Max Payne’ aan ‘C MURDAH’ oftewel [medeverdachte 14] : “Ik tekst u omdat ik pap bij u kan halen sir”. [medeverdachte 14] antwoordt dat dit klopt maar dat ‘Max Payne’ geen geld aan big moet vragen maar dat hij dat via [medeverdachte 14] moet doen. Op 29 maart 2018 schrijft [medeverdachte 14] via het account ‘C MURDAH’ aan ‘Max Payne’: “Hebt big gezegd dat ik je die kop geef”. Later die middag schrijft ‘Keyser soze new’ aan ‘Max Payne’: “C gaat u die kop geven als goed is sir”. In een chat van 14 december 2017 spreken [medeverdachte 14] en ‘Keyser soze0’ over hoe ze vorig jaar zijn begonnen. Op dat moment was het bijna een jaar geleden dat [medeverdachte 14] voor het eerst contact had met ‘B.I.G’. Het staat vast dat dit account toen door [verdachte] werd gebruikt. In een chatgesprek van 9 juli 2017 vraag [medeverdachte 14] aan ‘B.I.G’ of een verhoging van de beloning mogelijk is. De reactie van ‘B.I.G’ luidt: “Ik weet niet wat je met hem heb besproken maar ik betaal lokkers spotters alles bro fietsen ijzers dus ik weet niet wat ie zegt en wij eten niks uit wat jij krijgt heb ik je al gemeld” en “Ja als je alles zelf doet maar je heb uit ervaring nu gezien dat dat niet werkt dsn zijn we 10 jaar verder voor iemand weg s bro en laatst kwam je klagen dat dat niet jullie werk us alleen heads werd gevraagd als ik m nu dit weer ga zeggen Is zomaar bro en die man houd niet van hele tijd over pap praten heb he al gemerkt”. De persoon die in juli 2017 schuilgaat achter ‘B.I.G’ benadrukt dat hij spotters, lokkers, auto’s en wapens regelt en betaalt. Hij zegt daarmee in feite dat hij een grote rol speelt in de voorbereiding van liquidaties. De omstandigheid dat [medeverdachte 14] en [verdachte] – ervan uitgaande dat [verdachte] schuilgaat achter de accountants ‘Keyser soze’, ‘Keyser soze0’ en ‘Keyser soze new’ – in december 2017 terugblikken op het begin van hun samenwerking past naar het oordeel van het hof beter bij het scenario dat na medio april 2017 [verdachte] de gebruiker van ‘B.I.G’ is gebleven en dat alleen [verdachte] achter de accounts ‘B.I.G’ en ‘Keyser soze’, ‘Keyser soze0’ en ‘Keyser soze new’ schuilging, dan bij het scenario dat vanaf medio april 2017 iemand anders ‘B.I.G’ is gaan gebruiken en dat die persoon dan in juli 2017 benadrukt dat hij spotters, lokkers, auto’s en wapens regelt en betaalt en daarmee in feite zegt dat hij een grote rol speelt in de voorbereiding van liquidaties, zonder dat die grote rol van die andere persoon in het gesprek in december 2017 tussen [medeverdachte 14] en [verdachte] ergens tot uitdrukking komt. In hetzelfde chatgesprek van 9 juli 2017 praten [medeverdachte 14] en ‘B.I.G’ ook over Suriname. [medeverdachte 14] zegt dat hij daar bezig is een chapter van zijn motorclub te openen. De gebruiker van ‘B.I.G’ merkt dan op “Ja was daar februari”, wat past bij de reis naar Suriname die [verdachte] met zijn gezin in februari 2017 in verband met de verjaardag van zijn schoonvader heeft gemaakt. Namens [verdachte] is aangevoerd dat uit het bericht van ‘Keyser soze0’ inhoudende dat een jongen al een paar dagen loopt te kloten bij iemand in de straat kan worden afgeleid dat iemand anders dan ‘Keyser soze0’ wordt geobserveerd en dat dus ‘Keyser soze0’ de persoon ‘big’ niet kan zijn. Het hof deelt die conclusie niet. Zoals gezegd, blijkt uit het vervolg van de chats dat de auto van ‘Keyser soze0’ is voorzien van een peilbaken. Dat wijst er juist op dat ‘Keyser