GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem, afdeling civiel zaaknummer gerechtshof 200.348.967 zaaknummer rechtbank Gelderland 10836279 arrest van 7 oktober 2025 in de zaak van Juresta & Partners B.V., die is gevestigd in Apeldoorn, die hoger beroep heeft ingesteld, en bij de kantonrechter optrad als gedaagde partij, hierna: Juresta, advocaat: mr. E.F.E. van Essen, tegen [geïntimeerde] q.q. handelend in hoedanigheid van curator in het faillissement van [naam1] Horeca Exploitatie B.V., die woont in [woonplaats] , en bij de kantonrechter optrad als eisende partij, hierna: de curator, en de gefailleerde: [gefailleerde] , advocaat: mr. K.J.G. Hilderink. 1Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep 1.1. Het hof verwijst naar het arrest in incident van 4 maart 2025 voor de weergave van het procesverloop tot dan toe. Het verdere verloop blijkt uit: de memorie van antwoord in de hoofdzaak het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling op 23 juli 2025 het overleggen van het procesdossier door de curator de brief van 15 september 2025 van de advocaat van Juresta met opmerkingen over de inhoud van het proces-verbaal van de mondelinge behandeling en het verzoek om een nadere akte te mogen nemen dan wel een aanvullend pleidooi te houden de brief van 22 september 2025 van het hof aan partijen waarbij is medegedeeld dat de reactie op het proces-verbaal wordt toegevoegd aan het dossier en dat zo nodig in het arrest op de inhoud van de brief wordt ingegaan, en dat aan het verzoek voor een nadere akte of aanvullend pleidooi niet wordt voldaan de brief van 24 september 2025 van de advocaat van de curator waarin gevraagd wordt de brief van 15 september 2025 buiten beschouwing te laten de brief van 26 september van het hof aan partijen waarin wordt gemeld dat op het commentaar op (de juistheid van) het proces-verbaal en de reactie daarop voor zover nodig in het arrest wordt ingegaan. 1.2. Op verzoek van partijen heeft het hof arrest bepaald. 2De kern van de zaak 2.1. [gefailleerde] exploiteerde in [plaats] zowel een lunchroom, aan [adres1] , als een ijssalon, aan [adres2] . Enig bestuurder en aandeelhouder van [gefailleerde] was [naam1] . Zijn vader, [naam2] , heeft ten behoeve van die exploitatie gelden en juridisch advies verstrekt aan [naam1] . Dat gebeurde met name vanuit Juresta, waarvan [naam2] de middellijk bestuurder en enig aandeelhouder is. Nadat [gefailleerde] op 25 januari 2021 failliet was verklaard, heeft Juresta goederen uit de inventaris van de lunchroom en de ijssalon verkocht en de opbrengst daarvan (€ 16.940) behouden. Juresta liet aan de curator weten dat zij daartoe gerechtigd was omdat zij een pandrecht had op de inventaris van [gefailleerde] . 2.2. Bij de kantonrechter heeft de curator, naast een verklaring voor recht, betaling gevorderd van het door Juresta ontvangen bedrag van € 16.940, vermeerderd met rente en kosten. Daartoe voerde hij primair aan dat Juresta ongerechtvaardigd verrijkt was omdat zij geen vordering had op [gefailleerde] , zodat zij niet beschikte over een rechtsgeldig pandrecht. Juresta bracht daar bij de kantonrechter tegenin dat zij wel een vordering had op [gefailleerde] . Op grond van de overeenkomst van verpanding van 2 januari 2018 had Juresta daarom – zo voerde zij tijdens de mondelinge behandeling bij de kantonrechter aan – een rechtsgeldig pandrecht op de inventaris van de lunchroom. Op grond van een sale en leaseback-overeenkomst van 1 oktober 2014 was Juresta in 2014 al eigenaar geworden van de inventaris van de ijssalon, zo verduidelijkte Juresta tijdens die mondelinge behandeling. De curator betwistte dat Juresta eigenaar was van (een deel van) de inventaris van [gefailleerde] . 