Afdeling strafrecht Parketnummer: 21-003036-22 Uitspraakdatum: 12 februari 2025 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, zittingslocatie Badhoevedorp, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, van 5 juli 2022 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken met parketnummers 16-659076-19, 16-659005-21, 16-659018-20 en 16-659044-20 tegen [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] ( [land] ) op [geboortedatum] 1970, momenteel verblijvende in [PI] . 1INLEIDING 1.1. De loop van het onderzoek Op 7 juli 2017 is [slachtoffer 21] van het leven beroofd bij NS-station Breukelen (deelonderzoek Breuk). De politie kwam al snel op het spoor van twee verdachten, [kroongetuige] en [naam 24] . [kroongetuige] werd in oktober 2017 aangehouden in Spanje; [naam 24] in Nederland. [kroongetuige] heeft als verdachte vrijwel direct een bekennende verklaring afgelegd. Vervolgens werd duidelijk dat hij in staat en bereid was om meer te verklaren over mededaders en opdrachtgevers in het onderzoek Breuk, en ook over andere ernstige strafbare feiten. Hij heeft diverse kluisverklaringen afgelegd en uiteindelijk is met hem in november 2018 een overeenkomst als kroongetuige gesloten. Zijn verklaringen hebben nieuwe aanknopingspunten gegeven voor liquidatie-onderzoeken die waren vastgelopen en er is zicht gekregen op een groep personen die zich bezig leek te houden met het plegen van liquidaties en andere strafbare feiten die daarmee verband houden. Op 21 november 2018 is een landelijke actiedag gehouden, waarop vele aanhoudingen zijn verricht en een zeer groot aantal gegevensdragers in beslag is genomen. Het onderzoek naar deze criminele organisatie en de feiten die in dat kader zijn gepleegd, heeft de naam Eris gekregen. 1.2. Het onderzoek Eris Het onderzoek Eris heeft betrekking op 21 verdachten, die ervan worden beschuldigd samen met anderen, al dan niet in wisselende samenstelling, betrokken te zijn geweest bij een of meer liquidaties, pogingen daartoe of voorbereiding daarvan. Zeventien verdachten worden beschuldigd van het vormen van een criminele organisatie gericht op liquidaties, voorbereidingen daartoe en wapendelicten. Daarnaast worden enkele verdachten beschuldigd van andere strafbare feiten. Bij negentien verdachten is uiteindelijk hoger beroep ingesteld en gehandhaafd. In de zaak van de kroongetuige is het door het openbaar ministerie ingestelde hoger beroep ingetrokken. Bij een van de verdachten in de zaak Breuk is geen hoger beroep ingesteld. In dit arrest zijn de beslissingen van het hof opgenomen die in de strafzaak tegen de hierboven genoemde verdachte zijn genomen en de overwegingen die daartoe hebben geleid. Het procesdossier Eris bestaat uit een groot aantal deelonderzoeken, die voor een groot deel onderling met elkaar zijn verweven, al is het maar door de daarop gebaseerde verdenking van deelname aan de criminele organisatie. Deze verwevenheid maakt dat het hof net als de rechtbank niet alleen op de verweren van de betreffende verdachte zal ingaan, maar waar nodig ook op wat in andere zaken is aangevoerd. Voor de leesbaarheid van het arrest gebruikt het hof in plaats van de termen ‘(mede)verdachte’ de namen van de (mede)verdachten: [medeverdachte 14] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 18] , [medeverdachte 17] , [medeverdachte 11] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 7] , [medeverdachte 12] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 6] , [medeverdachte 1] , [kroongetuige] , [naam 24] , [medeverdachte 13] , [medeverdachte 16] , [verdachte] , [medeverdachte 10] , [medeverdachte 9] , [medeverdachte 8] en [medeverdachte 19] . Het hof gebruikt een voorletter in die gevallen waarin meerdere personen in het dossier dezelfde achternaam hebben. Waar het hof de naam ‘ [kroongetuige] ’ noemt, gaat het om [kroongetuige] ; zijn vader wordt steeds aangeduid als [getuige 4] . [kroongetuige] heeft verklaard dat [medeverdachte 14] hem heeft verteld dat ene [naam 45] de opdrachtgever van een aantal liquidaties was. Die naam wordt ook genoemd in een van de door [medeverdachte 14] vastgelegde PGPgesprekken. De officier van justitie heeft in eerste aanleg toegelicht dat [naam 45] ook daadwerkelijk als verdachte wordt beschouwd: hij zou de persoon zijn die aan de organisatie van [medeverdachte 14] liquidatieopdrachten heeft gegeven. Meer in het bijzonder zou zijn gebleken dat [medeverdachte 14] communiceerde met een of meer personen met de volgende gebruikersnamen: ‘Sir’; ‘ENEMY FOR ALL MOTHERFUCKER(S)’; ‘TICKET TO HELL MOTHERFUCKERS’; ‘LAST MAN STANDING’. In het dossier van het onderzoek Eris wordt verwezen naar conclusies waarop de politie baseert dat achter deze PGP-namen de persoon van [naam 45] schuilgaat. De onderliggende onderzoeksbevindingen zijn deels afkomstig uit het onderzoek in de strafzaak Marengo, maar die zijn grotendeels niet gevoegd in het Erisdossier. Omdat [naam 45] in het onderzoek Marengo wordt vervolgd, heeft het openbaar ministerie ervoor gekozen om hem niet ook in het onderzoek Eris te dagvaarden. Dit heeft tot gevolg dat [naam 45] zich in dit proces niet heeft kunnen verweren en dat de rechtbank en het hof hem ook niet hebben kunnen confronteren met aanwijzingen dat hij achter de genoemde PGP-namen schuilgaat. Daarnaast is het voor het beoordelen van de rol van de verdachten in Eris ook niet van belang welke persoon of personen schuilgaan achter de hierboven genoemde gebruikersnamen. Het hof zal daarom spreken van ‘de opdrachtgever’, tenzij de verklaringen van [kroongetuige] of de inhoud van andere bewijsmiddelen wordt weergegeven waarin de naam [naam 45] wordt genoemd. 1.3. Het Eris-dossier De verschillende deelonderzoeken van het onderzoek Eris zijn in chronologische volgorde: Charon, de moord op [slachtoffer 11] op 31 januari 2017; Eend, het beramen van de moord op [slachtoffer 15] in de periode van 2 februari 2017 tot en met 10 januari 2018; 3. Kraai, het beramen van de moord op [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] op 18 februari 2017; 4. Spreeuw, het beramen van de moord op [slachtoffer 2] op 18 februari 2017; 5. Mus, het beramen van de moord op [slachtoffer 3] op 18 februari 2017; 6. Duif, het beramen van de moord op [slachtoffer 12] en [slachtoffer 17] op 18 februari 2017; 7. Barbera, de poging tot/voorbereiding van de moord op [slachtoffer 10] op 9 maart 2017; 8. Arford, de poging tot/voorbereiding van de moord op [slachtoffer 14] , [slachtoffer 5] , [slachtoffer 13] en [slachtoffer 20] op 17 maart 2017; 9. Charlie17, de moord op [slachtoffer 18] op 17 april 2017; 10. Gezicht, de poging om met een raketwerper een granaat af te schieten op een woning in Doorn op 28 juni 2017 en het schieten met een automatisch vuurwapen op een woning in Doorn op 29 juni 2017; 11. Breuk, de voorbereiding van de moord op [slachtoffer 21] op 5 juli 2017 en de moord op [slachtoffer 21] op 7 juli 2017; 12. Langenhorst, de moord op [slachtoffer 23] op 26 juli 2017; 13. Lis, de moord op [slachtoffer 4] op 21 september 2017; 14. Goudvink, de voorbereiding van de moord op [slachtoffer 6] in de periode van juli 2018 tot en met 24 september 2018; 15. Art. 140 Sr, deelname aan de criminele organisatie in de periode van januari 2017 tot en met 21 november 2018. Daarnaast maken de volgende deelonderzoeken deel uit van het onderzoek Eris: 16. Waterspin, de afpersing en poging tot afpersing van [slachtoffer 19] en [slachtoffer 8] in de periode van 2017-2018 (verdachten [medeverdachte 13] en [medeverdachte 19] ); 16. Amarone, het bezit van en de handel in vuurwapens van 15 augustus 2017 tot en met 16 april 2019 (verdachte [medeverdachte 1] ); 16. Brunello, de mishandeling van [slachtoffer 16] op 7 februari 2019 en het bezit van een vuurwapen op 25 oktober 2016 (verdachte [medeverdachte 6] ). De rechtbank heeft over de samenstelling van de dossiers het volgende overwogen: In de strafdossiers van iedere verdachte zijn, behalve het gehele zogeheten Eris-dossier (bovengenoemde achttien deelonderzoeken), tevens gevoegd: alle processen-verbaal van de terechtzittingen van de rechtbank tegen ieder van de Eris-verdachten, met uitzondering van de processen-verbaal over de persoonlijke omstandigheden van de verdachten; alle processen-verbaal van (getuigen)verhoor door de rechter-commissaris die in de zaken van één of meer van de verdachten zijn opgemaakt, met uitzondering van enkele getuigenverklaringen in de zaak Waterspin die alleen in de zaken van verdachten [medeverdachte 13] en [medeverdachte 19] zijn opgenomen; documenten en bescheiden die, op initiatief van de verdediging of anderszins, gedurende de procedure zijn toegevoegd aan het dossier in de zaak tegen één of meer verdachten. Hoewel de meeste verdachten al dan niet op verzoek van een medeverdachte op zitting als getuige zijn gehoord, zijn daarnaast alle processen-verbaal van de zittingen in alle dossiers gevoegd vóórdat het requisitoir en de pleidooien zijn gehouden. Daardoor maken alle verklaringen van alle verdachten zoals afgelegd op de zittingen in bijzijn van hun advocaat deel uit van het procesdossier, dus niet alleen de verklaringen die zij daar als getuige hebben afgelegd, maar ook de verklaringen die zij in hun eigen zaak hebben afgelegd. Dit maakt dat het dossier voor elke verdachte gelijkluidend is. Anders dan in eerste aanleg zijn de processen-verbaal van de behandeling ter zitting in hoger beroep in de zaken van de medeverdachten niet in het dossier van elke verdachte gevoegd. Wel zijn de aanvullingen op de diverse zaakdossiers in het dossier van elke verdachte gevoegd. Daarnaast is het proces-verbaal van het verhoor als getuige van een verdachte in een zaak van een medeverdachte ook gevoegd in het dossier van die verdachte. 1.4. De opbouw van de arresten De arresten zijn in beginsel als volgt opgebouwd: Hoofdstuk 1: Inleiding Hoofdstuk 2: Het vonnis van de rechtbank Hoofdstuk 3: Het hoger beroep Hoofdstuk 4: De verkorte weergave van de tenlastelegging Hoofdstuk 5: De voorvragen, overwegingen en algemene conclusies over de kroongetuige en overwegingen over het onderzoek aan gegevensdragers en locatiegegevens Hoofdstuk 6: De waardering van het bewijs en de conclusies van de veredelingen Hoofdstuk 7: De bewezenverklaring Hoofdstuk 8: De strafbaarheid van de feiten Hoofdstuk 9: De strafbaarheid van de verdachte Hoofdstuk 10: De strafmaat Hoofdstuk 11: Het beslag Hoofdstuk 12: De vorderingen van de benadeelde partijen Hoofdstuk 13: De toepasselijke wettelijke voorschriften Hoofdstuk 14: De beslissing Bijlage 1: De zittingsdagen in eerste aanleg en in hoger beroep per verdachte Bijlage 2: De tenlastelegging per verdachte Bijlage 3: De door het hof vastgestelde veredelingen en identificaties Bijlage 4: De door het hof gebruikte (andere) bewijsmiddelen In bijlage 3 bij dit arrest heeft het hof de gebruikers van diverse PGP-accounts, telefoons, en andere gegevensdragers veredeld en geïdentificeerd. Waar het hof in het arrest overweegt dat een gebruiker is veredeld/geïdentificeerd, verwijst het hof daarvoor naar de bewijsmiddelen en conclusies in deze bijlage 3. In bijlage 4 heeft het hof per deelonderzoek de bewijsmiddelen opgenomen die het voor het bewijs in dat deelonderzoek gebruikt. In een aantal deelonderzoeken verwijst het hof op grond van de onderlinge verwevenheid daarbij naar bewijsmiddelen die in andere deelonderzoeken zijn gebruikt, voor zover zij in dat deelonderzoek voor het bewijs ook redengevend zijn. Gelet op de onderlinge verwevenheid van de deelonderzoeken, inclusief het deelonderzoek over de criminele organisatie waarbinnen het merendeel van de vermoedelijke strafbare feiten is gepleegd, zijn in geval van een bewezenverklaring de bijlagen 3 en 4 voor alle verdachten grotendeels gelijkluidend. Dit geldt niet voor de deelonderzoeken Waterspin, Amarone en Brunello. De feiten van die deelonderzoeken zouden niet in het verband van de criminele organisatie zijn gepleegd. De bewijsmiddelen van de feiten van die deelonderzoeken zijn bij een bewezenverklaring daarom alleen in een bijlage bij het vonnis van de verdachten in die deelonderzoeken opgenomen. 2HET VONNIS VAN DE RECHTBANK De rechtbank Midden-Nederland heeft [verdachte] bij vonnis van 5 juli 2022 veroordeeld voor de volgende strafbare feiten: het in vereniging geweld plegen tegen de woningen gelegen aan de [adres] en de [adres] in Doorn en het medeplegen van het voorhanden hebben van een vuurwapen en scherpe patronen (deelonderzoek Gezicht); het medeplegen van moord op [slachtoffer 4] (deelonderzoek Lis); het medeplegen van voorbereiding van moord op [slachtoffer 6] (deelonderzoek Goudvink); het deelnemen aan een criminele organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. De rechtbank heeft aan [verdachte] een gevangenisstraf voor de duur van 29 jaren en tien maanden opgelegd, met aftrek van het voorarrest. [verdachte] heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld. Het hof zal het vonnis van de rechtbank vernietigen. Voor zover het hof zich kan vinden in de overwegingen van de rechtbank, neemt het die voor een deel over. 3HET HOGER BEROEP 3.1. Het onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg. Een overzicht van de zittingsdagen in eerste aanleg en in hoger beroep is opgenomen in bijlage 1. Dit arrest wordt op tegenspraak gewezen. Na voorbereidende zittingen is op 1 december 2023 de inhoudelijke behandeling begonnen en zijn meerdere zittingsdagen gevolgd. Op verscheidene dagen is de kroongetuige op zitting gehoord en zijn de deelonderzoeken en vorderingen van de benadeelde partijen behandeld. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van de advocaten-generaal in het onderzoek Eris en van wat [verdachte] en zijn raadsman, mr. J.Y. Taekema, naar voren hebben gebracht. Ook heeft het hof kennisgenomen van de vorderingen van de benadeelde partijen en hun eventuele toelichting op die vorderingen. Dit betreft in de onderhavige zaak de volgende personen: [benadeelde partij 17] ; [benadeelde partij 5] ; [benadeelde partij 6] , bijgestaan door mr. F.J.M. Hamers; [benadeelde partij 2] , bijgestaan door mr. F.J.M. Hamers; [benadeelde partij 3] , bijgestaan door mr. F.J.M. Hamers; [benadeelde partij 4] , bijgestaan door mr. F.J.M. Hamers. 