← Nederland

ECLI:NL:GHARL:2025:6196

Afdeling strafrecht Parketnummer: 21-005079-24 Uitspraakdatum: 8 oktober 2025 TEGENSPRAAK Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats

veel te hoog is. De verdediging is van mening dat maximaal € 3.750,00 aan immateriële schade op zijn plaats is. Ten aanzien van post fysio heeft de verdediging aangevoerd dat de therapeut geen inschatting kan maken hoeveel behandelingen nog benodigd zijn. Dat maakt dat de toekomstige schade niet-ontvankelijk moet worden verklaard dat geldt ook voor de bijhorende geclaimde reis- en parkeerkosten. Ten aanzien van de post huishoudelijke hulp heeft de verdediging aangevoerd dat die tegenstijdig is: Deed hij nu alle taken of een deel ervan? Bovendien blijkt uit de toelichting dat de ouders ziek zijn en hulpbehoevend waardoor de vraag rijst of hier niet ook verzorgende hulp wordt geclaimd, welke niet onder de richtlijn huishoudelijke hulp van het Letselschade Raad valt. Ten aanzien van post kleding betwist de verdediging dat alle kleding bloedsporen bevat, omdat er in het been geschoten is, hoeft dat nog niet te betekenen dat ook de bovenkleding onder het bloed zit. Subsidiair dient deze schadepost te worden gematigd daar het uitgangspunt is dat de (dag)waarde van de zaak wordt vergoed. De verdediging heeft daarnaast aangevoerd dat de post kleding gematigd moet worden. Ten aanzien van de post gederfde inkomsten heeft de verdediging aangevoerd dat deze afgewezen dan wel niet-ontvankelijk verklaard dient te worden. De behandeling van deze post zou nadere bewijslevering vergen, hetgeen een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. Oordeel hof Ten aanzien van de gevorderde materiële schade Ten aanzien van de materiële schade is het hof van oordeel dat van de posten ziekenhuisdaggeldvergoeding, eigen risico, medicatie, fysiotherapie, reis- en parkeerkosten en medische benodigdheden voldoende is gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot die bedragen. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen. Ten aanzien van de posten huishoudelijke hulp en gederfde inkomsten is het hof van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in de vordering niet worden ontvangen en kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht. Ten aanzien van de post kleding en schoenen zal het hof gebruik maken van haar schattingsbevoegdheid en de schade schatten op € 250,00. Voor het overige bedrag kan de benadeelde partij niet worden ontvangen en kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht. Ten aanzien van

Artikel 6

:95 van het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt dat de schade die op grond van een wettelijke verplichting tot schadevergoeding moet worden vergoed, bestaat in vermogensschade en ander nadeel. Dit laatste voor zover de wet recht geeft op vergoeding daarvan. Artikel 6:106, eerste lid aanhef en onder b, BW brengt mee dat de benadeelde partij recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen immateriële schadevergoeding, indien hij ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk letsel heeft opgelopen, in eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in de persoon is aangetast. In aanmerking genomen dat de benadeelde partij letsel heeft opgelopen en rekening houdend met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de gevolgen ervan voor de benadeelde partij en met de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen plegen toe te kennen, acht het hof een bedrag aan immateriële schadevergoeding van € 10.000,00 billijk. Het zal de toegewezen materiële en immateriële schade vermeerderen met de wettelijke rente. Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 29.559,