2.3. De kantonrechter heeft in haar vonnis van 16 oktober 2024 (gepubliceerd onder ECLI:NL:RBGEL:2024:7253) geoordeeld dat Juresta ongerechtvaardigd is verrijkt en dat zij de schade van de boedel ter hoogte van € 16.940 dient te vergoeden. Juresta is veroordeeld om dat bedrag, vermeerderd met buitengerechtelijke incassokosten van € 944,40, wettelijke rente en proceskosten, aan de curator te betalen. Bij herstelvonnis van 25 november 2024 is de beslissing in het vonnis van 16 oktober 2024 aangevuld met een verklaring voor recht dat Juresta ten tijde van de faillietverklaring geen vordering op [gefailleerde] had en derhalve niet beschikt over een rechtsgeldig pandrecht, noch op de inventaris, noch op de vorderingen van [gefailleerde] . 2.4. Juresta komt in dit hoger beroep tegen die beslissingen op. Zij wil dat de vorderingen van de curator alsnog worden afgewezen. 2.5. Het hof is van oordeel dat de vorderingen van de curator terecht zijn toegewezen en laat het vonnis van de kantonrechter dus in stand. Hierna zal worden toegelicht waarom het hof tot die beslissing komt. 3De toelichting op de beslissing van het hof Inleiding 3.1. Juresta stelt zich in dit hoger beroep op het standpunt dat zowel de inventaris van de ijssalon als de keukenapparatuur van de lunchroom op grond van de op 1 oktober 2014 gesloten overeenkomst van sale en leaseback sinds die datum aan haar toebehoorden. Op de overige inventaris van de lunchroom had Juresta, zo stelt zij, een pandrecht, dat zij bij brief van 5 november 2020 aan [gefailleerde] heeft ingeroepen. Om die reden was zij gerechtigd tot de verkoop en de opbrengst van de inventaris, aldus Juresta. De curator betwist dat Juresta een eigendomsrecht en/of een rechtsgeldig pandrecht had. Volgens hem heeft Juresta de inventaris zonder rechtsgrond en in weerwil van het faillissementsbeslag verkocht. 3.2. Het hof zal eerst in het kort de inhoud van de overeenkomsten schetsen die van belang zijn voor de beoordeling van het geschil en vervolgens ingaan op de vraag of
- i)een deel van de inventaris van [gefailleerde] in eigendom toebehoorde aan Juresta en
- ii)of Juresta een pandrecht had op (een deel van) de inventaris van [gefailleerde] . De overeenkomsten 3.3. Juresta, [naam1] en [gefailleerde] hebben op 1 oktober 2014 een ‘Overeenkomst van geldlening, sale en leaseback’ gesloten (hierna: de leaseovereenkomst). Hierin is onder meer opgenomen dat: Juresta in juni en juli 2014 ter zake van geldlening betalingen van in totaal € 27.300 aan [naam1] heeft gedaan, waarvan op 1 oktober 2014 nog € 26.000 openstond (in hoofdsom), de geldlening van [naam1] is overgegaan naar de op 11 september 2014 opgerichte bv [gefailleerde] , [gefailleerde] het saldo van de lening heeft gebruikt voor de aanschaf van een complete inventaris voor de ijssalon en voor de aanschaf van keukenapparatuur voor de lunchroom, met de overeenkomst de inventaris van de ijssalon en de keukenapparatuur van de lunchroom voor € 27.300 wordt verkocht en geleverd aan Juresta, Juresta voormelde inventarisgoederen voor € 30.000 aan [gefailleerde] in lease overdraagt, te voldoen in 300 leasetermijnen van € 100, de eerste termijn te betalen op 1 oktober 2014. 