3.2. Het verzoek tot het horen van de getuige [getuige 6] Op 22 november 2023 is verzocht om het horen als getuige van [getuige 6] . De belangrijkste reden om deze persoon te horen is gelegen in de verklaring van [medeverdachte 14] dat hij via [getuige 6] in contact is gekomen met een zekere [getuige 5] . [getuige 6] zou het contact van [medeverdachte 14] met [getuige 5] kunnen bevestigen en daarmee ook het bestaan van [getuige 5] . Het hof heeft het verzoek toegewezen op 8 december 2023 en daarbij bepaald dat de getuige in alle zaken diende te worden gehoord. Van de getuige is geen verblijfplaats bekend geworden. Hij is uitgeschreven uit de Basisregistratie Personen onder vermelding van ‘vertrek naar het buitenland’, zonder dat bekend is naar welk land hij is vertrokken. Het raadplegen van de politiesystemen heeft niet geleid tot aanknopingspunten voor een verblijfplaats van de getuige. De verdediging heeft geen informatie verschaft en ook anderszins is geen informatie naar voren gekomen waaruit zou kunnen blijken dat de niet te traceren getuige binnen een aanvaardbare termijn kan worden gehoord. Het hof heeft daarom van de oproeping van de niet verschenen getuige afgezien op de grond dat het onaannemelijk is dat de getuige binnen een aanvaardbare termijn (ter terechtzitting) zal verschijnen als bedoeld in artikel 288, eerste lid, aanhef en onder a, van het Wetboek van Strafvordering. Voordat het hof uitspraak doet heeft het zich ervan vergewist dat de procedure in haar geheel voldoet aan het door artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces ondanks dat [getuige 6] niet als getuige is gehoord. De getuige is een zogenoemde ‘defence witness’ en geen getuige die al een voor [verdachte] belastende verklaring heeft afgelegd die het hof eventueel voor het bewijs zou kunnen gebruiken. Er is bovendien een goede reden dat de verdediging de getuige niet heeft kunnen bevragen: hij bleek ondanks de nodige inspanningen vanaf 8 december 2023 van de autoriteiten niet te traceren. Daarbij komt dat er geen aanwijzingen zijn dat de getuige uit eigen wetenschap iets zou kunnen verklaren over de aan [verdachte] ten laste gelegde feiten. 4DE TENLASTELEGGING De tenlastelegging is als bijlage 2 aan dit arrest gehecht. De verdenking komt er kort, feitelijk en chronologisch weergegeven op neer dat [verdachte] : Ten aanzien van het deelonderzoek Gezicht (16-659076-19) Feit 1, primair: op 29 juni 2017 in Doorn met een ander of anderen heeft geprobeerd personen in/rond de woning aan de [adres] en een naastgelegen woning te doden door met een vuurwapen op die woning te schieten; Feit 1, subsidiair: op 29 juni 2017 in Doorn openlijk geweld heeft gepleegd op de [adres] door woningen te beschieten; Feit 1, meer subsidiair: op 29 juni 2017 in Doorn met een ander of anderen personen in/rond de woningen aan de [adres] met de dood heeft bedreigd door met een vuurwapen op die woningen te schieten; Feit 2: op 29 juni in Doorn met een ander of anderen een vuurwapen en scherpe patronen voorhanden heeft gehad; Ten aanzien van het deelonderzoek Lis (16-659018-20) op 21 september 2017 in Spijkenisse met een ander of anderen [slachtoffer 4] heeft vermoord; Ten aanzien van het deelonderzoek Goudvink (16-659005-21) in de periode van juli 2018 tot en met 24 september 2018 in Rotterdam, Amsterdam, Leiden, Den Haag en/of Amstelveen met een ander of anderen voorbereidingshandelingen voor de moord op [slachtoffer 6] heeft verricht; Ten aanzien van het deelonderzoek Criminele organisatie (16-659044-20) in de periode van 1 januari 2017 tot en met 21 november 2018 in Den Haag, Leiden, Almere, Rotterdam, Spijkenisse, Breukelen, Mijdrecht, Zoetermeer en/of Doorn heeft deelgenomen aan een criminele organisatie die als oogmerk het plegen van levensdelicten, de voorbereiding daarvan en het voorhanden hebben van wapens en munitie had. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. [verdachte] is daardoor niet geschaad in de verdediging. 5. DE VOORVRAGEN, OVERWEGINGEN EN ALGEMENE CONCLUSIES OVER DE KROONGETUIGE EN OVERWEGINGEN OVER HET ONDERZOEK AAN GEGEVENSDRAGERS EN LOCATIEGEGEVENS De dagvaarding is geldig, het hof is bevoegd tot kennisneming van het tenlastegelegde, het openbaar ministerie is ontvankelijk in de vervolging van [verdachte] en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging. Ter terechtzitting is debat gevoerd over de bevoegdheid van de rechtbank Midden-Nederland en over de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging. Dit laatste heeft zich toegespitst op het inzetten van de kroongetuige in het Eris-proces en het niet-vervolgen van enkele medeverdachten voor diverse vergelijkbare feiten. 5.1. De bevoegdheid van de rechtbank Midden-Nederland De verdediging heeft aangevoerd dat de rechtbank Midden-Nederland onbevoegd was om kennis te nemen van de feiten van de deelonderzoeken Lis en Goudvink. Volgens de raadsman is uitsluitend de rechtbank waarbij de vervolging het eerst is ingesteld bevoegd. Voor de feiten van de deelonderzoeken Lis en Goudvink zijn dat respectievelijk de rechtbank Rotterdam en de rechtbank Den Haag. De advocatengeneraal hebben zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank MiddenNederland zich vanwege de samenhang met de andere ten laste gelegde feiten van het onderzoek Eris terecht en op goede gronden ten aanzien van de feiten van de deelonderzoeken Lis en Goudvink bevoegd heeft geacht. Artikel 6, eerste, tweede en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering luidt: 1. Bij deelneming van meer dan één persoon aan hetzelfde strafbare feit brengt de bevoegdheid ten aanzien van één der als daders of medeplichtigen aansprakelijke personen de bevoegdheid mede ten aanzien van de andere. 2. In geval van gelijktijdige vervolging bij onderscheidene bevoegde rechtbanken blijft uitsluitend bevoegd de rechter voor wien de als daders aansprakelijke personen worden vervolgd. Worden zoodanige personen niet voor hetzelfde gerecht vervolgd, dan blijft uitsluitend bevoegd de rechter bij wien de vervolging tegen één hunner het eerst is aangevangen. 3. Indien door meer dan één persoon, al dan niet tezamen, verschillende strafbare feiten zijn begaan, die in zodanig verband tot elkaar staan, dat de behandeling voor één rechtbank gewenst moet worden geacht, worden deze feiten voor de toepassing van het eerste lid van dit artikel geacht in deelneming te zijn begaan. Met artikel 6, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering wordt bewerkstelligd dat de zaken tegen medeverdachten door dezelfde rechter worden behandeld. Een dergelijke concentratie dient niet alleen de proceseconomie maar is ook van belang voor een evenwichtige beoordeling van de feiten en een straftoemeting die daarop zoveel mogelijk is afgestemd (Kamerstukken II 1982/83, 17 744, nr. 4, p. 2). Daarom is in de situatie als bedoeld in de tweede volzin van artikel 6, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering uitsluitend de rechter bevoegd bij wie de vervolging tegen een van de mededaders het eerst is aangevangen. Onder de mededader tegen wie de vervolging het eerst is aangevangen, moet in de context van artikel 6, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering worden verstaan de mededader tegen wie het eerst een dagvaarding is uitgebracht om op de terechtzitting in eerste aanleg te verschijnen (zie HR 23 januari 2024, ECLI:NL:HR:2024:75, rov. 2.5.2). Een redelijke uitleg van artikel 6, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering brengt mee dat in een geval waarin de verdachte als deelnemer aan hetzelfde strafbare feit door zijn dagvaarding daarvoor gelijktijdig met zijn medeverdachten voor dezelfde bevoegde rechtbank wordt vervolgd en geen van de andere deelnemers met betrekking tot dit feit elders is gedagvaard, aan de bevoegdheid van dat gerecht niet in de weg staat dat de verdachte eerder door de indiening van een vordering bewaring voor een ander gerecht is vervolgd (zie HR 25 september 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA3095, rov. 3.5). Naar het oordeel van het hof staat aan de bevoegdheid van de bedoelde bevoegde rechtbank ook niet in de weg dat, gelet op de ratio van het voorschrift van artikel 6, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, de verdachte voor een ander gerecht is vervolgd door het uitbrengen van een dagvaarding om te verschijnen op een pro formazitting en dat die dagvaarding vóór het uitbrengen van de dagvaarding om gelijktijdig met de medeverdachten voor dezelfde bevoegde rechtbank te verschijnen weer is ingetrokken. De vraag of de rechtbank MiddenNederland in de zaak van [verdachte] relatief bevoegd was ter zake van de feiten van de deelonderzoeken Lis en Goudvink, dient te worden beantwoord naar het moment waarop het rechtsgeding tegen hem is aangevangen. Dat is het moment waarop de dagvaarding tegen [verdachte] als een van de verdachten van het onderzoek Eris om ter terechtzitting van de rechtbank MiddenNederland te verschijnen is uitgebracht. Met toepassing van artikel 6, eerste en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering was de rechtbank MiddenNederland bij aanvang van het rechtsgeding bevoegd om van de aan [verdachte] ten laste gelegde feiten kennis te nemen. Van belang hierbij is het verband tussen die feiten en de feiten die zijn ten laste gelegd aan de andere verdachten van het onderzoek Eris, die net zoals [verdachte] zijn (en worden) vervolgd voor deelname aan een criminele organisatie. Deze criminele organisatie zou het plegen van liquidaties, het voorbereiden van liquidaties en verboden wapenbezit tot doel hebben. Drie medeverdachten van het onderzoek Eris worden naast de verdachte vervolgd voor hun mogelijke betrokkenheid bij het feit uit deelonderzoek Lis. In zowel deelonderzoek Lis als deelonderzoek Goudvink gaat het bovendien om een (voorgenomen) liquidatie die zou zijn gepleegd in het kader van de criminele organisatie die in Eris centraal staat. De verschillende aan [verdachte] en de medeverdachten van Eris ten laste gelegde feiten, waaronder de feiten van deelonderzoek Lis en deelonderzoek Goudvink, staan daarmee naar het oordeel van het hof in zodanig verband tot elkaar, dat de behandeling voor één rechtbank gewenst moet worden geacht. Bij aanvang van het rechtsgeding was er geen sprake van gelijktijdige vervolging voor verschillende rechtbanken: de dagvaarding in de zaak van deelonderzoek Goudvink om te verschijnen op een pro formazitting bij de rechtbank Den Haag was door de officier van justitie ingetrokken. Bij de rechtbank MiddenNederland was op dat moment de vervolging tegen een of meer van de als daders van de liquidatie van [slachtoffer 21] op 7 juli 2017 in Breukelen (deelonderzoek Breuk) aansprakelijke personen al aangevangen. Dat [verdachte] met betrekking tot de feiten van deelonderzoek Lis en deelonderzoek Goudvink eerder is vervolgd voor een andere rechtbank door het vorderen van een bevel voorlopige hechtenis en dat hij met betrekking tot de tenlastelegging die in deelonderzoek Goudvink centraal staat eerder is vervolgd door het uitbrengen van een (daarna weer ingetrokken) dagvaarding om te verschijnen op een pro formazitting, staat niet in de weg aan de bevoegdheid van de rechtbank MiddenNederland. Artikel 6, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering schrijft niet voor dat alle medeverdachten moeten worden vervolgd bij de rechtbank waarbij het eerst een vervolging tegen één van hen is ingesteld. De vraag waar de vervolging het eerst is aangevangen speelt pas als de rechtbank vaststelt dat er sprake is van gelijktijdige vervolging voor verschillende bevoegde rechtbanken op het moment waarop de rechtbank over haar bevoegdheid oordeelt en van gelijktijdige vervolging was in dit geval op dat moment, zoals gezegd, geen sprake. De verdediging heeft gesteld dat de vervolging van [verdachte] ter zake van de feiten van deelonderzoek Lis en deelonderzoek Goudvink door het aanbrengen van de zaak bij de rechtbank MiddenNederland vertraging heeft opgelopen. Te verwachten viel dat de vervolging voor de rechtbank MiddenNederland ertoe zou leiden dat na 1 juli 2021 uitspraak zou worden gedaan, terwijl een vervolging voor de rechtbank Rotterdam en de rechtbank Den Haag vóór 1 juli 2021 met een einduitspraak zou zijn afgerond. De verdediging heeft daarbij gewezen op de op 1 juli 2021 gedeeltelijk in werking getreden Wet straffen en beschermen, waarbij de regeling van de voorwaardelijke invrijheidsstelling (
- vi)in die zin is gewijzigd dat de periode van vi tot maximaal twee jaar is beperkt (artikel 6:2:10, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering) daar waar tot dan toe bij een gevangenisstraf van meer dan twee jaren in beginsel vi plaatsvond als de veroordeelde twee derde van de gevangenisstraf had ondergaan (artikel 15, tweede lid, (oud) van het Wetboek van Strafrecht). Als al aannemelijk is dat de vervolging voor de rechtbank MiddenNederland ter zake van de feiten van deelonderzoek Lis en deelonderzoek Goudvink tot de geschetste vertraging heeft geleid, vormt die omstandigheid – ook al zou daardoor artikel 6:2:10, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering toepassing vinden – geen reden de rechtbank MiddenNederland in strijd met de wettelijke regeling van artikel 6 van het Wetboek van Strafvordering relatief onbevoegd te achten. Hierbij is ook van belang dat als inbreuk wordt gemaakt op het recht van de verdachte op een behandeling van zijn strafzaak binnen een redelijke termijn, mede afhankelijk van de mate waarin de redelijke termijn is overschreden, compensatie kan worden geboden door strafvermindering toe te passen. Bovendien staat het de rechter volgens vaste jurisprudentie vrij om bij de strafoplegging al dan niet rekening te houden met de manier waarop de op te leggen straf ten uitvoer zal worden gelegd, de viregeling daaronder begrepen (zie HR 23 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK9252). De conclusie luidt dat de rechtbank MiddenNederland ter zake van de feiten van deelonderzoek Lis en deelonderzoek Goudvink relatief bevoegd was. Het hof verwerpt het verweer. 