GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem nummer BK-ARN 24/483 uitspraakdatum: 30 september 2025 Uitspraak van de vijfde enkelvoudige belastingkamer op het hoger beroep van [belanghebbende] B.V. te [vestigingsplaats] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) van 13 februari 2024, nummer ARN 22/1159, in het geding tussen belanghebbende en de heffingsambtenaar van de gemeente Renkum (hierna: de heffingsambtenaar) en de Staat der Nederlanden (de Minister van Justitie en Veiligheid) 1Ontstaan en loop van het geding 1.1. De heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken de waarde van de onroerende zaak [adres1] te [vestigingsplaats] , per waardepeildatum 1 januari 2020, voor het jaar 2021 vastgesteld. Tegelijk met deze beschikking heeft de heffingsambtenaar voor dat jaar aan belanghebbende een aanslag onroerendezaakbelasting opgelegd. 1.2. De heffingsambtenaar heeft het daartegen gemaakte bezwaar bij uitspraak op bezwaar ongegrond verklaard. 1.3. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard en de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) veroordeeld tot het betalen van vergoedingen voor immateriële schade (€ 1.000) en proceskosten (€ 875). 1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. 1.5. Belanghebbende heeft voorafgaand aan de zitting nadere stukken ingediend. 1.6. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 september 2025. Daarbij zijn verschenen en gehoord mr. D.A.N. Bartels als de gemachtigde van belanghebbende, alsmede namens de heffingsambtenaar [naam1] , bijgestaan door taxateur [naam2] . 2Vaststaande feiten 2.1. Belanghebbende heeft bij brief van 17 december 2021, ontvangen door de Rechtbank op 23 december 2021, beroep ingesteld. 2.2. In verband met dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank een nota gezonden, met het verzoek om het griffierecht ten bedrage van € 360 binnen vier weken na dagtekening van de nota te voldoen. Daarbij is erop gewezen dat als het griffierecht niet of niet tijdig is bijgeschreven, het beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard. 2.3. Omdat op deze nota geen betaling is gevolgd, heeft de griffier van de Rechtbank met dagtekening 1 april 2022 per aangetekende post een betalingsherinnering gezonden, met het verzoek om het griffierecht binnen vier weken na dagtekening van de herinnering te voldoen. Ook in deze herinnering is erop gewezen dat als het griffierecht niet of niet tijdig is bijgeschreven, het beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard. 2.4. Belanghebbende heeft op 29 april 2022 een bedrag van € 49 aan griffierecht betaald. 2.5. De Rechtbank heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard omdat belanghebbende niet het volledige griffierecht heeft voldaan. Vanwege overschrijding van de redelijke termijn heeft de Rechtbank de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) veroordeeld tot het betalen van vergoedingen voor immateriële schade (€ 1.000) en proceskosten (€ 875). De Rechtbank heeft geen aanleiding gezien het deels betaalde griffierecht te vergoeden. 3Geschil In hoger beroep is in geschil of de Rechtbank het beroep terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Tevens is in geschil of het deels betaalde griffierecht aan belanghebbende had moeten worden vergoed. 4Beoordeling van het geschil Ontvankelijkheid 4.1. Belanghebbende bestrijdt niet dat het griffierecht niet uiterlijk op de laatste dag van de door de griffier gestelde betalingstermijn is bijgeschreven op de rekening van de rechtbank dan wel ter griffie is gestort, maar stelt zich op het standpunt dat voor het restantbedrag van € 311 een nieuwe betaaltermijn moest worden gesteld, althans dat zij erop mocht vertrouwen dat haar voor dat bedrag een herstelmogelijkheid zou worden geboden. Het Hof volgt belanghebbende hierin niet. De griffier van een gerecht is niet gehouden om in het geval waarin binnen de gestelde termijn een deel van het verschuldigde griffierecht is voldaan, voor de betaling van het restant een nieuwe termijn te stellen (vgl. HR 11 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:879). De griffier van de Rechtbank heeft in dit geval dienovereenkomstig gehandeld en naar aanleiding van de deelbetaling geen nieuwe betaaltermijn voor het restantbedrag gesteld. 4.2. Nu het griffierecht niet tijdig is betaald en geen sprake is van een verschoonbaar verzuim, is het beroep naar het oordeel van het Hof terecht niet-ontvankelijk verklaard. Vergoeding griffierecht 4.3. Uit het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, volgt dat als een rechter het beroep op zichzelf beschouwd ongegrond acht, maar wel een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn toekent aan belanghebbende het griffierecht op grond van artikel 8:74, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht moet worden vergoed (r.o. 3.14.1). In zijn arrest van 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567, is de Hoge Raad van dat uitgangspunt teruggekomen. De aanleiding tot het vergoeden van griffierecht kan niet zijn gelegen in de omstandigheid dat het beroep, na het instellen daarvan, onredelijk lang heeft geduurd (r.o. 7.1.1). De Hoge Raad heeft in dat laatste arrest echter ook beslist dat die wijziging niet geldt voor zaken waarin (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.