Afdeling strafrecht Parketnummer: 21-003047-22 Uitspraakdatum: 12 februari 2025 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Utrecht, zittingslocatie Badhoevedorp, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, van 5 juli 2022 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken met parketnummers 16-707552-17 en 16-659052-20 tegen [verdachte] , geboren in Utrecht op [geboortedatum] 1985, momenteel verblijvende in [PI] . 1INLEIDING 1.
- De loop van het onderzoek Op 7 juli 2017 is [slachtoffer 21] van het leven beroofd bij NS-station Breukelen (deelonderzoek Breuk). De politie kwam al snel op het spoor van twee verdachten, [kroongetuige] en [naam 24] . [kroongetuige] werd in oktober 2017 aangehouden in Spanje; [naam 24] in Nederland. [kroongetuige] heeft als verdachte vrijwel direct een bekennende verklaring afgelegd. Vervolgens werd duidelijk dat hij in staat en bereid was om meer te verklaren over mededaders en opdrachtgevers in het onderzoek Breuk, en ook over andere ernstige strafbare feiten. Hij heeft diverse kluisverklaringen afgelegd en uiteindelijk is met hem in november 2018 een overeenkomst als kroongetuige gesloten. Zijn verklaringen hebben nieuwe aanknopingspunten gegeven voor liquidatie-onderzoeken die waren vastgelopen en er is zicht gekregen op een groep personen die zich bezig leek te houden met het plegen van liquidaties en andere strafbare feiten die daarmee verband houden. Op 21 november 2018 is een landelijke actiedag gehouden, waarop vele aanhoudingen zijn verricht en een zeer groot aantal gegevensdragers in beslag is genomen. Het onderzoek naar deze criminele organisatie en de feiten die in dat kader zijn gepleegd, heeft de naam Eris gekregen. 1.
- Het onderzoek Eris Het onderzoek Eris heeft betrekking op 21 verdachten, die ervan worden beschuldigd samen met anderen, al dan niet in wisselende samenstelling, betrokken te zijn geweest bij een of meer liquidaties, pogingen daartoe of voorbereiding daarvan. Zeventien verdachten worden beschuldigd van het vormen van een criminele organisatie gericht op liquidaties, voorbereidingen daartoe en wapendelicten. Daarnaast worden enkele verdachten beschuldigd van andere strafbare feiten. Bij negentien verdachten is uiteindelijk hoger beroep ingesteld en gehandhaafd. In de zaak van de kroongetuige is het door het openbaar ministerie ingestelde hoger beroep ingetrokken. Bij een van de verdachten in de zaak Breuk is geen hoger beroep ingesteld. In dit arrest zijn de beslissingen van het hof opgenomen die in de strafzaak tegen de hierboven genoemde verdachte zijn genomen en de overwegingen die daartoe hebben geleid. Het procesdossier Eris bestaat uit een groot aantal deelonderzoeken, die voor een groot deel onderling met elkaar zijn verweven, al is het maar door de daarop gebaseerde verdenking van deelname aan de criminele organisatie. Deze verwevenheid maakt dat het hof net als de rechtbank niet alleen op de verweren van de betreffende verdachte zal ingaan, maar waar nodig ook op wat in andere zaken is aangevoerd. Voor de leesbaarheid van het arrest gebruikt het hof in plaats van de termen ‘(mede)verdachte’ de namen van de (mede)verdachten: [medeverdachte 14] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 18] , [medeverdachte 17] , [medeverdachte 11] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 7] , [medeverdachte 12] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 6] , [medeverdachte 1] , [kroongetuige] , [naam 24] , [medeverdachte 13] , [verdachte] , [medeverdachte 15] , [medeverdachte 10] , [medeverdachte 9] , [medeverdachte 8] en [medeverdachte 19] . Het hof gebruikt een voorletter in die gevallen waarin meerdere personen in het dossier dezelfde achternaam hebben. Waar het hof de naam ‘ [kroongetuige] ’ noemt, gaat het om [kroongetuige] ; zijn vader wordt steeds aangeduid als [getuige 4] . [kroongetuige] heeft verklaard dat [medeverdachte 14] hem heeft verteld dat ene [naam 45] de opdrachtgever van een aantal liquidaties was. Die naam wordt ook genoemd in een van de door [medeverdachte 14] vastgelegde PGPgesprekken. De officier van justitie heeft in eerste aanleg toegelicht dat [naam 45] ook daadwerkelijk als verdachte wordt beschouwd: hij zou de persoon zijn die aan de organisatie van [medeverdachte 14] liquidatieopdrachten heeft gegeven. Meer in het bijzonder zou zijn gebleken dat [medeverdachte 14] communiceerde met een of meer personen met de volgende gebruikersnamen: ‘Sir’; ‘ENEMY FOR ALL MOTHERFUCKER(S)’; ‘TICKET TO HELL MOTHERFUCKERS’; ‘LAST MAN STANDING’. In het dossier van het onderzoek Eris wordt verwezen naar conclusies waarop de politie baseert dat achter deze PGP-namen de persoon van [naam 45] schuilgaat. De onderliggende onderzoeksbevindingen zijn deels afkomstig uit het onderzoek in de strafzaak Marengo, maar die zijn grotendeels niet gevoegd in het Erisdossier. Omdat [naam 45] in het onderzoek Marengo wordt vervolgd, heeft het openbaar ministerie ervoor gekozen om hem niet ook in het onderzoek Eris te dagvaarden. Dit heeft tot gevolg dat [naam 45] zich in dit proces niet heeft kunnen verweren en dat de rechtbank en het hof hem ook niet hebben kunnen confronteren met aanwijzingen dat hij achter de genoemde PGP-namen schuilgaat. Daarnaast is het voor het beoordelen van de rol van de verdachten in Eris ook niet van belang welke persoon of personen schuilgaan achter de hierboven genoemde gebruikersnamen. Het hof zal daarom spreken van ‘de opdrachtgever’, tenzij de verklaringen van [kroongetuige] of de inhoud van andere bewijsmiddelen wordt weergegeven waarin de naam [naam 45] wordt genoemd. 1.
- Het Eris-dossier De verschillende deelonderzoeken van het onderzoek Eris zijn in chronologische volgorde: Charon, de moord op [slachtoffer 11] op 31 januari 2017; Eend, het beramen van de moord op [slachtoffer 15] in de periode van 2 februari 2017 tot en met 10 januari 2018;
- Kraai, het beramen van de moord op [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] op 18 februari 2017;
- Spreeuw, het beramen van de moord op [slachtoffer 22] op 18 februari 2017;
- Mus, het beramen van de moord op [slachtoffer 3] op 18 februari 2017;
- Duif, het beramen van de moord op [slachtoffer 12] en [slachtoffer 17] op 18 februari 2017;
- Barbera, de poging tot/voorbereiding van de moord op [slachtoffer 10] op 9 maart 2017;
- Arford, de poging tot/voorbereiding van de moord op [slachtoffer 14] , [slachtoffer 5] , [slachtoffer 13] en [slachtoffer 20] op 17 maart 2017;
- Charlie17, de moord op [slachtoffer 18] op 17 april 2017;
- Gezicht, de poging om met een raketwerper een granaat af te schieten op een woning in Doorn op 28 juni 2017 en het schieten met een automatisch vuurwapen op een woning in Doorn op 29 juni 2017;
- Breuk, de voorbereiding van de moord op [slachtoffer 21] op 5 juli 2017 en de moord op [slachtoffer 21] op 7 juli 2017;
- Langenhorst, de moord op [slachtoffer 23] op 26 juli 2017;
- Lis, de moord op [slachtoffer 4] op 21 september 2017;
- Goudvink, de voorbereiding van de moord op [slachtoffer 6] in de periode van juli 2018 tot en met 24 september 2018;
- Art. 140 Sr, deelname aan de criminele organisatie in de periode van januari 2017 tot en met 21 november
- Daarnaast maken de volgende deelonderzoeken deel uit van het onderzoek Eris:
- Waterspin, de afpersing en poging tot afpersing van [slachtoffer 19] en [slachtoffer 8] in de periode van 2017-2018 (verdachten [medeverdachte 13] en [medeverdachte 19] );
- Amarone, het bezit van en de handel in vuurwapens van 15 augustus 2017 tot en met 16 april 2019 (verdachte [medeverdachte 1] );
- Brunello, de mishandeling van [slachtoffer 16] op 7 februari 2019 en het bezit van een vuurwapen op 25 oktober 2016 (verdachte [medeverdachte 6] ). De rechtbank heeft over de samenstelling van de dossiers het volgende overwogen: In de strafdossiers van iedere verdachte zijn, behalve het gehele zogeheten Eris-dossier (bovengenoemde achttien deelonderzoeken), tevens gevoegd: alle processen-verbaal van de terechtzittingen van de rechtbank tegen ieder van de Eris-verdachten, met uitzondering van de processen-verbaal over de persoonlijke omstandigheden van de verdachten; alle processen-verbaal van (getuigen)verhoor door de rechter-commissaris die in de zaken van één of meer van de verdachten zijn opgemaakt, met uitzondering van enkele getuigenverklaringen in de zaak Waterspin die alleen in de zaken van verdachten [medeverdachte 13] en [medeverdachte 19] zijn opgenomen; documenten en bescheiden die, op initiatief van de verdediging of anderszins, gedurende de procedure zijn toegevoegd aan het dossier in de zaak tegen één of meer verdachten. Hoewel de meeste verdachten al dan niet op verzoek van een medeverdachte op zitting als getuige zijn gehoord, zijn daarnaast alle processen-verbaal van de zittingen in alle dossiers gevoegd vóórdat het requisitoir en de pleidooien zijn gehouden. Daardoor maken alle verklaringen van alle verdachten zoals afgelegd op de zittingen in bijzijn van hun advocaat deel uit van het procesdossier, dus niet alleen de verklaringen die zij daar als getuige hebben afgelegd, maar ook de verklaringen die zij in hun eigen zaak hebben afgelegd. Dit maakt dat het dossier voor elke verdachte gelijkluidend is. Anders dan in eerste aanleg zijn de processen-verbaal van de behandeling ter zitting in hoger beroep in de zaken van de medeverdachten niet in het dossier van elke verdachte gevoegd. Wel zijn de aanvullingen op de diverse zaakdossiers in het dossier van elke verdachte gevoegd. Daarnaast is het proces-verbaal van het verhoor als getuige van een verdachte in een zaak van een medeverdachte ook gevoegd in het dossier van die verdachte. 1.
- De opbouw van de arresten De arresten zijn in beginsel als volgt opgebouwd: Hoofdstuk 1: Inleiding Hoofdstuk 2: Het vonnis van de rechtbank Hoofdstuk 3: Het hoger beroep Hoofdstuk 4: De verkorte weergave van de tenlastelegging Hoofdstuk 5: De voorvragen, overwegingen en algemene conclusies over de kroongetuige en overwegingen over het onderzoek aan gegevensdragers en locatiegegevens Hoofdstuk 6: De waardering van het bewijs en de conclusies van de veredelingen Hoofdstuk 7: De bewezenverklaring Hoofdstuk 8: De strafbaarheid van de feiten Hoofdstuk 9: De strafbaarheid van de verdachte Hoofdstuk 10: De strafmaat Hoofdstuk 11: Het beslag Hoofdstuk 12: De vorderingen van de benadeelde partijen Hoofdstuk 13: De toepasselijke wettelijke voorschriften Hoofdstuk 14: De beslissing Bijlage 1: De zittingsdagen in eerste aanleg en in hoger beroep per verdachte Bijlage 2: De tenlastelegging per verdachte Bijlage 3: De door het hof vastgestelde veredelingen en identificaties Bijlage 4: De door het hof gebruikte (andere) bewijsmiddelen In bijlage 3 bij dit arrest heeft het hof de gebruikers van diverse PGP-accounts, telefoons, en andere gegevensdragers veredeld en geïdentificeerd. Waar het hof in het arrest overweegt dat een gebruiker is veredeld/geïdentificeerd, verwijst het hof daarvoor naar de bewijsmiddelen en conclusies in deze bijlage
- In bijlage 4 heeft het hof per deelonderzoek de bewijsmiddelen opgenomen die het voor het bewijs in dat deelonderzoek gebruikt. In een aantal deelonderzoeken verwijst het hof op grond van de onderlinge verwevenheid daarbij naar bewijsmiddelen die in andere deelonderzoeken zijn gebruikt, voor zover zij in dat deelonderzoek voor het bewijs ook redengevend zijn. Gelet op de onderlinge verwevenheid van de deelonderzoeken, inclusief het deelonderzoek over de criminele organisatie waarbinnen het merendeel van de vermoedelijke strafbare feiten is gepleegd, zijn in geval van een bewezenverklaring de bijlagen 3 en 4 voor alle verdachten grotendeels gelijkluidend. Dit geldt niet voor de deelonderzoeken Waterspin, Amarone en Brunello. De feiten van die deelonderzoeken zouden niet in het verband van de criminele organisatie zijn gepleegd. De bewijsmiddelen van de feiten van die deelonderzoeken zijn bij een bewezenverklaring daarom alleen in een bijlage bij het vonnis van de verdachten van die deelonderzoeken opgenomen. 2HET VONNIS VAN DE RECHTBANK De rechtbank Midden-Nederland heeft op 5 juli 2022 vonnis gewezen. De rechtbank heeft aan [verdachte] een gevangenisstraf voor de duur van twaalf jaren en zes maanden opgelegd, met aftrek van het voorarrest, wegens (de voortgezette handeling van) voorbereiding van moord en medeplichtigheid aan het medeplegen van moord op [slachtoffer 21] (deelonderzoek Breuk). [verdachte] en de officier van justitie hebben tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld. Het hof zal het vonnis van de rechtbank vernietigen. Voor zover het hof zich kan vinden in de overwegingen van de rechtbank, neemt het die voor een deel over. 3HET HOGER BEROEP 3.
- Het onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg. Een overzicht van de zittingsdagen in eerste aanleg en in hoger beroep is opgenomen in bijlage
- Dit arrest wordt op tegenspraak gewezen. Na voorbereidende zittingen is op 1 december 2023 de inhoudelijke behandeling begonnen en zijn meerdere zittingsdagen gevolgd. Op verscheidene dagen is de kroongetuige op zitting gehoord en zijn de deelonderzoeken en vorderingen van de benadeelde partijen behandeld. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van de advocaten-generaal in het onderzoek Eris en van wat [verdachte] en zijn raadslieden, mrs. N. van Schaik en Y. Bouchikhi, naar voren hebben gebracht. Ook heeft het hof kennisgenomen van de vorderingen van de benadeelde partijen en hun eventuele toelichting op die vorderingen. In deze zaak betreft dit [benadeelde partij 16] , bijgestaan door mr. W. van Egmond. 3.
- Het verzoek tot het horen van de getuige [getuige 6] Op 22 november 2023 is verzocht om het horen als getuige van [getuige 6] . De belangrijkste reden om deze persoon te horen is gelegen in de verklaring van [medeverdachte 14] dat hij via [getuige 6] in contact is gekomen met een zekere [getuige 5] . [getuige 6] zou het contact van [medeverdachte 14] met [getuige 5] kunnen bevestigen en daarmee ook het bestaan van [getuige 5] . Het hof heeft het verzoek toegewezen op 8 december 2023 en daarbij bepaald dat de getuige in alle zaken diende te worden gehoord. Van de getuige is geen verblijfplaats bekend geworden. Hij is uitgeschreven uit de Basisregistratie Personen onder vermelding van ‘vertrek naar het buitenland’, zonder dat bekend is naar welk land hij is vertrokken. Het raadplegen van de politiesystemen heeft niet geleid tot aanknopingspunten voor een verblijfplaats van de getuige. De verdediging heeft geen informatie verschaft en ook anderszins is geen informatie naar voren gekomen waaruit zou kunnen blijken dat de niet te traceren getuige binnen een aanvaardbare termijn kan worden gehoord. Het hof heeft daarom van de oproeping van de niet verschenen getuige afgezien op de grond dat het onaannemelijk is dat de getuige binnen een aanvaardbare termijn (ter terechtzitting) zal verschijnen als bedoeld in artikel 288, eerste lid, aanhef en onder a, van het Wetboek van Strafvordering. Voordat het hof uitspraak doet heeft het zich ervan vergewist dat de procedure in haar geheel voldoet aan het door artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces ondanks dat [getuige 6] niet als getuige is gehoord. De getuige is een zogenoemde ‘defence witness’ en geen getuige die al een voor [verdachte] belastende verklaring heeft afgelegd die het hof eventueel voor het bewijs zou kunnen gebruiken. Er is bovendien een goede reden dat de verdediging de getuige niet heeft kunnen bevragen: hij bleek ondanks de nodige inspanningen vanaf 8 december 2023 van de autoriteiten niet te traceren. Daarbij komt dat er geen aanwijzingen zijn dat de getuige uit eigen wetenschap iets zou kunnen verklaren over de aan [verdachte] ten laste gelegde feiten. 3.