3.4. Op 2 januari 2018 hebben Juresta en [gefailleerde] een ‘Overeenkomst kredietfaciliteit en verpanding/cessie zekerheden’ gesloten (hierna: de pandakte). In de pandakte staat onder meer dat: Juresta ten behoeve van [gefailleerde] sinds medio 2012 juridisch advies en rechtshulp heeft verleend en de daarmee gepaard gaande kosten volledig heeft gefinancierd, hetgeen heeft geleid tot een schuld van [gefailleerde] aan Juresta van € 65.000, partijen afspraken dat de facturering door Juresta van alle kosten eerst dan plaatsvindt zodra de laatste procedure middels een eindarrest tot een einde is gekomen, partijen de (bedrijfs)kredietfaciliteit ten gunste van [gefailleerde] wensen voort te zetten, voor zover daaraan aan de zijde van [gefailleerde] in de toekomst behoefte mocht bestaan, tot een kredietbedrag van maximaal € 200.000, [gefailleerde] aan Juresta, als zekerheid voor de (verhoogde) kredietfaciliteit, vorderingen van [gefailleerde] op derden verpandt, net als de volledige inventaris van [gefailleerde] zoals tafels, stoelen, keukeninrichtingen, magazijninrichtingen, machines, keukenapparatuur, de volledige ijssaloninrichting alsmede terrasmeubelen, welke goederen zich bevinden in en om de ijssalon en de lunchroom. Eigendom van de inventaris 3.5. Juresta heeft aan de stelling dat zij eigenaar was van de inventaris van de ijssalon en de keukenapparatuur van de lunchroom, de leaseovereenkomst ten grondslag gelegd. De curator betwist echter gemotiveerd de geldigheid en betrouwbaarheid van wat in die overeenkomst is opgenomen. Het hof komt tot het oordeel dat Juresta, gezien die betwisting van de curator, onvoldoende gemotiveerd heeft gesteld dat de leaseovereenkomst de werkelijke juridische verhouding tussen Juresta en [gefailleerde] weergeeft. Uit niets blijkt dat aan de op papier gestelde constructie uitvoering is gegeven. Het hof wijst in dat kader op het volgende. 3.6. Juresta heeft weliswaar gesteld dat [gefailleerde] 41 leasetermijnen heeft betaald, maar ter onderbouwing daarvan heeft zij alleen verwezen naar een overzicht dat zij op 19 januari 2022 aan de curator heeft gestuurd. In dat overzicht staat dat [naam1] op 19 augustus 2014 € 1.300 heeft afgelost op de betalingen van € 8.300 en € 19.000 en dat hij vervolgens in de periode van 4 december 2014 tot en met 11 augustus 2015 nog 33 aflossingen heeft gedaan van in totaal € 4.100. In het begeleidend schrijven van 19 januari 2022 schreef Juresta aan de curator: “In het kader van de in de pandakte bedoelde kredietfaciliteit is er een geldlening. In dat kader is er een maal € 8.300,00 en een maal € 19.000,00 beschikbaar gesteld. Een kopie van de twee overboekingen treft u hierbij aan (bijlagen 1 en 2). Daarop zijn diverse aflossingen gedaan volgens het hier in kopie overgelegde overzicht (bijlage 3). Het openstaande saldo is € 21.900,00.” Dit duidt niet op een leaseovereenkomst en op de betaling van leasetermijnen, maar op aflossingen door [naam1] (al dan niet namens [gefailleerde] ) op de geleende som van € 27.300. In de periode vanaf 4 december 2014 tot en met 11 augustus 2015 is bovendien veel meer overgemaakt (€ 4.100) dan het bedrag dat op grond van de leaseovereenkomst over die periode verschuldigd zou zijn geweest (€ 800). In dit kader merkt het hof verder nog op dat, zoals de curator onbetwist heeft gesteld, Juresta de leaseovereenkomst pas bij conclusie van antwoord in het geding heeft gebracht en dat zij in eerdere correspondentie – net als in de brief van 19 januari 2022 – niet heeft gesproken over een leaseovereenkomst en/of de betaling van leasetermijnen. Juresta heeft [gefailleerde] ook niet aangeschreven voor het niet betalen van leasetermijnen, wat wel voor de hand had gelegen als deze verschuldigd waren geweest. Ter zitting bij het hof heeft Juresta nog gesteld dat er tot aan de coronapandemie