Afdeling strafrecht Parketnummer: 21-000434-24 Uitspraak d.d.: 14 oktober 2025 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, van 18 januari 2024 met parketnummer 16-095274-23 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedatum] 2008, wonende te [woonadres] . Het hoger beroep De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 30 september 2025 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft verder kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. J.W.D. Roozemond, en de advocaat van de benadeelde partij, mr. I. Bosch, naar voren is gebracht. Het vonnis waarvan beroep De kinderrechter heeft verdachte voor het tenlastegelegde veroordeeld tot een voorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf van veertig uren, te vervangen door tachtig dagen jeugddetentie, met een proeftijd van twee jaren en daaraan algemene en bijzondere voorwaarden verbonden. Daarnaast heeft de kinderrechter de vordering van de benadeelde partij toegewezen tot een bedrag van 500,- euro, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 november 2022, verdachte in de proceskosten (begroot op nihil) veroordeeld en de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk verklaard. Tevens is daarbij de schadevergoedingsmaatregel opgelegd, te vervangen door nul dagen gijzeling. Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen. De tenlastelegging Aan verdachte is tenlastegelegd dat: hij in of omstreeks oktober 2022, althans in 2022 te [plaatsnaam] [benadeelde partij] heeft mishandeld door: haar één of meermaals van een hek af te duwen/trekken en/of (vervolgens) zich liet vallen/ging zitten op die [benadeelde partij] waardoor zij geen lucht meer kreeg en/of die [benadeelde partij] (terwijl hij op haar lag/zat) met zijn vuisten en/of vlakke hand één of meerdere klappen/slagen op het bovenlichaam en richting het gezicht gaf en/of (toen hij van haar was afgegaan) die [benadeelde partij] één of meermaals heeft geschopt tegen haar heup en/of haar rug, althans haar lichaam en/of [benadeelde partij] één of meermaals met een hockeystick op haar lichaam, althans een hard voorwerp, heeft geslagen. De beoordeling van het bewijs Het standpunt van het Openbaar Ministerie De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat er op basis van de aangifte en de getuigenverklaringen van [getuige] en [getuige] ten overstaan van de politie, die volgens de advocaat-generaal in tegenstelling tot hun verklaringen bij de rechter-commissaris authentiek, gedetailleerd en betrouwbaar zijn, voldoende wettig en overtuigend bewijs is voor de mishandeling. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft het hof verzocht verdachte vrij te spreken van de mishandeling. Volgens de raadsman zijn de verklaringen van de getuigen bij de politie niet ondertekend en kan dus niet geverifieerd worden of ze het eens zijn met de inhoud van de verklaringen. Daarbij komt als complicerende factor dat de verdediging aangeefster niet heeft kunnen horen en kunnen confronteren met haar verklaringen. Daarbij heeft de raadsman opgemerkt dat er onvoldoende compenserende factoren zijn. Om die reden moet terughoudend worden omgegaan met de verklaringen afgelegd bij de politie. De verklaringen van de getuigen bij de rechter-commissaris zijn onvoldoende ondersteunend voor het bewijs. Het oordeel van het hof Aangeefster heeft aangifte gedaan tegen verdachte van mishandeling in oktober 2022. Volgens aangeefster heeft verdachte haar geduwd, waardoor zij op de grond viel, heeft hij haar over de grond meegesleurd en is hij met zijn volle gewicht op haar gaan zitten, waardoor zij geen lucht meer kreeg. Tot slot zou verdachte haar ook nog getrapt hebben. De verdediging heeft bij appelschriftuur verzocht om (naast drie andere getuigen) aangeefster als getuige te horen. Het hof heeft het verzoek tot het horen van aangeefster toegewezen mits het horen van deze getuige niet schadelijk blijkt. In dit verband heeft het hof bepaald dat de raadsheer-commissaris voorafgaand aan het verhoor een deskundige moet benoemen om onderzoek te doen naar de vraag of het welzijn van de getuige door het verhoor in gevaar wordt gebracht. Uit het proces-verbaal van bevindingen van de raadsheer-commissaris van 21 mei 2025 blijkt dat uit de rapportage van klinisch psycholoog [deskundige] volgt dat aangeefster, gelet op de gezondheidsrisico’s niet als getuige kan worden gehoord, ook niet in een aangepaste verhoorsetting. Aangeefster is dus niet als getuige gehoord. Het hof stelt in dit kader voorop dat de rechter, in gevallen waarin hij voor het bewijs gebruik wil maken van een door een getuige – in dit geval aangeefster – afgelegde verklaring, terwijl de verdediging – ondanks het nodige initiatief – niet een behoorlijke en effectieve mogelijkheid heeft gehad om ten aanzien van die getuige het ondervragingsrecht uit te oefenen, dient na te gaan of het proces als geheel eerlijk is verlopen in overeenstemming met artikel 6 EVRM en de daaraan verbonden notie van ‘overall fairness of the trial’. Hierbij zijn – met het oog op de beoordeling of de procedure in haar geheel voldoet aan het door artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces – van belang:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.