- Het verzoek tot het horen van de getuige [getuige 9] De verdediging van [verdachte] heeft verzocht de getuige [getuige 9] te horen. Dit verzoek is op 31 maart 2023 toegewezen. Het verzoek is voornamelijk van belang in de zaak tegen [verdachte] omdat de getuige mogelijk (nader) kan verklaren over een auto met het kenteken [kenteken] die door de getuige van 7 juni 2017 tot en met 18 juli 2017 is gehuurd en waarvan [verdachte] in die periode gebruik zou hebben gemaakt. Het hof heeft bepaald dat deze getuige ook in de zaken tegen de medeverdachten in de zaak Breuk ( [medeverdachte 13] , [medeverdachte 14] en [medeverdachte 4] ) diende te worden gehoord. De actuele verblijfplaats van [getuige 9] is niet bekend geworden. Er zijn meerdere pogingen gedaan om de verblijfplaats van de getuige te achterhalen. Het laatst bekende adres (in het buitenland) bleek niet meer actueel. Op verzoek van het hof en de raadsheer-commissaris heeft de politie geregeld gecontroleerd of inmiddels een verblijfplaats van de getuige bekend was. Dat heeft niet tot bekendheid met een verblijfadres van de getuige geleid. De verdediging heeft geen informatie verschaft en ook anderszins is geen informatie naar voren gekomen waaruit zou kunnen blijken dat de niet te traceren getuige binnen een aanvaardbare termijn kan worden gehoord. Het hof heeft daarom uiteindelijk van de oproeping van de niet verschenen getuige afgezien op de grond dat het onaannemelijk is dat de getuige binnen een aanvaardbare termijn (ter terechtzitting) zal verschijnen als bedoeld in artikel 288, eerste lid, aanhef en onder a, van het Wetboek van Strafvordering. Voordat het hof uitspraak doet heeft het zich ervan vergewist dat de procedure in haar geheel voldoet aan het door artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces ondanks dat [getuige 9] niet als getuige is gehoord. De getuige heeft tegenover de politie al een verklaring afgelegd, maar niet kan worden gezegd dat deze verklaring een voor [verdachte] belastende strekking heeft (de verklaring houdt in essentie in dat hij wel eens auto’s huurt, maar dat hij geen herinnering heeft aan de huur van een auto met het kenteken [kenteken] in juni/juli 2017). Het betreft ook geen verklaring die de rechtbank voor het bewijs heeft gebruikt of die het hof voor het bewijs zou willen gebruiken. Er is bovendien een goede reden dat de verdediging de getuige niet heeft kunnen bevragen: hij bleek ondanks de nodige inspanningen vanaf 31 maart 2023 van de autoriteiten niet te traceren. Daarbij komt dat er geen aanwijzingen zijn dat de getuige uit eigen wetenschap iets zou kunnen verklaren over de aan [verdachte] ten laste gelegde feiten. Bovendien heeft [verdachte] ter terechtzitting van 11 november 2024 een verklaring afgelegd – daar waar hij eerder vragen over het gebruik van een auto met het kenteken [kenteken] niet heeft beantwoord – die onder andere inhoudt dat hij mogelijk op 7 juli 2017 en in ieder geval op 4, 5 en 6 juli 2017 de gebruiker was van de auto met het kenteken [kenteken] . 4DE TENLASTELEGGING De tenlastelegging is als bijlage 2 aan dit arrest gehecht. De verdenking komt er kort, feitelijk en chronologisch weergegeven op neer dat [verdachte] : Ten aanzien van het deelonderzoek Breuk Parketnummer 16-707552-17 Primair: op 5 juli 2017 in Breukelen, Utrecht, Zoetermeer en/of Rotterdam met een ander of anderen heeft geprobeerd [slachtoffer 21] te vermoorden; Subsidiair: in de periode van 1 januari 2017 tot en met 5 juli 2017 in Breukelen, Utrecht, Zoetermeer en/of Rotterdam met een ander of anderen medeplichtig is geweest aan de poging om [slachtoffer 21] te vermoorden op 5 juli 2017; Meer subsidiair: in de periode van 1 januari 2017 tot en met 5 juli 2017 in Breukelen, Utrecht, Zoetermeer en/of Rotterdam met een ander of anderen voorbereidingshandelingen voor de moord op [slachtoffer 21] heeft verricht; Parketnummer 16-659052-20 Primair: op 7 juli 2017 in Breukelen met een ander of anderen [slachtoffer 21] heeft vermoord; Subsidiair: in de periode van 5 juli 2017 tot en met 7 juli 2017 in Breukelen met een ander of anderen medeplichtig is geweest aan de moord op [slachtoffer 21] op 7 juli 2017 in Breukelen. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. [verdachte] is daardoor niet geschaad in de verdediging.
- DE VOORVRAGEN, OVERWEGINGEN EN ALGEMENE CONCLUSIES OVER DE KROONGETUIGE EN OVERWEGINGEN OVER HET ONDERZOEK AAN GEGEVENSDRAGERS EN LOCATIEGEGEVENS De dagvaarding is geldig, het hof is bevoegd tot kennisneming van het tenlastegelegde, het openbaar ministerie is ontvankelijk in de vervolging van [verdachte] en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging. Het debat dat is gevoerd over de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging heeft zich toegespitst op het inzetten van de kroongetuige in het Eris-proces. 5.
- De kroongetuige De rechtbank heeft uitgebreide overwegingen gewijd aan de kroongetuige en de betrouwbaarheid van de door hem afgelegde verklaringen. Het hof kan zich grotendeels vinden in de overwegingen van de rechtbank over de kroongetuige en neemt deze daarom voor een groot deel over. Op enkele onderdelen wijkt het hof ervan af. 5.1.
- Algemeen De kerntaak van de feitenrechter met betrekking tot een kroongetuige is tweeledig. De feitenrechter beoordeelt de betrouwbaarheid van diens verklaringen en de rechtmatigheid van de overeenkomst die met de kroongetuige is gesloten, voor zover de rechtmatigheid daarvan is betwist. Als eerste zal het hof de totstandkoming van de overeenkomst met [kroongetuige] schetsen. Daarna zal het de verweren bespreken die de rechtmatigheid van de overeenkomst betreffen en de daaraan te verbinden gevolgen. Vervolgens komen de verweren die de betrouwbaarheid van de verklaringen van de kroongetuige betwisten aan bod. Hoewel niet alle raadslieden zich (concreet) bij alle verweren hebben aangesloten, of zelfs expliciet hebben aangegeven een verweer niet te voeren, zal het hof deze verweren ambtshalve bespreken in alle arresten waarin de verklaringen van [kroongetuige] van belang zijn. Bij de beoordeling heeft het hof rekening gehouden met de artikelen 226g e.v. van het Wetboek van Strafvordering die zien op de kroongetuigeregeling, met artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering en met artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Ook heeft het hof acht geslagen op de voorafgaande beschouwing over het gebruik van verklaringen van kroongetuigen in HR 23 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:602 (Passageproces), onder
- 5.1.
- De totstandkoming van de overeenkomst Op 13 oktober 2017 is [kroongetuige] aangehouden op verdenking van de moord op [slachtoffer 21] , gepleegd op 7 juli 2017 in Breukelen. Hij heeft als verdachte in die zaak een bekennende verklaring afgelegd. In november 2017 heeft [kroongetuige] kenbaar gemaakt dat hij bereid en in staat is om over meer dan alleen zijn eigen rol in deze zaak verklaringen af te leggen in ruil voor bescherming, omdat hij vreesde voor zijn leven. Tussen januari 2018 tot en met mei 2018 heeft [kroongetuige] in totaal 25 zogenoemde kluisverklaringen afgelegd tegenover het team Bijzondere Getuigen. Op 12 november 2018 heeft de rechter-commissaris in strafzaken de voorgenomen overeenkomst tussen de Staat en [kroongetuige] getoetst en rechtmatig bevonden. Op 13 november 2018 heeft de Staat met [kroongetuige] een overeenkomst gesloten. Daarbij heeft [kroongetuige] zich verbonden om als getuige zonder voorbehoud, volledig en naar waarheid verklaringen af te leggen over een aantal in de overeenkomst genoemde misdrijven (de zogenoemde ‘dealfeiten’) en afstand gedaan van zijn verschoningsrecht als verdachte [het hof begrijpt: in zijn hoedanigheid van getuige]. De officier van justitie verbond zich om bij volledige nakoming door [kroongetuige] van de overeenkomst de strafeis voor zijn aandeel in de dealfeiten op twaalf jaren gevangenisstraf te stellen. Daarbij werd opgemerkt dat de strafeis tegen een verdachte die geen kroongetuige is, bij gelijke omstandigheden een gevangenisstraf van 24 jaren zou bedragen (de basisstrafeis). De strafvervolging van [kroongetuige] zou zich, behoudens bij gewijzigde omstandigheden, uitstrekken tot het medeplegen van de moord op [slachtoffer 21] , het medeplegen van het voorhanden hebben van twee vuurwapens, het medeplegen van opzetheling van twee personenauto’s, het medeplegen van opzettelijk gebruikmaken van een valse kentekenplaat, en ook – bij voldoende bewijs – het medeplegen van poging doodslag dan wel bedreiging en vernieling op 28 en 29 juni 2017 in Doorn en tot deelname aan een criminele organisatie. 5.1.
- De rechtmatigheid van de overeenkomst Er zijn meerdere verweren gevoerd die strekken tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie of tot bewijsuitsluiting van de verklaringen van [kroongetuige] , omdat de overeenkomst met [kroongetuige] niet rechtmatig zou zijn. Er is onder meer aangevoerd dat het onmogelijk is om te toetsen of de inhoud van de verklaringen van [kroongetuige] is beïnvloed door eventuele verboden toezeggingen in het kader van de met [kroongetuige] gesloten beschermingsovereenkomst, omdat deze laatste niet toetsbaar of controleerbaar is. Verder zou de uiteindelijke nettostrafeis van acht jaren in de overeenkomst disproportioneel laag zijn en zou het openbaar ministerie op ongerechtvaardigde en onbegrijpelijke gronden hebben afgezien van vervolging van [kroongetuige] in het deelonderzoek Langenhorst. Ook is aangevoerd dat in de overeenkomst verboden beloningen zijn ingebouwd, met name omdat het openbaar ministerie geen ontnemingsvordering indient voor onder meer het door [kroongetuige] wederrechtelijk verkregen voordeel van € 10.000,- voor de moord op [slachtoffer 21] , omdat [kroongetuige] een miljoenenschuld die hij aan derden heeft niet meer zal hoeven te betalen omdat hij straks in de anonimiteit verdwijnt en omdat de vader van [kroongetuige] niet wordt vervolgd. Deze beloningen zouden niet openlijk zijn gedeeld met de rechter en de verdediging. Het hof beantwoordt aan de hand van de feiten en omstandigheden die ten tijde van het tot stand komen van de overeenkomst met [kroongetuige] aan de orde waren, de vraag of deze overeenkomst binnen de grenzen van het recht is gebleven. Het hof bespreekt dit aan de hand van de hieronder genoemde onderwerpen. Overeenkomst met kroongetuige in dit geval mogelijk? Het hof beoordeelt allereerst of de overeenkomst met [kroongetuige] dringend noodzakelijk was om de opsporing, voorkoming of beëindiging van feiten mogelijk te maken die anders niet of niet tijdig zou plaatsvinden, of er een redelijke verhouding was tussen het belang van de te verkrijgen informatie en de te leveren tegenprestatie en of de overeenkomst ook overigens binnen de grenzen van het recht is gebleven. Het hof stelt vast dat de verklaringen van [kroongetuige] betrekking hebben op misdrijven als bedoeld in artikel 226g, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering. Het hof is van oordeel dat het openbaar ministerie het op goede gronden dringend noodzakelijk heeft geacht om tot een overeenkomst met [kroongetuige] te komen. [kroongetuige] kon verklaren over een aantal voltooide levensdelicten waarvan de opsporing op een dood spoor was beland en zonder zijn verklaringen niet binnen afzienbare tijd tot resultaat had geleid. Zijn verklaringen betroffen niet alleen vermeende uitvoerders, maar ook vermeende opdrachtgevers. Door de verklaringen van [kroongetuige] is zicht gekregen op een criminele organisatie die als oogmerk had het plegen van liquidaties in opdracht van anderen voor geld en die tot dan toe onder de radar was gebleven. Zijn verklaringen boden veel aanknopingspunten voor nader onderzoek in lopende onderzoeken en voor onderzoek naar zaken die op dat moment nog niet bekend waren bij de politie. Beïnvloeding door beschermingsovereenkomst? Het openbaar ministerie heeft aangevoerd dat vóór het sluiten van de overeenkomst niet over de details van een getuigenbeschermingsovereenkomst met de kroongetuige wordt gesproken. Er wordt alleen toegezegd dat kroongetuigen hulp en steun krijgen om na afloop van de detentie elders een veilig bestaan op te bouwen. De details en de financiële aspecten komen pas aan de orde als de (fictieve) datum van invrijheidstelling van de kroongetuige in zicht komt. Omdat de verklaringen al lang daarvoor zijn afgelegd, kunnen die niet beïnvloed zijn door de beschermingsovereenkomst, aldus het openbaar ministerie. Het hof bespreekt het verweer over de beschermingsovereenkomst in het licht van de zorgplicht die wordt ontleend aan de positieve verplichtingen van het EVRM, aan het burgerlijk recht en aan de in artikel 226l van het Wetboek van Strafvordering neergelegde bepaling. Aan deze zorgplicht wordt in voorkomende gevallen uitvoering gegeven door het maken van afspraken over getuigenbescherming met kroongetuigen. De Staat neemt ook een gedeelte van de verantwoordelijkheid voor de veiligheid van deze persoon op zich door zijn medewerking aan de opsporing te vragen. Uit het samenstel van de wettelijke regeling en de toepasselijke beleidsregels volgt dat ten aanzien van de rechtmatigheid en de doelmatigheid van maatregelen van getuigenbescherming in de strafvorderlijke context aan de strafrechter geen toetsende rol is toebedeeld. De totstandkoming van de afspraak in de zin van artikel 226g, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering en de specifieke maatregelen voor de bescherming van de getuige zijn juridisch twee verschillende trajecten. Hoewel in de afgelopen jaren soms duidelijk is geworden dat er in de praktijk wel degelijk verstrengeling kan bestaan tussen de kroongetuigenovereenkomst en de beschermingsovereenkomst, in die zin dat hoe de kroongetuige de specifieke maatregelen voor zijn feitelijke bescherming ervaart en de bereidheid om te verklaren elkaar kunnen beïnvloeden, en in de literatuur regelmatig wordt gepleit voor een vorm van externe, rechterlijke, toetsing van de beschermingsovereenkomst, biedt de wet hiervoor ook nu nog geen grond. Het openbaar ministerie is niet gehouden de processenverbaal en/of andere voorwerpen betreffende toezeggingen die zijn gedaan in verband met de feitelijke bescherming van de getuige op enig moment bij de processtukken te voegen. Zo een verplichting zou – temeer omdat de huidige wet geen specifieke regeling kent met betrekking tot de afscherming van processtukken in het belang van de veiligheid van de kroongetuige – onverenigbaar zijn met het doel van de bescherming van de getuige en de aard van de daartoe strekkende maatregelen. Het hof wijst er overigens in dit verband op dat [kroongetuige] de kluisverklaringen al heeft afgelegd voordat met hem de in artikel 226g, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering bedoelde afspraak is gemaakt, dus zonder dat hij wist of de afspraak zou worden gemaakt en, zo ja, onder welke voorwaarden, terwijl de details van de toegezegde feitelijke maatregelen voor de bescherming van [kroongetuige] nóg later, pas kort voor het aflopen van de gevangenisstraf worden bepaald. Er is dus geen aanwijzing dat er sprake is van verboden toezeggingen in het kader van de beschermingsovereenkomst, laat staan dat onder invloed van verboden toezeggingen in strijd met de waarheid zou zijn verklaard. Ook overigens is niet gebleken van verboden toezeggingen. Overeenkomst proportioneel? Het hof zal achtereenvolgens ingaan op de omvang van de vervolging van [kroongetuige] en het afzien van vervolging van de vader van [kroongetuige] , de basisstrafeis, de eis en het achterwege laten van een ontnemingsvordering en het feit dat [kroongetuige] een schuld aan derden niet meer zou hoeven te betalen. Bij requisitoir heeft het openbaar ministerie uitgebreid toegelicht dat de beslissing om [kroongetuige] niet te vervolgen in het deelonderzoek Langenhorst ruim na het sluiten van de overeenkomst door de zaaksofficieren naar aanleiding van de resultaten van het opsporingsonderzoek is genomen en dat daarbij niet het opportuniteitsbeginsel is toegepast, maar dat is beslist dat een vervolging in de ogen van het openbaar ministerie geen kans van slagen had. Deze beslissing was volgens het openbaar ministerie gelegen in het gegeven dat [kroongetuige] – in tegenstelling tot de andere verdachten – heeft duidelijk gemaakt dat hij de moord helemaal niet wilde plegen en ook tijdig is gestopt. Zijn verklaringen hierover acht het openbaar ministerie betrouwbaar en in lijn met andere onderzoeksbevindingen. In de Aanwijzing toezeggingen aan getuigen in strafzaken (hierna: de Aanwijzing) zijn beleidsregels geformuleerd over de toepassing van de artikelen 226g tot en met 226l van het Wetboek van Strafvordering. In de Aanwijzing is geregeld welke toezeggingen aan getuigen toelaatbaar zijn en welke toezeggingen niet. Punt 5.1 van de Aanwijzing bevat een verbod om toezeggingen te doen met betrekking tot de inhoud van de tenlastelegging (bijvoorbeeld het aantal feiten op de tenlastelegging en de zwaarte daarvan). Punt 5.2 bevat een verbod om in afwijking van het geldende opsporings- en vervolgingsbeleid af te zien van actieve opsporing of vervolging van strafbare feiten. Bij de beoordeling door het openbaar ministerie of vervolging van een verdachte voor een bepaald strafbaar feit opportuun is, spelen in ieder geval de aard van het feit, de bewijsbaarheid van het feit en het algemeen belang een rol. Ook in geval van een potentiële kroongetuige is de afweging daarvan bij uitstek een taak van het openbaar ministerie. De rechter die de overeenkomst met een kroongetuige toetst, dient deze afweging in beginsel te eerbiedigen. Het is niet de taak van die rechter om zelf te bepalen voor welke feiten de kroongetuige zou moeten worden vervolgd en welke strafeis bij die vervolging zou passen. Wel dient de rechter, gelet op de geldende wet- en regelgeving, te toetsen of er geen sprake is geweest van onderhandelingen met de getuige over het aantal ten laste te leggen feiten en de kwalificatie daarvan en of niet in afwijking van het geldende opsporings- en vervolgingsbeleid aan de getuige is toegezegd af te zien van vervolging voor bepaalde feiten. In dat geval zou er sprake kunnen zijn van een niet toelaatbare toezegging in de zin van de Aanwijzing. Het hof stelt vast dat is gesteld noch gebleken dat [kroongetuige] en het openbaar ministerie hebben onderhandeld over de ten laste te leggen feiten. Het openbaar ministerie heeft aangegeven dat de vervolgingsbeslissing in het deelonderzoek Langenhorst het resultaat was van intern overleg tussen de zaaksofficieren ruim ná het sluiten van de overeenkomst en dat het resultaat daarvan aan [kroongetuige] is meegedeeld. Ook is niet gebleken dat het achterwege laten van vervolging van [kroongetuige] voor zijn handelingen in het deelonderzoek Langenhorst is te duiden als een niet toelaatbare toezegging. Artikel 226g, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering schrijft voor dat in de op schrift gestelde afspraak met de kroongetuige wordt vastgelegd voor welke strafbare feiten de getuige zelf zal worden vervolgd. Dat betekent dat het openbaar ministerie de strafbaarheid van het feit, de kans op een veroordeling en aspecten van algemeen belang naar de stand van zaken van dat moment moet inschatten. Vanuit een oogpunt van algemeen belang is het niet onbegrijpelijk dat het openbaar ministerie de vervolging van de potentiële kroongetuige beperkt tot feiten waarvoor op dat moment al voldoende bewijs voorhanden lijkt te zijn of waarvoor in ieder geval geldt dat de mogelijkheid van voldoende bewijs na verder onderzoek reëel is. Als het openbaar ministerie een kroongetuige ook zou moeten vervolgen voor feiten waarin de bewijspositie dubieus is of vervolging zeer weinig kans van slagen heeft, zouden de te verwachten veroordeling en de straf(eis) uiterst onzeker worden. Het nuttig effect van de kroongetuigenregeling zou volgens die interpretatie ernstig worden aangetast. Het openbaar ministerie heeft na de totstandkoming van de overeenkomst geoordeeld dat de slagingskans van een vervolging van [kroongetuige] in de zaak Langenhorst te klein was, omdat – kort gezegd – bewijs voor het vereiste opzet op de moord bij [kroongetuige] ontbrak. Het hof constateert dat ook medeverdachte [naam 24] niet is vervolgd in de zaak Langenhorst en dat er aanwijzingen zijn dat [naam 24] en [kroongetuige] zich in aanloop naar de liquidatie hebben teruggetrokken. Men kan er over twisten of daardoor het opzet niet is te bewijzen of dat er sprake is van vrijwillige terugtred, maar het hof acht de beoordeling van de slagingskans van een vervolging van [kroongetuige] in de zaak Langenhorst niet onbegrijpelijk. Er is geen sprake van een situatie waarin het niet anders kan dan dat in afwijking van het geldende opsporings- en vervolgingsbeleid aan de getuige is toegezegd van vervolging voor bepaalde feiten af te zien en het achterwege laten van vervolging, achteraf moet worden opgevat als een verkapte verboden toezegging voor het afleggen van verklaringen. Tijdens de behandeling in hoger beroep heeft het openbaar ministerie besloten dat de vader van de kroongetuige, [getuige 4] , niet zal worden vervolgd voor mogelijke betrokkenheid bij strafbare feiten in het dossier Eris. Maar voor een toezegging aan [kroongetuige] dat zijn vader niet zal worden vervolgd voor strafbare feiten in Eris, is geen aanwijzing gevonden. Netto strafeis disproportioneel? Het openbaar ministerie heeft gesteld dat de strafeis niet disproportioneel laag is. Het openbaar ministerie heeft in de overeenkomst de basisstrafeis bepaald op 24 jaren en, bij nakoming van de verplichtingen door [kroongetuige] , toegezegd om 50% hiervan, dus twaalf jaren gevangenisstraf, als straf te eisen. Ook voor de tegen een kroongetuige te formuleren basisstrafeis geldt dat het openbaar ministerie een ruime beoordelingsvrijheid heeft die de rechter heeft te eerbiedigen. Op voorhand kan echter niet worden uitgesloten dat een toegezegde basisstrafeis zo onbegrijpelijk laag is dat het verschil met een reguliere strafeis niet anders kan worden opgevat dan als tegenprestatie voor de door de kroongetuige af te leggen verklaringen. De rechter dient in verband daarmee te toetsen of het openbaar ministerie, gelet op alle omstandigheden van het geval en met inachtneming van zijn ruime beoordelingsvrijheid, in redelijkheid tot de toegezegde basisstrafeis heeft kunnen komen. Het hof kan de rechtmatigheid van de basisstrafeis slechts afmeten aan de feiten die aan [kroongetuige] zijn ten laste gelegd. Zoals gezegd, gaat het om het medeplegen van moord, het voorhanden hebben van wapens, de heling van auto’s en het voorhanden hebben van een valse kentekenplaat. Daarbij zijn ook de feiten in het deelonderzoek Gezicht en deelname aan een criminele organisatie betrokken. Gelet op de ten laste gelegde feiten en de andere omstandigheden van het geval en in aanmerking genomen zijn ruime beoordelingsvrijheid, heeft het openbaar ministerie in redelijkheid tot de toegezegde basisstrafeis kunnen komen. Die basisstrafeis, van 24 jaren gevangenisstraf, is niet zo laag dat deze niet anders kan worden verklaard dan als een verkapte tegenprestatie voor het afleggen van verklaringen. Daarom acht het hof de overeenkomst met [kroongetuige] ook op dit punt niet onrechtmatig. Bij aanvang van de inhoudelijke behandeling in eerste aanleg heeft het openbaar ministerie aangekondigd bij requisitoir een lagere straf te eisen dan in de overeenkomst is toegezegd. Dat is ook gebeurd. De reden was dat sinds de inwerkingtreding van de Wet straffen en beschermen op 1 juli 2021 de periode waarover voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend niet langer kan zijn dan twee jaren. Ten tijde van het sluiten van de overeenkomst zou een gevangenisstraf van twaalf jaren in beginsel nog een nettostraf van acht jaren betekenen. Daar mocht [kroongetuige] bij het sluiten van de overeenkomst van uitgaan, aldus het openbaar ministerie. Uitgaande van de nieuwe wet betekent een gevangenisstraf van twaalf jaren in beginsel een nettostraf van tien jaren. De inhoud van de overeenkomst bood volgens het openbaar ministerie ruimte om een zodanige gevangenisstraf te eisen dat de kroongetuige netto acht jaren moet zitten. In eerste aanleg is daarom niet 24 jaren gevangenisstraf als uitgangspunt genomen, maar twintig jaren gevangenisstraf, die met 50% is verminderd tot de uiteindelijke eis van tien jaren (in plaats van twaalf jaren) gevangenisstraf. Het hof stelt vast dat het openbaar ministerie in afwijking van de tekst van de overeenkomst met de kroongetuige een gevangenisstraf van tien jaren in plaats van twaalf jaren heeft gevorderd. Er zijn geen aanwijzingen dat die lagere strafeis eerder aan de kroongetuige was toegezegd. Het openbaar ministerie heeft de afwijking van de in de overeenkomst genoemde bruto-eis gemotiveerd en de rechtbank heeft die motivering beoordeeld en de strafeis overgenomen. Het hof vindt in deze gang van zaken geen aanleiding de overeenkomst met de kroongetuige of de uitvoering daarvan onrechtmatig te achten. Er is geen reden om aan te nemen dat door deze gang van zaken de verklaringen van de kroongetuige zijn beïnvloed of dat op een andere manier rechtens te respecteren belangen van verdachten zijn geschaad. Ontoelaatbare toezegging inzake ontneming? Als het openbaar ministerie los van een eventuele overeenkomst niet tot vordering van het wederrechtelijk verkregen voordeel zou zijn overgegaan, hoeft het dat bij een getuige met wie een overeenkomst is gesloten ook niet te doen. Het openbaar ministerie kan dan eenzijdig beslissen van ontneming af te zien, zonder dat van een toezegging in de zin van de Aanwijzing sprake is. Ook op dit punt komt aan het openbaar ministerie een zekere beoordelingsvrijheid toe. Wel zal uit de motivering van het besluit om volledig van een ontnemingsvordering af te zien, moeten blijken dat geen sprake is van een verkapte financiële beloning voor het afleggen van verklaringen. Volgens het openbaar ministerie is geen sprake geweest van een toezegging aan [kroongetuige] dat tegen hem geen ontnemingsvordering zal worden ingediend. Uit de processtukken blijkt niet dat hierover is gesproken tussen de officier van justitie van het team Bijzondere Getuigen en [kroongetuige] en zijn raadsman. Hoewel dit had gekund, is daarover geen afspraak gemaakt. Het openbaar ministerie heeft verder aangevoerd dat [kroongetuige] na afloop van zijn detentie elders, vermoedelijk in een ander land, een veilig nieuw bestaan zal moeten opbouwen. Financieel gezien begint hij bij nul. Hij zal in het begin een redelijke tegemoetkoming van het Team Getuigenbescherming ontvangen. Uitgangspunt voor de hoogte van die tegemoetkoming is dat iemand gezien de nieuwe leefomstandigheden een redelijk bestaan moet kunnen opbouwen. Een eventuele ontneming zou dus in feite ook door het Team Getuigenbescherming moeten worden betaald. Dat is volgens het openbaar ministerie geen werkelijke ontneming en uit het oogpunt van de Staat een vestzak-broekzakaangelegenheid. Om die reden dient het openbaar ministerie geen vordering ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel in tegen [kroongetuige] . Nog los van het feit dat niet gebleken is van een toezegging aan de kroongetuige over ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel is het hof van oordeel dat het openbaar ministerie voldoende reden heeft kunnen zien om het aanhangig maken van een ontnemingsvordering niet opportuun te achten. Het hof betrekt hierbij ook dat bij geen van de andere verdachten in het Eris-dossier een ontnemingsvordering is ingediend (of is aangekondigd) en de hoogte van het bedrag dat [kroongetuige] voor zijn rol in de moord op [slachtoffer 21] betaald heeft gekregen (€ 10.000,-). Van een zo onbegrijpelijke beslissing dat er in feite slechts sprake kan zijn van een verkapte financiële beloning is geen sprake. De verdediging heeft nog aangevoerd dat [kroongetuige] in het criminele circuit een miljoenenschuld heeft aan derden en dat deze schuld hem feitelijk is kwijtgescholden omdat hij door het aangaan van de overeenkomst onvindbaar is geworden voor zijn schuldeisers. Voor zover de verdediging daarmee heeft bedoeld te betogen dat op dit punt sprake is van een (verkapte) financiële beloning en daarmee van een niet toelaatbare toezegging, kan dit betoog niet slagen. Niet is gebleken dat de kroongetuige een juridisch afdwingbare (miljoenen)schuld heeft bij derden. Bovendien is niet gebleken van enige toezegging door het openbaar ministerie dat deze eventuele schulden niet meer zouden hoeven te worden betaald. Samenvatting en conclusie De overeenkomst met [kroongetuige] heeft betrekking op feiten als bedoeld in artikel 226g van het Wetboek van Strafvordering. Het openbaar ministerie heeft het sluiten van de overeenkomst op goede gronden dringend noodzakelijk geacht. Uit de omvang van de vervolging, de strafeis en evenmin uit het achterwege laten van een ontnemingsvordering kan worden afgeleid dat aan [kroongetuige] verboden toezeggingen zijn gedaan in ruil voor het afleggen van verklaringen. Ook in onderling verband en samenhang bezien is bij de met [kroongetuige] gemaakte afspraak als bedoeld in artikel 226g van het Wetboek van Strafvordering geen sprake van een overschrijding van de grenzen van proportionaliteit en subsidiariteit. De verweren strekkende tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging van de verdachte of het uitsluiten van de verklaringen van [kroongetuige] van het gebruik voor het bewijs, slagen dus niet. 5.1.