soze0’ zelf werd geobserveerd en dat ‘Keyser soze0’ en ‘big’ in deze berichten dezelfde persoon zijn. Overige verdachten Het hof concludeert ten aanzien van de andere verdachten het volgende: - [medeverdachte 14] is de gebruiker van de PGP-accounts ‘CB1D45’ (tussen 18 en 20 februari 2017), ‘C murder/971817’, ‘C MURDAH’, ‘C40’ en NN2 (deelonderzoek Goudvink); - [medeverdachte 2] is de gebruiker van het PGP-account ‘The wizzard’; [medeverdachte 6] is de gebruiker van het PGP-account ‘Max Payne’ en [medeverdachte 6] heeft de bijnamen ‘ [bijnaam medeverdachte 6] ’ en ‘Max’; [medeverdachte 3] is van 22 tot en met 24 februari 2017 de gebruiker van het PGP-account ‘CB1D45’ en [medeverdachte 3] heeft de bijnamen ‘ [bijnaam medeverdachte 3] ’; [medeverdachte 7] is van 14 maart 2017 tot en met 17 maart 2017 de gebruiker van het PGP-account ‘CB1D45’ en [medeverdachte 7] heeft de bijnaam ‘ [bijnaam medeverdachte 7] ’; - [medeverdachte 10] heeft de bijnaam ‘ [bijnaam medeverdachte 10] ’; [medeverdachte 18] heeft de bijnaam ‘ [bijnaam medeverdachte 18] ’; [medeverdachte 17] is de gebruiker van het PGP-account ‘Storing’. 6.3.
  46. Eend Het hof leidt uit de inhoud van de bewijsmiddelen de volgende gang van zaken af. 6.3.2.
  47. De aangetroffen chats Op 2 februari 2017 vindt er een PGP-chatgesprek plaats tussen ‘971817’, veredeld als [medeverdachte 14] , en ‘Lone ranger’. Dit account is niet veredeld. ‘Lone ranger’ stuurt in dit gesprek aan [medeverdachte 14] : “Sportschool adres [adres] in Meern sir. Huis adres is [adres] ”. Op 4 februari 2017 stuurt ‘The wizzard’, veredeld als [medeverdachte 2] , naar [medeverdachte 14] : “Is zijn gym trouwens sir!”. Vervolgens stuurt [medeverdachte 2] een bericht van ‘B.I.G’, veredeld als [verdachte] , door dat afkomstig is van het account ‘ENEMY FOR ALL MOTHERFUCKERS’, door het hof aangeduid als de opdrachtgever. Hierin staat: “Hy sluit hem vaak af alleen”. [medeverdachte 2] stuurt daarna naar [medeverdachte 14] dat hij een klein moment moet hebben en dat [medeverdachte 2] zo alles zal doorsturen. Uit het dossier van de deelonderzoeken Mus, Kraai, Duif en Spreeuw blijkt dat er op 18 en 19 februari 2017 eveneens een PGP-chatgesprek plaatsvindt tussen een account veredeld als [medeverdachte 14] , ‘CB1D45’, en [medeverdachte 2] waar min of meer op dezelfde manier informatie wordt gedeeld over personen (‘ [naam gelijkend op namen slachtoffer 1 en 2] ’, ‘ [bijnaam] ’, ‘ [naam gelijkend op slachtoffer 3] ’ en ‘ [bijnaam] en [bijnaam] ’) die moeten worden geliquideerd. Op 26 februari 2017 stuurt [verdachte] de berichten “In die porsche ryd zyn vriendin vaak klopt” en “Sir dat is die man precies op die foto die u stuurde” door van ‘ENEMY FOR ALL MOTHERFUCKERS’. [medeverdachte 14] reageert daarop door te stellen dat hij dan genoeg weet. Er is nader onderzoek gedaan naar de inhoud van bovengenoemde gesprekken. Hieruit is gebleken dat in februari 2017 op de [adres] in de Meern een democenter was gevestigd van de sportschool [sportschool] . De uiteindelijke belanghebbende van deze sportschool was [slachtoffer 15] . [slachtoffer 15] had in februari 2017 een relatie met [naam 46] . Zij woonde in 2017 op de [adres] in Utrecht. Deze [naam 46] had van 17 april 2015 tot 25 februari 2017 een Porsche Panamera op naam staan. Verder bleek uit onderzoek naar de onder [medeverdachte 14] inbeslaggenomen Acer-laptop dat hierop verschillende afbeeldingen van [slachtoffer 15] staan. 6.3.2.