leasetermijnen zijn betaald. Ter onderbouwing van die stelling wijst zij slechts naar het op 19 januari 2022 toegezonden overzicht. Dat er na augustus 2015 nog betalingen zijn gedaan, blijkt daar echter niet uit. Ook overigens heeft Juresta de betaling van leasetermijnen niet (bijvoorbeeld door overlegging van betalingsbewijzen) onderbouwd. De curator heeft verklaard dat niet gebleken is van betalingen van na augustus 2015. Dit alles leidt tot de conclusie dat Juresta onvoldoende gemotiveerd heeft gesteld dat [gefailleerde] leasetermijnen heeft betaald. 3.7. Verder staat, gezien Juresta’s erkenning tijdens de zitting bij het hof, vast dat de inventaris van de ijssalon en de keukenapparatuur van de lunchroom in de jaren na 2014 niet is geactiveerd op de balans van Juresta, maar ook nadien op de balans van [gefailleerde] is blijven staan. Ook dat valt niet te verklaren indien Juresta daadwerkelijk meende eigenaar van die inventaris te zijn geworden. Juresta heeft daarvoor ter zitting geen (afdoende) verklaring kunnen geven. In de onder 1.1 genoemde brief van 22 september 2025 heeft Juresta nog een nadere toelichting gegeven op de beslissing om voormelde inventaris niet te activeren op de balans van Juresta, doch daarop zal het hof geen acht slaan omdat de behandeling van de zaak op dat moment al was gesloten. 3.8. Daarnaast valt een eigendomsrecht van Juresta niet te rijmen met de verpanding door [gefailleerde] van haar volledige inventaris (dus ook die van de ijssalon) in 2018 (zie 3.4). [naam2] heeft ter zitting in hoger beroep verklaard dat dit een vergissing van zijn kant is geweest. Het hof overweegt dat zeker omdat [naam2] jurist is die van het geven van juridisch advies zijn beroep heeft gemaakt en hij zelf (zo verklaarde hij ook) zowel de leaseovereenkomst als de pandakte heeft opgesteld, de inhoud van de pandakte een extra aanwijzing vormt voor het feit dat Juresta en [gefailleerde] er op 2 januari 2018 van uitgingen dat de volledige inventaris in eigendom toebehoorde aan [gefailleerde] . 3.9. Naar het oordeel van het hof volgt uit dit geheel van omstandigheden dat de leaseovereenkomst niet is uitgevoerd en niet de werkelijke rechtsverhouding tussen partijen weergeeft. Het beroep van Juresta op een eigendomsrecht op de inventaris van de ijssalon en de keukenapparatuur van de lunchroom gaat dus niet op. Pandrecht 3.10. Wat betreft de vraag of Juresta ten tijde van de faillietverklaring een (opeisbare) vordering op [gefailleerde] had, waarvoor [gefailleerde] (een deel van) haar inventaris aan Juresta had verpand, voert Juresta aan dat de grondslag van haar vordering op [gefailleerde] blijkt uit de pandakte. De hoogte van de vordering is volgens Juresta vast te stellen uit de overgelegde uren- en verschottenlijsten per dossier waarin zij juridische werkzaamheden voor [gefailleerde] heeft verricht. De curator betwist dat Juresta een vordering had op [gefailleerde] . Hij wijst er onder andere op dat Juresta niet duidelijk heeft gemaakt welke bedragen [gefailleerde] om welke reden aan Juresta verschuldigd zou zijn. Juresta heeft geen inzicht gegeven in eventuele afspraken tussen haar en [gefailleerde] , en de tijdsregistraties van Juresta lijken eerder op een “carte blanche” dan dat zij duidelijk maken dat werkzaamheden in opdracht van [gefailleerde] zijn uitgevoerd, aldus de curator. Net als de rechtbank komt het hof tot het oordeel dat Juresta onvoldoende onderbouwd heeft gesteld dat zij ten tijde van de faillietverklaring een vordering op [gefailleerde] had. Het hof motiveert dat als volgt. 