- De betrouwbaarheid van de verklaringen van de kroongetuige Meerdere raadslieden hebben gewezen op de onbetrouwbaarheid van de kroongetuige. Aangevoerd is dat [kroongetuige] al sinds jonge leeftijd op meerdere terreinen strafbare feiten pleegt, zoals handel in drugs en oplichting. Omdat hij al zijn hele leven liegt en bedriegt, is het zeer riskant om zijn verklaringen te gebruiken voor het bewijs, zeker nu [kroongetuige] een duidelijk eigen belang heeft bij het afleggen van zijn verklaringen, aldus de raadslieden. Bijna alle raadslieden hebben daarnaast op inhoudelijke gronden de bruikbaarheid en de betrouwbaarheid van (een deel van) de verklaringen van [kroongetuige] betwist. In de zaak van [medeverdachte 13] is dit punt – in eerste aanleg en herhaald in hoger beroep – als volgt verwoord: De kroongetuige heeft veel vermoedens, invullingen, veronderstellingen en gevoelens en verkeerde ten tijde van de feiten waarover hij verklaart niet zelden onder invloed van verdovende middelen. Hij is na talloze verhoren door de politie, bij de rechter-commissaris en op de zitting nauwelijks meer in staat om onderscheid te maken tussen wat hij daadwerkelijk heeft meegemaakt, wat hij van derden heeft gehoord en wat hij later heeft opgepikt uit de media. De primaire bron is uiteindelijk vaak [medeverdachte 14] , die ooit iets tegen hem gezegd zou hebben, al weet hij niet meer waar, wanneer, in welke bewoordingen en in welke context. Andere raadslieden hebben daaraan nog toegevoegd dat de verklaringen bewust of onbewust onbetrouwbaar zijn te achten: door het toepassen van Neuro Linguïstisch Programmeren (NLP) tijdens het verhoren van [kroongetuige] , het bestaan van valse herinneringen en het voeden met informatie door politie en justitie. De verklaringen kunnen daarom niet worden gebruikt voor het bewijs. In ieder geval is het volgens de raadslieden noodzakelijk om deze verklaringen met grote voorzichtigheid te benaderen. Voorwaardelijk is verzocht om nader deskundigenonderzoek te gelasten over geheugentraining en de werking van het geheugen, of om een deskundige ter zitting daarover te bevragen. Het openbaar ministerie heeft het volgende aangevoerd. [kroongetuige] heeft in zijn kluisverklaringen uitsluitend uit zijn eigen geheugen geput. In de vele tactische verklaringen die [kroongetuige] bij de verhoorders in het onderzoek Eris heeft afgelegd, heeft hij over een onderwerp globaal telkens hetzelfde verhaal als tijdens de kluisverklaringen verteld, maar vooral méér dan in zijn kluisverklaringen. Nergens is hij teruggekomen op zijn eerder afgelegde kluisverklaringen in de zin dat deze bewust onjuist zouden zijn geweest. De tactische verklaringen bevatten naar aanleiding van verhelderende vragen vooral meer details dan de kluisverklaringen. Uiteindelijk is [kroongetuige] geconfronteerd met de onderzoeksresultaten. Dat gebeurde soms om uit te leggen hoe zijn verklaringen passen in het beeld dat met (objectieve) onderzoeksbevindingen tot stand is gekomen, maar ook om zaken die hij zich kennelijk niet goed herinnerde helder te krijgen. Dat ging vaak om het verduidelijken van tijd en plaats. Zo heeft [kroongetuige] zich vergist in de plaats waar een van zijn vele ontmoetingen met [medeverdachte 14] is geweest (Leiden of Zoetermeer) en heeft hij grote moeite gehad om bepaalde gebeurtenissen goed in de tijd te plaatsen. Het openbaar ministerie heeft in dit verband tot slot opgemerkt dat in elk geval helder is hoe de verklaringen van [kroongetuige] tot stand zijn gekomen en dat controle voor de bruikbaarheid van zijn verklaringen goed uit te voeren is, als gevolg van de zeer getrapte manier van verhoren van [kroongetuige] en de woordelijke uitwerking van zijn verhoren. Het hof stelt in dit verband voorop dat het niet de betrouwbaarheid van de persoon van [kroongetuige] maar die van zijn verklaringen dient te toetsen. Het feit dat een kroongetuige in het verleden ook bij andere misdrijven betrokken is geweest en/of dat hij in het verleden mogelijk onbetrouwbaar is gebleken wat betreft zijn verklaringen over niet in de afspraak als bedoeld in artikel 226g van het Wetboek van Strafvordering opgenomen misdrijven, is op zich geen reden om geen waarde te hechten aan zijn als kroongetuige afgelegde verklaringen. Uiteindelijk gaat het erom of de verklaringen van de kroongetuige over de aan de verdachten ten laste gelegde feiten betrouwbaar zijn. Een kritische benadering van de verklaringen van [kroongetuige] ligt voor de hand, nu hij deze heeft afgelegd als kroongetuige en aan hem strafvermindering en bescherming in het vooruitzicht zijn gesteld in ruil voor informatie over misdrijven. Het gaat dan meestal om informatie die zonder de verklaring van de kroongetuige niet, of zeer moeilijk, door de opsporingsinstanties is te verkrijgen. De van de kroongetuige te verkrijgen informatie moet voor de opsporingsautoriteiten een meerwaarde hebben. Daarin kan een motief zijn gelegen om informatie te verschaffen die niet op waarheid berust. Om die reden is het van belang dat de door de kroongetuige gegeven informatie zoveel mogelijk wordt getoetst in het opsporingsonderzoek en bij de berechting. Om diezelfde reden dienen zijn verklaringen met extra behoedzaamheid te worden beoordeeld, zoals ook tot uitdrukking komt in de motiveringseis van artikel 360, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering en de bewijsminimumregel dat het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan niet uitsluitend op de verklaring van één getuige mag worden aangenomen. De eis van behoedzaamheid geldt in het bijzonder waar het gaat om de verklaringen die zien op informatie die [kroongetuige] stelt van [medeverdachte 14] te hebben verkregen. Zowel [kroongetuige] als [medeverdachte 3] heeft verklaard dat [medeverdachte 14] informatie wel eens aandikte of dat hij met desinformatie strooide. Uitgangspunt is dat een verklaring van een getuige over wat hij van een andere persoon heeft gehoord in beginsel bruikbaar is voor het bewijs, maar dat de verdediging wel de gelegenheid moet hebben gehad om de getuige, het liefst ter terechtzitting, te horen. Vastgesteld kan worden dat de verdediging [kroongetuige] zowel bij de rechter-commissaris als ter terechtzitting in eerste aanleg en hoger beroep aan vele indringende verhoren heeft onderworpen, waarbij het aspect dat hij iets van [medeverdachte 14] heeft gehoord uitvoerig aan de orde is geweest. Het zou dan ook te ver gaan om aan de verklaringen van [kroongetuige] om die reden op voorhand slechts de waarde van steunbewijs toe te kennen, zeker omdat de beweerde bron van dergelijke verklaringen, [medeverdachte 14] , zich hoofdzakelijk heeft beperkt tot het ontkennen van de beweringen van [kroongetuige] en het presenteren van een ongeloofwaardig alternatief scenario. De van de kroongetuige verkregen informatie is divers van aard. Zo heeft hij niet alleen verklaard over gebeurtenissen die hij zelf heeft meegemaakt, maar ook over wat hij van anderen, met name [medeverdachte 14] , heeft gehoord. Ten slotte heeft hij ook verklaard over de algemene gang van zaken bij Caloh Wagoh, waarvan hij deel heeft uitgemaakt. Als informatie die de kroongetuige zegt te hebben verkregen van derden niet past bij de overige onderzoeksresultaten, kan maar hoeft dat niet te duiden op onbetrouwbaarheid van de kroongetuige. In dat geval is het ook mogelijk dat de kroongetuige naar waarheid heeft verklaard over wat hij heeft gehoord maar van die derde niet de juiste informatie heeft gekregen. Als voorbeeld noemt het hof een voorval in het deelonderzoek Breuk. De kroongetuige heeft verklaard dat zijn opdrachtgever hem op 5 juli 2017 heeft bericht dat het beoogde slachtoffer vanwege een file later zou komen. Dat het beoogde slachtoffer die dag na zijn vertrek uit Rotterdam om ongeveer 19.00 uur door een file is opgehouden, acht het hof niet waarschijnlijk. Voor deze ogenschijnlijke onjuistheid zijn meerdere verklaringen mogelijk: de kroongetuige kan de file hebben verzonnen, maar hij kan ook naar waarheid hebben verklaard over onjuiste informatie die hij van de opdrachtgever had gekregen, waarbij de opdrachtgever op zijn beurt deze onjuiste informatie van derden kan hebben ontvangen. Van belang is of onderdelen van de verklaring van de kroongetuige steun vinden in ander bewijsmateriaal en passen bij de overige bevindingen van het onderzoek. De verdediging heeft gewezen op de mogelijkheid van beïnvloeding van de kroongetuige door de politie. In dat verband is van belang of en, zo ja, hoe en wanneer de informatie van de kroongetuige in het onderzoek is bevestigd. Hierbij is een aantal situaties te onderscheiden: De informatie van de kroongetuige is geheel nieuw en wordt pas later in het onderzoek bevestigd door gegevens waarvan de kroongetuige niet op de hoogte kon zijn; De informatie kan worden bevestigd met zich al in het dossier bevindende onderzoeksresultaten of andere gegevens waarvan de kroongetuige op de hoogte kon zijn; De informatie wordt verkregen naar aanleiding van aan de kroongetuige voorgehouden onderzoeksresultaten. Het is duidelijk dat de mogelijkheid van beïnvloeding in de als eerste vermelde situatie het kleinst en in de laatste situatie het grootst is. Ook op het hof komt [kroongetuige] in zijn manier van verklaren bij de politie en de rechter-commissaris, maar ook ter terechtzitting over als een getuige die duidelijk en in grote lijnen consistent en zonder te aarzelen verklaart. Van belang is ook dat [kroongetuige] ook heeft verklaard over zijn rol in zaken waarin hij tot op dat moment bij het openbaar ministerie niet in beeld was gekomen en dat zijn op punten gedetailleerde verklaringen voor een belangrijk deel bevestiging vinden in objectieve onderzoeksbevindingen zoals die in het verificatie/falsificatiedossier. Veel verklaringen van [kroongetuige] vinden bevestiging in opnames van PGP- en whatsappgesprekken die pas later onder [medeverdachte 14] zijn aangetroffen. Van de aanwezigheid van die opnames waren [kroongetuige] en de politie niet op de hoogte op het moment dat de kluisverklaringen werden afgelegd. Het hof geeft daarvan enkele voorbeelden: De verklaring van de kroongetuige dat een zekere “ [naam gelijkend op naam 45] ” of “ [naam gelijkend op naam 45] ” opdrachtgever voor een aantal liquidaties was, komt overeen met een PGP-gesprek tussen [medeverdachte 14] en ‘The wizzard’ waarin “ [naam gelijkend op naam 45] ” als opdrachtgever wordt genoemd; De kroongetuige heeft verklaard dat [medeverdachte 14] hem een A4’tje met een foto van [slachtoffer 23] op een bruiloft heeft laten zien. Op die foto was het hoofd van [slachtoffer 23] omcirkeld. Op gegevensdragers van [medeverdachte 14] is een foto gevonden van een A4’tje met een foto van [slachtoffer 23] met zijn hoofd omcirkeld die ook verder aan de beschrijving van de kroongetuige voldoet; [medeverdachte 14] zou opdracht hebben gegeven voor de beschieting van een woning aan de [adres] in Doorn. Op gegevensdragers van [medeverdachte 14] is een beeldopname van een PGP-gesprek aangetroffen waarin wordt gesproken over een donkere straat met bomen bij de afslag Maarn (Doorn) van de A
- Ook is op die gegevensdrager een afbeelding van een printje van een routebeschrijving van Google Maps van ‘Mijn locatie’ naar de [adres] in Doorn gevonden; [medeverdachte 14] zou zijn benaderd door [medeverdachte 18] omdat zijn zoon in de problemen was gekomen door een vergismoord. Onder [medeverdachte 14] zijn beeldopnames van whatsappgesprekken en PGPgesprekken tussen beiden van ongeveer twee weken na de betreffende vergismoord over de zoon van [medeverdachte 18] aangetroffen; Het geld voor de moord op [slachtoffer 21] zou op de dag na de moord door een motorrijder zijn opgehaald. Op gegevensdragers van [medeverdachte 14] is de volgende chat van 8 juli 2017 aangetroffen: “Ok ik stuur hem, hij komt op de motor”. Ook op veel andere onderdelen worden de verklaringen van de kroongetuige bevestigd door die bij [medeverdachte 14] aangetroffen opnames. Het hof komt daar bij de bespreking van de zaakdossiers op terug. De conclusie is dat de verklaringen van de kroongetuige in de kern en op hoofdlijnen als betrouwbaar kunnen worden aangemerkt. Wel is duidelijk gebleken dat [kroongetuige] moeite heeft met het plaatsen van gebeurtenissen in de tijd en dat hij bepaalde feitelijkheden (nader) heeft ingevuld en met elkaar heeft verward, zoals in de deelonderzoeken Lis en Barbera, waar hij het heeft over het Belgische slachtoffer. Ook heeft [kroongetuige] zijn verklaringen gedurende het proces op punten moeten nuanceren, daar waar hij eerder al dan niet ingegeven door zijn eigen overtuiging in al te concluderende zin had verklaard. Sommige ongerijmdheden in de verklaringen van [kroongetuige] zijn niet geheel opgehelderd of op andere wijze verklaarbaar gebleken. Hiervan is bijvoorbeeld sprake in de deelonderzoeken Charlie17 en Langenhorst, daar waar het de gang van zaken in aanloop naar de moord en de rol van [kroongetuige] zelf betreft. Een aantal raadslieden heeft ook terecht erop gewezen dat het geheugen alleen al door het tijdsverloop beïnvloedbaar is en dat informatie die naderhand is verkregen, vermengd kan worden met wat een getuige zelf heeft waargenomen. Het hof komt niet tot de conclusie dat [kroongetuige] bewust niet volledig naar waarheid heeft verklaard. Dat neemt niet weg dat de verklaringen van [kroongetuige] slechts bruikbaar zijn voor het bewijs als het hof oordeelt dat zij betrouwbaar zijn en conform de waarheid zijn afgelegd. Ondanks de kanttekeningen die op onderdelen bij de verklaringen van [kroongetuige] kunnen worden geplaatst, blijft tegen de achtergrond van het totaal van zijn vele verklaringen en in het licht van de overige onderzoeksbevindingen het beeld van [kroongetuige] als een overwegend betrouwbaar verklarende getuige in stand. Uit de woordelijk uitgewerkte verhoren van [kroongetuige] is van het toepassen van NLP, van het opwekken van valse herinneringen of het voeden van informatie in de verhoren door de politie niet gebleken. Ook verder zijn hiervoor geen aanwijzingen te vinden. Het hof ziet geen noodzaak om in dit verband nader deskundigenonderzoek te laten doen of een deskundige te bevragen, zodat het (voorwaardelijke) verzoek daartoe wordt afgewezen. Bewijsminimum Een aantal raadslieden heeft aangevoerd dat de strafrechtelijke betrokkenheid van een verdachte niet enkel of in beslissende mate kan worden gegrond op de verklaring van een kroongetuige. Er moet voldoende ander bewijs zijn voor de strafrechtelijke betrokkenheid van de verdachte. Naar het oordeel van het hof is deze opvatting onjuist. Het tweede lid van artikel 342 van het Wetboek van Strafvordering bepaalt dat het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan door de rechter niet uitsluitend kan worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Deze bepaling heeft betrekking op de tenlastelegging in haar geheel en niet op een onderdeel daarvan. Zij beoogt de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing te waarborgen, in die zin dat artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen als de door één getuige naar voren gebrachte feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal (HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM2452, rov. 2.4). De beslissing tot de bewezenverklaring van een ten laste gelegd feit moet naast de eventuele verklaring van de kroongetuige ook op een of meer andere bewijsmiddelen zijn gebaseerd. Die andere bewijsmiddelen mogen volgens artikel 344a van het Wetboek van Strafvordering niet slechts bestaan uit verklaringen van andere kroongetuigen. Dat neemt niet weg dat de wettelijke regeling van de kroongetuige inclusief artikel 344a, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering en de bewijsminimumregel van artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering zich niet ertegen verzetten dat de bewezenverklaring van het tenlastegelegde in overwegende mate steunt op verklaringen van een getuige met wie door de officier van justitie een afspraak is gemaakt op grond van artikel 226h, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering (zie HR 23 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:601, rov. 8.4). Dat het gebruik van een verklaring van een kroongetuige voor de bewezenverklaring van het tenlastegelegde niet is onderworpen aan een verdere wettelijke beperking dan die van artikel 344a, vierde lid, en artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, laat onverlet dat het hof bij de beoordeling van de betrouwbaarheid en de waardering van de bewijswaarde van de verklaringen van de kroongetuige, zoals hiervoor al is overwogen, behoedzaam te werk gaat. 5.