  48. De rol van [medeverdachte 2] Het hof leidt uit de bewijsmiddelen af dat geprobeerd is [medeverdachte 14] uit te lokken tot het liquideren van [slachtoffer 15] door aan hem berichten te sturen waarin informatie over [slachtoffer 15] wordt gedeeld. Het hof overweegt over de strafbare betrokkenheid van [medeverdachte 2] daarbij het volgende. Uit de bewijsmiddelen volgt dat aanvankelijk op 2 februari 2017 ene ‘Lone Ranger’ via een PGP-toestel aan [medeverdachte 14] informatie geeft over een persoon die is veredeld als [slachtoffer 15] , te weten het adres van zijn sportschool en zijn huisadres. Op 4 februari 2017 stuurt [medeverdachte 2] aan [medeverdachte 14] : “Is zijn gym trouwens sir!”. Daarmee geeft [medeverdachte 2] kennelijk aan [medeverdachte 14] informatie over de sportschool van [slachtoffer 15] . Aansluitend stuurt [medeverdachte 2] nadere informatie aan [medeverdachte 14] , te weten dat ‘hij’ [het hof begrijpt: [slachtoffer 15]] zijn gym vaak alleen afsluit. Dit bericht is afkomstig van een account van de opdrachtgever, die dit bericht naar [verdachte] heeft gestuurd terwijl [verdachte] dit bericht op zijn beurt aan [medeverdachte 2] heeft gestuurd. Aansluitend bericht [medeverdachte 2] aan [medeverdachte 14] dat hij nog even een moment moet hebben en dat [medeverdachte 2] zo alles zal doorsturen. Op 26 februari 2017 stuurt [verdachte] een bericht van de opdrachtgever over de auto waarin de vriendin van [slachtoffer 15] rijdt en een tekst over een foto, althans de bevestiging dat “dat de man op de foto is die u stuurde”. Aangezien op gegevensdragers bij [medeverdachte 14] foto’s van [slachtoffer 15] zijn aangetroffen, neemt het hof als vaststaand aan dat [medeverdachte 14] een foto heeft gestuurd aan de organisatie van de opdrachtgever en dat daarnaar verwezen wordt. Op dat moment antwoordt [medeverdachte 14] dat hij genoeg weet. Het hof ziet dit als het moment waarop de uitlokking van [medeverdachte 14] is voltooid. [medeverdachte 14] weet dan genoeg en heeft daarmee zijn wil om de moord op [slachtoffer 15] te gaan organiseren bepaald. Dat de informatie die [medeverdachte 2] , [verdachte] , de persoon achter ‘Lone Ranger’ en de opdrachtgever aan [medeverdachte 14] hebben verstrekt daadwerkelijk betrekking heeft op het plan om [slachtoffer 15] te liquideren, staat voor het hof vast. De informatie-uitwisseling moet gezien worden in de context van de andere contacten die [medeverdachte 2] en/of [verdachte] , [medeverdachte 14] en de opdrachtgever met elkaar hadden in de deelonderzoeken Mus, Kraai, Duif en Spreeuw en die het hof heeft geduid als onmiskenbaar betrekking hebbend op voorgenomen liquidaties. In die contacten wordt ook regelmatig gesproken over bedragen die betaald worden als de voorgenomen liquidaties zouden worden uitgevoerd. Bovendien blijkt ook uit het latere berichtenverkeer in november 2017 tussen [medeverdachte 14] en de opdrachtgever dat [medeverdachte 14] de opdracht tot de liquidatie heeft aanvaard, aangezien hij in die berichten verslag doet van de acties die hij tot dat moment heeft ondernomen en hij in die berichten opmerkt dat [slachtoffer 15] nog een keer gefilmd moet worden en dat er daarna ‘actie’ is. Ook het contact dat [medeverdachte 14] en [medeverdachte 2] eerder op 4 februari 2017 hadden ging over het afhandelen van een liquidatie, namelijk het in brand steken van een auto die was gebruikt bij de liquidatie van [slachtoffer 11] op 31 januari