5.2. Het onderzoek aan gegevensdragers en locatiegegevens In het onderzoek Eris zijn diverse mobiele telefoons, computers en andere elektronische gegevensdragers inbeslaggenomen. De politie heeft zich toegang verschaft tot die gegevensdragers en onderzoek gedaan naar de gegevens die daarin zijn opgeslagen of anderszins zijn te vinden. Daarnaast heeft de officier van justitie in het onderzoek Eris verkeers- en locatiegegevens gevorderd, hebben telecomaanbieders toegang verleend tot dergelijke gegevens en heeft de politie ook daarnaar onderzoek gedaan. Naar aanleiding van de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) en de Hoge Raad ziet het hof aanleiding ambtshalve het volgende te overwegen over het onderzoek aan de gegevens in mobiele telefoons, computers en andere gegevensdragers en over het onderzoek aan de verkeers- en locatiegegevens. Het HvJ EU heeft geoordeeld dat een onderzoek naar de gegevens die beschikbaar zijn in een elektronische gegevensdrager, zoals een smartphone, valt onder de reikwijdte van de Richtlijn gegevensbescherming opsporing en vervolging (EU) 2016/680. Deze richtlijn diende uiterlijk op 6 mei 2018 in nationale wetgeving te zijn omgezet. Met de wetgeving waarmee Nederland uitvoering heeft gegeven aan Richtlijn (EU) 2016/680 zijn geen wijzigingen doorgevoerd van het Wetboek van Strafvordering ten aanzien van de regeling van de inbeslagneming van een gegevensdrager en het onderzoek van de gegevens die op of in een (mobiele) gegevensdrager zijn te vinden. In HvJ EU 4 oktober 2024, zaak C-548/21, ECLI:EU:C:2024:830 (Landeck) heeft het hof geoordeeld dat voor het verkrijgen van toegang tot dergelijke gegevens voorafgaande toestemming nodig is van een rechterlijke instantie of een onafhankelijk, niet bij de opsporing betrokken, bestuursorgaan indien er een kans is dat die toegang het mogelijk maakt nauwkeurige conclusies over iemands privéleven te trekken. Richtlijn 2002/85/EG geeft regels over privacy en elektronische communicatie en bepaalt (in artikel 5) dat de lidstaten het vertrouwelijke karakter van elektronische communicatie en daarmee verband houdende persoonsgegevens in de vorm van (historische) verkeers- en locatiegegevens garanderen. Richtlijn 2002/85/EG biedt de lidstaten de mogelijkheid die vertrouwelijkheid te doorbreken voor de bestrijding, opsporing en vervolging van strafbare feiten (zie artikel 15). Daarvoor gelden voorwaarden. De richtlijn betreffende privacy en elektronische communicatie is in Nederland geïmplementeerd in de Telecommunicatiewet. Telecomaanbieders mogen op grond van de Telecommunicatiewet de vertrouwelijkheid van de door hen verzamelde gegevens doorbreken als dit noodzakelijk is in het belang van de voorkoming, opsporing en vervolging van strafbare feiten. In een arrest van 2 maart 2021 heeft het HvJ EU de voorwaarden voor toegang tot bewaarde verkeers- en locatiegegevens verduidelijkt en aangescherpt. De toegang tot historische verkeersgegevens, waaruit (nauwkeurige) conclusies kunnen worden getrokken over de persoonlijke levenssfeer van de gebruiker, moet zijn onderworpen aan een voorafgaande toetsing door een rechterlijke instantie of een onafhankelijk bestuursorgaan. Naar aanleiding van HvJ EU 2 maart 2021, C-746/18, ECLI:EU:C:2021:152 (Prokuratuur) is de Hoge Raad tot het oordeel gekomen dat de onder andere in artikel 126n van het Wetboek van Strafvordering neergelegde bevoegdheden tot het vorderen van verkeers- en locatiegegevens niet in overeenstemming is met de eisen die Richtlijn 2002/58/EG stelt, als de toepassing van de betreffende bevoegdheid meebrengt dat sprake is van een ernstige inmenging in het recht op bescherming van het privéleven en de beslissing tot de toepassing van die bevoegdheid wordt genomen door de officier van justitie. Vereist is in een dergelijk geval – behalve in spoedeisende situaties – dat voorafgaand toezicht door een rechterlijke instantie of door een onafhankelijke bestuurlijke entiteit plaatsvindt. Dit voorafgaande toezicht is niet vereist wanneer het uitsluitend gaat om het verlenen van toegang tot gegevens aan de hand waarvan de betrokken gebruiker kan worden geïdentificeerd, zonder dat de gegevens in verband kunnen worden gebracht met informatie over de tot stand gebrachte communicatie. De Hoge Raad heeft in het arrest HvJ EU 2 maart 2021, C-746/18, ECLI:EU:C:2021:152 (Prokuratuur) aanleiding gezien te bepalen dat als de officier van justitie verkeers- en locatiegegevens wil verkrijgen die meer omvatten dan uitsluitend identificerende gegevens, hij gehouden is een schriftelijke machtiging van de rechter-commissaris te vorderen voor het vorderen van die gegevens. Het hof constateert dat uit de procestukken niet ten aanzien van elke gegevensdrager duidelijk wordt of de rechter-commissaris, de officier van justitie of een andere opsporingsambtenaar deze in beslag heeft genomen. Waar een mobiele telefoon of een andere elektronische gegevensdrager in beslag is genomen door de rechter-commissaris kan er – behoudens aanwijzingen voor het tegendeel – van worden uitgegaan dat met de inbeslagneming is beoogd onderzoek naar de inhoud van deze gegevensdrager te laten doen door de politie en andere door politie en justitie ingeschakelde personen zoals deskundigen van het NFI. De bevoegdheid van de rechter-commissaris tot inbeslagneming biedt in een dergelijk geval de grondslag voor het verrichten van onderzoek aan het inbeslaggenomen voorwerp, ook als dat een meer dan beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer meebrengt. Omdat de processtukken niet ten aanzien van elke gegevensdrager duidelijk maken door wie deze in beslag is genomen, moet ermee rekening worden gehouden dat niet alleen de rechtercommissaris maar ook de officier van justitie en andere opsporingsambtenaren elektronische gegevensdragers in beslag hebben genomen. Het hof kan bovendien aan de hand van de processtukken niet vaststellen of de rechter-commissaris – een rechterlijke instantie volgens de rechtspraak van het HvJ EU – per afzonderlijke gegevensdrager toestemming heeft gegeven voor onderzoek aan de daarin beschikbare gegevens, ook als er een kans is dat die toegang het mogelijk maakt nauwkeurige conclusies over iemands privéleven te trekken. Daarnaast moet het hof op grond van de processtukken ervan uitgaan dat de politie zonder voorafgaand toezicht door een rechterlijke instantie of een onafhankelijke bestuurlijke entiteit onderzoek heeft gedaan aan gevorderde verkeers- en locatiegegevens (anders dan uitsluitend identificerende gegevens). In het geval dat voorafgaande toestemming (in de vorm van een schriftelijke machtiging) van de rechter-commissaris ontbreekt, is er in de zojuist bedoelde gevallen waarin een elektronische gegevensdrager bij het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte door de officier van justitie of een andere opsporingsambtenaar in beslag is genomen en onderzoek is gedaan naar de daarin beschikbare gegevens, waarbij er een kans bestaat dat nauwkeurige conclusies over iemands privéleven worden getrokken, en in de gevallen waarin onderzoek is gedaan aan door de officier van justitie gevorderde verkeers- en locatiegegevens (anders dan uitsluitend identificerende gegevens), sprake van een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte. De omstandigheid dat de officier van justitie bij het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte een vordering heeft gedaan tot het verstrekken van verkeers- of locatiegegevens (anders dan uitsluitend identificerende gegevens) zonder dat van tevoren een machtiging van de rechter-commissaris is verkregen, terwijl die machtiging wel was vereist, levert als zodanig geen grond op voor bewijsuitsluiting (zie HR 5 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:475, rov. 6.12.4). Naar het oordeel van het hof heeft hetzelfde te gelden ten aanzien van het vormverzuim dat zonder voorafgaande toestemming van de rechter-commissaris onderzoek is gedaan aan in een gegevensdrager beschikbare gegevens als er een kans is om nauwkeurige conclusies over iemands privéleven te trekken. Van belang hierbij is dat het uitsluiten van de resultaten van dergelijk onderzoek van het gebruik voor het bewijs niet noodzakelijk is om een schending van het recht op een eerlijk proces zoals gewaarborgd door artikel 6 EVRM – en het daarmee overeenkomende artikel 47, tweede lid, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie – te voorkomen, tenzij door een of meer van de vormverzuimen in het verloop van de strafprocedure complicaties zijn opgetreden die het voeren van de verdediging ernstig hebben bemoeilijkt en die vormverzuimen vervolgens niet in voldoende mate zijn hersteld om het proces als geheel eerlijk te laten verlopen. Dergelijke complicaties zijn door de verdediging niet gesteld en ook overigens niet gebleken. Voor de toepassing van strafvermindering is vereist dat de verdachte door het vormverzuim daadwerkelijk nadeel heeft ondervonden en dat strafvermindering ook in het licht van het belang van het geschonden voorschrift en de ernst van het verzuim is gerechtvaardigd. Strafvermindering laat zich als rechtsgevolg dat geschikt is voor compensatie van door de verdachte ondervonden nadeel, verbinden aan onder meer vormverzuimen waardoor inbreuk is gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte. De vraag of, en de mate waarin de persoonlijke levenssfeer van de verdachte is geschonden, is daarbij mede bepalend voor de ernst van het verzuim en het door het verzuim daadwerkelijk geleden nadeel. Voor de toepassing van strafvermindering moet het gaan om een voldoende ernstig vormverzuim dat concreet de belangen van de verdachte in de strafzaak heeft aangetast. Als door het vormverzuim in niet meer dan geringe mate inbreuk is gemaakt op het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer, kan de rechter volstaan met de enkele constatering van dat vormverzuim. (HR 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1889, rov. 2.3.2 en 2.3.4.) In het onderzoek Eris gaat het om de verdenking van zeer ernstige strafbare feiten. Het onderzoek is gericht tegen een criminele organisatie die zich zou hebben beziggehouden met het plegen van liquidaties en daarbij gebruikmaakte van PGP-telefoons. Het onderzoeken van de inhoud van inbeslaggenomen gegevensdragers was noodzakelijk. Minder ingrijpende, maar even effectieve mogelijkheden, waren niet voorhanden. De inbreuk op het privéleven van de verdachte verschilt per gegevensdrager. In het geval van gegevens in PGP-telefoons gaat het – als deze bewaard zijn gebleven – voornamelijk om communicatie over de voorbereiding en de uitvoering van ernstige misdrijven en was ook van tevoren duidelijk dat het gebruik van PGP-telefoons alleen diende om criminele activiteiten te verhullen. De kans om dan nauwkeurige conclusies over iemands privéleven te trekken is gering. Bij het onderzoek aan gegevens in andere gegevensdragers dan PGP-telefoons is in het onderzoek Eris, naast talloze gegevens over criminele gedragingen, ook toegang verkregen tot gegevens die niet met criminele activiteiten te maken hebben. Daarbij is de privacy van de verdachte en personen uit zijn directe omgeving zoals gezinsleden (wel) in het geding. Niet is gebleken dat de politie toegang heeft verkregen tot gegevens van grote aantallen willekeurige derden, zoals het geval kan zijn bij het zich toegang verschaffen tot de op een server beschikbare gegevens, in welk geval het nemen van maatregelen ter bescherming van de privacy van derden kan zijn geboden. De gegevens waartoe in het onderzoek Eris toegang is verkregen, betreffen voornamelijk de verdachten zelf en personen uit hun omgeving. Dat door het onderzoek aan de gegevens die in de (onder de verdachte) inbeslaggenomen gegevensdragers beschikbaar zijn en door het onderzoek aan de verkeers- en locatiegegevens inzicht is verkregen in aspecten van het privéleven van de verdachte en eventueel degenen waarmee de verdachte contact had, is onontkoombaar. Het hof is van oordeel dat de ernst van de feiten die in het onderzoek Eris centraal staan het rechtvaardigt dat dit onderzoek is verricht en dat het belang daarvan opweegt tegen de daarmee gepaard gaande schending van de privacy van de verdachte en een beperkt aantal derden. Het hof gaat er dan ook van uit dat, gelet vooral op de aard en ernst van de verdenkingen, de rechter-commissaris voor dit onderzoek voorafgaande toestemming zou hebben verleend als de officier van justitie deze had gevorderd. De verdachte heeft geen verweer gevoerd over de hier door het hof ambtshalve aan de orde gestelde vormverzuimen in het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte, die (mogelijk) een inbreuk hebben gemaakt op het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de verdachte. De verdediging heeft niet gesteld dat de belangen van de verdachte in de strafzaak door een of meer van de bedoelde vormverzuimen concreet zijn aangetast. Het hof volstaat mede daarom met de enkele constatering dat in het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte een of meerdere van de door het hof aan de orde gestelde vormverzuimen zijn begaan. 5.3. De kroongetuige De rechtbank heeft uitgebreide overwegingen gewijd aan de kroongetuige en de betrouwbaarheid van de door hem afgelegde verklaringen. Het hof kan zich grotendeels vinden in de overwegingen van de rechtbank over de kroongetuige en neemt deze daarom voor een groot deel over. Op enkele onderdelen wijkt het hof ervan af. 5.3.1. Algemeen De kerntaak van de feitenrechter met betrekking tot een kroongetuige is tweeledig. De feitenrechter beoordeelt de betrouwbaarheid van diens verklaringen en de rechtmatigheid van de overeenkomst die met de kroongetuige is gesloten, voor zover de rechtmatigheid daarvan is betwist. Als eerste zal het hof de totstandkoming van de overeenkomst met [kroongetuige] schetsen. Daarna zal het de verweren bespreken die de rechtmatigheid van de overeenkomst betreffen en de daaraan te verbinden gevolgen. Vervolgens komen de verweren die de betrouwbaarheid van de verklaringen van de kroongetuige betwisten aan bod. Hoewel niet alle raadslieden zich (concreet) bij alle verweren hebben aangesloten, of zelfs expliciet hebben aangegeven een verweer niet te voeren, zal het hof deze verweren ambtshalve bespreken in alle arresten waarin de verklaringen van [kroongetuige] van belang zijn. Bij de beoordeling heeft het hof rekening gehouden met de artikelen 226g e.v. van het Wetboek van Strafvordering die zien op de kroongetuigeregeling, met artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering en met artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Ook heeft het hof acht geslagen op de voorafgaande beschouwing over het gebruik van verklaringen van kroongetuigen in HR 23 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:602 (Passageproces), onder 3. 5.3.2. De totstandkoming van de overeenkomst Op 13 oktober 2017 is [kroongetuige] aangehouden op verdenking van de moord op [slachtoffer 21] , gepleegd op 7 juli 2017 in Breukelen. Hij heeft als verdachte in die zaak een bekennende verklaring afgelegd. In november 2017 heeft [kroongetuige] kenbaar gemaakt dat hij bereid en in staat is om over meer dan alleen zijn eigen rol in deze zaak verklaringen af te leggen in ruil voor bescherming, omdat hij vreesde voor zijn leven. Tussen januari 2018 tot en met mei 2018 heeft [kroongetuige] in totaal 25 zogenoemde kluisverklaringen afgelegd tegenover het team Bijzondere Getuigen. Op 12 november 2018 heeft de rechter-commissaris in strafzaken de voorgenomen overeenkomst tussen de Staat en [kroongetuige] getoetst en rechtmatig bevonden. Op 13 november 2018 heeft de Staat met [kroongetuige] een overeenkomst gesloten. Daarbij heeft [kroongetuige] zich verbonden om als getuige zonder voorbehoud, volledig en naar waarheid verklaringen af te leggen over een aantal in de overeenkomst genoemde misdrijven (de zogenoemde ‘dealfeiten’) en afstand gedaan van zijn verschoningsrecht als verdachte [het hof begrijpt: in zijn hoedanigheid van getuige]. De officier van justitie verbond zich om bij volledige nakoming door [kroongetuige] van de overeenkomst de strafeis voor zijn aandeel in de dealfeiten op twaalf jaren gevangenisstraf te stellen. Daarbij werd opgemerkt dat de strafeis tegen een verdachte die geen kroongetuige is, bij gelijke omstandigheden een gevangenisstraf van 24 jaren zou bedragen (de basisstrafeis). De strafvervolging van [kroongetuige] zou zich, behoudens bij gewijzigde omstandigheden, uitstrekken tot het medeplegen van de moord op [slachtoffer 21] , het medeplegen van het voorhanden hebben van twee vuurwapens, het medeplegen van opzetheling van twee personenauto’s, het medeplegen van opzettelijk gebruikmaken van een valse kentekenplaat, en ook – bij voldoende bewijs – het medeplegen van poging doodslag dan wel bedreiging en vernieling op 28 en 29 juni 2017 in Doorn en tot deelname aan een criminele organisatie. 