3.11. Volgens de pandakte heeft [gefailleerde] als zekerheid voor de (verhoogde) kredietfaciliteit onder meer haar volledige inventaris aan Juresta verpand. De hoogte van de schuld bedroeg op dat moment € 65.000 en hield volgens de pandakte verband met juridisch advies en rechtshulp en daarmee gepaard gaande kosten. In de pandakte hebben Juresta en [gefailleerde] opgenomen dat zij afspraken dat de facturering door Juresta van alle kosten eerst dan plaatsvindt zodra de laatste procedure middels een eindarrest tot een einde is gekomen. Ter zitting heeft het hof gevraagd naar de achtergrond van die bepaling en van de tussen Juresta en [gefailleerde] gemaakte afspraken. Daarop verklaarde [naam2] als volgt. [naam1] kreeg steeds meer problemen en heeft verschillende procedures gevoerd, ook in hoger beroep en zelfs in cassatie. [naam2] heeft daarbij geholpen, waarbij hij [naam1] naar eigen inzicht bijstond en verschillende advocaten heeft ingeschakeld. Dat kostte geld. Alleen de voorschotten kostten al € 40.000. Deze bijstand verleende Juresta in verband met de vader-zoonrelatie, en de wens om [naam1] te helpen. Zij spraken af dat Juresta ooit, als dat nodig was, aan [naam1] zou factureren. Tot nu toe zijn er nooit facturen opgemaakt, in verband met de btw. In de jaarrekeningen van Juresta en [gefailleerde] is geen vordering op [gefailleerde] respectievelijk schuld aan Juresta opgenomen, aldus [naam2] . 3.12. Op grond hiervan is duidelijk geworden dat Juresta ten tijde van het faillissement geen opeisbare vordering op [gefailleerde] had in verband met juridisch advies en rechtshulp. Niet alleen heeft Juresta niet kunnen onderbouwen welke contractuele grondslag er bestond voor haar werkzaamheden (zij bepaalde naar eigen inzicht wat er aan juridische werkzaamheden voor [gefailleerde] nodig was), maar vast staat ook dat Juresta nog niet had gefactureerd. Dat was in lijn met de wens van [naam2] (namens Juresta) om zijn zoon te helpen en met de tussen vader en zoon gemaakte afspraak dat Juresta [gefailleerde] (mogelijk) ooit een rekening zou sturen. De curator heeft dus terecht aangevoerd dat de factureringsafspraak “pas als de laatste procedure middels eindarrest tot een einde is gekomen” betekent dat de vordering, als deze op dat moment al bestond, in elk geval nog niet opeisbaar was. Juresta heeft het standpunt ingenomen dat uitstel van facturering niet wegneemt dat een vergoeding voor de bedoelde kosten en werkzaamheden direct verschuldigd is. Die stelling heeft Juresta echter niet onderbouwd en het hof ziet daarvoor, in het licht van het voorgaande, ook geen enkel aanknopingspunt. Dat partijen ook niet van het bestaan van een opeisbare vordering zijn uitgegaan, wordt verder bevestigd doordat de bedoelde vordering/schuld niet is opgenomen op de balans van Juresta en [gefailleerde] , wat – ongeacht of er een factuur is gestuurd – wel voor de hand had gelegen als sprake zou zijn van een opeisbare vordering/schuld. Bij gebreke van een opeisbare vordering kan [gefailleerde] niet in verzuim zijn geraakt, wat voor het uitoefenen van het recht van parate executie is vereist (artikel 3:248 lid 1 BW). Juresta heeft daartegen ingebracht dat [gefailleerde] op grond van artikel 6:83 onder c BW in verzuim was. Daarmee miskent Juresta echter dat van verzuim geen sprake kan zijn voordat de verbintenis opeisbaar is (zie artikel 6:81 BW). Bovendien heeft Juresta haar stelling dat [gefailleerde] als gevolg van de faillissementsaanvraag heeft aangegeven niet aan haar betalingsverplichting te kunnen voldoen, tegenover de betwisting door de curator, niet nader