  49. De verdediging heeft betoogd dat [medeverdachte 2] geen berichten heeft (door)gestuurd die kunnen zien op de voorgenomen liquidatie van [slachtoffer 15] . Verder is aangevoerd dat het betrekken van de gang van zaken in de andere zaaksdossiers bij de beoordeling van het zaakdossier Eend verboden schakelbewijs zou opleveren en dat de communicatie ook past bij andere misdrijven zoals diefstal met geweld, mishandeling en ontvoering. Het hof volgt de verdediging van [medeverdachte 2] niet in het verweer. Er is geen reden de berichten over [slachtoffer 15] geheel los van de andere berichten te bezien en uit hun context te halen. De betreffende berichten passen naadloos in de context van de andere berichten die zijn verzonden door ‘Lone Ranger’ en [verdachte] over dit beoogde slachtoffer en bevatten informatie die relevant kan zijn voor de voorgenomen liquidatie. De berichten hebben betrekking op de sportschool en de omstandigheid dat het beoogde slachtoffer die vaak alleen afsluit. Bovendien stuurt [medeverdachte 2] rechtstreeks aan [medeverdachte 14] het bericht dat hij, [medeverdachte 2] , “straks alles door zal sturen”. Hieruit blijkt de rol van betekenis die [medeverdachte 2] speelt in de informatieverschaffing aan [medeverdachte 14] . Uit de bedoelde context van de andere zaken waarbij het hof strafbare betrokkenheid van [medeverdachte 2] heeft aangenomen, blijkt dat [medeverdachte 2] weet had van de betekenis van de berichten die hij (door)zond, dat die betrekking hadden op een voorgenomen liquidatie, zodat hij willens en wetens heeft bijgedragen aan de uitlokking van [medeverdachte 14] . Dat niet vast zou staan dat het voornemen tot liquidatie voldoende serieus was, is onaannemelijk, gelet op de genoemde context en de omstandigheid dat daadwerkelijk door de organisatie van [medeverdachte 14] in opdracht van de organisatie van de opdrachtgever liquidaties zijn uitgevoerd. In deze fase van de samenwerking vond de communicatie tussen de opdrachtgever en [medeverdachte 14] nog niet rechtstreeks plaats, maar via [verdachte] en [medeverdachte 2] . [verdachte] en [medeverdachte 2] waren op die manier een belangrijke schakel in het contact tussen [medeverdachte 14] en de opdrachtgever. Gelet daarop is sprake van een nauwe en bewuste samenwerking tussen [medeverdachte 2] en [verdachte] en de opdrachtgever, waarbij de bijdrage van [medeverdachte 2] van voldoende gewicht is geweest om de kwalificatie medeplegen te rechtvaardigen. Uit het voorgaande volgt ook dat er bij [medeverdachte 2] sprake is geweest van voorbedachte raad. Omdat de moord destijds niet is uitgevoerd, acht het hof op grond van het bovenstaande het ten laste gelegde medeplegen van poging tot uitlokking van medeplegen van moord op [slachtoffer 15] wettig en overtuigend bewezen. 6.3.2.