5.3.3. De rechtmatigheid van de overeenkomst Er zijn meerdere verweren gevoerd die strekken tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie of tot bewijsuitsluiting van de verklaringen van [kroongetuige] , omdat de overeenkomst met [kroongetuige] niet rechtmatig zou zijn. Er is onder meer aangevoerd dat het onmogelijk is om te toetsen of de inhoud van de verklaringen van [kroongetuige] is beïnvloed door eventuele verboden toezeggingen in het kader van de met [kroongetuige] gesloten beschermingsovereenkomst, omdat deze laatste niet toetsbaar of controleerbaar is. Verder zou de uiteindelijke nettostrafeis van acht jaren in de overeenkomst disproportioneel laag zijn en zou het openbaar ministerie op ongerechtvaardigde en onbegrijpelijke gronden hebben afgezien van vervolging van [kroongetuige] in het deelonderzoek Langenhorst. Ook is aangevoerd dat in de overeenkomst verboden beloningen zijn ingebouwd, met name omdat het openbaar ministerie geen ontnemingsvordering indient voor onder meer het door [kroongetuige] wederrechtelijk verkregen voordeel van € 10.000,- voor de moord op [slachtoffer 21] , omdat [kroongetuige] een miljoenenschuld die hij aan derden heeft niet meer zal hoeven te betalen omdat hij straks in de anonimiteit verdwijnt en omdat de vader van [kroongetuige] niet wordt vervolgd. Deze beloningen zouden niet openlijk zijn gedeeld met de rechter en de verdediging. Het hof beantwoordt aan de hand van de feiten en omstandigheden die ten tijde van het tot stand komen van de overeenkomst met [kroongetuige] aan de orde waren, de vraag of deze overeenkomst binnen de grenzen van het recht is gebleven. Het hof bespreekt dit aan de hand van de hieronder genoemde onderwerpen. Overeenkomst met kroongetuige in dit geval mogelijk? Het hof beoordeelt allereerst of de overeenkomst met [kroongetuige] dringend noodzakelijk was om de opsporing, voorkoming of beëindiging van feiten mogelijk te maken die anders niet of niet tijdig zou plaatsvinden, of er een redelijke verhouding was tussen het belang van de te verkrijgen informatie en de te leveren tegenprestatie en of de overeenkomst ook overigens binnen de grenzen van het recht is gebleven. Het hof stelt vast dat de verklaringen van [kroongetuige] betrekking hebben op misdrijven als bedoeld in artikel 226g, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering. Het hof is van oordeel dat het openbaar ministerie het op goede gronden dringend noodzakelijk heeft geacht om tot een overeenkomst met [kroongetuige] te komen. [kroongetuige] kon verklaren over een aantal voltooide levensdelicten waarvan de opsporing op een dood spoor was beland en zonder zijn verklaringen niet binnen afzienbare tijd tot resultaat had geleid. Zijn verklaringen betroffen niet alleen vermeende uitvoerders, maar ook vermeende opdrachtgevers. Door de verklaringen van [kroongetuige] is zicht gekregen op een criminele organisatie die als oogmerk had het plegen van liquidaties in opdracht van anderen voor geld en die tot dan toe onder de radar was gebleven. Zijn verklaringen boden veel aanknopingspunten voor nader onderzoek in lopende onderzoeken en voor onderzoek naar zaken die op dat moment nog niet bekend waren bij de politie. Beïnvloeding door beschermingsovereenkomst? Het openbaar ministerie heeft aangevoerd dat vóór het sluiten van de overeenkomst niet over de details van een getuigenbeschermingsovereenkomst met de kroongetuige wordt gesproken. Er wordt alleen toegezegd dat kroongetuigen hulp en steun krijgen om na afloop van de detentie elders een veilig bestaan op te bouwen. De details en de financiële aspecten komen pas aan de orde als de (fictieve) datum van invrijheidstelling van de kroongetuige in zicht komt. Omdat de verklaringen al lang daarvoor zijn afgelegd, kunnen die niet beïnvloed zijn door de beschermingsovereenkomst, aldus het openbaar ministerie. Het hof bespreekt het verweer over de beschermingsovereenkomst in het licht van de zorgplicht die wordt ontleend aan de positieve verplichtingen van het EVRM, aan het burgerlijk recht en aan de in artikel 226l van het Wetboek van Strafvordering neergelegde bepaling. Aan deze zorgplicht wordt in voorkomende gevallen uitvoering gegeven door het maken van afspraken over getuigenbescherming met kroongetuigen. De Staat neemt ook een gedeelte van de verantwoordelijkheid voor de veiligheid van deze persoon op zich door zijn medewerking aan de opsporing te vragen. Uit het samenstel van de wettelijke regeling en de toepasselijke beleidsregels volgt dat ten aanzien van de rechtmatigheid en de doelmatigheid van maatregelen van getuigenbescherming in de strafvorderlijke context aan de strafrechter geen toetsende rol is toebedeeld. De totstandkoming van de afspraak in de zin van artikel 226g, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering en de specifieke maatregelen voor de bescherming van de getuige zijn juridisch twee verschillende trajecten. Hoewel in de afgelopen jaren soms duidelijk is geworden dat er in de praktijk wel degelijk verstrengeling kan bestaan tussen de kroongetuigenovereenkomst en de beschermingsovereenkomst, in die zin dat hoe de kroongetuige de specifieke maatregelen voor zijn feitelijke bescherming ervaart en de bereidheid om te verklaren elkaar kunnen beïnvloeden, en in de literatuur regelmatig wordt gepleit voor een vorm van externe, rechterlijke, toetsing van de beschermingsovereenkomst, biedt de wet hiervoor ook nu nog geen grond. Het openbaar ministerie is niet gehouden de processenverbaal en/of andere voorwerpen betreffende toezeggingen die zijn gedaan in verband met de feitelijke bescherming van de getuige op enig moment bij de processtukken te voegen. Zo een verplichting zou – temeer omdat de huidige wet geen specifieke regeling kent met betrekking tot de afscherming van processtukken in het belang van de veiligheid van de kroongetuige – onverenigbaar zijn met het doel van de bescherming van de getuige en de aard van de daartoe strekkende maatregelen. Het hof wijst er overigens in dit verband op dat [kroongetuige] de kluisverklaringen al heeft afgelegd voordat met hem de in artikel 226g, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering bedoelde afspraak is gemaakt, dus zonder dat hij wist of de afspraak zou worden gemaakt en, zo ja, onder welke voorwaarden, terwijl de details van de toegezegde feitelijke maatregelen voor de bescherming van [kroongetuige] nóg later, pas kort voor het aflopen van de gevangenisstraf worden bepaald. Er is dus geen aanwijzing dat er sprake is van verboden toezeggingen in het kader van de beschermingsovereenkomst, laat staan dat onder invloed van verboden toezeggingen in strijd met de waarheid zou zijn verklaard. Ook overigens is niet gebleken van verboden toezeggingen. Overeenkomst proportioneel? Het hof zal achtereenvolgens ingaan op de omvang van de vervolging van [kroongetuige] en het afzien van vervolging van de vader van [kroongetuige] , de basisstrafeis, de eis en het achterwege laten van een ontnemingsvordering en het feit dat [kroongetuige] een schuld aan derden niet meer zou hoeven te betalen. Bij requisitoir heeft het openbaar ministerie uitgebreid toegelicht dat de beslissing om [kroongetuige] niet te vervolgen in het deelonderzoek Langenhorst ruim na het sluiten van de overeenkomst door de zaaksofficieren naar aanleiding van de resultaten van het opsporingsonderzoek is genomen en dat daarbij niet het opportuniteitsbeginsel is toegepast, maar dat is beslist dat een vervolging in de ogen van het openbaar ministerie geen kans van slagen had. Deze beslissing was volgens het openbaar ministerie gelegen in het gegeven dat [kroongetuige] – in tegenstelling tot de andere verdachten – heeft duidelijk gemaakt dat hij de moord helemaal niet wilde plegen en ook tijdig is gestopt. Zijn verklaringen hierover acht het openbaar ministerie betrouwbaar en in lijn met andere onderzoeksbevindingen. In de Aanwijzing toezeggingen aan getuigen in strafzaken (hierna: de Aanwijzing) zijn beleidsregels geformuleerd over de toepassing van de artikelen 226g tot en met 226l van het Wetboek van Strafvordering. In de Aanwijzing is geregeld welke toezeggingen aan getuigen toelaatbaar zijn en welke toezeggingen niet. Punt 5.1 van de Aanwijzing bevat een verbod om toezeggingen te doen met betrekking tot de inhoud van de tenlastelegging (bijvoorbeeld het aantal feiten op de tenlastelegging en de zwaarte daarvan). Punt 5.2 bevat een verbod om in afwijking van het geldende opsporings- en vervolgingsbeleid af te zien van actieve opsporing of vervolging van strafbare feiten. Bij de beoordeling door het openbaar ministerie of vervolging van een verdachte voor een bepaald strafbaar feit opportuun is, spelen in ieder geval de aard van het feit, de bewijsbaarheid van het feit en het algemeen belang een rol. Ook in geval van een potentiële kroongetuige is de afweging daarvan bij uitstek een taak van het openbaar ministerie. De rechter die de overeenkomst met een kroongetuige toetst, dient deze afweging in beginsel te eerbiedigen. Het is niet de taak van die rechter om zelf te bepalen voor welke feiten de kroongetuige zou moeten worden vervolgd en welke strafeis bij die vervolging zou passen. Wel dient de rechter, gelet op de geldende wet- en regelgeving, te toetsen of er geen sprake is geweest van onderhandelingen met de getuige over het aantal ten laste te leggen feiten en de kwalificatie daarvan en of niet in afwijking van het geldende opsporings- en vervolgingsbeleid aan de getuige is toegezegd af te zien van vervolging voor bepaalde feiten. In dat geval zou er sprake kunnen zijn van een niet toelaatbare toezegging in de zin van de Aanwijzing. Het hof stelt vast dat is gesteld noch gebleken dat [kroongetuige] en het openbaar ministerie hebben onderhandeld over de ten laste te leggen feiten. Het openbaar ministerie heeft aangegeven dat de vervolgingsbeslissing in het deelonderzoek Langenhorst het resultaat was van intern overleg tussen de zaaksofficieren ruim ná het sluiten van de overeenkomst en dat het resultaat daarvan aan [kroongetuige] is meegedeeld. Ook is niet gebleken dat het achterwege laten van vervolging van [kroongetuige] voor zijn handelingen in het deelonderzoek Langenhorst is te duiden als een niet toelaatbare toezegging. Artikel 226g, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering schrijft voor dat in de op schrift gestelde afspraak met de kroongetuige wordt vastgelegd voor welke strafbare feiten de getuige zelf zal worden vervolgd. Dat betekent dat het openbaar ministerie de strafbaarheid van het feit, de kans op een veroordeling en aspecten van algemeen belang naar de stand van zaken van dat moment moet inschatten. Vanuit een oogpunt van algemeen belang is het niet onbegrijpelijk dat het openbaar ministerie de vervolging van de potentiële kroongetuige beperkt tot feiten waarvoor op dat moment al voldoende bewijs voorhanden lijkt te zijn of waarvoor in ieder geval geldt dat de mogelijkheid van voldoende bewijs na verder onderzoek reëel is. Als het openbaar ministerie een kroongetuige ook zou moeten vervolgen voor feiten waarin de bewijspositie dubieus is of vervolging zeer weinig kans van slagen heeft, zouden de te verwachten veroordeling en de straf(eis) uiterst onzeker worden. Het nuttig effect van de kroongetuigenregeling zou volgens die interpretatie ernstig worden aangetast. Het openbaar ministerie heeft na de totstandkoming van de overeenkomst geoordeeld dat de slagingskans van een vervolging van [kroongetuige] in de zaak Langenhorst te klein was, omdat – kort gezegd – bewijs voor het vereiste opzet op de moord bij [kroongetuige] ontbrak. Het hof constateert dat ook medeverdachte [naam 24] niet is vervolgd in de zaak Langenhorst en dat er aanwijzingen zijn dat [naam 24] en [kroongetuige] zich in aanloop naar de liquidatie hebben teruggetrokken. Men kan er over twisten of daardoor het opzet niet is te bewijzen of dat er sprake is van vrijwillige terugtred, maar het hof acht de beoordeling van de slagingskans van een vervolging van [kroongetuige] in de zaak Langenhorst niet onbegrijpelijk. Er is geen sprake van een situatie waarin het niet anders kan dan dat in afwijking van het geldende opsporings- en vervolgingsbeleid aan de getuige is toegezegd van vervolging voor bepaalde feiten af te zien en het achterwege laten van vervolging, achteraf moet worden opgevat als een verkapte verboden toezegging voor het afleggen van verklaringen. Tijdens de behandeling in hoger beroep heeft het openbaar ministerie besloten dat de vader van de kroongetuige, [getuige 4] , niet zal worden vervolgd voor mogelijke betrokkenheid bij strafbare feiten in het dossier Eris. Maar voor een toezegging aan [kroongetuige] dat zijn vader niet zal worden vervolgd voor strafbare feiten in Eris, is geen aanwijzing gevonden. Netto strafeis disproportioneel? Het openbaar ministerie heeft gesteld dat de strafeis niet disproportioneel laag is. Het openbaar ministerie heeft in de overeenkomst de basisstrafeis bepaald op 24 jaren en, bij nakoming van de verplichtingen door [kroongetuige] , toegezegd om 50% hiervan, dus twaalf jaren gevangenisstraf, als straf te eisen. Ook voor de tegen een kroongetuige te formuleren basisstrafeis geldt dat het openbaar ministerie een ruime beoordelingsvrijheid heeft die de rechter heeft te eerbiedigen. Op voorhand kan echter niet worden uitgesloten dat een toegezegde basisstrafeis zo onbegrijpelijk laag is dat het verschil met een reguliere strafeis niet anders kan worden opgevat dan als tegenprestatie voor de door de kroongetuige af te leggen verklaringen. De rechter dient in verband daarmee te toetsen of het openbaar ministerie, gelet op alle omstandigheden van het geval en met inachtneming van zijn ruime beoordelingsvrijheid, in redelijkheid tot de toegezegde basisstrafeis heeft kunnen komen. Het hof kan de rechtmatigheid van de basisstrafeis slechts afmeten aan de feiten die aan [kroongetuige] zijn ten laste gelegd. Zoals gezegd, gaat het om het medeplegen van moord, het voorhanden hebben van wapens, de heling van auto’s en het voorhanden hebben van een valse kentekenplaat. Daarbij zijn ook de feiten in het deelonderzoek Gezicht en deelname aan een criminele organisatie betrokken. Gelet op de ten laste gelegde feiten en de andere omstandigheden van het geval en in aanmerking genomen zijn ruime beoordelingsvrijheid, heeft het openbaar ministerie in redelijkheid tot de