- Het onderzoek aan gegevensdragers en locatiegegevens In het onderzoek Eris zijn diverse mobiele telefoons, computers en andere elektronische gegevensdragers inbeslaggenomen. De politie heeft zich toegang verschaft tot die gegevensdragers en onderzoek gedaan naar de gegevens die daarin zijn opgeslagen of anderszins zijn te vinden. Daarnaast heeft de officier van justitie in het onderzoek Eris verkeers- en locatiegegevens gevorderd, hebben telecomaanbieders toegang verleend tot dergelijke gegevens en heeft de politie ook daarnaar onderzoek gedaan. Naar aanleiding van de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) en de Hoge Raad ziet het hof aanleiding ambtshalve het volgende te overwegen over het onderzoek aan de gegevens in mobiele telefoons, computers en andere gegevensdragers en over het onderzoek aan de verkeers- en locatiegegevens. Het HvJ EU heeft geoordeeld dat een onderzoek naar de gegevens die beschikbaar zijn in een elektronische gegevensdrager, zoals een smartphone, valt onder de reikwijdte van de Richtlijn gegevensbescherming opsporing en vervolging (EU) 2016/
- Deze richtlijn diende uiterlijk op 6 mei 2018 in nationale wetgeving te zijn omgezet. Met de wetgeving waarmee Nederland uitvoering heeft gegeven aan Richtlijn (EU) 2016/680 zijn geen wijzigingen doorgevoerd van het Wetboek van Strafvordering ten aanzien van de regeling van de inbeslagneming van een gegevensdrager en het onderzoek van de gegevens die op of in een (mobiele) gegevensdrager zijn te vinden. In HvJ EU 4 oktober 2024, zaak C-548/21, ECLI:EU:C:2024:830 (Landeck) heeft het hof geoordeeld dat voor het verkrijgen van toegang tot dergelijke gegevens voorafgaande toestemming nodig is van een rechterlijke instantie of een onafhankelijk, niet bij de opsporing betrokken, bestuursorgaan indien er een kans is dat die toegang het mogelijk maakt nauwkeurige conclusies over iemands privéleven te trekken. Richtlijn 2002/85/EG geeft regels over privacy en elektronische communicatie en bepaalt (in artikel 5) dat de lidstaten het vertrouwelijke karakter van elektronische communicatie en daarmee verband houdende persoonsgegevens in de vorm van (historische) verkeers- en locatiegegevens garanderen. Richtlijn 2002/85/EG biedt de lidstaten de mogelijkheid die vertrouwelijkheid te doorbreken voor de bestrijding, opsporing en vervolging van strafbare feiten (zie artikel 15). Daarvoor gelden voorwaarden. De richtlijn betreffende privacy en elektronische communicatie is in Nederland geïmplementeerd in de Telecommunicatiewet. Telecomaanbieders mogen op grond van de Telecommunicatiewet de vertrouwelijkheid van de door hen verzamelde gegevens doorbreken als dit noodzakelijk is in het belang van de voorkoming, opsporing en vervolging van strafbare feiten. In een arrest van 2 maart 2021 heeft het HvJ EU de voorwaarden voor toegang tot bewaarde verkeers- en locatiegegevens verduidelijkt en aangescherpt. De toegang tot historische verkeersgegevens, waaruit (nauwkeurige) conclusies kunnen worden getrokken over de persoonlijke levenssfeer van de gebruiker, moet zijn onderworpen aan een voorafgaande toetsing door een rechterlijke instantie of een onafhankelijk bestuursorgaan. Naar aanleiding van HvJ EU 2 maart 2021, C-746/18, ECLI:EU:C:2021:152 (Prokuratuur) is de Hoge Raad tot het oordeel gekomen dat de onder andere in artikel 126n van het Wetboek van Strafvordering neergelegde bevoegdheden tot het vorderen van verkeers- en locatiegegevens niet in overeenstemming is met de eisen die Richtlijn 2002/58/EG stelt, als de toepassing van de betreffende bevoegdheid meebrengt dat sprake is van een ernstige inmenging in het recht op bescherming van het privéleven en de beslissing tot de toepassing van die bevoegdheid wordt genomen door de officier van justitie. Vereist is in een dergelijk geval – behalve in spoedeisende situaties – dat voorafgaand toezicht door een rechterlijke instantie of door een onafhankelijke bestuurlijke entiteit plaatsvindt. Dit voorafgaande toezicht is niet vereist wanneer het uitsluitend gaat om het verlenen van toegang tot gegevens aan de hand waarvan de betrokken gebruiker kan worden geïdentificeerd, zonder dat de gegevens in verband kunnen worden gebracht met informatie over de tot stand gebrachte communicatie. De Hoge Raad heeft in het arrest HvJ EU 2 maart 2021, C-746/18, ECLI:EU:C:2021:152 (Prokuratuur) aanleiding gezien te bepalen dat als de officier van justitie verkeers- en locatiegegevens wil verkrijgen die meer omvatten dan uitsluitend identificerende gegevens, hij gehouden is een schriftelijke machtiging van de rechter-commissaris te vorderen voor het vorderen van die gegevens. Het hof constateert dat uit de procestukken niet ten aanzien van elke gegevensdrager duidelijk wordt of de rechter-commissaris, de officier van justitie of een andere opsporingsambtenaar deze in beslag heeft genomen. Waar een mobiele telefoon of een andere elektronische gegevensdrager in beslag is genomen door de rechter-commissaris kan er – behoudens aanwijzingen voor het tegendeel – van worden uitgegaan dat met de inbeslagneming is beoogd onderzoek naar de inhoud van deze gegevensdrager te laten doen door de politie en andere door politie en justitie ingeschakelde personen zoals deskundigen van het NFI. De bevoegdheid van de rechter-commissaris tot inbeslagneming biedt in een dergelijk geval de grondslag voor het verrichten van onderzoek aan het inbeslaggenomen voorwerp, ook als dat een meer dan beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer meebrengt. Omdat de processtukken niet ten aanzien van elke gegevensdrager duidelijk maken door wie deze in beslag is genomen, moet ermee rekening worden gehouden dat niet alleen de rechtercommissaris maar ook de officier van justitie en andere opsporingsambtenaren elektronische gegevensdragers in beslag hebben genomen. Het hof kan bovendien aan de hand van de processtukken niet vaststellen of de rechter-commissaris – een rechterlijke instantie volgens de rechtspraak van het HvJ EU – per afzonderlijke gegevensdrager toestemming heeft gegeven voor onderzoek aan de daarin beschikbare gegevens, ook als er een kans is dat die toegang het mogelijk maakt nauwkeurige conclusies over iemands privéleven te trekken. Daarnaast moet het hof op grond van de processtukken ervan uitgaan dat de politie zonder voorafgaand toezicht door een rechterlijke instantie of een onafhankelijke bestuurlijke entiteit onderzoek heeft gedaan aan gevorderde verkeers- en locatiegegevens (anders dan uitsluitend identificerende gegevens). In het geval dat voorafgaande toestemming (in de vorm van een schriftelijke machtiging) van de rechter-commissaris ontbreekt, is er in de zojuist bedoelde gevallen waarin een elektronische gegevensdrager bij het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte door de officier van justitie of een andere opsporingsambtenaar in beslag is genomen en onderzoek is gedaan naar de daarin beschikbare gegevens, waarbij er een kans bestaat dat nauwkeurige conclusies over iemands privéleven worden getrokken, en in de gevallen waarin onderzoek is gedaan aan door de officier van justitie gevorderde verkeers- en locatiegegevens (anders dan uitsluitend identificerende gegevens), sprake van een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte. De omstandigheid dat de officier van justitie bij het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte een vordering heeft gedaan tot het verstrekken van verkeers- of locatiegegevens (anders dan uitsluitend identificerende gegevens) zonder dat van tevoren een machtiging van de rechter-commissaris is verkregen, terwijl die machtiging wel was vereist, levert als zodanig geen grond op voor bewijsuitsluiting (zie HR 5 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:475, rov. 6.12.4). Naar het oordeel van het hof heeft hetzelfde te gelden ten aanzien van het vormverzuim dat zonder voorafgaande toestemming van de rechter-commissaris onderzoek is gedaan aan in een gegevensdrager beschikbare gegevens als er een kans is om nauwkeurige conclusies over iemands privéleven te trekken. Van belang hierbij is dat het uitsluiten van de resultaten van dergelijk onderzoek van het gebruik voor het bewijs niet noodzakelijk is om een schending van het recht op een eerlijk proces zoals gewaarborgd door artikel 6 EVRM – en het daarmee overeenkomende artikel 47, tweede lid, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie – te voorkomen, tenzij door een of meer van de vormverzuimen in het verloop van de strafprocedure complicaties zijn opgetreden die het voeren van de verdediging ernstig hebben bemoeilijkt en die vormverzuimen vervolgens niet in voldoende mate zijn hersteld om het proces als geheel eerlijk te laten verlopen. Dergelijke complicaties zijn door de verdediging niet gesteld en ook overigens niet gebleken. Voor de toepassing van strafvermindering is vereist dat de verdachte door het vormverzuim daadwerkelijk nadeel heeft ondervonden en dat strafvermindering ook in het licht van het belang van het geschonden voorschrift en de ernst van het verzuim is gerechtvaardigd. Strafvermindering laat zich als rechtsgevolg dat geschikt is voor compensatie van door de verdachte ondervonden nadeel, verbinden aan onder meer vormverzuimen waardoor inbreuk is gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte. De vraag of, en de mate waarin de persoonlijke levenssfeer van de verdachte is geschonden, is daarbij mede bepalend voor de ernst van het verzuim en het door het verzuim daadwerkelijk geleden nadeel. Voor de toepassing van strafvermindering moet het gaan om een voldoende ernstig vormverzuim dat concreet de belangen van de verdachte in de strafzaak heeft aangetast. Als door het vormverzuim in niet meer dan geringe mate inbreuk is gemaakt op het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer, kan de rechter volstaan met de enkele constatering van dat vormverzuim. (HR 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1889, rov. 2.3.2 en 2.3.4.) In het onderzoek Eris gaat het om de verdenking van zeer ernstige strafbare feiten. Het onderzoek is gericht tegen een criminele organisatie die zich zou hebben beziggehouden met het plegen van liquidaties en daarbij gebruikmaakte van PGP-telefoons. Het onderzoeken van de inhoud van inbeslaggenomen gegevensdragers was noodzakelijk. Minder ingrijpende, maar even effectieve mogelijkheden, waren niet voorhanden. De inbreuk op het privéleven van de verdachte verschilt per gegevensdrager. In het geval van gegevens in PGP-telefoons gaat het – als deze bewaard zijn gebleven – voornamelijk om communicatie over de voorbereiding en de uitvoering van ernstige misdrijven en was ook van tevoren duidelijk dat het gebruik van PGP-telefoons alleen diende om criminele activiteiten te verhullen. De kans om dan nauwkeurige conclusies over iemands privéleven te trekken is gering. Bij het onderzoek aan gegevens in andere gegevensdragers dan PGP-telefoons is in het onderzoek Eris, naast talloze gegevens over criminele gedragingen, ook toegang verkregen tot gegevens die niet met criminele activiteiten te maken hebben. Daarbij is de privacy van de verdachte en personen uit zijn directe omgeving zoals gezinsleden (wel) in het geding. Niet is gebleken dat de politie toegang heeft verkregen tot gegevens van grote aantallen willekeurige derden, zoals het geval kan zijn bij het zich toegang verschaffen tot de op een server beschikbare gegevens, in welk geval het nemen van maatregelen ter bescherming van de privacy van derden kan zijn geboden. De gegevens waartoe in het onderzoek Eris toegang is verkregen, betreffen voornamelijk de verdachten zelf en personen uit hun omgeving. Dat door het onderzoek aan de gegevens die in de (onder de verdachte) inbeslaggenomen gegevensdragers beschikbaar zijn en door het onderzoek aan de verkeers- en locatiegegevens inzicht is verkregen in aspecten van het privéleven van de verdachte en eventueel degenen waarmee de verdachte contact had, is onontkoombaar. Het hof is van oordeel dat de ernst van de feiten die in het onderzoek Eris centraal staan het rechtvaardigt dat dit onderzoek is verricht en dat het belang daarvan opweegt tegen de daarmee gepaard gaande schending van de privacy van de verdachte en een beperkt aantal derden. Het hof gaat er dan ook van uit dat, gelet vooral op de aard en ernst van de verdenkingen, de rechter-commissaris voor dit onderzoek voorafgaande toestemming zou hebben verleend als de officier van justitie deze had gevorderd. De verdachte heeft geen verweer gevoerd over de hier door het hof ambtshalve aan de orde gestelde vormverzuimen in het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte, die (mogelijk) een inbreuk hebben gemaakt op het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de verdachte. De verdediging heeft niet gesteld dat de belangen van de verdachte in de strafzaak door een of meer van de bedoelde vormverzuimen concreet zijn aangetast. Het hof volstaat mede daarom met de enkele constatering dat in het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte een of meerdere van de door het hof aan de orde gestelde vormverzuimen zijn begaan. 6DE WAARDERING VAN HET BEWIJS EN DE CONCLUSIES VAN DE VEREDELINGEN 6.
- De vordering van het openbaar ministerie De advocaten-generaal hebben zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat [verdachte] zich heeft schuldig gemaakt aan het medeplegen van voorbereiding van moord op 5 juli 2017 (16-707552-17, meer subsidiair) en medeplichtigheid aan het medeplegen van moord op 7 juli 2017 (16-659052-20, subsidiair). Zij verwijzen daartoe naar de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen. 6.
- Het standpunt van de verdediging De verdediging van [verdachte] heeft verzocht hem vrij te spreken van alle ten laste gelegde feiten. De daartoe gevoerde verweren komen, voor zover van belang voor de bewijswaardering, aan de orde in de overwegingen van het hof. 6.
- Het oordeel van het hof 6.3.
- Conclusies veredelingen en identificaties Het hof heeft op basis van de bewijsmiddelen en conclusies die zijn opgenomen in bijlage 3 onder meer de volgende veredelingen van PGP-namen en bijnamen vastgesteld: - [medeverdachte 14] is de gebruiker van de PGP-accounts ‘CB1D45’ (tussen 18 en 20 februari 2017), ‘C murder/971817’, ‘C MURDAH’, ‘C40’ en NN2 (deelonderzoek Goudvink); [medeverdachte 2] is de gebruiker van het PGP-account ‘The wizzard’; [medeverdachte 4] is de gebruiker van de PGP-accounts ‘B.I.G’, ‘Keyser soze’ en ‘Keyser soze0’; [medeverdachte 6] is de gebruiker van het PGP-account ‘Max Payne’ en [medeverdachte 6] heeft de bijnamen ‘ [bijnaam medeverdachte 6] ’/‘ [bijnaam medeverdachte 6] ’ en ‘Max’; [medeverdachte 3] is van 22 tot en met 24 februari 2017 de gebruiker van het PGP-account ‘CB1D45’ en [medeverdachte 3] heeft de bijnamen ‘ [bijnaam medeverdachte 3] ’/‘ [bijnaam medeverdachte 3] ’; [medeverdachte 7] is van 14 maart 2017 tot en met 17 maart 2017 de gebruiker van het PGP-account ‘CB1D45’ en [medeverdachte 7] heeft de bijnaam ‘ [bijnaam medeverdachte 7] ’; - [medeverdachte 10] heeft de bijnaam ‘ [bijnaam medeverdachte 10] ’; [medeverdachte 18] heeft de bijnaam ‘ [bijnaam medeverdachte 18] ’; [medeverdachte 17] is de gebruiker van het PGP-account ‘Storing’. 6.3.