  50. De rol van [verdachte] Het hof leidt uit de bewijsmiddelen af dat geprobeerd is [medeverdachte 14] uit te lokken tot het liquideren van [slachtoffer 15] door aan hem berichten te sturen waarin informatie over [slachtoffer 15] wordt gedeeld. Het hof overweegt over de strafbare betrokkenheid van [verdachte] daarbij het volgende. Uit de bewijsmiddelen volgt dat aanvankelijk op 2 februari 2017 ene ‘Lone Ranger’ via een PGP-toestel aan [medeverdachte 14] informatie geeft over een persoon die is veredeld als [slachtoffer 15] , te weten het adres van zijn sportschool en zijn huisadres. Op 4 februari 2017 stuurt [medeverdachte 2] aan [medeverdachte 14] : “Is zijn gym trouwens sir!”. Daarmee geeft [medeverdachte 2] kennelijk aan [medeverdachte 14] informatie over de sportschool van [slachtoffer 15] . Aansluitend stuurt [medeverdachte 2] nadere informatie aan [medeverdachte 14] , te weten dat ‘hij’ [het hof begrijpt: [slachtoffer 15]] zijn gym vaak alleen afsluit. Dit bericht is afkomstig van een account van de opdrachtgever, die dit bericht naar [verdachte] heeft gestuurd, terwijl [verdachte] dit bericht op zijn beurt aan [medeverdachte 2] heeft gestuurd. Aansluitend bericht [medeverdachte 2] aan [medeverdachte 14] dat hij nog even een moment moet hebben en dat [medeverdachte 2] zo alles zal doorsturen. Op 26 februari 2017 stuurt [verdachte] een bericht van de opdrachtgever over de auto waarin de vriendin van [slachtoffer 15] rijdt en een tekst over een foto, althans de bevestiging dat “dat de man op de foto is die u stuurde”. Aangezien op gegevensdragers bij [medeverdachte 14] foto’s van [slachtoffer 15] zijn aangetroffen, neemt het hof als vaststaand aan dat [medeverdachte 14] een foto heeft gestuurd aan de organisatie van de opdrachtgever en dat daarnaar verwezen wordt. Op dat moment antwoordt [medeverdachte 14] dat hij genoeg weet. Het hof ziet dit als het moment waarop de uitlokking van [medeverdachte 14] is voltooid. [medeverdachte 14] weet dan genoeg en heeft daarmee zijn wil om de moord op [slachtoffer 15] te gaan organiseren bepaald. Dat de informatie die [medeverdachte 2] , [verdachte] , de persoon achter ‘Lone Ranger’ en de opdrachtgever aan [medeverdachte 14] hebben verstrekt daadwerkelijk betrekking heeft op het plan om [slachtoffer 15] te liquideren, staat voor het hof vast. De informatie-uitwisseling moet worden gezien in de context van de andere contacten die [medeverdachte 2] en/of [verdachte] , [medeverdachte 14] en de opdrachtgever met elkaar hadden in de deelonderzoeken Mus, Kraai, Duif en Spreeuw en die het hof heeft geduid als onmiskenbaar betrekking hebbend op voorgenomen liquidaties. In die berichten wordt ook regelmatig gesproken over bedragen die betaald worden als de voorgenomen liquidaties zouden worden uitgevoerd. Bovendien blijkt ook uit het latere berichtenverkeer in november 2017 tussen [medeverdachte 14] en de opdrachtgever dat [medeverdachte 14] de opdracht tot de liquidatie heeft aanvaard, aangezien hij in die berichten verslag doet van de acties die hij tot dat moment heeft ondernomen en hij in die berichten opmerkt dat [slachtoffer 15] nog een keer gefilmd moet worden en dat er daarna ‘actie’ is. Het hof volgt de verdediging van [verdachte] niet in het verweer dat [verdachte] slechts de doorgever van berichten was en dat hij in de zaak Eend niet op de hoogte was van de strekking van de berichten. Uit de bovengenoemde context van het deelonderzoek Mus, waarbij het hof strafbare betrokkenheid van [verdachte] aanneemt, blijkt dat [verdachte] weet had van de betekenis van de berichten die hij (door)zond. Uit enkel het eerste door [verdachte] in februari 2017 