toegezegde basisstrafeis kunnen komen. Die basisstrafeis, van 24 jaren gevangenisstraf, is niet zo laag dat deze niet anders kan worden verklaard dan als een verkapte tegenprestatie voor het afleggen van verklaringen. Daarom acht het hof de overeenkomst met [kroongetuige] ook op dit punt niet onrechtmatig. Bij aanvang van de inhoudelijke behandeling in eerste aanleg heeft het openbaar ministerie aangekondigd bij requisitoir een lagere straf te eisen dan in de overeenkomst is toegezegd. Dat is ook gebeurd. De reden was dat sinds de inwerkingtreding van de Wet straffen en beschermen op 1 juli 2021 de periode waarover voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend niet langer kan zijn dan twee jaren. Ten tijde van het sluiten van de overeenkomst zou een gevangenisstraf van twaalf jaren in beginsel nog een nettostraf van acht jaren betekenen. Daar mocht [kroongetuige] bij het sluiten van de overeenkomst van uitgaan, aldus het openbaar ministerie. Uitgaande van de nieuwe wet betekent een gevangenisstraf van twaalf jaren in beginsel een nettostraf van tien jaren. De inhoud van de overeenkomst bood volgens het openbaar ministerie ruimte om een zodanige gevangenisstraf te eisen dat de kroongetuige netto acht jaren moet zitten. In eerste aanleg is daarom niet 24 jaren gevangenisstraf als uitgangspunt genomen, maar twintig jaren gevangenisstraf, die met 50% is verminderd tot de uiteindelijke eis van tien jaren (in plaats van twaalf jaren) gevangenisstraf. Het hof stelt vast dat het openbaar ministerie in afwijking van de tekst van de overeenkomst met de kroongetuige een gevangenisstraf van tien jaren in plaats van twaalf jaren heeft gevorderd. Er zijn geen aanwijzingen dat die lagere strafeis eerder aan de kroongetuige was toegezegd. Het openbaar ministerie heeft de afwijking van de in de overeenkomst genoemde bruto-eis gemotiveerd en de rechtbank heeft die motivering beoordeeld en de strafeis overgenomen. Het hof vindt in deze gang van zaken geen aanleiding de overeenkomst met de kroongetuige of de uitvoering daarvan onrechtmatig te achten. Er is geen reden om aan te nemen dat door deze gang van zaken de verklaringen van de kroongetuige zijn beïnvloed of dat op een andere manier rechtens te respecteren belangen van verdachten zijn geschaad. Ontoelaatbare toezegging inzake ontneming? Als het openbaar ministerie los van een eventuele overeenkomst niet tot vordering van het wederrechtelijk verkregen voordeel zou zijn overgegaan, hoeft het dat bij een getuige met wie een overeenkomst is gesloten ook niet te doen. Het openbaar ministerie kan dan eenzijdig beslissen van ontneming af te zien, zonder dat van een toezegging in de zin van de Aanwijzing sprake is. Ook op dit punt komt aan het openbaar ministerie een zekere beoordelingsvrijheid toe. Wel zal uit de motivering van het besluit om volledig van een ontnemingsvordering af te zien, moeten blijken dat geen sprake is van een verkapte financiële beloning voor het afleggen van verklaringen. Volgens het openbaar ministerie is geen sprake geweest van een toezegging aan [kroongetuige] dat tegen hem geen ontnemingsvordering zal worden ingediend. Uit de processtukken blijkt niet dat hierover is gesproken tussen de officier van justitie van het team Bijzondere Getuigen en [kroongetuige] en zijn raadsman. Hoewel dit had gekund, is daarover geen afspraak gemaakt. Het openbaar ministerie heeft verder aangevoerd dat [kroongetuige] na afloop van zijn detentie elders, vermoedelijk in een ander land, een veilig nieuw bestaan zal moeten opbouwen. Financieel gezien begint hij bij nul. Hij zal in het begin een redelijke tegemoetkoming van het Team Getuigenbescherming ontvangen. Uitgangspunt voor de hoogte van die tegemoetkoming is dat iemand gezien de nieuwe leefomstandigheden een redelijk bestaan moet kunnen opbouwen. Een eventuele ontneming zou dus in feite ook door het Team Getuigenbescherming moeten worden betaald. Dat is volgens het openbaar ministerie geen werkelijke ontneming en uit het oogpunt van de Staat een vestzak-broekzakaangelegenheid. Om die reden dient het openbaar ministerie geen vordering ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel in tegen [kroongetuige] . Nog los van het feit dat niet gebleken is van een toezegging aan de kroongetuige over ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel is het hof van oordeel dat het openbaar ministerie voldoende reden heeft kunnen zien om het aanhangig maken van een ontnemingsvordering niet opportuun te achten. Het hof betrekt hierbij ook dat bij geen van de andere verdachten in het Eris-dossier een ontnemingsvordering is ingediend (of is aangekondigd) en de hoogte van het bedrag dat [kroongetuige] voor zijn rol in de moord op [slachtoffer 21] betaald heeft gekregen (€ 10.000,-). Van een zo onbegrijpelijke beslissing dat er in feite slechts sprake kan zijn van een verkapte financiële beloning is geen sprake. De verdediging heeft nog aangevoerd dat [kroongetuige] in het criminele circuit een miljoenenschuld heeft aan derden en dat deze schuld hem feitelijk is kwijtgescholden omdat hij door het aangaan van de overeenkomst onvindbaar is geworden voor zijn schuldeisers. Voor zover de verdediging daarmee heeft bedoeld te betogen dat op dit punt sprake is van een (verkapte) financiële beloning en daarmee van een niet toelaatbare toezegging, kan dit betoog niet slagen. Niet is gebleken dat de kroongetuige een juridisch afdwingbare (miljoenen)schuld heeft bij derden. Bovendien is niet gebleken van enige toezegging door het openbaar ministerie dat deze eventuele schulden niet meer zouden hoeven te worden betaald. Samenvatting en conclusie De overeenkomst met [kroongetuige] heeft betrekking op feiten als bedoeld in artikel 226g van het Wetboek van Strafvordering. Het openbaar ministerie heeft het sluiten van de overeenkomst op goede gronden dringend noodzakelijk geacht. Uit de omvang van de vervolging, de strafeis en evenmin uit het achterwege laten van een ontnemingsvordering kan worden afgeleid dat aan [kroongetuige] verboden toezeggingen zijn gedaan in ruil voor het afleggen van verklaringen. Ook in onderling verband en samenhang bezien is bij de met [kroongetuige] gemaakte afspraak als bedoeld in artikel 226g van het Wetboek van Strafvordering geen sprake van een overschrijding van de grenzen van proportionaliteit en subsidiariteit. De verweren strekkende tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging van de verdachte of het uitsluiten van de verklaringen van [kroongetuige] van het gebruik voor het bewijs, slagen dus niet. 5.3.4. De betrouwbaarheid van de verklaringen van de kroongetuige Meerdere raadslieden hebben gewezen op de onbetrouwbaarheid van de kroongetuige. Aangevoerd is dat [kroongetuige] al sinds jonge leeftijd op meerdere terreinen strafbare feiten pleegt, zoals handel in drugs en oplichting. Omdat hij al zijn hele leven liegt en bedriegt, is het zeer riskant om zijn verklaringen te gebruiken voor het bewijs, zeker nu [kroongetuige] een duidelijk eigen belang heeft bij het afleggen van zijn verklaringen, aldus de raadslieden. Bijna alle raadslieden hebben daarnaast op inhoudelijke gronden de bruikbaarheid en de betrouwbaarheid van (een deel van) de verklaringen van [kroongetuige] betwist. In de zaak van [medeverdachte 13] is dit punt – in eerste aanleg en herhaald in hoger beroep – als volgt verwoord: De kroongetuige heeft veel vermoedens, invullingen, veronderstellingen en gevoelens en verkeerde ten tijde van de feiten waarover hij verklaart niet zelden onder invloed van verdovende middelen. Hij is na talloze verhoren door de politie, bij de rechter-commissaris en op de zitting nauwelijks meer in staat om onderscheid te maken tussen wat hij daadwerkelijk heeft meegemaakt, wat hij van derden heeft gehoord en wat hij later heeft opgepikt uit de media. De primaire bron is uiteindelijk vaak [medeverdachte 14] , die ooit iets tegen hem gezegd zou hebben, al weet hij niet meer waar, wanneer, in welke bewoordingen en in welke context. Andere raadslieden hebben daaraan nog toegevoegd dat de verklaringen bewust of onbewust onbetrouwbaar zijn te achten: door het toepassen van Neuro Linguïstisch Programmeren (NLP) tijdens het verhoren van [kroongetuige] , het bestaan van valse herinneringen en het voeden met informatie door politie en justitie. De verklaringen kunnen daarom niet worden gebruikt voor het bewijs. In ieder geval is het volgens de raadslieden noodzakelijk om deze verklaringen met grote voorzichtigheid te benaderen. Voorwaardelijk is verzocht om nader deskundigenonderzoek te gelasten over geheugentraining en de werking van het geheugen, of om een deskundige ter zitting daarover te bevragen. Het openbaar ministerie heeft het volgende aangevoerd. [kroongetuige] heeft in zijn kluisverklaringen uitsluitend uit zijn eigen geheugen geput. In de vele tactische verklaringen die [kroongetuige] bij de verhoorders in het onderzoek Eris heeft afgelegd, heeft hij over een onderwerp globaal telkens hetzelfde verhaal als tijdens de kluisverklaringen verteld, maar vooral méér dan in zijn kluisverklaringen. Nergens is hij teruggekomen op zijn eerder afgelegde kluisverklaringen in de zin dat deze bewust onjuist zouden zijn geweest. De tactische verklaringen bevatten naar aanleiding van verhelderende vragen vooral meer details dan de kluisverklaringen. Uiteindelijk is [kroongetuige] geconfronteerd met de onderzoeksresultaten. Dat gebeurde soms om uit te leggen hoe zijn verklaringen passen in het beeld dat met (objectieve) onderzoeksbevindingen tot stand is gekomen, maar ook om zaken die hij zich kennelijk niet goed herinnerde helder te krijgen. Dat ging vaak om het verduidelijken van tijd en plaats. Zo heeft [kroongetuige] zich vergist in de plaats waar een van zijn vele ontmoetingen met [medeverdachte 14] is geweest (Leiden of Zoetermeer) en heeft hij grote moeite gehad om bepaalde gebeurtenissen goed in de tijd te plaatsen. Het openbaar ministerie heeft in dit verband tot slot opgemerkt dat in elk geval helder is hoe de verklaringen van [kroongetuige] tot stand zijn gekomen en dat controle voor de bruikbaarheid van zijn verklaringen goed uit te voeren is, als gevolg van de zeer getrapte manier van verhoren van [kroongetuige] en de woordelijke uitwerking van zijn verhoren. Het hof stelt in dit verband voorop dat het niet de betrouwbaarheid van de persoon van [kroongetuige] maar die van zijn verklaringen dient te toetsen. Het feit dat een kroongetuige in het verleden ook bij andere misdrijven betrokken is geweest en/of dat hij in het verleden mogelijk onbetrouwbaar is gebleken wat betreft zijn verklaringen over niet in de afspraak als bedoeld in artikel 226g van het Wetboek van Strafvordering opgenomen misdrijven, is op zich geen reden om geen waarde te hechten aan zijn als kroongetuige afgelegde verklaringen. Uiteindelijk gaat het erom of de verklaringen van de kroongetuige over de aan de verdachten ten laste gelegde feiten betrouwbaar zijn. Een kritische benadering van de verklaringen van [kroongetuige] ligt voor de hand, nu hij deze heeft afgelegd als kroongetuige en aan hem strafvermindering en bescherming in het vooruitzicht zijn gesteld in ruil voor informatie over misdrijven. Het gaat dan meestal om informatie die zonder de verklaring van de kroongetuige niet, of zeer moeilijk, door de opsporingsinstanties is te verkrijgen. De van de kroongetuige te verkrijgen informatie moet voor de opsporingsautoriteiten een meerwaarde hebben. Daarin kan een motief zijn gelegen om informatie te verschaffen die niet op waarheid berust. Om die reden is het van belang dat de door de kroongetuige gegeven informatie zoveel mogelijk wordt getoetst in het opsporingsonderzoek en bij de berechting. Om diezelfde reden dienen zijn verklaringen met extra behoedzaamheid te worden beoordeeld, zoals ook tot uitdrukking komt in de motiveringseis van artikel 360, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering en de bewijsminimumregel dat het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan niet uitsluitend op de verklaring van één getuige mag worden aangenomen. De eis van behoedzaamheid geldt in het bijzonder waar het gaat om de verklaringen die zien op informatie die [kroongetuige] stelt van [medeverdachte 14] te hebben verkregen. Zowel [kroongetuige] als [medeverdachte 3] heeft verklaard dat [medeverdachte 14] informatie wel eens aandikte of dat hij met desinformatie strooide. Uitgangspunt is dat een verklaring van een getuige over wat hij van een andere persoon heeft gehoord in beginsel bruikbaar is voor het bewijs, maar dat de verdediging wel de gelegenheid moet hebben gehad om de getuige, het liefst ter terechtzitting, te horen. Vastgesteld kan worden dat de verdediging [kroongetuige] zowel bij de rechter-commissaris als ter terechtzitting in eerste aanleg en hoger beroep aan vele indringende verhoren heeft onderworpen, waarbij het aspect dat hij iets van [medeverdachte 14] heeft gehoord uitvoerig aan de orde is geweest. Het zou dan ook te ver gaan om aan de verklaringen van [kroongetuige] om die reden op voorhand slechts de waarde van steunbewijs toe te kennen, zeker omdat de beweerde bron van dergelijke verklaringen, [medeverdachte 14] , zich hoofdzakelijk heeft beperkt tot het ontkennen van de beweringen van [kroongetuige] en het presenteren van een ongeloofwaardig alternatief scenario. De van de kroongetuige verkregen informatie is divers van aard. Zo heeft hij niet alleen verklaard over gebeurtenissen die hij zelf heeft meegemaakt, maar ook over wat hij van anderen, met name [medeverdachte 14] , heeft gehoord. Ten slotte heeft hij ook verklaard over de algemene gang van zaken bij Caloh Wagoh, waarvan hij deel heeft uitgemaakt. Als informatie die de kroongetuige zegt te hebben verkregen van derden niet past bij de overige onderzoeksresultaten, kan maar hoeft dat niet te duiden op onbetrouwbaarheid van de kroongetuige. In dat geval is het ook mogelijk dat de kroongetuige naar waarheid heeft verklaard over wat hij heeft gehoord maar van die derde niet de juiste informatie heeft gekregen. Als voorbeeld noemt het hof een voorval in het deelonderzoek Breuk. De kroongetuige heeft verklaard dat zijn opdrachtgever hem op 5 juli 2017 heeft bericht dat het beoogde slachtoffer vanwege een file later zou komen. Dat het beoogde slachtoffer die dag na zijn vertrek uit Rotterdam om ongeveer 19.00 uur door een file is opgehouden, acht het hof niet waarschijnlijk. Voor deze ogenschijnlijke onjuistheid zijn meerdere verklaringen mogelijk: de kroongetuige kan de file hebben verzonnen, maar hij kan ook naar waarheid hebben verklaard over onjuiste informatie die hij van de opdrachtgever had gekregen, waarbij de opdrachtgever op zijn beurt deze onjuiste informatie van derden kan hebben ontvangen. Van belang is of onderdelen van de verklaring van de kroongetuige steun vinden in ander bewijsmateriaal en passen bij de overige bevindingen van het onderzoek. De