  1. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 3.000,
  2. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd en de vordering verlaagd tot een bedrag van € 9.572,88bestaande uit: Materiële schade ziekenhuisdaggeldvergoeding : € 70,00 eigen risico 2024 : € 385,00 kosten medicatie : € 10,98 huishoudelijke hulp : € 1.066,00 reiskosten : € 42,90 gederfde inkomsten : door het hof te schatten Immateriële schade : € 8.000,00 Standpunt advocaat-generaal: De advocaat-generaal heeft gevorderd de vordering toe te wijzen ten aanzien van het materiële deel tot een bedrag van € 508,88, zijnde alle posten met uitzondering van de post huishoudelijke hulp en gederfde inkomsten, en de immateriële schade toe te wijzen tot een bedrag van € 5.000,- en de vordering voor het overige niet-ontvankelijk te verklaren met oplegging van de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel. Standpunt verdediging Met betrekking tot de post eigen risico merkt de verdediging op dat uit de brief van de psycholoog (productie 5) volgt dat de behandeling op 26 juli jl. is beëindigd en het dossier is gesloten. De opmerking dat [benadeelde 2] nog onder behandeling staat van een psycholoog en daarom een voorschot wil van zijn eigen risico vindt de verdediging onbegrijpelijk. Weliswaar wordt een heraanmelding overwogen, maar daar tegenover staan de twijfels van [benadeelde 2] zelf bij de behandelmethode. Toewijzen van een voorschot kan dan ook niet aan de orde zijn. Ten aanzien van de huishoudelijke hulp merkt de verdediging op dat de onderbouwing wordt betwist. Voor wat betreft de reiskosten verwijst de verdediging naar hetgeen reeds benoemd is ten aanzien van het eigen risico. Het staat namelijk niet vast dat er een vervolg komt bij de psycholoog. Ten aanzien van de post gederfde inkomsten geeft verdediging aan dat er gedurende 26 weken te rekenen vanaf week 3 van 2024 € 1.000,00 per week wordt gevorderd. Uit de brief van de psycholoog blijkt dat hij al op 19 maart 2024 vier uur per dag als taxichauffeur werkt. Dat betekent dat reeds daarom deze post niet-ontvankelijk moet worden verklaard dan wel moet worden afgewezen omdat de schade die wordt gevorderd niet correspondeert met de werkelijkheid. Bovendien zou behandeling van deze vordering nadere bewijslevering vergen hetgeen een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren. Ten aanzien van de immateriële schade heeft de verdediging aangevoerd dat de advocaat een beroep doet op rechtspraak waarbij er sprake is van zwaar lichamelijk letsel. Dat is hier niet ten laste gelegd en ook overigens niet aan de orde. Die vergelijkingen gaan dan ook mank. De verdediging verzoekt eerder aansluiting te zoeken bij de eerder genoemde letselcategorie uit de Letsellijst. Oordeel hof Ten aanzien van de gevorderde materiële schade Ten aanzien van de materiële schade is het hof van oordeel dat van de posten ziekenhuisdaggeldvergoeding, eigen risico, kosten medicatie en reiskosten voldoende is gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot die bedragen. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen. Ten aanzien van de posten huishoudelijke hulp en gederfde inkomsten is het hof van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in de vordering niet worden ontvangen en kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht. Ten aanzien van

Artikel 6

:95 van het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt dat de schade die op grond van een wettelijke verplichting tot schadevergoeding moet worden vergoed, bestaat in vermogensschade en ander nadeel. Dit laatste voor zover de wet recht geeft op vergoeding daarvan. Artikel 6:106, eerste lid aanhef en onder b, BW brengt mee dat de benadeelde partij recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen immateriële schadevergoeding, indien hij ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk letsel heeft opgelopen, in eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in de persoon is aangetast. In aanmerking genomen dat de benadeelde partij letsel heeft opgelopen en rekening houdend met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de gevolgen ervan voor de benadeelde partij en met de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen plegen toe te kennen, acht het hof een bedrag aan immateriële schadevergoeding van € 5.000,00 billijk. Het zal de toegewezen materiële en immateriële schade vermeerderen met de wettelijke rente. Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3] De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 2.522,

  1. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering. Bestaande uit: Materiële schade Medicatie : € 22,66 Immateriële schade : € 25.000,00 Standpunt advocaat-generaal: De advocaat-generaal heeft gevorderd de vordering geheel toe te wijzen met oplegging van de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel. Standpunt verdediging De verdediging heeft aangevoerd dat in de productie 4 door de advocaat wordt verwezen naar de Letsellijst Schadefonds Geweldsmisdrijven d.d. 1 november
  2. Deze is achterhaald. De verdediging doet een beroep op Letsellijst Schadefonds Geweldsmisdrijven d.d. 1 juli
  3. Daarin valt rechtstreekse bedreiging met een vuurwapen onder letselcategorie 1 (€ 1.000) maar daar komt bij dat zulks alleen is te categoriseren als die bedreiging onder verzwarende omstandigheden is begaan en dat is hier niet aan de orde. Het beroep op de Letsellijst faalt. Bovendien gaat de vergelijking met de aangehaalde jurisprudentie ook niet op, daar in deze zaken sprak eis van het daadwerkelijk schieten op het slachtoffer (vanuit een rijdende auto). De psychische schade zoals deze wordt opgevoerd, wordt betwist. Deze moet worden afgewezen. Oordeel hof Ten aanzien van de gevorderde materiële schade Ten aanzien van de materiële schade is het hof van oordeel dat voldoende is gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot dat bedrag. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen. Ten aanzien van