van de opdrachtgever aan ‘The wizzard’ doorgestuurde bericht kan nog niet worden opgemaakt dat het om een liquidatie gaat. Maar op 19 februari 2017 heeft [verdachte] een bericht van de opdrachtgever aan ‘The wizzard’ doorgestuurd met de volgende inhoud: “En sir fiets in de fik met die hond erin beste geen fouten sir”. Dit bericht gaat niet over het beoogde slachtoffer in de zaak Eend, maar maakt wel duidelijk dat de van en naar de opdrachtgever gestuurde berichten verband houden met liquidaties. Ondanks die duidelijke inhoud is [verdachte] verdergegaan met het doorsturen van berichten, ook over [slachtoffer 15] op 26 februari
  51. Daarmee heeft hij willens en wetens bijgedragen aan de poging tot uitlokking van [medeverdachte 14] . Dat de informatie die hij doorgaf van anderen afkomstig was en via ‘The wizzard’ weer bij [medeverdachte 14] terechtkwam, maakt zijn rol niet minder belangrijk. In deze fase van de samenwerking vond de communicatie tussen de opdrachtgever en [medeverdachte 14] nog niet rechtstreeks plaats, maar via [verdachte] en [medeverdachte 2] . [verdachte] en [medeverdachte 2] waren op die manier een belangrijke schakel in het contact met de opdrachtgever. Gelet daarop is sprake van een nauwe en bewuste samenwerking tussen [verdachte] en [medeverdachte 2] en de opdrachtgever, waarbij de bijdrage van [verdachte] van voldoende gewicht is geweest om de kwalificatie medeplegen te rechtvaardigen. Uit het voorgaande volgt ook dat er bij [verdachte] sprake is geweest van voorbedachte raad. Omdat de moord destijds niet is uitgevoerd, acht het hof op grond van het bovenstaande het ten laste gelegde medeplegen van poging tot uitlokking van medeplegen van moord op [slachtoffer 15] wettig en overtuigend bewezen. 6.3.
  52. Mus Het hof leidt uit de inhoud van de bewijsmiddelen de volgende gang van zaken af. 6.3.3.
  53. De aangetroffen chats Op 18 februari 2017 vindt er een PGP-chatgesprek plaats tussen ‘CB1D45’, veredeld als [medeverdachte 14] , en ‘The wizzard’, veredeld als [medeverdachte 2] . [medeverdachte 14] vraagt aan [medeverdachte 2] : “Wie zoek je” en “Wat staat op (…) hoofd sir!!”. [medeverdachte 2] antwoordt dat hij “70 de hoofd geeft” met “onze yzers en fietsen”. De kroongetuige heeft verklaard dat met ‘70 de hoofd’ € 70.000,- per liquidatie wordt bedoeld en dat met ‘yzers’ en ‘fietsen’ vuurwapens en auto’s worden bedoeld. [medeverdachte 14] antwoordt aan [medeverdachte 2] dat hij de service van de organisatie goed vindt. Verder wordt nog besproken dat [medeverdachte 14] “niets aan vijanden verkoopt alleen de dood. Alleen de dood” en dat hij “wist dat er oorlogskast was”, waarop [medeverdachte 2] antwoordt dat “die kast leeg moet op hun allemaal” en dat de kas(t) “nog laaaaaaang niet leeg is”. [medeverdachte 2] noemt dat ze “ratten moeten bestrijden broer” en vraagt “we zijn 1 team toch sir?”. [medeverdachte 14] antwoordt hierop: “Jaaa” en “Meer dan 1”. Het hof leidt hieruit af dat [medeverdachte 14] en [medeverdachte 2] via de chat aan het verkennen zijn wat zij voor elkaar kunnen betekenen en dat het daarbij om het liquideren van personen gaat. Ook leidt het hof uit het gesprek af dat [medeverdachte 2] zorgt voor vuurwapens en auto’s en dat hij geld in het vooruitzicht stelt. Uit het chatgesprek van 19 februari 2017 tussen [medeverdachte 14] en [medeverdachte 2] blijkt dat een ‘soldaat’ van [medeverdachte 14] ook daadwerkelijk een ‘yzer’ bij [medeverdachte 2] heeft opgehaald. [medeverdachte 14] geeft hiervan een ontvangstbevestiging aan [medeverdachte 2] . In het vervolg van het chatgesprek van 18 februari 2017 worden door [medeverdachte 14] en [medeverdachte 2] personen besproken die worden gezocht. Een van die personen wordt “ [naam gelijkend op slachtoffer 3] ”, “ [naam gelijkend op slachtoffer 3] ” of “ [naam gelijkend op slachtoffer 3] ” genoemd. Deze persoon zou in een witte Volkswagen Polo met het kenteken [kenteken] rijden. Uit de politiesystemen blijkt dat [slachtoffer 3] in 2017 meermalen in een auto met dit kenteken is gecontroleerd. [medeverdachte 14] vraagt aan [medeverdachte 2] of hij “ [naam gelijkend op slachtoffer 3] wil”. [medeverdachte 2] antwoordt hierop met “Ja graag!”