verdediging heeft gewezen op de mogelijkheid van beïnvloeding van de kroongetuige door de politie. In dat verband is van belang of en, zo ja, hoe en wanneer de informatie van de kroongetuige in het onderzoek is bevestigd. Hierbij is een aantal situaties te onderscheiden: De informatie van de kroongetuige is geheel nieuw en wordt pas later in het onderzoek bevestigd door gegevens waarvan de kroongetuige niet op de hoogte kon zijn; De informatie kan worden bevestigd met zich al in het dossier bevindende onderzoeksresultaten of andere gegevens waarvan de kroongetuige op de hoogte kon zijn; De informatie wordt verkregen naar aanleiding van aan de kroongetuige voorgehouden onderzoeksresultaten. Het is duidelijk dat de mogelijkheid van beïnvloeding in de als eerste vermelde situatie het kleinst en in de laatste situatie het grootst is. Ook op het hof komt [kroongetuige] in zijn manier van verklaren bij de politie en de rechter-commissaris, maar ook ter terechtzitting over als een getuige die duidelijk en in grote lijnen consistent en zonder te aarzelen verklaart. Van belang is ook dat [kroongetuige] ook heeft verklaard over zijn rol in zaken waarin hij tot op dat moment bij het openbaar ministerie niet in beeld was gekomen en dat zijn op punten gedetailleerde verklaringen voor een belangrijk deel bevestiging vinden in objectieve onderzoeksbevindingen zoals die in het verificatie/falsificatiedossier. Veel verklaringen van [kroongetuige] vinden bevestiging in opnames van PGP- en whatsappgesprekken die pas later onder [medeverdachte 14] zijn aangetroffen. Van de aanwezigheid van die opnames waren [kroongetuige] en de politie niet op de hoogte op het moment dat de kluisverklaringen werden afgelegd. Het hof geeft daarvan enkele voorbeelden: De verklaring van de kroongetuige dat een zekere “ [naam gelijkend op naam 45] ” of “ [naam gelijkend op naam 45] ” opdrachtgever voor een aantal liquidaties was, komt overeen met een PGP-gesprek tussen [medeverdachte 14] en ‘The wizzard’ waarin “ [naam gelijkend op naam 45] ” als opdrachtgever wordt genoemd; De kroongetuige heeft verklaard dat [medeverdachte 14] hem een A4’tje met een foto van [slachtoffer 23] op een bruiloft heeft laten zien. Op die foto was het hoofd van [slachtoffer 23] omcirkeld. Op gegevensdragers van [medeverdachte 14] is een foto gevonden van een A4’tje met een foto van [slachtoffer 23] met zijn hoofd omcirkeld die ook verder aan de beschrijving van de kroongetuige voldoet; [medeverdachte 14] zou opdracht hebben gegeven voor de beschieting van een woning aan de [adres] in Doorn. Op gegevensdragers van [medeverdachte 14] is een beeldopname van een PGP-gesprek aangetroffen waarin wordt gesproken over een donkere straat met bomen bij de afslag Maarn (Doorn) van de A12. Ook is op die gegevensdrager een afbeelding van een printje van een routebeschrijving van Google Maps van ‘Mijn locatie’ naar de [adres] in Doorn gevonden; [medeverdachte 14] zou zijn benaderd door [medeverdachte 18] omdat zijn zoon in de problemen was gekomen door een vergismoord. Onder [medeverdachte 14] zijn beeldopnames van whatsappgesprekken en PGPgesprekken tussen beiden van ongeveer twee weken na de betreffende vergismoord over de zoon van [medeverdachte 18] aangetroffen; Het geld voor de moord op [slachtoffer 21] zou op de dag na de moord door een motorrijder zijn opgehaald. Op gegevensdragers van [medeverdachte 14] is de volgende chat van 8 juli 2017 aangetroffen: “Ok ik stuur hem, hij komt op de motor”. Ook op veel andere onderdelen worden de verklaringen van de kroongetuige bevestigd door die bij [medeverdachte 14] aangetroffen opnames. Het hof komt daar bij de bespreking van de zaakdossiers op terug. De conclusie is dat de verklaringen van de kroongetuige in de kern en op hoofdlijnen als betrouwbaar kunnen worden aangemerkt. Wel is duidelijk gebleken dat [kroongetuige] moeite heeft met het plaatsen van gebeurtenissen in de tijd en dat hij bepaalde feitelijkheden (nader) heeft ingevuld en met elkaar heeft verward, zoals in de deelonderzoeken Lis en Barbera, waar hij het heeft over het Belgische slachtoffer. Ook heeft [kroongetuige] zijn verklaringen gedurende het proces op punten moeten nuanceren, daar waar hij eerder al dan niet ingegeven door zijn eigen overtuiging in al te concluderende zin had verklaard. Sommige ongerijmdheden in de verklaringen van [kroongetuige] zijn niet geheel opgehelderd of op andere wijze verklaarbaar gebleken. Hiervan is bijvoorbeeld sprake in de deelonderzoeken Charlie17 en Langenhorst, daar waar het de gang van zaken in aanloop naar de moord en de rol van [kroongetuige] zelf betreft. Een aantal raadslieden heeft ook terecht erop gewezen dat het geheugen alleen al door het tijdsverloop beïnvloedbaar is en dat informatie die naderhand is verkregen, vermengd kan worden met wat een getuige zelf heeft waargenomen. Het hof komt niet tot de conclusie dat [kroongetuige] bewust niet volledig naar waarheid heeft verklaard. Dat neemt niet weg dat de verklaringen van [kroongetuige] slechts bruikbaar zijn voor het bewijs als het hof oordeelt dat zij betrouwbaar zijn en conform de waarheid zijn afgelegd. Ondanks de kanttekeningen die op onderdelen bij de verklaringen van [kroongetuige] kunnen worden geplaatst, blijft tegen de achtergrond van het totaal van zijn vele verklaringen en in het licht van de overige onderzoeksbevindingen het beeld van [kroongetuige] als een overwegend betrouwbaar verklarende getuige in stand. Uit de woordelijk uitgewerkte verhoren van [kroongetuige] is van het toepassen van NLP, van het opwekken van valse herinneringen of het voeden van informatie in de verhoren door de politie niet gebleken. Ook verder zijn hiervoor geen aanwijzingen te vinden. Het hof ziet geen noodzaak om in dit verband nader deskundigenonderzoek te laten doen of een deskundige te bevragen, zodat het (voorwaardelijke) verzoek daartoe wordt afgewezen. Bewijsminimum Een aantal raadslieden heeft aangevoerd dat de strafrechtelijke betrokkenheid van een verdachte niet enkel of in beslissende mate kan worden gegrond op de verklaring van een kroongetuige. Er moet voldoende ander bewijs zijn voor de strafrechtelijke betrokkenheid van de verdachte. Naar het oordeel van het hof is deze opvatting onjuist. Het tweede lid van artikel 342 van het Wetboek van Strafvordering bepaalt dat het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan door de rechter niet uitsluitend kan worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Deze bepaling heeft betrekking op de tenlastelegging in haar geheel en niet op een onderdeel daarvan. Zij beoogt de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing te waarborgen, in die zin dat artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen als de door één getuige naar voren gebrachte feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal (HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM2452, rov. 2.4). De beslissing tot de bewezenverklaring van een ten laste gelegd feit moet naast de eventuele verklaring van de kroongetuige ook op een of meer andere bewijsmiddelen zijn gebaseerd. Die andere bewijsmiddelen mogen volgens artikel 344a van het Wetboek van Strafvordering niet slechts bestaan uit verklaringen van andere kroongetuigen. Dat neemt niet weg dat de wettelijke regeling van de kroongetuige inclusief artikel 344a, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering en de bewijsminimumregel van artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering zich niet ertegen verzetten dat de bewezenverklaring van het tenlastegelegde in overwegende mate steunt op verklaringen van een getuige met wie door de officier van justitie een afspraak is gemaakt op grond van artikel 226h, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering (zie HR 23 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:601, rov. 8.4). Dat het gebruik van een verklaring van een kroongetuige voor de bewezenverklaring van het tenlastegelegde niet is onderworpen aan een verdere wettelijke beperking dan die van artikel 344a, vierde lid, en artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, laat onverlet dat het hof bij de beoordeling van de betrouwbaarheid en de waardering van de bewijswaarde van de verklaringen van de kroongetuige, zoals hiervoor al is overwogen, behoedzaam te werk gaat. 5.4. De vervolging van medeverdachten De verdediging heeft aangevoerd dat enkele medeverdachten niet zijn vervolgd voor diverse vergelijkbare feiten uit (onderdelen van) zaaksdossiers, waaronder Goudvink. Daardoor zou de vervolging van [verdachte] voor feiten uit het deelonderzoek Goudvink in strijd zijn met het gelijkheidsbeginsel en het verbod van willekeur. In artikel 167, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering is aan het openbaar ministerie de bevoegdheid toegekend zelfstandig te beslissen of naar aanleiding van een ingesteld opsporingsonderzoek vervolging moet plaatsvinden. De beslissing van het openbaar ministerie om tot vervolging over te gaan leent zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing in die zin dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een nietontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging op de grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met de beginselen van een goede procesorde (zie HR 6 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX4280, en HR 29 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1633). Zo kan onder omstandigheden (voortzetting van) de vervolging in strijd zijn met het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging, dat in de strafrechtspraak ook wel wordt omschreven als het verbod van willekeur (zie HR 6 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9266). Bij de vraag of sprake is van gelijke gevallen kunnen de volgende beoordelingsfactoren een rol spelen (de opsomming is niet uitputtend): De aard van de verdenking. Concreet toegespitst op de zaak Goudvink betekent dit het antwoord op de vraag: is alleen sprake van overtreding van de Wet wapens en munitie of is er een verdenking van het voorhanden hebben van wapens ter voorbereiding van een levensdelict? De inschatting van de kans op een veroordeling, waaronder de bewijspositie en de vraag of door de verdachte een beroep kan worden gedaan op een strafuitsluitingsgrond; Het nut van de vervolging bij een recente veroordeling tot een straf of maatregel; Het strafrechtelijke verleden van de verdachte; Is sprake van meerdere strafbare feiten? Dit gezichtspunt kan beide kanten uitwerken. Het feit dat de verdachte van meerdere strafbare feiten wordt verdacht kan reden zijn de verdachte te vervolgen. In gevallen waarin iemand voor meerdere strafbare feiten wordt vervolgd, kan zich echter ook de situatie voordoen dat vervolging voor een extra strafbaar feit geen meerwaarde heeft. Bij geen van de door de verdediging genoemde gevallen is, in het licht van deze beoordelingsfactoren, aannemelijk geworden dat relevante verschillen met de zaak van [verdachte] ontbreken. De vervolging van [verdachte] is dan ook niet in strijd met het gelijkheidsbeginsel. Het beroep op het verbod van willekeur wordt door de verdediging niet anders onderbouwd dan door te wijzen op de strijd met het gelijkheidsbeginsel. Nu daarvan geen sprake is, wordt ook het beroep op het verbod op willekeur verworpen. Er is ook anders niet gebleken dat geen redelijk handelend lid van het openbaar ministerie heeft kunnen oordelen dat met (voortzetting van) de vervolging enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn. 6DE WAARDERING VAN HET BEWIJS EN DE CONCLUSIES VAN DE VEREDELINGEN 6.1. De vordering van het openbaar ministerie De advocaten-generaal hebben zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat [verdachte] zich heeft schuldig gemaakt aan het in het deelonderzoek Lis primair tenlastegelegde en het in het deelonderzoek Goudvink tenlastegelegde. Verder achten de advocaten-generaal te bewijzen dat [verdachte] het in het deelonderzoek Gezicht onder feit 1 subsidiair en het onder feit 2 tenlastegelegde heeft begaan en dat hij heeft deelgenomen aan een criminele organisatie. Zij verwijzen daartoe naar de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen. 6.2. Het standpunt van de verdediging De verdediging van [verdachte] heeft verzocht hem van alle ten laste gelegde feiten vrij te spreken. De daartoe gevoerde verweren komen, voor zover van belang voor de bewijswaardering, aan de orde in de overwegingen van het hof. 6.3. Het oordeel van het hof 6.3.1. Conclusies veredelingen en identificaties Het hof heeft op basis van de bewijsmiddelen en conclusies die zijn opgenomen in bijlage 3 onder meer de volgende veredelingen van PGP-namen en bijnamen vastgesteld: - [medeverdachte 14] is de gebruiker van de PGP-accounts ‘CB1D45’ (tussen 18 en 20 februari 2017), ‘C murder/971817’, ‘C MURDAH’, ‘C40’ en NN2 (deelonderzoek Goudvink); [medeverdachte 2] is de gebruiker van het PGP-account ‘The wizzard’; [medeverdachte 4] is de gebruiker van de PGP-accounts ‘B.I.G’, ‘Keyser soze’ en ‘Keyser soze0’; [medeverdachte 6] is de gebruiker van het PGP-account ‘Max Payne’ en [medeverdachte 6] heeft de bijnamen ‘ [bijnaam medeverdachte 6] ’/‘ [bijnaam medeverdachte 6] ’ en ‘Max’; [medeverdachte 3] is van 22 tot en met 24 februari 2017 de gebruiker van het PGP-account ‘CB1D45’ en [medeverdachte 3] heeft de bijnamen ‘ [bijnaam medeverdachte 3] ’/‘ [bijnaam medeverdachte 3] ’; [medeverdachte 7] is van 14 maart 2017 tot en met 17 maart 2017 de gebruiker van het PGP-account ‘CB1D45’ en [medeverdachte 7] heeft de bijnaam ‘ [bijnaam medeverdachte 7] ’; [medeverdachte 10] heeft de bijnaam ‘ [bijnaam medeverdachte 10] ’; [medeverdachte 18] heeft de bijnaam ‘ [bijnaam medeverdachte 18] ’; [medeverdachte 17] is de gebruiker van het PGP-account ‘Storing’. 6.3.2. GEZICHT 28 juni 2017 6.3.2.1. De verklaringen van [kroongetuige] heeft over het voornemen om een pand met een raketwerper te beschieten onder meer het volgende verklaard. Een dag vóór de beschieting heeft hij [medeverdachte 14] opgehaald in Almere. [kroongetuige] heeft toen van [medeverdachte 14] begrepen dat hij samen met [medeverdachte 14] naar Doorn moest rijden om voor te verkennen, omdat daar een persoon woonde die moest worden gewaarschuwd. [medeverdachte 14] had de opdracht gekregen om met een raketwerper op de woning van die persoon te schieten. Bij de voorverkenning heeft [medeverdachte 14] de woning aan de [adres] aangewezen als het pand dat moest worden beschoten. [kroongetuige] moest de volgende dag een Peugeot 308 en de raketwerper aan de uitvoerders overhandigen. Op de dag van de voorgenomen beschieting bleek dat een van de uitvoerders de geboden geldelijke beloning te laag vond, waarna [medeverdachte 14] aan [kroongetuige] de opdracht heeft gegeven om als chauffeur te fungeren. [kroongetuige] en de andere uitvoerder zijn vervolgens in de Peugeot 308 naar Doorn gereden en [kroongetuige] heeft de uitvoerder de woning aangewezen. De schutter is met de raketwerper uitgestapt, is naar de woning toegelopen en heeft de raketwerper uitgeklapt. De schutter was bezig om te gaan vuren, maar voordat hij daadwerkelijk vuurde zag hij in de tuin kinderen spelen. Daarop heeft de schutter zijn handelingen afgebroken en zijn [kroongetuige] en de schutter weggereden. Verder heeft [kroongetuige] verklaard dat hij voorafgaand aan de beschieting in Doorn in opdracht van [medeverdachte 14] een raketwerper in ontvangst heeft genomen van een persoon afkomstig uit de groep van de opdrachtgever. [medeverdachte 14] heeft aan [kroongetuige] verteld dat [naam 45] de opdrachtgever was. Het hof acht deze verklaring van [kroongetuige] betrouwbaar, omdat die bevestiging vindt in meerdere bewijsmiddelen. Het hof zal dat hieronder nader uitwerken. 