onderbouwd, zodat het hof daaraan ook om die reden voorbij gaat. 3.13. Voor zover Juresta bij memorie van grieven heeft willen betogen dat de pandakte niet alleen ziet op de juridische werkzaamheden die Juresta heeft uitgevoerd, maar ook op de leningen die onderwerp waren van de leaseovereenkomst, merkt het hof op dat Juresta in haar pleitnota heeft verduidelijkt dat de pandakte (alleen) is gesloten ter meerdere zekerheid voor de doorlopende kredietfaciliteit ter zake de door Juresta ten behoeve van [gefailleerde] verrichte juridische werkzaamheden en betaalde verschotten. Bovendien blijkt uit de tekst van de pandakte dat het pandrecht alleen tot zekerheid dient van de (verhoogde) kredietfaciliteit verband houdende met juridisch advies en rechtshulp. 3.14. Bij gebreke van een (opeisbare) vordering op [gefailleerde] ten tijde van het faillissement, beschikte Juresta niet over een rechtsgeldig pandrecht en kon zij in elk geval bij ontbreken van verzuim het recht van parate executie niet uitoefenen. Ongerechtvaardigde verrijking 3.15. Juresta heeft tegen het oordeel van de kantonrechter dat zij ongerechtvaardigd is verrijkt, alleen aangevoerd dat zij een eigendomsrecht en/of een pandrecht had. Het hof heeft dat standpunt hiervoor al verworpen. Dat leidt tot de conclusie dat Juresta ongerechtvaardigd is verrijkt doordat zij de verkoopopbrengst van de inventaris heeft behouden. Geen bewijslevering 3.16. Omdat Juresta geen, voldoende concrete, feiten heeft gesteld die tot een ander oordeel kunnen leiden, komt het hof niet toe aan bewijslevering. Aan het bewijsaanbod van Juresta gaat het hof daarom voorbij. Overige stellingen en verweren 3.17. De curator heeft er tijdens de mondelinge behandeling op gewezen dat Juresta voor de mondelinge behandeling niet het volledige procesdossier heeft overgelegd. Het herstelvonnis en de correspondentie die daaraan is voorafgegaan ontbraken, net als de bijlagen bij de conclusie van antwoord. Volgens de curator heeft Juresta daarmee de waarheidsplicht (artikel 21 Rv) geschonden. Hij vraagt daarom Juresta niet-ontvankelijk te verklaren in haar hoger beroep. Nog los van het feit dat de curator hierbij, gelet op de beoordeling in hoger beroep, geen belang heeft, volgt het hof hem hier niet in. Het hof ziet namelijk geen reden om aan te nemen dat dit moedwillig is gebeurd. 3.18. Ook de overige verweren van de curator kunnen gelet op het voorgaande onbesproken blijven. De conclusie 3.19. Het hoger beroep slaagt niet. Omdat Juresta in het ongelijk wordt gesteld, zal het hof haar veroordelen tot betaling van de proceskosten in hoger beroep, inclusief de kosten van het incident. Onder deze kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak. De curator heeft gevraagd Juresta te veroordelen in de werkelijk gemaakte kosten voor de procedure in hoger beroep. Het hof ziet echter geen grond om af te wijken van de gebruikelijke tarieven. 3.20. De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad). 4De beslissing Het hof: 4.1. bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Apeldoorn, van 16 oktober 2024; 4.2. veroordeelt Juresta tot betaling van de volgende proceskosten van de curator: € 798 aan griffierecht € 3.642 aan salaris van de advocaat van de curator (3 procespunten x appeltarief II); 4.3. verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad; 4.4. wijst af wat verder is gevorderd. Dit arrest is gewezen door mrs. H.L. Wattel, L.J. de Kerpel-van de Poel en M.C. Bijl, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 7 oktober 2025. HR 10 juni 2022, ECLI: NL:HR:2022:853.