. [medeverdachte 14] vraagt vervolgens voor “hoeveel” en zegt dat ‘ [naam gelijkend op slachtoffer 3] ’ “heeel dichtbij is” en “zeg met wat je met hem wilt en de prijs kan komende week”. [medeverdachte 2] antwoordt: “Laats wou hem lokken maar ging mis hij kwam met gepantserde wagen en nog aanhang met andere auto’s en die head was alleen hij zou ook zelf rijden!”. De kroongetuige heeft verklaard dat met ‘head’ schutter wordt bedoeld. [medeverdachte 2] noemt vervolgens de prijs waar [medeverdachte 14] om vraagt: “Als je hem dit weekend nog of maandag geef ik je 80 snel zonder gezeik!!!”. Het hof begrijpt dat met ‘80’ wordt bedoeld een bedrag van € 80.000,-. [medeverdachte 14] antwoordt: “Ok”, “Maak er werk van” en “Ik hou je op de hoogte”. [medeverdachte 2] geeft nog mee dat het ook top is als [medeverdachte 14] hem in de fiets kan verbranden. Op 19 februari 2017 overdag en aan het begin van de avond stuurt [medeverdachte 2] naar [medeverdachte 14] een aantal berichten van ‘B.I.G’, veredeld als [verdachte] , door, al dan niet eerst doorgestuurd vanaf het account ‘TICKET TO HELL MOTHERFUCKERS’ naar [verdachte] . Het hof beschouwt de persoon achter dit account als de opdrachtgever. Deze berichten luiden: “B.I.G [02/19/2017 @ FW: TICKET TO HELL MOTHERFUCKERS 15.20] En sir fiets in de fik met die hond erin beste geen fouten sir”, “B.I.G [02/19/2017 @ 15.52] Hahahaha ok heel sterk bro mensen naar ons hart zijn dit” en “B.I.G [02/19/2017 @ 15.51] Laat m aub vndg slapen zou mooi zijn”. [medeverdachte 2] stuurt naar [medeverdachte 14] dat “iedereen jullie begint te mogen broer is alleen maar goed teken!”. Een paar uur later vraagt [verdachte] aan [medeverdachte 2] “Bro hoe bgaat t met [naam gelijkend op slachtoffer 3] hou me op de hoogte zien ze m vndg”. [medeverdachte 2] heeft dit doorgestuurd naar [medeverdachte 14] . Als [medeverdachte 14] hierop stuurt dat ze “al goed contact met degene die mee gaat helpen” hebben en dat “hij hem nu in positie moet zetten”, antwoordt de opdrachtgever via de accounts van [verdachte] en [medeverdachte 2] : “Met gods wil sir whoooooooppppp (…) ooooooooooooooooppppp dat wil ik horen whoooppppppp whooooppppp Jij ook bedankt bro!”. Om 23.47 uur laat [medeverdachte 14] aan [medeverdachte 2] weten dat “hij er vandaag niet was”, dat “de mensen die hem rijden en thuiszetten ons gaan seinen” en “dus nog heel even geduld iedereen staat klaar”. [medeverdachte 14] laat [medeverdachte 2] weten dat hij naar huis gaat, maar dat hij er “morgen weer op is”, “hij [het hof begrijpt: [slachtoffer 3]] zit al in de net… nu timeren” en “je voelt me. deze gaat nergens dan naar boven”. Op 22 februari 2017 om 21.4x uur geeft [medeverdachte 3] aan [medeverdachte 14] het kenteken, type en kleur door van de auto die bij [slachtoffer 3] in gebruik is. Enkele minuten later geeft [medeverdachte 14] het kenteken door aan [medeverdachte 2] . Het hof leidt hieruit af dat zowel [medeverdachte 2] als [verdachte] betrokken is bij de opdracht aan [medeverdachte 14] tot het liquideren van [slachtoffer 3] en dat [medeverdachte 14] aan beiden verslag uitbrengt over de voortgang. 6.3.3.