6.3.2.2. De onderbouwing van de verklaringen van [kroongetuige] en overige bewijsoverwegingen Naar aanleiding van het onderzoek en de verklaringen van [kroongetuige] is het volgende gebleken. 6.3.2.2.1. Voorverkenning Uit een PGP-gesprek van 27 juni 2017 tussen ‘C murder’, veredeld als [medeverdachte 14] , en ‘B.I.G’, veredeld als [medeverdachte 4] , blijkt dat [medeverdachte 4] een bericht doorstuurt afkomstig van ‘Sir’. Het hof beschouwt de persoon achter dit account als de opdrachtgever. In dit doorgestuurde bericht wordt aan [medeverdachte 14] doorgegeven dat het een aardig donkere straat is met bomen en dat je daar kan komen via de A12 en de afslag Driebergen of de afslag Maarn/Doorn. Op een onder [medeverdachte 14] inbeslaggenomen harde schijf zijn op 27 juni 2017 gemaakte printjes gevonden van een routebeschrijving met als waarschijnlijke startlocatie de [adres] in Almere, een van de verblijfadressen van [medeverdachte 14] , en als eindbestemming de [adres] in Doorn. Uit de historische verkeersgegevens van het telefoonnummer van [kroongetuige] (*3990) blijkt dat zijn telefoon zich op 27 juni 2017 in de middag tussen 13.28 uur en 13.49 uur in Doorn bevond om vervolgens om 14.17 uur een zendmast aan te stralen op de [adres] in Breukelen. Uit de zendmastgegevens van het telefoonnummer van [medeverdachte 14] (*6325) blijkt dat zijn telefoon zich tot 12.42 uur in Almere bevond. Vervolgens straalde zijn telefoon voor het eerst weer een zendmast aan op de [adres] in Maarssenbroek. Dit was om 14.13 uur. De zendmasten op de [adres] in Breukelen en de [adres] in Maarssenbroek bevinden zich in elkaars verlengde langs de A2. 6.3.2.2.2. Verplaatsen naar de loods aan de Communicatieweg in Mijdrecht Uit de historische verkeersgegevens van het telefoonnummer van [medeverdachte 14] (*6325) blijkt dat zijn telefoon op 28 juni 2017 om 14.22 uur een zendmast aanstraalde bij Nieuwer Ter Aa. Deze zendmast ligt in de nabije omgeving van Vinkeveen. Uit de gegevens van de onder [medeverdachte 14] inbeslaggenomen Volvo blijkt dat dit voertuig zich op 28 juni 2017 omstreeks 14.26 uur van Almere naar Mijdrecht heeft verplaatst. Uit de historische verkeersgegevens van de PGP-telefoon van [kroongetuige] (*3108) blijkt dat zijn telefoon om 14.27 uur gebruik heeft gemaakt van een zendmast aan de [adres] in Mijdrecht. Het hof leidt hieruit af dat [kroongetuige] en [medeverdachte 14] op 28 juni 2017 bij de loods in Mijdrecht zijn geweest. 6.3.2.2.3. Verplaatsen naar Doorn Uit de historische verkeersgegevens van de PGP-telefoon van [kroongetuige] (*3108) volgt dat de telefoon om 18.07 uur nog gebruikmaakte van de zendmast aan de [adres] in Mijdrecht. Vervolgens verplaatste de telefoon zich via Vinkeveen, Nieuwer Ter Aa en Loenen aan de Vecht naar Doorn om daar om 19.05 uur een zendmast aan te stralen aan de [adres] . Het hof leidt hieruit af dat [kroongetuige] zich op 28 juni 2017 vanuit Mijdrecht naar Doorn heeft verplaatst. 6.3.2.2.4. ‘ ‘Beschieting’ met raketwerper Uit veiliggestelde beelden van een camera aan de [adres] in Doorn blijkt dat er op 28 juni 2017 tussen 18.53 uur en 19.00 uur vijfmaal een zilvergrijze Peugeot 308 voorbij is gereden. Getuige [getuige 8] heeft verklaard dat hij op 28 juni 2017 omstreeks 19.05 uur een man over de ventweg naast de [adres] in Doorn zag lopen. Hij zag dat de man een legergroene buis met een diameter van ongeveer 10 cm langs de linkerkant van zijn lichaam hield. Kort hierna hoorde de getuige een auto hard achteruitrijden. De getuige zag dat de man met de legergroene buis in een Peugeot stationwagen stapte en dat deze auto daarop snel wegreed. De getuige heeft later op internet gezocht naar het voorwerp dat de man vasthield en is ervan overtuigd dat het een bazooka was. Uit nader onderzoek naar diezelfde camerabeelden is gebleken dat dezelfde zilvergrijze Peugeot 308 om 19.16 uur en 19.18 uur opnieuw langs de [adres] is gereden. 29 juni 2017 6.3.2.3. De beschieting van de [adres] (en [adres] ) Op 29 juni 2017 is omstreeks 23.00 uur de [adres] beschoten met een kalasjnikov (AK-47), waarbij de gevel van de woning is geraakt. Bij deze beschieting is ook een houten tuinschuur aan de [adres] geraakt. 6.3.2.4. De verklaringen van [kroongetuige] heeft over de beschieting op de [adres] in Doorn verklaard dat achteraf is gebleken dat hij en de schutter op 28 juni 2017 voor de verkeerde woning in Doorn hebben gestaan. De woning van 28 juni 2017 bleek ook nummer [huisnummer] te hebben maar bevond zich op de [adres] , op de hoek met de [adres] . [kroongetuige] heeft vervolgens van [medeverdachte 14] de opdracht gekregen om de juiste woning te zoeken. [kroongetuige] is weer naar Doorn gereisd en heeft daarbij met een Samsung foto’s genomen van de [adres] in Doorn. Hij heeft daarbij als alibi voor zijn aanwezigheid met zijn iPhone ook een foto van een huurwoning aan het einde van de betreffende straat gemaakt. Nadat [medeverdachte 14] , na het zien van de door [kroongetuige] gemaakte foto’s, contact had gelegd met de groep van de opdrachtgever, werd aan [medeverdachte 14] bevestigd dat het huis aan de [adres] de juiste woning was. De volgende dag heeft [kroongetuige] van [medeverdachte 14] de opdracht gekregen om twee handgranaten naar binnen te gooien bij de [adres] in Doorn. Nadat [kroongetuige] tegen [medeverdachte 14] had gezegd dat hij dat zelf niet wilde doen, heeft [medeverdachte 14] contact opgenomen met [medeverdachte 9] , de president van chapter Den Haag van Caloh Wagoh. [medeverdachte 9] heeft vervolgens twee jongens van zijn chapter, [naam 24] en [verdachte] , naar voren geschoven voor de opdracht. Ondertussen had [kroongetuige] van [medeverdachte 14] begrepen dat de waarschuwing niet met handgranaten moest gebeuren, maar met een kalasjnikov. Daarbij was het de bedoeling dat [naam 24] als schutter zou optreden en [verdachte] als back-up als [naam 24] zou weigeren op de woning te schieten. [kroongetuige] is vervolgens naar [medeverdachte 9] in Den Haag gereden, heeft [verdachte] en [naam 24] opgehaald en is met zijn Peugeot 206 naar de loods in Mijdrecht gereden. Daar hebben zij de Seat Leon gepakt. Zij hebben hun telefoons in Mijdrecht achtergelaten en zijn naar Doorn gereden. Nadat [kroongetuige] de juiste woning had aangewezen, zijn [naam 24] en [verdachte] uit de auto gestapt en heeft [naam 24] de woning beschoten. [kroongetuige] heeft van [naam 24] begrepen dat de kalasjnikov na drie of vier schoten bleef hangen. Hierop zijn [naam 24] en [verdachte] teruggerend naar de Seat Leon en weggereden. [kroongetuige] , [naam 24] en [verdachte] zijn vervolgens naar Amersfoort gereden. Nadat ze de auto met daarin het wapen in een woonwijk hadden geparkeerd, zijn ze naar het centrum van Amersfoort gelopen en op een terras bij een homobar gaan zitten. Met de telefoon van het café heeft [kroongetuige] contact gezocht met [medeverdachte 14] om te laten weten dat de beschieting was gelukt. Verder hebben [naam 24] en [verdachte] contact gezocht met hun partners en heeft [naam 24] geregeld dat ze zijn opgehaald door [naam 34] . Verder heeft [kroongetuige] verklaard dat [naam 24] later de Seat Leon in Amersfoort heeft opgehaald en dat [naam 24] daarbij het wapen mee naar huis heeft genomen om te bekijken waarom het was blijven hangen. Hieruit bleek dat er een kogel vastzat in de loop. Het hof acht deze verklaring van [kroongetuige] betrouwbaar, omdat die bevestiging vindt in meerdere bewijsmiddelen. Het hof zal dat hieronder nader uitwerken. 6.3.2.5. De onderbouwing van de verklaringen van [kroongetuige] en overige bewijsoverwegingen Naar aanleiding van het onderzoek en de door [kroongetuige] afgelegde verklaringen is het volgende gebleken. 6.3.2.5.1. Vasstellen van de juiste woning Uit nader onderzoek aan de onder [kroongetuige] inbeslaggenomen iPhone 6 volgt dat met dit toestel op 29 juni 2017 om 14.40 uur een foto is gemaakt van een woning in Doorn. Blijkens de coördinaten is dit in de [adres] in Doorn. Op de onder [kroongetuige] inbeslaggenomen Samsung is een foto aangetroffen van de [adres] in Doorn. Het hof vindt hierin bevestiging voor de verklaring van [kroongetuige] dat hij in Doorn is geweest om erachter te komen wat de juiste woning was. 6.3.2.5.2. Handgranaten Uit een PGP-gesprek van 29 juni 2017 tussen [medeverdachte 14] en [medeverdachte 4] blijkt dat [medeverdachte 4] een bericht doorstuurt van een account genaamd ‘ [accountnaam] ’. ‘ [accountnaam] ’ stuurt om 14.45 uur: “Rond 19. 30 . Kunnen ze appels aanpakken op de [adres] nieuwegein”. Uit de opmerking “appels aanpakken” en de overige bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien leidt het hof af dat over handgranaten wordt gesproken. 6.3.2.5.3. [naam 24] en [verdachte] geregeld als uitvoerders Uit de historische verkeersgegevens van de telefoonnummers van [naam 24] (*9691 en *9231), [verdachte] (*7239) en [medeverdachte 9] (*3695) volgt dat zij op 29 juni 2017 aan het begin van de avond onderling contact hebben gehad. Om 18.07 uur wordt het nummer van [naam 24] gebeld door het nummer van [verdachte] en om 18.15 uur belt het andere nummer van [naam 24] naar het nummer van [medeverdachte 9] . Vervolgens is er om 18.39 uur opnieuw contact tussen de nummers van [naam 24] en [verdachte] en om 19.00 uur en 19.03 uur tussen die van [naam 24] en [medeverdachte 9] . 6.3.2.5.4. Vertrekken vanaf Den Haag naar de loods in Mijdrecht Uit de historische verkeersgegevens van het telefoonnummer van [kroongetuige] (*3990) blijkt dat zijn telefoon om 18.29 uur en om 18.43 uur een zendmast aanstraalde op de [adres] in Den Haag. Uit het aanstralen van de zendmasten is af te leiden dat de telefoon van [kroongetuige] zich verplaatste vanaf Den Haag (18.43 uur), via Kamerik (19.59 uur) naar Mijdrecht (22.00 uur). De telefoon van [naam 24] (*9231) bewoog van Rotterdam (19.18 uur), via Woerden (19.37 uur en 19.44 uur) en Wilnis (20.07 uur) eveneens naar Mijdrecht (20.08 uur) en maakte daar tot en met 21.24 uur gebruik van zendmasten in Mijdrecht. Uit screenshots aangetroffen op de onder [kroongetuige] inbeslaggenomen Samsung blijkt dat zijn Peugeot 206 op 29 juni 2017 om 19.10 uur een snelheidsovertreding heeft begaan ter hoogte van de trajectcontrole A20 Rotterdam rechts. Het hof vindt hierin bevestiging voor de verklaring van [kroongetuige] dat hij, [verdachte] en [naam 24] zich vanuit Rotterdam/Den Haag naar de loods in Mijdrecht hebben verplaatst. 6.3.2.5.5. Achterlaten van de telefoons in Mijdrecht Het telefoonnummer van [naam 24] (*9231) maakte op 29 juni 2017 om 21.24 uur voor het laatst die dag gebruik van een zendmast aan de [adres] in Mijdrecht. Op 1 juli 2017 werd voor de eerste keer weer een zendmast aangestraald. Uit onderzoek van de iPhone van [kroongetuige] blijkt dat het telefoonnummer *3990 op 29 juni 2017 vanaf 22.00 uur tot en met 30 juni 2017 om 21.05 uur zendmasten aanstraalde in Mijdrecht en dus ook ten tijde van het schietincident op de [adres] in Doorn. Het hof vindt hierin bevestiging voor de verklaring van [kroongetuige] dat hij en in ieder geval [naam 24] hun telefoon in Mijdrecht hebben achtergelaten. 6.3.2.5.6. Schieten op de [adres] in Doorn Uit de beelden van de beveiligingscamera op de [adres] in Doorn volgt dat om 22.51 uur een persoon met voor zich iets in zijn handen over de [adres] in de richting van de [adres] loopt. Een tweede persoon loopt achter de eerste persoon aan. Enkele seconden later zijn er lichtflitsen te zien bij de [adres] , waarna beide personen terugrennen in de richting van waar zij vandaan kwamen (richting de [adres] ). De politie heeft onderzoek gedaan naar de lengte van de twee personen die op deze beelden zijn te zien. De lengte van de eerste en de tweede persoon is daarbij geschat op respectievelijk tussen 1.78 en 1.79 m en tussen 1.70 en 1.72 m. [naam 24] is 1.78 m lang en [verdachte] 1.72 m. Nabij de woning aan de [adres] zijn vier hulzen en twee projectielen (manteldelen) gevonden. Uit forensisch onderzoek blijkt dat de vier hulzen het kaliber 7,62 x 39 mm hebben en dat deze hulzen vermoedelijk zijn verschoten met een semiautomatisch werkend aanvalsgeweer van het type kalasjnikov (AK-47) of een wapen dat daarvan is afgeleid. De twee manteldelen passen bij het kaliber 7,62 x 39 mm. 6.3.2.5.7. Vluchten naar Amersfoort – [café] Uit de historische verkeersgegevens van de telefoonnummers van [medeverdachte 14] (*6325), [naam 34] (*4311 en *1366) (partner van [naam 24] ) en [naam 17] (*4881) (partner van [verdachte] ) is gebleken dat zij op 29 juni 2017 tussen 23.53 uur en [huisnummer] juni 2017 om 00.45 uur telefonisch contact hebben gehad met het telefoonnummer [telefoonnummer] . Dit nummer is van [café] in Amersfoort. 6.3.2.5.8. Ophalen door [naam 34] Uit de historische verkeersgegevens van het telefoonnummer van [naam 34] (*4311) blijkt dat dit nummer op 30 juni 2017 om 00.45 uur een zendmast aanstraalde in Rotterdam. Vervolgens straalde het tussen 01.35 uur en 01.40 uur de mast aan het [adres] in Amersfoort aan, om vervolgens om 03.12 uur weer de zendmast aan de [adres] in Spijkenisse aan te stralen. Uit onderzoek van het navigatiesysteem van de door [naam 34] gebruikte Fiat Panda volgt dat onder verwijderde items twee locaties in Amersfoort zijn aangetroffen: [adres] en City Centre Amersfoort. Ook zijn in de TomTom coördinaten aangetroffen die betrekking hebben op de locatie [adres] in Amersfoort. Het hof vindt hierin bevestiging voor de verklaring van [kroongetuige] dat [naam 34] [naam 24] , [verdachte] en [kroongetuige] heeft opgehaald in Amersfoort. [adres] ligt in een woonwijk in AmersfoortZuid en past bij de verklaring van [kroongetuige] over waar zij de auto met het wapen hebben achtergelaten en waar [naam 24] de auto en het wapen later weer heeft opgehaald. 6.3.2.5.9. Onderzoek kalasjnikov door [naam 24] Op een mobiele telefoon die inbeslaggenomen is op de [adres] in Spijkenisse zijn verschillende foto’s aangetroffen van [naam 24] en [naam 34] . Ook zijn er twee afbeeldingen van het uitwerpmechanisme aan de bovenkant van een vuurwapen en twee afbeeldingen van een los patroon en een lege huls gevonden. In het uitwerpmechanisme is een huls te zien die schuin in het aanvoergedeelte zit. Uit nader onderzoek blijkt dat het vuurwapen op de afbeeldingen een kalasjnikov is, waarmee normaal gesproken munitie van het kaliber 7,62 x 39 mm wordt verschoten. Op de afbeelding is ook een storing te zien. Er is een patroon aangevoerd, terwijl de huls van een vorig schot is blijven hangen. Op de afbeeldingen van het vuurwapen en de munitie is op de achtergrond een houten bruine tafel met een zwarte placemat en witte rechthoekige vloertegels zichtbaar. Zowel [kroongetuige] als [naam 34] heeft aan de hand van de achtergrond de woning van de moeder van [naam 34] herkend. [naam 34] heeft aan de hand van de placemat ook de tafel van haar moeder herkend. 6.3.2.6. De beeldmeting De verdediging van [verdachte] heeft zich op het standpunt gesteld dat het proces-verbaal beeldmeting van 11 februari 2020 niet bruikbaar is voor het bewijs. Daarbij heeft de raadsman gewezen op een brief van een deskundige van het NFI van 28 augustus 2019 en gesteld dat het NFI de uitkomst van de beeldmeting niet betrouwbaar zou achten. In de bedoelde brief heeft de NFI-deskundige de haalbaarheid van het beantwoorden van een aantal door de officier van justitie gestelde onderzoeksvragen beoordeeld op basis van het aangeleverde beeldmateriaal (SIN AAMI1746NL), zijnde de beelden van de beveiligingscamera van [adres] van het schietincident op 29 juni 2017. Die onderzoeksvragen luidden: ‘Is verbetering van de beeldkwaliteit van de bedoelde beeldfragmenten mogelijk en wel tot een dusdanig niveau dat daarop de zichtbare personen voor herkenning in aanmerking kunnen komen, dan wel ondanks de beschikbare beeldverbeteringsmogelijkheden uitgesloten moeten worden van herkenning? Kan beeldvergelijkend onderzoek tussen [beeldbron I] en [beeldbron II], gelet op lengte, loop, postuur of andere aspecten/kenmerken van de perso(o)n(