- BREUK Het hof leidt uit de inhoud van de bewijsmiddelen de volgende gang van zaken af. 6.3.2.
- De liquidatie van [slachtoffer 21] Op 7 juli 2017 omstreeks 15.00 uur is [slachtoffer 21] op een parkeerplaats bij NSstation Breukelen neergeschoten en als gevolg daarvan diezelfde dag overleden. 6.3.2.
- De verklaringen van [kroongetuige] heeft over de liquidatie van [slachtoffer 21] verklaard dat hij door [medeverdachte 14] is benaderd om als chauffeur te fungeren. [kroongetuige] moest van [medeverdachte 14] aan [naam 24] vragen om als schutter op te treden. [kroongetuige] heeft ergens in Amsterdam een wapen (een Scorpion) opgehaald. Eerder had [kroongetuige] al een Peugeot 308 stationwagen in Amsterdam en een Seat Leon in Utrecht opgehaald bij mensen van de groep van [naam 45] . Op 4 juli 2017 heeft hij een tweede vuurwapen (een Zastava) opgehaald bij [naam 9] , de president van chapter Nijmegen van Caloh Wagoh. [kroongetuige] heeft deze voorwerpen gestald in de loods aan de [adres] in Mijdrecht. Dit pand is geregeld door [medeverdachte 13] , die toen naast deze loods woonde. [kroongetuige] heeft verklaard dat de wapens en de auto’s in goed overleg tussen [medeverdachte 13] en [medeverdachte 14] in deze loods zijn gestald. Op 4 juli 2017 heeft [medeverdachte 14] aan [kroongetuige] de parkeerplaats van NSstation Breukelen laten zien en gezegd dat daar iemand zou komen. [kroongetuige] heeft van [medeverdachte 14] foto’s van [slachtoffer 21] en het kenteken van de auto waarin [slachtoffer 21] reed via de PGP toegestuurd gekregen. Op 5 juli 2017 heeft [kroongetuige] [naam 24] opgehaald. Zij bevonden zich die middag met de Peugeot 308 en de wapens op de parkeerplaats van NSstation Breukelen. [kroongetuige] stond hierbij via de PGP continu in contact met [medeverdachte 14] . [medeverdachte 14] stond op zijn beurt weer in contact met de lokker die [medeverdachte 14] op de hoogte hield van waar ze op dat moment waren. [medeverdachte 14] stuurde deze informatie vervolgens door naar [kroongetuige] . [kroongetuige] moest tijdens de uitvoering letten op de Volkswagen Golf van [slachtoffer 21] , maar ook op een witte of grijze bestelbus van de lokker. [kroongetuige] en [naam 24] moesten uitkijken dat ze de lokker niet zouden raken. [kroongetuige] en [naam 24] hebben twee à drie uur op hem gewacht. Iets voordat de lokker met [slachtoffer 21] op de parkeerplaats zou aankomen, heeft [kroongetuige] een valse 112-melding gedaan om onder de liquidatie uit te komen. [kroongetuige] heeft foto’s gemaakt van de politie die ter plaatse kwam, om aan [medeverdachte 14] te laten zien dat de liquidatie echt geen doorgang kon vinden. [kroongetuige] heeft de auto en de wapens teruggebracht naar de loods in Mijdrecht en is met [naam 24] naar huis gegaan. Op 6 juli 2017 voerde [medeverdachte 14] via de PGP de druk op [kroongetuige] op om ervoor te zorgen dat de liquidatie alsnog zou worden uitgevoerd. [kroongetuige] heeft toen gezegd dat zijn kinderen ziek waren en dat hij niet kon komen. Ook heeft hij aangegeven dat [naam 24] niet thuis was en dat de liquidatie daarom geen doorgang kon vinden. [medeverdachte 14] heeft nogmaals de druk opgevoerd en gezegd dat het de dag erna, vrijdag 7 juli 2017, om 15.00 uur echt moest gebeuren. [medeverdachte 14] heeft de Scorpion in de loods in Mijdrecht gecontroleerd. [kroongetuige] heeft verklaard dat hij voelde dat hij er niet onderuit kon, omdat anders zijn familie of kinderen misschien iets zou worden aangedaan. Hij is die middag nog naar [naam 24] gereden om hem op de hoogte te brengen. Op 7 juli 2017 heeft [kroongetuige] [naam 24] weer opgehaald en zijn ze opnieuw naar de loods gegaan. Deze keer hebben ze ook een tweede auto, de Seat Leon, meegenomen. De Peugeot hebben ze in Loenersloot neergezet om als tweede vluchtauto te gebruiken. Daarna zijn ze met de Seat en de wapens naar de parkeerplaats bij NSstation Breukelen gereden. Dit keer zou de lokker er niet bij zijn. Dezelfde persoon had wel de afspraak gemaakt. [kroongetuige] en [naam 24] waren nog maar net op de parkeerplaats toen [slachtoffer 21] met zijn Volkswagen Golf aan kwam rijden. [naam 24] is uitgestapt met de Scorpion en heeft een aantal schoten op [slachtoffer 21] gelost. Op een gegeven moment deed dit wapen het niet meer. [naam 24] heeft toen uit de auto het handvuurwapen (de Zastava) gepakt, is teruggelopen naar [slachtoffer 21] en heeft opnieuw schoten op [slachtoffer 21] afgevuurd. [naam 24] is daarna op de achterbank van de Seat gaan liggen, zodat het leek alsof er maar één persoon in de auto zat. [kroongetuige] en [naam 24] zijn vanaf NSstation Breukelen weggereden naar Loenersloot, waar de Peugeot stond geparkeerd. Ze hebben de wapens in de Seat laten liggen en [kroongetuige] heeft de Seat met benzine uit een jerrycan besprenkeld. Hij had echter geen vuur bij zich. Ook bleek er een getuige in de buurt te staan die hun richting op keek. Dit heeft gemaakt dat [kroongetuige] en [naam 24] de Seat niet in brand hebben gestoken. Vervolgens zijn ze met de Peugeot vanuit Loenersloot teruggereden naar de loods in Mijdrecht. Daar hebben ze gewacht totdat [medeverdachte 13] thuiskwam. Toen [kroongetuige] tegen [medeverdachte 13] zei dat ze net een liquidatie hadden gepleegd, vroeg [medeverdachte 13] of [slachtoffer 23] was gedaan. [kroongetuige] heeft verklaard dat de opdracht tot het liquideren van [slachtoffer 23] via [medeverdachte 13] bij [medeverdachte 14] was uitgezet. [kroongetuige] heeft aan [medeverdachte 13] verteld dat de persoon die hij en [naam 24] hadden moeten doodschieten niet [slachtoffer 23] maar iemand anders was. [kroongetuige] en [naam 24] hebben vervolgens bij [medeverdachte 13] thuis gezeten, die hen na het plegen van de liquidatie heeft gekalmeerd. Daar hebben zij gebruikgemaakt van de telefoon van [medeverdachte 13] . [naam 24] heeft zijn vriendin, [naam 34] , gebeld om hem op te halen. Zij heeft later op de avond [naam 24] vlakbij de loods opgehaald. [kroongetuige] is met zijn eigen auto naar huis gegaan. Op 8 juli 2017 heeft [kroongetuige] bij [medeverdachte 14] in Almere het geld voor de liquidatie van [slachtoffer 21] opgehaald. Dit geld werd door [bijnaam] , een lid van Caloh Wagoh, op de motor naar Almere gebracht. [bijnaam] had het geld opgehaald in Amsterdam. Dit was € 80.000,-. [kroongetuige] heeft hiervan € 10.000,- ontvangen. Hij heeft ook € 10.000,- voor [naam 24] meegekregen en dit aan hem gegeven. Het hof acht deze verklaring van [kroongetuige] betrouwbaar, omdat die op belangrijke onderdelen bevestiging vindt in meerdere bewijsmiddelen. Het hof zal dat hieronder nader uitwerken. 6.3.2.
- De onderbouwing van de verklaringen van [kroongetuige] en overige bewijsoverwegingen Naar aanleiding van het onderzoek naar deze liquidatie en de door [kroongetuige] afgelegde verklaringen is het volgende gebleken. 6.3.2.3.
- Wapen ophalen op 4 juli 2017 Uit de historische verkeersgegevens van het telefoonnummer van [kroongetuige] blijkt dat (het toestel met) zijn nummer zich op 4 juli 2017 vanuit Zaandam naar Malden heeft verplaatst. Daar woont de president van het Nijmeegse chapter van Caloh Wagoh, [naam 9] . [kroongetuige] heeft hier de Zastava opgehaald. Vervolgens blijkt uit de historische verkeersgegevens van [kroongetuige] dat zijn nummer zich na Malden naar (de directe omgeving van) de loods in Mijdrecht heeft verplaatst. 6.3.2.3.
- Vluchtauto’s en wapens Op 7 juli 2017 is er om 15.02 uur bij de 112-alarmcentrale melding gemaakt van een schietincident bij NSstation Breukelen. Daarbij is gemeld dat een Seat Leon Cupra met het kenteken [kenteken] hard is weggereden. Deze Seat werd om 15.55 uur aangetroffen in Loenersloot. Naast de auto lag een jerrycan op de grond. De Seat Leon met het kenteken [kenteken] is op 21 juni 2017 in Utrecht gestolen. [kroongetuige] heeft verklaard dat hij deze Seat ook bij het schieten op een woning in Doorn heeft gebruikt. Dit heeft plaatsgevonden op 29 juni
- Verder heeft [kroongetuige] verklaard dat hij anderhalf uur op [naam 35] heeft moeten wachten toen hij deze auto in Utrecht is gaan ophalen en dat hij de auto direct daarna naar de loods in Mijdrecht heeft gebracht. Uit de historische verkeersgegevens van het telefoonnummer van [kroongetuige] blijkt dat dit nummer in de periode van 21 juni 2017 tot en met 29 juni 2017 alleen op 24 en 25 juni 2017 in Utrecht heeft aangestraald. Op 24 juni 2017 straalde het nummer van [kroongetuige] slechts kort in Utrecht aan en 48 minuten daarna in Den Haag. De reistijd tussen deze twee masten is 44 minuten. Het hof concludeert dat dit beeld van aanstralen past bij een doorgaande verplaatsing van Utrecht naar Den Haag. Op 25 juni 2017 heeft de telefoon van [kroongetuige] een uur en veertien minuten in Utrecht aangestraald. Daarna verplaatste het toestel van [kroongetuige] zich naar Mijdrecht. Rondom deze periode belde [naam 35] ( [naam 35] ) naar [kroongetuige] en omgekeerd. Het hof constateert dat de gegevens van 25 juni 2017 passen bij de verklaring van [kroongetuige] over het ophalen van een Seat Leon in Utrecht en het direct daarna wegbrengen van deze auto naar Mijdrecht. In de Seat Leon met het kenteken [kenteken] werden een Scorpion met patroonmagazijn, een Zastava met patroonmagazijn en een demper die op de Zastava past aangetroffen. Op parkeerplaats P2 bij NSstation Breukelen zijn kogels en hulzen gevonden. Er is een vergelijkend wapen- en munitieonderzoek met de in Breukelen aangetroffen munitie en de in de Seat aangetroffen wapens gedaan. Daaruit volgt dat de aangetroffen munitie is verschoten met beide aangetroffen wapens. Op ruwe delen van de Scorpion is celmateriaal gevonden waarvan het DNA-profiel matcht met dat van [medeverdachte 14] . Dit past bij de verklaring van [kroongetuige] dat [medeverdachte 14] op 6 juli 2017 de Scorpion in de loods in Mijdrecht heeft gecontroleerd. Op 17 juli 2017 werd in Vinkeveen een Peugeot 308 SW met de kentekenplaten [kenteken] aangetroffen. Op deze kentekenplaten ontbraken de lamineercode en het fabrikantstempel. Deze platen waren dus vals. Uit het chassisnummer werd afgeleid dat het originele kenteken van dit voertuig [kenteken] is. Deze auto is tussen 18 en 19 mei 2017 in Capelle aan den IJssel gestolen. Op de achterkant van een van de kentekenplaten [kenteken] zijn vingerafdrukken van [naam 24] aangetroffen. 6.3.2.3.
- [naam 24] is de schutter Op 7 juli 2017 omstreeks 15.07 uur werd er naar de 112-alarmcentrale gebeld over een persoon die een man neerschoot. De getuige heeft van deze persoon een foto gemaakt. De getuige meldde dat hij eerst een paar schoten hoorde en dat hij toen zag dat de schutter er met een handvuurwapen op af liep. De schutter was een bolle man, met een sjaal voor zijn gezicht en een petje op. De sjaal was wit en zwart. [kroongetuige] heeft verklaard dat [naam 24] op 7 juli 2017 in het zwart was gekleed, een doek voor zijn gezicht had en een petje droeg. Ook heeft [kroongetuige] verklaard dat [naam 24] er precies zo uitzag zoals op de foto van de getuige. [kroongetuige] zelf droeg een roze polo. Het hof ziet in de verklaring van de getuige die naar de 112-alarmcentrale heeft gebeld, waarbij ook melding is gemaakt van de volgorde van schieten, ondersteuning voor de verklaring van [kroongetuige] over hoe [naam 24] eruit zag tijdens het schietincident op 7 juli 2017 en het gebruikmaken door [naam 24] van twee wapens. In de Seat Leon is celmateriaal aangetroffen waarvan het DNAprofiel matcht met dat van [naam 24] : op de sleutel uit het contact, de hoofdsteun van de bestuurdersstoel, de hoofdsteun van de achterbank rechts, de hoofdsteun van de achterbank midden, de hoofdsteun van de bijrijdersstoel, de paneelgreep van het portier rechts voor, de paneelgreep van het portier links voor, de grendel aan de binnenkant van het portier linksachter en de grendel aan de binnenkant van het portier rechtsvoor. Ook het DNAprofiel van het celmateriaal dat is gevonden op de jerrycan naast de Seat Leon en op de in de Seat Leon aangetroffen Scorpion, Zastava en demper matcht met dat van [naam 24] . In de Peugeot 308 werd ook celmateriaal aangetroffen waarvan het DNAprofiel matcht met dat van [naam 24] : op het portier rechtsachter, het portier linksvoor, het stuur rondom, de versnellingspook, de handrem en op de twee schroeven van de kentekenplaat [kenteken] achter en op een in de Peugeot 308 aangetroffen handschoen. Vanwege de matchkans gaat het hof ervan uit dat het telkens om het celmateriaal van [naam 24] gaat. 6.3.2.3.