Artikel 6

:95 van het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt dat de schade die op grond van een wettelijke verplichting tot schadevergoeding moet worden vergoed, bestaat in vermogensschade en ander nadeel. Dit laatste voor zover de wet recht geeft op vergoeding daarvan. Artikel 6:106, eerste lid aanhef en onder b, BW brengt mee dat de benadeelde partij recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen immateriële schadevergoeding, indien hij ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk letsel heeft opgelopen, in eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in de persoon is aangetast. De Hoge Raad heeft in het overzichtsarrest inzake de benadeelde partij onder meer het volgende overwogen: Van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in art. 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in art. 6:106, aanhef en onder b, BW is niet reeds sprake bij de enkele schending van een fundamenteel recht.’ De advocaat van de benadeelde partij heeft ter onderbouwing van het smartengeld in de toelichting op de vordering het volgende aangegeven: Cliënt is door de huisarts doorverwezen naar de psycholoog voor een behandeling en begeleiding van PTSS (posttraumatische stressstoornis) door dít incident. Cliënt gaat ook EMDR therapie volgen, dit zal zijn na de inhoudelijke behandeling. Gelet op de verklaring van de psycholoog kan geestelijk letsel worden vastgesteld. De psycholoog heeft het volgende vastgesteld, - PTSS (posttraumatische stressstoornis-DSM) De psycholoog schrijft dat cliënt de volgende klachten bij aanmelding ervaart: Herbelevingen, vermijding van de locatie van het incident maar ook alles wat er mee te maken heeft, onrustig slapen, op zijn hoede zijn, alertheid en schrikachtig. Cliënt wil de gebeurtenis graag verwerken en doet daar alles voor hij heeft van 06 februari 2024 tot en met 26 augustus 2024 gespreken gevoerd met de psycholoog. In totaal heeft hij 5 gesprekken gehad, waarvan 1 EMDR sessie. Het advies was om eerst te wachten tot er een vonnis is gewezen en daarna worden de gesprekken hervat en de behandeling met EMDR therapie, om een optimaal resultaat te behalen. De heraanmelding is al van start gegaan. Gelet op de verklaring van de psycholoog, gevoegd bij de aard en de ernst van de normschending kan het geestelijk letsel bij cliënt worden aangenomen. Bij de toelichting zijn een brief van de huisarts en een brief van een GZ-psycholoog gevoegd. Gelet op deze onderbouwing is het hof van oordeel dat voldoende concrete gegevens zijn aangevoerd waaruit volgt dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Het hof acht in aanmerking genomen de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen plegen toe te kennen, een bedrag aan immateriële schadevergoeding van € 500,00 billijk. Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze. Toepasselijke wettelijke voorschriften Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 45, 57, 285 en 302 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2 primair en 3 primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair, 2 subsidiair, 3 subsidiair en 4 tenlastegelegde heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart het onder 1 subsidiair, 2 subsidiair, 3 subsidiair en 4 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar. Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) jaren. Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1] ter zake van het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 12.080,27 (twaalfduizend tachtig euro en zevenentwintig cent) bestaande uit € 2.080,27 (tweeduizend tachtig euro en zevenentwintig cent) materiële schade en € 10.000,00 (tienduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening. Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil. Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 1] , ter zake van het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 12.080,27 (twaalfduizend tachtig euro en zevenentwintig cent) bestaande uit € 2.080,27 (tweeduizend tachtig euro en zevenentwintig cent) materiële schade en € 10.000,00 (tienduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening. Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 95 (vijfennegentig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op. Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt. Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 7 januari 2024. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 2] ter zake van het onder 2 subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 5.508,88 (vijfduizend vijfhonderdacht euro en achtentachtig cent) bestaande uit € 508,88 (vijfhonderdacht euro en achtentachtig cent) materiële schade en € 5.000,00 (vijfduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening. Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil. Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 2] , ter zake van het onder 2 subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 5.508,88 (vijfduizend vijfhonderdacht euro en achtentachtig cent) bestaande uit € 508,88 (vijfhonderdacht euro en achtentachtig cent) materiële schade en € 5.000,00 (vijfduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening. Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 62 (tweeënzestig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op. Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt. Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 7 januari 2024. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3] Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 3] ter zake van het onder 4 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 522,66 (vijfhonderdtweeëntwintig euro en zesenzestig cent) bestaande uit € 22,66 (tweeëntwintig euro en zesenzestig cent) materiële schade en € 500,00 (vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening. Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil. Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 3] , ter zake van het onder 4 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 522,66 (vijfhonderdtweeëntwintig euro en zesenzestig cent) bestaande uit € 22,66 (tweeëntwintig euro en zesenzestig cent) materiële schade en € 500,00 (vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening. Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 10 (tien) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op. Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt. Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 7 januari 2024. Wijst af het verzoek tot opheffing dan wel schorsing van de voorlopige hechtenis. Aldus gewezen door mr. K. Gilhuis, voorzitter, mr. M.J. Ouweneel en mr. L.P. Stapel, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. W.C.S. Huijbers, griffier, en op 8 oktober 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken. Mr. L.P. Stapel is niet in de gelegenheid dit arrest mede te ondertekenen.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.