- en)op het beeldmateriaal, leiden tot een waarschijnlijkheidsuitspraak over: - of het dezelfde perso(o)n(
- en)is/zijn?’. Beeldbron I is het aangeleverde beeldmateriaal en beeldbron II zijn de eventueel nog te maken vergelijkingsopnamen van de verdachte. De rapporteur heeft de aangeleverde beelden bekeken en daarbij de volgende bevindingen gedaan: ‘Als zodanig bevatten de beelden onvoldoende details om bruikbaar te zijn voor vergelijkend onderzoek. Ook hebben wij geen aanknopingspunten gevonden voor beeldverbetering die een positieve invloed kunnen hebben op de bruikbaarheid van het materiaal voor persoonsherkenning of -vergelijking. Voor een analyse van de manier van lopen (“gait analysis”) geldt dat de ons beschikbare methoden onvoldoende betrouwbaar zijn om een bruikbaar resultaat te verwachten op basis van het aangeleverde materiaal. Een globale inschatting van het postuur van de persoon in de aangeleverde beelden geeft geen reden aan te nemen dat dit veel afwijkt van een normaal postuur. Indien de verdachte een postuur heeft dat overduidelijk afwijkt van een dergelijk postuur, kan dit mogelijk leiden tot uitsluiting. In dat geval is echter de verwachting dat dit ook zonder onderzoek door het NFI al duidelijk zal zijn. De mogelijkheden voor een schatting van de lengte zijn beoordeeld. De verwachting is dat de meetonzekerheden die het gevolg zullen zijn van onder meer de beperkte resolutie, het gebrek aan contrast en het niet beschikbaar zijn van de camera, dermate groot zullen zijn dat het onderzoek weinig tot geen bewijskracht zal hebben. Een uitzondering hierop is als de verdachte duidelijk veel korter of langer is dan gemiddeld; dan zou een onderzoek op uitsluiting uit kunnen komen. Ook hier geldt echter de verwachting dat dit ook zonder onderzoek door het NFI al te zien zou moeten zijn. Al met zien wij geen (zinnige) mogelijkheden voor onderzoek op basis van het aangeleverde materiaal’. De Dienst Regionale Recherche heeft aan de hand van de beelden van het incident (AAMI1746NL) aanvullend beeldonderzoek gedaan, dat bestond uit de volgende drie onderdelen: Het verrichten van metingen op 7 januari 2020 van de omgeving van het incident door middel van een 3Dlaserscanning; Het verzamelen van ontbrekende brongegevens; Het uitvoeren van een beeldmeting mede aan de hand van lenscorrectie en cameramatching, waarvoor op 30 januari 2020 op de locatie [adres] in Doorn vanuit dezelfde positie en met dezelfde instellingen als die van de camera van de beelden van het incident referentiebeelden van onder andere een proefpersoon en een meetlat zijn gemaakt. De metingen van de omgeving van het incident zijn uitgevoerd met behulp van een statische 3Dlaserscanner en referentiepunten en hebben geresulteerd in een 3Dpuntenwolk van de omgeving van het incident, wat volgens de verbalisanten een realistisch beeld en een nauwkeurige maatvoering van de situatie geeft. Bij de beeldmeting zijn een lenscorrectie en cameramatching uitgevoerd waarvoor gebruik is gemaakt van nieuwe informatie van de bewoners en de oud-bewoners van de [adres] over het gebruikte camerasysteem en de positie en de oriëntatie van de camera die de beelden van het schietincident op 29 juni 2017 heeft gemaakt. De oudbewoner van de [adres] had vier camera’s rondom de woning geïnstalleerd. Onder de dakrand van een uitbouw van de woning [adres] bevonden zich nog twee van die vier camera’s. Deze waren niet meer in gebruik. De oud-bewoner heeft de verbalisanten laten weten dat hij vermoedt dat de beveiligingscamera die de beelden van het schietincident heeft vastgelegd van hetzelfde merk en type was (Grundig GCHK0323V). Een van de twee nog op het adres [adres] aanwezige camera’s is inbeslaggenomen. Ook is onder de oud-bewoner de harddiskrecorder inbeslaggenomen. Daarop hebben de verbalisanten beelden gevonden die wat betreft camerapositie, cameraoriëntatie, zoombereik, beeldverhouding en framerate overeenkomen met de beelden van het schietincident op 29 juni 2017. Aan de hand van beelden van Google Street View van augustus 2016 hebben de verbalisanten de positie van de beveiligingscamera die de beelden van het incident op 29 juni 2017 heeft gemaakt bepaald. De lenscorrectie en cameramatching zijn uitgevoerd volgens de gevalideerde methode voor een snelheidsberekening die is ontwikkeld door het Kwaliteitsnetwerk Forensisch Omgevingsonderzoek van de politie. Het zicht van de camera in de 3Domgeving is gematcht met het zicht van de camera van de beelden van het schietincident op 29 juni 2017. Op die manier is volgens het procesverbaal een 3Dmodel verkregen waarin een 3Dfiguur of een object kan worden geplaatst voor een lengtemeting in relatie tot 2Dbeeldmateriaal. Voor de beeldmeting zijn van zowel de persoon 1 als de persoon 2 drie verschillende beelden van de beveiligingscamera van 29 juni 2017 op drie verschillende posities gebruikt. De van de persoon 1 gemeten lengte – de afstand tussen de bovenkant van het hoofd en de onderkant van de schoen – is in de posities 1, 2 en 3 respectievelijk 179 cm, 179 cm en 178 cm. De van de persoon 2 gemeten lengte is in de posities 1, 2 en 3 respectievelijk 170 cm, 172 cm en 171 cm. In wat de verdediging van [verdachte] heeft aangevoerd ziet het hof geen reden om het proces-verbaal beeldmeting van 11 februari 2020 niet voor het bewijs te gebruiken. In zijn brief van 28 augustus 2019 heeft de NFI-deskundige beoordeeld of de kwaliteit van de beelden van de beveiligingscamera van [adres] kan worden verbeterd en of die beelden geschikt zijn voor beeldvergelijkend onderzoek, om een uitspraak te doen over de waarschijnlijkheid dat de verdachte een van de twee personen op de beelden is. Volgens de NFIdeskundige is het beschikbare beeldmateriaal niet geschikt voor een dergelijk onderzoek. Hij zag ook geen aanknopingspunten voor beeldverbetering. De deskundige heeft daarbij de verwachting uitgesproken dat de meetonzekerheden die het gevolg zijn van onder meer de beperkte resolutie, het gebrek aan contrast en het niet beschikbaar zijn van de camera, dermate groot zijn dat een onderzoek naar een geschatte lengte weinig tot geen bewijskracht zal hebben. De uitgevoerde beeldmeting is echter geen beeldvergelijkend onderzoek met het oog op een persoonsherkenning of vergelijking maar een schatting van de lengte van de persoon 1 en de persoon 2 op de beelden van het schietincident op 29 juni 2017, waarvoor aanvullend onderzoek is gedaan. De inschatting dat vanwege de meetonzekerheden een onderzoek naar een geschatte lengte op basis van het aangeleverde beeldmateriaal weinig tot geen bewijskracht heeft, kan dan ook niet betekenen dat de uitkomsten van de beeldmeting zoals die uiteindelijk is uitgevoerd geen bewijswaarde zouden hebben. De verbalisanten, die tijdens hun onderzoek geen informatie hadden over de afmetingen van de verdachten, hebben in hun procesverbaal van 11 februari 2020 inzichtelijk gemaakt op welke manier zij de beeldmeting hebben verricht en welk nader onderzoek zij daarvoor hebben uitgevoerd. Wat de verdediging heeft aangevoerd biedt geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de beeldmeting en de verschillende onderdelen van het daartoe uitgevoerde onderzoek onzorgvuldig, onlogisch of op een andere manier onjuist zouden zijn. Naar het oordeel van het hof komt, ondanks de nietoptimale kwaliteit van de beelden van 29 juni 2017 van de beveiligingscamera van de [adres] , bewijswaarde toe aan de op basis van de beeldmeting geschatte lengte van de persoon 1 en de persoon 2, in die zin dat dit een betrouwbare schatting is van de lengte van die personen. 6.3.2.7. De rol van [medeverdachte 14] 6.3.2.7.1. 28 28 juni 2017 Het hof leidt uit de bewijsmiddelen over 28 juni 2017 af dat [medeverdachte 14] van de opdrachtgever een opdracht heeft aangenomen om een woning te beschieten met een raketwerper en dat [kroongetuige] daartoe in opdracht van [medeverdachte 14] een raketwerper heeft opgehaald. [medeverdachte 14] is door de opdrachtgever op de hoogte gebracht van de omgeving van de woning. [medeverdachte 14] heeft de route vanaf zijn verblijfplaats in Almere naar de [adres] in Doorn opgezocht en is samen met [kroongetuige] in Doorn op voorverkenning geweest om de woning te bekijken. Voor de uitvoering van deze voorgenomen beschieting heeft [medeverdachte 14] twee andere personen geregeld. Omdat een van hen de beloning te laag vond, heeft [medeverdachte 14] aan [kroongetuige] de opdracht gegeven om bij de beschieting met de raketwerper als chauffeur te fungeren. Naar het oordeel van het hof kan niet worden vastgesteld dat [medeverdachte 14] en de medeverdachten het opzet hadden op de dood van of het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan de bewoners van de [adres] in Doorn. Het was de bedoeling om het huis op het adres [adres] in Doorn, waarvan de bewoners op dat moment niet aanwezig waren, te beschieten en hen op die manier bang te maken. [kroongetuige] en de andere uitvoerder, die zich in het te beschieten huis hadden vergist, trokken zich onmiddellijk terug toen bleek dat er op het adres [adres] , dat is gelegen op de hoek van de [adres] en de [adres] , wel bewoners/personen aanwezig waren. Van opzet in voorwaardelijke zin op de dood of op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel is naar het oordeel van het hof geen sprake. De kans dat in een dergelijk geval zich toevallig toch iemand bevindt in de woning die zou zijn verlaten, is onder de gegeven omstandigheden niet zo groot dat kan worden gesproken van een aanmerkelijke kans op de dood van een of meer in de woning aanwezige personen. Dit betekent dat [medeverdachte 14] wordt vrijgesproken van het onder 1 primair, subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde. Van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht of met zware mishandeling van de bewoners of andere personen die aanwezig waren in of rondom de woning op het adres [adres] of de woning op het adres [adres] in Doorn, is geen sprake. Uit het dossier komt niet naar voren dat de bewoners van de woning [adres] op de hoogte zijn gekomen van het op 28 juni 2017 per ongeluk richten van een raketwerper op – in plaats van hun woning – de woning [adres] . Uit de op 21 mei 2019 afgelegde verklaring van de hoofdbewoonster van het adres [adres] blijkt dat zij alleen weet heeft van een incident op 7 juni 2017 waarbij een handgranaat in een tas aan hun tuinhek is gehangen en van een incident op 29 juni 2017 waarbij er op hun woning is geschoten toen zij niet thuis waren. De bewoners van de [adres] zijn op 19 april 2019 in verband met een uitzending van Opsporing Verzocht alsnog door de politie ervan op de hoogte gebracht dat op 28 juni 2017 bij vergissing een raketwerper op hun woning is gericht. Op zich is het richten met een raketwerper op een woning een bedreiging die van dien aard is en onder zulke omstandigheden gedaan dat bij de bewoners van die woning in beginsel de redelijke vrees kan ontstaan dat zij het leven kunnen verliezen of dat zij zwaar lichamelijk letsel kunnen oplopen. De toenmalige bewoners van het adres [adres] hebben echter pas op 19 april 2019 wetenschap van het incident van 28 juni 2017 gekregen. Mede vanwege het onderwerp van de uitzending van Opsporing Verzocht – acties uit juni 2017 die waren gericht tegen de bewoners van de woning [adres] – neemt het hof aan dat aan de bewoners van de [adres] is duidelijk gemaakt dat de daders zich hadden vergist en dat het de bedoeling was geweest om de bewoners van de [adres] bang te maken. Onder die omstandigheden kan niet worden gezegd dat alsnog op 19 april 2019 bij de voormalige bewoners van de [adres] door het op 28 juni 2017 richten met een raketwerper op hun woning de redelijke vrees is ontstaan dat zij hun leven zouden kunnen verliezen of zwaar lichamelijk letsel zouden kunnen oplopen. Uit het procesverbaal van bevindingen over het op de hoogte stellen op 19 april 2019 blijkt ook niet dat het voorval van 28 juni 2017 bij hen, ook al waren zij geschrokken, een dergelijke vrees heeft opgewekt. Omdat er geen bewijs is van een voltooide bedreiging van de bewoners of andere aanwezigen van de woning [adres] of de woning [adres] in Doorn, kan ook niet worden bewezen dat [medeverdachte 14] zich heeft schuldig gemaakt aan het medeplegen van (uitlokking van of medeplichtigheid aan) een dergelijke bedreiging, zoals dat aan hem is ten laste gelegd onder 1 meer meer, nog meer meer en meest subsidiair. [medeverdachte 14] heeft zich wel schuldig gemaakt aan het medeplegen van het voorhanden hebben van een raketwerper en een projectiel, zoals dat onder 2 is ten laste gelegd. 6.3.2.7.2. 29 29 juni 2017 Het hof leidt verder uit de bewijsmiddelen over 29 juni 2017 af dat [medeverdachte 14] via de groep van de opdrachtgever had begrepen dat zij het verkeerde huis op het oog hadden en dat hij vervolgens aan [kroongetuige] de opdracht heeft gegeven om de juiste woning in Doorn te zoeken. [medeverdachte 14] heeft de bevestiging gekregen dat de door [kroongetuige] gefotografeerde woning aan de [adres] in Doo