  54. De rol van [medeverdachte 2] Het hof leidt uit de bewijsmiddelen af dat geprobeerd is [medeverdachte 14] uit te lokken tot het medeplegen van de moord op [slachtoffer 3] . Het hof overweegt over de strafbare betrokkenheid van [medeverdachte 2] daarbij het volgende. [medeverdachte 2] heeft in een reeks PGP-chatberichten tussen hem en [medeverdachte 14] , die onmiskenbaar over uit te voeren liquidaties gaan, laten weten dat hij [slachtoffer 3] wilde. [medeverdachte 2] heeft daarbij ook de prijs voor deze voorgenomen liquidatie aan [medeverdachte 14] gemeld en duidelijk gemaakt wanneer hij wilde dat de liquidatie zou plaatsvinden. Bovendien heeft iemand namens [medeverdachte 14] een wapen voor de liquidatie bij [medeverdachte 2] opgehaald. [verdachte] heeft bij [medeverdachte 2] geïnformeerd naar de stand van zaken rond de voorgenomen liquidatie van [slachtoffer 3] , hij heeft berichten van de opdrachtgever over deze voorgenomen liquidatie doorgestuurd aan [medeverdachte 2] en hij heeft ook zelf aan [medeverdachte 2] aanwijzingen over de voorgenomen liquidatie doorgestuurd. In deze fase van de samenwerking verliep de communicatie tussen de opdrachtgever en [medeverdachte 14] nog niet rechtstreeks, maar via [verdachte] en [medeverdachte 2] , zodat [verdachte] en [medeverdachte 2] een belangrijke schakel waren in het contact met de opdrachtgever. Op grond daarvan is sprake van een nauwe en bewuste samenwerking tussen [medeverdachte 2] en [verdachte] en de opdrachtgever, waarbij de bijdrage van [medeverdachte 2] van voldoende gewicht is geweest om de kwalificatie medeplegen te rechtvaardigen. Uit het voorgaande volgt ook dat er bij [medeverdachte 2] sprake is geweest van voorbedachte raad. Omdat de moord destijds niet is uitgevoerd, acht het hof het aan [medeverdachte 2] ten laste gelegde medeplegen van poging tot uitlokking van medeplegen van moord op [slachtoffer 3] wettig en overtuigend bewezen. Het hof zal [medeverdachte 2] vrijspreken van het primair, subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde. Omdat in strafrechtelijke zin geen sprake is geweest van een begin van uitvoering van de liquidatie, geldt dat de voor deze varianten van de tenlastelegging vereiste poging niet bewezen verklaard kan worden. 6.3.3.
  55. De rol van [verdachte] Het hof leidt uit de bewijsmiddelen onder meer af dat [medeverdachte 14] is uitgelokt tot het liquideren van [slachtoffer 3] doordat aan hem berichten zijn gestuurd waarin informatie over [slachtoffer 3] wordt gedeeld. Het hof overweegt over de strafbare betrokkenheid van [verdachte] daarbij het volgende. [verdachte] heeft in een reeks PGP-chatberichten tussen hem en [medeverdachte 2] , die onmiskenbaar over uit te voeren liquidaties gingen, gevraagd naar de voortgang van de voorgenomen liquidatie van [slachtoffer 3] , berichten van de opdrachtgever doorgestuurd en voor deze voorgenomen liquidatie informatie en instructies doorgegeven aan [medeverdachte 2] . [medeverdachte 2] heeft in

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.