- De lokker Het slachtoffer [slachtoffer 21] maakte gebruik van een gehuurde Volkswagen Golf met een trackentracesysteem. Hierdoor kon worden uitgelezen dat hij op 5 juli 2017 omstreeks 14.16 uur zijn auto op parkeerplaats P2 van NSstation Breukelen heeft geparkeerd en dat hij daar omstreeks 19.42 uur weer is vertrokken. [slachtoffer 21] maakte gebruik van een iPhone 6 en een BlackBerry Q10 (een PGP-toestel). Uit de historische verkeersgegevens blijkt dat deze telefoons tussen 14.16 uur en 19.42 uur een reisbeweging hebben gemaakt naar Maarssenbroek, Utrecht, Rotterdam en weer terug naar Utrecht. Op de iPhone 6 werden drie foto’s van een waterscooter aangetroffen. Uit de tijd en GPS-coördinaten van deze foto’s bleek dat deze om 14.35 uur op de [adres] in Utrecht zijn gemaakt. Uit de iPhone 6 bleek verder dat [slachtoffer 21] op 5 juli 2017 om 15.00 uur een afspraak had in Zoetermeer. Om 16.34 uur stuurde hij via een ander PGP-toestel naar zijn vriendin het bericht: “Heb net waterscooter gehaald en weggelegd in garagebox”. Op basis van deze bevindingen zijn op 5 juli 2017 over drie tijdvakken de gegevens van de ARScamera’s in Zoetermeer en Rotterdam bevraagd. Daaruit kwam slechts één kenteken naar voren dat vanaf Zoetermeer (via Rotterdam en Utrecht) dezelfde reisbeweging heeft gemaakt als de telefoons van [slachtoffer 21] . Dit betrof een Renault Kangoo, kleur grijs, met het kenteken [kenteken] . Uit een onderzoek door het NFI waarover op 21 november 2018 is gerapporteerd, blijkt dat de bevindingen 500.000 keer waarschijnlijker zijn als de iPhone en de PGP van [slachtoffer 21] met deze Renault Kangoo reisden dan als zij met een ander vervoermiddel reisden. In november 2017 heeft een verbalisant de Renault Kangoo voorzien van het kenteken [kenteken] op het woonwagenkamp aan de [adres] in Utrecht zien staan. Dit voertuig stond op 5 juli 2017 op naam van [naam 21] van [bedrijf] . Dit bedrijf had met [naam 19] een huurovereenkomst voor deze auto gesloten. Die [naam 19] woonde op het kamp en heeft verklaard dat ‘ [bijnaam verdachte] ’ een keer de Renault Kangoo had meegenomen en dat dat te maken had met een waterscooter. ‘ [bijnaam verdachte] ’ is door hem beschreven als een [bijnaam verdachte] , slanke, blanke man met kort bruin of zwart haar. Naar aanleiding van de reisbewegingen van de telefoons van [slachtoffer 21] , de locatiegegevens van de genomen foto’s en de afspraak in Zoetermeer zijn de mastgegevens van 5 juli 2017 van de locaties Utrecht, Zoetermeer en Rotterdam opgevraagd. Daaruit bleek dat in het tijdvak dat [slachtoffer 21] daar is geweest 21 verschillende PGP-toestellen masten in Rotterdam hebben aangestraald. Uit de gegevens van deze toestellen bleek dat op 5 juli 2017 tussen 13.52 uur en 20.21 uur één PGPtoestel hetzelfde traject heeft afgelegd als de toestellen van [slachtoffer 21] en de Renault Kangoo. Dit is het PGP-toestel met het IMEInummer #
- Het toestel #6650 is op 8 juli 2017 om 00.02 uur, enkele uren na de moord op [slachtoffer 21] , uit het netwerk gegaan en daarna niet meer gebruikt. Uit analyse van de verkeersgegevens is gebleken dat dit toestel ’s nachts, althans aan het einde en het begin van de dag, meestal de mast aan de [adres] in Breukelen aanstraalde. Hieruit kan worden opgemaakt dat de gebruiker van dit toestel in de directe omgeving van deze mast woonde. In de nacht van 6 op 7 juli 2017 heeft het toestel #6650 zich van Amsterdam naar Utrecht en weer terug verplaatst. Binnen dat tijdsbestek hebben vier voertuigen over dit traject van de A2 gereden. Een van die voertuigen is een BMW 330E met het kenteken [kenteken] op naam van [bedrijf] . Die BMW was verhuurd aan [getuige 9] . Op 6 juli 2017 heeft deze BMW ook een traject afgelegd dat past bij de verplaatsing van het PGP-toestel #
- Omdat het telefoonnummer van [getuige 9] toen voornamelijk aanstraalde in zijn woonplaats Nieuwegein, gaat het hof ervan uit dat iemand anders dan [getuige 9] de BMW 330E heeft gebruikt. De gebruiker van #6650 had dus zowel contact met personen die op het woonwagenkamp woonden als met [getuige 9] . Uit een vergelijking van de historische verkeersgegevens van de telefoonnummers van deze personen kwam één gemeenschappelijk contact naar voren: (de gebruiker van) het nummer [telefoonnummer] . [verdachte] heeft verklaard dat dit zijn telefoonnummer is. [verdachte] woonde toen in Breukelen en heeft verklaard dat zijn bijnaam [bijnaam verdachte] is. Zijn vriendin heeft via haar nicht in de periode van 2 tot en met 9 juli 2017 vier met de BMW 330E met het kenteken [kenteken] gereden verkeersboetes betaald. In een telefoon van [slachtoffer 21] stond een telefoonnummer van [verdachte] onder de naam ‘ [contactnaam] ’ opgeslagen. Uit de historische verkeersgegevens blijkt dat er geen afwijkende locatiegegevens voor het telefoonnummer *9904 en het PGP-toestel #6650 in de periode van 4 juli 2017 tot en met 8 juli 2017 kunnen worden vastgesteld. Het hof gaat er op basis van het voorgaande van uit dat [verdachte] de gebruiker is geweest van het telefoonnummer *9904, het PGP-toestel #6650 en de BMW 330E met het kenteken [kenteken] . Ook gaat het hof ervan uit dat [verdachte] op 5 juli 2017 de Renault Kangoo met het kenteken [kenteken] heeft geleend om de waterscooter van het kamp aan de [adres] in Utrecht naar Zoetermeer te vervoeren. Hoewel de kans op het sporenbeeld volgens het rapport van het NFI van 21 november 2018 even groot is bij de hypothese dat [verdachte] en [slachtoffer 21] zich bij elkaar in één voertuig bevonden als bij de hypothese dat zij zich in aparte voertuigen in elkaars directe omgeving bevonden, is uit het genoemde onderzoek van de ARS-camerabeelden geen tweede voertuig naar voren gekomen dat een vergelijkbare route als de Renault Kangoo heeft afgelegd. Het hof concludeert dat [verdachte] op 5 juli 2017 voorafgaande aan het moment dat [slachtoffer 21] geliquideerd moest worden met [slachtoffer 21] samen is geweest en dat hij, conform de verklaring van [kroongetuige] over de lokker, in een grijze bestelauto reed. Op 5 juli 2017 tussen 12.16 uur en 12.45 uur heeft [verdachte] de BMW 330E met het kenteken [kenteken] van Breukelen naar het kamp in Utrecht verplaatst. Om 12.36 uur vond het laatste contact plaats met het telefoonnummer *
- Vanaf 12.43 uur (twee minuten voor aankomst op het kamp) was dit nummer uitgeschakeld of stond het in de vliegtuigmodus. Om 13.30 uur vertrok de BMW 330E met het kenteken [kenteken] naar Ermelo, samen met de telefoons van twee bewoners van het kamp en [naam 19] , de huurder van de Renault Kangoo met het kenteken [kenteken] . Het PGP-toestel #6650 straalde om 13.21 uur aan op een mast in de buurt van het kamp. Om 13.52 uur straalde het PGPtoestel een mast aan nabij de woning van [verdachte] in Breukelen of NSstation Breukelen. Het hof leidt hieruit af dat anderen dan [verdachte] zich met de BMW 330E met het kenteken [kenteken] naar Ermelo hebben verplaatst en dat [verdachte] met de Renault Kangoo is teruggereden naar Breukelen. Om 14.16 uur heeft [slachtoffer 21] zijn Volkswagen Golf bij NSstation Breukelen geparkeerd. Om 14.35 uur heeft hij drie foto’s gemaakt van een waterscooter op het woonwagenkamp aan de [adres] in Utrecht. Het hof leidt hieruit af dat [slachtoffer 21] bij NSstation Breukelen door [verdachte] is opgehaald en dat [slachtoffer 21] en [verdachte] , gelet op het tijdsverloop en de afstand tussen Breukelen en Utrecht, direct naar het kamp zijn gereden. Daarna hebben zij zich verplaatst naar Zoetermeer en van Zoetermeer naar Rotterdam, om daarna van Rotterdam langs Utrecht weer terug naar Breukelen te rijden. Om 19.42 uur vertrok [slachtoffer 21] vanaf NSstation Breukelen in zijn Volkswagen Golf. Omstreeks 20.08 uur werd het telefoonnummer *9904 weer ingeschakeld. Dit toestel straalde toen aan op een mast in de buurt van het woonwagenkamp in Utrecht. Om 22.51 uur reed de BMW 330E met het kenteken [kenteken] samen met de *9904 en de #6650 vanaf het kamp naar de woning van [verdachte] in Breukelen. Op 7 juli 2017 beschikte [verdachte] over de BMW 330E met het kenteken [kenteken] . [kroongetuige] heeft verklaard dat de lokker er op 7 juli 2017 niet bij zou zijn, maar dat de lokker wel om 15.00 uur met [slachtoffer 21] op dezelfde plek had afgesproken. Getuige [getuige 11] heeft verklaard dat [slachtoffer 21] op 7 juli 2017 om 16.00 uur een afspraak had in Rotterdam en eerst nog langs Utrecht moest. In de ochtend van 7 juli 2017 stond de BMW met het kenteken [kenteken] in de directe omgeving van de woning van [verdachte] geparkeerd. De *9904 en de #6650 straalden een mast aan in de buurt van de woning van [verdachte] . Om 12.42 uur reed de BMW 330E met het kenteken [kenteken] naar het kamp in Utrecht. De *9904 en de #6650 straalden aan op een mast nabij het kamp aan de [adres] in Utrecht. Om 14.52 uur reed de BMW 330E met het kenteken [kenteken] naar Utrecht Overvecht. Daar vonden er uitgaande sessies plaats met zowel de *9904 als de #6650 om respectievelijk 15.08 uur en 15.14 uur. Om 15.21 uur bleek het toestel met het nummer *9904 te zijn uitgeschakeld of in de vliegtuigmodus te zijn gezet, althans op dat moment werden er twee oproepen naar de voicemail doorgeschakeld. Het hof constateert dat dit dan tussen 15.08 uur en 15.21 uur moet zijn gebeurd. Om 15.20 uur reed de BMW via de A2 in de richting van NSstation Breukelen. Om ongeveer 15.00 uur werd [slachtoffer 21] daar neergeschoten. [slachtoffer 21] werd om 15.45 uur naar het AMC vervoerd. Om 15.32/33 uur reed de BMW 330E met het kenteken [kenteken] langs de parkeerplaats van NSstation Breukelen. De BMW reed vervolgens zonder tussenstop via de N402 terug naar het kamp in Utrecht, waar de auto om 15.57 uur aankwam. Daar bleef de BMW 330E met het kenteken [kenteken] twee minuten, voordat de auto naar dezelfde locatie in Utrecht Overvecht reed, waar deze om 16.09 uur aankwam. Om 16.11 uur vond er weer uitgaand contact plaats met het telefoonnummer *
- Het hof constateert dat het toestel met dit nummer dan (weer) is geactiveerd. [kroongetuige] heeft verklaard dat de groep van de opdrachtgever de voertuigen, wapens en lokkers voor de liquidaties regelde. Het hof vindt ondersteuning voor deze verklaring in een PGP-chatgesprek van 9 juli 2017 tussen ‘C murder’, veredeld als [medeverdachte 14] , en ‘B.I.G’, veredeld als [medeverdachte 4] . In dit chatgesprek vertelt [medeverdachte 4] aan [medeverdachte 14] dat hij de lokkers, spotters, fietsen en ijzers betaalt. In de woning van [naam 3] is administratie van simkaarten en PGP-toestellen aangetroffen. In deze administratie stond een simnummer vermeld dat in combinatie met het IMEI-nummer #4400 is gebruikt. Het PGP-toestel met dit IMEI-nummer is op 4 juni 2017 onder [verdachte] inbeslaggenomen. Uit deze administratie valt ook af te leiden (zie bijlage 3 veredelingen en identificaties) dat er PGPtoestellen zijn verstrekt aan ‘B.I.G’ en ‘The wizzard’. [naam 3] is verdachte in het onderzoek 09Kreta (naar de liquidatie van [naam 40] in 2016). Het hof leidt hieruit af dat [verdachte] in ieder geval in de periode vóór de moord op [slachtoffer 21] over een PGP-toestel beschikte en dat dit toestel afkomstig was van de groep van de opdrachtgever. Op een gegevensdrager van [medeverdachte 14] is een PGP-chatgesprek aangetroffen van 6 juli
- Dit gesprek wordt gevoerd tussen een persoon van wie de naam deels te lezen valt, ‘…der’, en [medeverdachte 4] . Gelet op de bevindingen in bijlage 3 (veredelingen en identificaties) gaat het hof ervan uit dat ‘…der’ ‘C murder’ en dus [medeverdachte 14] is. In dit chatgesprek stuurt [medeverdachte 4] een bericht door van ‘Sir’. Het hof beschouwt de persoon achter dit account als de opdrachtgever. In dit bericht staat: “Luister het kan wanneer staan ze daar we gaan zeggen kom daar zeg jij een tijd dan is hij daar wij zijn er niet [bijnaam verdachte] laat hem even wachte maar zorg echt bro dat het niet”. [medeverdachte 14] stuurt hierop het bericht dat hij er “morgen 1000% is”. Uit een proces-verbaal blijkt dat [verdachte] in de periode 2016 tot en met 2019 diverse malen al dan niet ’s nachts in huurauto’s is aangetroffen. Daarbij werden de volgende voorwerpen gevonden: bakens, PGPtoestellen, SD-kaartjes (met foto’s van personen, voertuigen en kentekens), een camera, verrekijkers, bivakmutsen, zaklampen, de app TrackIt en de app BlueEye die waarschuwt als er hulpdiensten naderen. Ook werden bij [verdachte] diverse grote geldbedragen en dure horloges gevonden en bleek zijn huurwoning zichtbaar vernieuwd, terwijl [verdachte] geen baan had en zijn partner in de thuiszorg werkte. Ook werd hij eind 2017 tweemaal samen met [naam 37] in een auto aangetroffen. [naam 37] wordt vervolgd in het onderzoek Marengo, waarin een vermeende criminele organisatie die het plegen van moorden tot oogmerk heeft centraal staat. 6.3.2.3.
- Loods in Mijdrecht en verblijf bij [medeverdachte 13] na de liquidatie De loods aan de [adres] in Mijdrecht is eigendom van [naam 10] . Hij heeft verklaard dat hij voor de verhuur van dit pand onder anderen contact heeft gehad met [medeverdachte 13] . [medeverdachte 13] beschikte in ieder geval vanaf eind juni 2017 over twee sleutels van de loods waarvan hij er in ieder geval één aan [kroongetuige] heeft gegeven. Twee getuigen van een bedrijfspand tegenover de loods hebben verklaard dat [medeverdachte 13] naar hen is toegekomen om te zeggen dat als er problemen waren, zij niet de politie moesten bellen maar [medeverdachte 13] moesten benaderen. Dit was nadat door een medewerker de Seat Leon met het kenteken [kenteken] in de loods aan de [adres] was gezien. Op 7 juli 2017 werd tussen 18.29 uur en 21.16 uur met het telefoonnummer van [medeverdachte 13] negentien keer naar telefoonnummers van [naam 24] en de familie van [naam 24] gebeld en werd op deze telefoon van [medeverdachte 13] op internet gezocht naar informatie over een schietincident bij NSstation Breukelen. Vóór 7 juli 2017 werd met dit telefoonnummer nooit naar nummers van (familie van) [naam 24] gebeld. Tussendoor werd met het toestel van [medeverdachte 13] naar twee contacten van [medeverdachte 13] zelf gebeld. Het hof leidt hieruit af dat zowel [medeverdachte 13] zelf als [naam 24] (en [kroongetuige] ) gebruik hebben gemaakt van het toestel van [medeverdachte 13] en dat zij dus met elkaar in (fysiek) contact zijn geweest in de woning van [medeverdachte 13] en dat daarbij de liquidatie van [slachtoffer 21] ter sprake is gekomen. 6.3.2.3.
- Contact [medeverdachte 14] en opdrachtgevers In de PGP-telefoon van [kroongetuige] die in het vakantiehuisje in Simonshaven is aangetroffen, zijn de contactpersonen ‘B.I.G’, ‘The wizzard’ en ‘C murder’ aangetroffen. Uit de gegevens van het toestel blijkt dat op 5, 6 en 7 juli 2017 een groot aantal berichten tussen de PGP-telefoons van [kroongetuige] en [medeverdachte 14] is uitgewisseld. Bij [medeverdachte 14] is op een laptop een foto van [slachtoffer 21] aangetroffen. Op 27 april 2017 vindt er een PGP-chatgesprek plaats tussen [medeverdachte 14] en [medeverdachte 4] . [medeverdachte 4] zegt tegen [medeverdachte 14] dat hij [slachtoffer 21] moet lokken. [medeverdachte 14] antwoordt hierop: “Al die namen die jullie me zeggen checc ik”. Op 5 juli 2017 stuurt [medeverdachte 14] : “Begrijp dit ook niet meer” en “W(…) perfect dit was”. [medeverdachte 4] stuurt een grotendeels onleesbaar bericht van een ander door. Dit doorgestuurde bericht is om “19.2x” verstuurd. Om 19.37 uur heeft [kroongetuige] met 112 gebeld om onder de liquidatie uit te komen. Op 6 juli 2017 stuurt [medeverdachte 4] het eerdergenoemde bericht van ‘Sir’, de opdrachtgever, door over ‘ [bijnaam verdachte] ’ die hem laat wachten. Ook stuurt [medeverdachte 4] een bericht van ‘Sir’ door inhoudende dat [medeverdachte 14] een tijd moet laten weten als hij heel zeker is en dat ze daar dan moeten staan. Als “die hond” aankomt, moet hij meteen “weg”. Op 7 juli 2017 stuurt [medeverdachte 14] om 15.22 uur aan [medeverdachte 4] berichten van iemand anders door dat de “Aktie al is gebeurd” en dat “Branden alleen niet [is] gelukt”. Op 8 juli 2017 heeft [medeverdachte 14] het tegen [medeverdachte 4] over “die man van gisteren”. [medeverdachte 4] stuurt dan een bericht van ‘Sir’, de opdrachtgever, door: “Sir onze vyanden zyn onze vyanden we ruimen voor niemand iets op puur onze dingen laat dat duidelyk zyn sir u weet dit zyn geen spelletjes en met dood spelen of andere helpen doen we nooit! Die [slachtoffer 21] is onze vyand al sinds lang met ze grote bek”. Het hof leidt hieruit af dat [medeverdachte 14] de naam van [slachtoffer 21] van de opdrachtgever heeft doorgekregen en dat hij zijn opdrachtgever op de hoogte heeft gehouden van de voortgang van de liquidatie. 6.3.2.3.
- Geld ophalen bij [medeverdachte 14] op 8 juli 2017 Op 8 juli 2017 heeft [medeverdachte 14] opnieuw contact met [medeverdachte 4] via de PGP. [medeverdachte 4] meldt dat [medeverdachte 14] een ‘niffo’ kan sturen. [medeverdachte 14] vraagt of het op dezelfde plek kan en hij meldt dat hij hem stuurt en dat hij op de motor komt. Om 13.58 uur duurt het volgens [medeverdachte 14] nog twintig minuten. [medeverdachte 4] vraagt vervolgens aan [medeverdachte 14] hoeveel hij aan ‘wizz’ moet geven. [medeverdachte 14] antwoordt dat dit drie is en dat er dus 67 overblijft. [kroongetuige] heeft verklaard dat hij het geld voor de liquidatie van [slachtoffer 21] op 8 juli 2017 bij [medeverdachte 14] in Almere heeft opgehaald en dat [bijnaam] het geld in Amsterdam heeft opgehaald en op de motor naar Almere heeft gebracht. Tussen 16.18 uur en 16.43 uur straalde het toestel van [kroongetuige] aan in Almere. Het toestel van [medeverdachte 14] straalde tussen 12.29 uur en 16.40 uur masten aan in de omgeving van zijn woning in Almere. 6.3.2.
- De rol van [medeverdachte 14] Het hof leidt uit de bewijsmiddelen af dat [medeverdachte 14] zich heeft schuldig gemaakt aan het medeplegen van de moord op [slachtoffer 21] op 7 juli 2017 in Breukelen. [medeverdachte 14] heeft voor, tijdens en na de liquidatie een belangrijke rol vervuld. Hij heeft de opdracht om [slachtoffer 21] te vermoorden aangenomen en heeft samen met [kroongetuige] een voorverkenning gedaan. Hij heeft de uitvoering van de liquidatie uitgezet bij [kroongetuige] en [naam 24] en via [medeverdachte 4] de auto’s en een wapen geregeld. Na de afgebroken actie op 5 juli 2017 heeft [medeverdachte 14] de druk bij [kroongetuige] opgevoerd om de liquidatie alsnog te plegen. Met [medeverdachte 4] heeft [medeverdachte 14] afgestemd dat het op 7 juli 2017 om 15.00 uur zou gebeuren. Op 7 juli 2017 heeft [medeverdachte 14] regie gevoerd bij de uitvoering van de liquidatie en na afloop verslag uitgebracht aan [medeverdachte 4] en de opdrachtgever. Op 8 juli 2017 heeft [medeverdachte 14] de uitvoerders betaald. Hoewel uit het dossier blijkt dat [medeverdachte 14] niet aanwezig was bij de feitelijke uitvoering van de moord op [slachtoffer 21] , is hiermee sprake van een nauwe en bewuste samenwerking tussen [medeverdachte 14] en [medeverdachte 4] , [kroongetuige] en [naam 24] , waarbij de bijdrage van [medeverdachte 14] van voldoende gewicht is geweest om van medeplegen te kunnen spreken. Bij [medeverdachte 14] is ook sprake geweest van voorbedachte raad om [slachtoffer 21] van het leven te beroven. Er was sprake van kalm beraad en er zijn vele momenten geweest waarop van het plan kon worden afgezien. 6.3.2.
- De rol van [medeverdachte 4] De verdediging van [medeverdachte 4] heeft vrijspraak bepleit, omdat [medeverdachte 4] in de ten laste gelegde periode naar eigen zeggen niet meer over de PGPtelefoon met het ‘B.I.G’-account beschikte en het tegendeel – zeker voor de tijd na 18 juni 2017 – niet is vast te stellen. In bijlage 3 (veredelingen en identificaties) bij dit arrest heeft het hof anders geconcludeerd. Voor het deelonderzoek Breuk gaat het hof ervan uit dat [medeverdachte 4] de gebruiker van het ‘B.I.G’-account was. Subsidiair heeft de verdediging van [medeverdachte 4] zich op het standpunt gesteld dat de gefilmde berichten een te gefragmenteerd beeld geven en dat er daarom geen bewijs is voor strafbare betrokkenheid van [medeverdachte 4] . Het klopt op zich dat de gefilmde berichten geen volledig beeld geven van alles wat de betrokkenen (mogelijk) hebben besproken. Het hof gebruikt deze berichten dan ook alleen voor het bewijs voor zover zij in combinatie met andere bewijsmiddelen voldoende betekenis hebben. Het hof leidt uit de bewijsmiddelen af dat [medeverdachte 4] zich heeft schuldig gemaakt aan het medeplegen van de moord op [slachtoffer 21] op 7 juli 2017 in Breukelen. Uit de deelonderzoeken Mus, Barbera en Arford blijkt dat [medeverdachte 4] zich samen met de criminele organisatie van de opdrachtgever bezighield met het uitlokken van [medeverdachte 14] tot het plegen van liquidaties. Uit het samenstel van gedragingen in het deelonderzoek Breuk blijkt dat de betrokkenheid van [medeverdachte 4] bij de uitvoering van de moord op [slachtoffer 21] verder strekte dan de uitlokking vooraf en de betaling achteraf. Uit het bericht van 27 april 2017 komt naar voren dat [medeverdachte 4] toen al met [medeverdachte 14] over het lokken van [slachtoffer 21] heeft gesproken. [kroongetuige] heeft verklaard dat de organisatie van de opdrachtgever alles regelde, de gestolen auto’s, de wapens en de lokkers. Dat dit ook in het deelonderzoek Breuk is gebeurd en dat [medeverdachte 4] daaraan een bijdrage van betekenis heeft geleverd, vindt bevestiging in de chat van [medeverdachte 4] van 9 juli 2017 inhoudende dat hij eigenlijk al het werk doet: “Ik betaal lokkers spotters alles bro fietsen ijzers”. [medeverdachte 4] werd bovendien direct ervan op de hoogte gebracht dat het op 5 juli 2017 niet was gelukt en stuurde op 6 juli 2017 berichten door van de opdrachtgever over een nieuw te maken afspraak. [medeverdachte 14] gaf in de chat aan dat het 6 juli 2017 stroef ging maar “morgen 1000%” en vroeg [medeverdachte 4] of hij het bericht doorstuurde. [medeverdachte 4] stuurde vervolgens een bericht van ‘Sir’, de opdrachtgever, door dat [medeverdachte 14] een tijd moet zeggen als hij heel zeker is en dat ze daar dan moeten staan. “Als die hond aan komt, moet hij meteen weg.” Op 7 juli 2017 liet [medeverdachte 14] om 15.21 uur en 15.22 uur aan [medeverdachte 4] weten dat behalve het branden (van de vluchtauto) de actie was gelukt. [medeverdachte 4] reageerde door [medeverdachte 14] sterkte te wensen. Op 8 juli 2017 heeft [medeverdachte 4] de beloning voor de moord uitbetaald via een van de mannen van [medeverdachte 14] aan [medeverdachte 14] . Bovenstaande omstandigheden houden in dat [medeverdachte 4] een zodanig significante bijdrage aan de uitvoering van de moord op [slachtoffer 21] heeft geleverd dat hij als medepleger van die moord kan worden gezien. Ook volgt daaruit dat er bij [medeverdachte 4] sprake is geweest van voorbedachte raad om [slachtoffer 21] van het leven te beroven. Er was sprake van kalm beraad en er zijn vele momenten geweest waarop van het plan kon worden afgezien. 6.3.2.
- De rol van [medeverdachte 13] De verdediging heeft bepleit dat [medeverdachte 13] van alle ten laste gelegde feiten wordt vrijgesproken, op de grond dat er geen ondersteunend bewijs is voor de wisselende verklaringen van [kroongetuige] . Uit het dossier is niet af te leiden dat [medeverdachte 13] een zodanig substantiële bijdrage heeft geleverd aan de moord op [slachtoffer 21] dat kan worden gesproken van het medeplegen van moord of medeplichtigheid daaraan. Het hof zal [medeverdachte 13] daarom vrijspreken van het primair en het subsidiair tenlastegelegde. Uit de bewijsmiddelen leidt het hof af dat [medeverdachte 13] zich schuldig heeft gemaakt aan voorbereidingshandelingen voor moord door in de ten laste gelegde periode samen met anderen auto’s en wapens die bestemd waren tot het begaan van dat misdrijf voorhanden te hebben. In een geval als dit, waarin het medeplegen van het voorhanden hebben van een voorwerp als bedoeld in artikel 46 van het Wetboek van Strafrecht is ten laste gelegd, moet komen vast te staan dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking door de verdachte met een of meer anderen, die was gericht op het voorhanden hebben van zo’n voorwerp. De verdachte moet het voorwerp opzettelijk voorhanden hebben gehad. Daarvoor is vereist dat de verdachte zich bewust was van de (waarschijnlijke) aanwezigheid van het voorwerp, zonder dat die bewustheid zich hoeft uit te strekken tot de specifieke eigenschappen en kenmerken van dat voorwerp of tot de exacte locatie daarvan. Voor het bewijs van een dergelijke bewustheid geldt dat daarvan ook sprake kan zijn in een geval dat het niet anders kan dan dat de verdachte zulke bewustheid heeft gehad. Daarnaast moet vaststaan dat de verdachte tezamen met de mededader(s) feitelijke macht over het voorwerp heeft kunnen uitoefenen in de zin dat hij daarover kon beschikken. Daarvoor hoeft het voorwerp zich niet noodzakelijkerwijs in de directe nabijheid van de verdachte te bevinden (zie HR 13 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:193). Om tot een bewezenverklaring van de in artikel 46, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde voorbereiding van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld te komen, is het voldoende dat het opzet van de verdachte op het begaan van dat misdrijf is gericht, zonder dat een concretisering van het voor te bereiden misdrijf naar tijdstip, plaats en wijze van uitvoering is vereist (zie HR 14 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:416). Het hof gaat er op grond van de bewijsmiddelen van uit dat [medeverdachte 13] voor Caloh Wagoh heeft bemiddeld bij de huur van de loods aan de [adres] in Mijdrecht. [medeverdachte 13] woonde op dat moment vlakbij dat adres, boven de loods aan de [adres] , en kende de eigenaar van de loods aan de [adres] . Kort nadat de vorige huurder het pand had verlaten – op 20 juni 2017 – is [adres] gehuurd. [medeverdachte 13] beschikte aanvankelijk over beide sleutels van de loods. Eén daarvan heeft hij aan [kroongetuige] gegeven. Medewerkers van een in de buurt gelegen bedrijf hebben gezien dat een oudere man de deur van de loods op de [adres] opende, zodat anderen (mannen met hesjes) met hem naar binnen konden. Deze mannen kwamen daar om in het pand te klussen en dit was vanaf augustus
- De oudere man die vlakbij woonde, ‘ [naam gelijkend op medeverdachte 13] ’, was op de zaak geweest om te vertellen dat zij bij hem moesten zijn als er problemen waren en dat zij niet de politie moesten bellen. Het hof gaat ervan uit dat [medeverdachte 13] die man is waarover de getuigen hebben verklaard. [kroongetuige] heeft verklaard dat de wapens en de auto’s die voor de liquidatie van [slachtoffer 21] zijn gebruikt in de loods aan de [adres] in Mijdrecht lagen/stonden opgeslagen. Deze verklaring vindt bevestiging in objectieve onderzoeksbevindingen. Zo is de Seat Leon met het kenteken [kenteken] daar door een werknemer van een tegenover de loods gelegen bedrijf gezien en op beelden van 5 juli 2017 van een camera in de buurt van de loods is een voorbijrijdende auto te zien die volgens de politie op een Peugeot 308 SW lijkt. [medeverdachte 14] heeft tegen [kroongetuige] gezegd dat hij [medeverdachte 13] had gevraagd of het goed was dat de loods tijdelijk voor de opslag van wapens en auto’s werd gebruikt. [kroongetuige] heeft ook verklaard dat [medeverdachte 13] vaak kwam kijken als hij iets naar de loods bracht en dan vroeg wat hij nu weer had gebracht. [medeverdachte 13] had volgens [kroongetuige] in ieder geval wetenschap van de aanwezigheid van de Peugeot 308 SW en de wapens in de loods. [kroongetuige] heeft ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat hij toen hij de Scorpion bracht tegen [medeverdachte 13] heeft gezegd dat hij wapens had gebracht. Ook herinnerde hij zich dat hij tegen [medeverdachte 13] heeft gezegd dat hij de Peugeot 308 SW in de loods heeft neergezet toen hij deze auto bracht. [kroongetuige] heeft verder verklaard dat hij op 4 juli 2017 een handvuurwapen heeft opgehaald bij [naam 9] in Malden en dat hij dat wapen in de loods in Mijdrecht in een tas bij de Scorpion heeft gelegd. Naar het oordeel van het hof is sprake geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen [medeverdachte 13] en een of meer anderen die was gericht op het voorhanden hebben van de bij de moord op [slachtoffer 21] gebruikte auto’s en wapens. [medeverdachte 13] heeft deze voorwerpen opzettelijk voorhanden gehad. Uit de verklaringen van [kroongetuige] is af te leiden dat [medeverdachte 13] zich bewust was van de (waarschijnlijke) aanwezigheid van die voorwerpen, met dien verstande dat als [medeverdachte 13] zich niet bewust is geweest van de specifieke eigenschappen en kenmerken of de exacte locatie (in de loods) van (al) die voorwerpen, dit een bewezenverklaring niet in de weg staat. [medeverdachte 13] wist dat er vuurwapens en gestolen auto’s in de loods waren gestald. [medeverdachte 13] beschikte over een sleutel van de loods waarin die voorwerpen waren opgeslagen en heeft samen met [kroongetuige] en [medeverdachte 14] feitelijke macht over de voorwerpen kunnen uitoefenen in de zin dat hij daarover kon beschikken. Uit de verklaringen van de medewerkers van een tegenover de loods gelegen bedrijf leidt het hof af dat [medeverdachte 13] zich ook naar derden toe presenteerde als het aanspreek