← Nederland

ECLI:NL:GHARL:2025:6491

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.353.186 (zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 582087) beschikking van 21 oktober 2025 over [minderjarige] in de zaak van [appellante] (de moeder) die woont in [woonplaats1] ,advocaat: mr. G.R. Dorhout-Tielken en de gecertificeerde instelling Stichting Samen Veilig Midden-Nederland (de GI) die is gevestigd in Utrecht 1Samenvatting De rechtbank in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, heeft de verzoeken van de moeder over de omgang met [minderjarige] afgewezen. Het hof beslist dat dit zo moet blijven en legt hierna uit waarom. 2De feiten 2.

  1. De moeder heeft een dochter, [minderjarige] . [minderjarige] is geboren [in]
  2. 2.
  3. Op 1 april 2014 is [minderjarige] (voorlopig) onder toezicht gesteld en uit huis geplaatst in een crisispleeggezin. In mei 2014 is zij weer bij de moeder gaan wonen. In februari 2016 is [minderjarige] opnieuw (voorlopig) onder toezicht gesteld en met een spoedmachtiging uit huis geplaatst. Daarna heeft zij niet meer bij de moeder gewoond. De ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] zijn daarna verlengd tot 12 mei
  4. 2.3 Bij beschikking van 11 januari 2019 heeft de rechtbank het ouderlijk gezag van de moeder over [minderjarige] beëindigd en de GI benoemd tot voogd over [minderjarige] . 2.4 De moeder heeft één keer in de zes weken gedurende één uur onder begeleiding omgang met [minderjarige] . 2.5 Sinds 8 november 2024 woont [minderjarige] bij ‘ [zorginstelling] ’ van Driestroom in [woonplaats2] . 3De procedure bij de rechtbank 3.
  5. De moeder heeft de rechtbank verzocht een omgangsregeling vast te stellen tussen haar en [minderjarige] , met een opbouw naar een weekend per veertien dagen van vrijdag uit school tot zondagavond 19.30 uur en in de tussenliggende week een dagdeel, alsmede een substantieel deel van de schoolvakanties. 3.
  6. De rechtbank heeft het verzoek van de moeder afgewezen. 3.
  7. Die beslissing is vastgelegd in een beschikking van 7 januari
  8. 4De procedure bij het hof 4.
  9. De moeder is het niet eens met de beslissing van de rechtbank. Zij komt daarvan in hoger beroep. Zij wil dat het hof de beslissing van de rechtbank ongedaan maakt en dat haar verzoek alsnog wordt toegewezen. 4.
  10. De GI wil dat de beslissing in stand blijft. De informatie die het hof heeft ontvangen 4.
  11. Het hof heeft de volgende stukken ontvangen: het beroepschrift het verweerschrift van de GI 4.
  12. [minderjarige] heeft op 15 september 2025 gesproken met een raadsheer en een griffier van het hof. Zij heeft verteld wat zij vindt van de omgang. 4.
  13. De zitting bij het hof was op 16 september
  14. Daarbij waren aanwezig: de moeder met haar advocaat twee vertegenwoordigers van de GI een vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming (de raad) als adviseur 4.6 De moeder heeft op de zitting haar grief (nr 3) dat de rechtbank [minderjarige] niet heeft uitgenodigd voor een kindgesprek, ingetrokken. Dat betekent dat het hof op die grief niet meer hoeft te beslissen. 5Het oordeel van het hof Wat staat in de wet? 5.
  15. In artikel 1:377a van het Burgerlijk Wetboek staat - onder andere - dat de rechter op verzoek van de ouders of van één van hen een omgangsregeling kan vaststellen of wijzigen. Hoe oordeelt het hof? 5.
  16. De rechtbank heeft het verzoek van de moeder op goede gronden afgewezen. De beslissing van de rechtbank zal daarom in stand blijven (worden bekrachtigd). Behalve dat het hof met [minderjarige] heeft gesproken, zijn er geen relevante wijzigingen ten opzichte van de situatie toen de rechtbank haar beslissing nam. Het hof is van oordeel dat de rechtbank haar beslissing zorgvuldig heeft gemotiveerd. Het hof neemt die motivering – na eigen onderzoek – over en maakt die tot de zijne. Het hof vult daarop nog het volgende aan. 5.3 [minderjarige] is een ernstig beschadigd, kwetsbaar meisje. Zij is in 2019 door Karakter kinder- en jeugdpsychiatrie gediagnosticeerd met, onder andere, een hechtingsstoornis en een posttraumatische stressstoornis. Vanaf haar geboorte is [minderjarige] blootgesteld aan onveiligheid en instabiliteit. Haar moeder was verminderd beschikbaar als verzorger en opvoeder. Er is sprake geweest van huiselijk geweld en seksueel misbruik door de stiefvader van [minderjarige] . [minderjarige] heeft op veel verschillende plekken gewoond. Tijdens het kindgesprek met het hof vertelde [minderjarige] dat zij op 14 of 15 verschillende plekken heeft gewoond. Zij functioneert cognitief, sociaal en emotioneel op een lager niveau dan gemiddeld. Haar gehechtheidsgedrag is zo verstoord dat het [minderjarige] onvoldoende lukt om zich op gepaste wijze emotioneel te hechten aan de moeder of aan anderen die voor haar zorgen. Het is voor [minderjarige] een zeer forse opgave om zich te verhouden naar mensen (ook leeftijdgenoten) om zich heen, waarbij ze snel overprikkeld en getriggerd raakt en zeer extreem kan reageren. Door haar problematiek heeft [minderjarige] een woonplek nodig waar zij intensieve begeleiding, structuur en voorspelbaarheid krijgt aangeboden. De plek waar zij nu verblijft, [zorginstelling] , is gericht op jongeren met een complexe zorgvraag. 5.4 Ook de moeder heeft forse persoonlijke problematiek. Zij is onvoorspelbaar en impulsief in haar gedrag en maakt keuzes die het belang van [minderjarige] kunnen schaden. Zelfs in de begeleide, beperkte, huidige omgangsregeling is dit merkbaar. De moeder en [minderjarige] reageren heftig op elkaar. De emoties en uitingen van beiden schieten alle kanten op. Dat gedrag is soms moeilijk te reguleren voor de begeleiders, zegt de GI. De voogd begeleidt de omgang al jaren maar ziet hierin geen verbetering. Het lukt de moeder onvoldoende om de belangen van [minderjarige] tijdens en rondom de omgang voorop te stellen. De moeder had een aandeel in incidenten die zich het afgelopen jaar hebben voorgedaan tijdens de omgang. [minderjarige] laat zowel voor als na de omgang forse ontregeling zien. De GI heeft op de zitting gezegd dat zelfs dat ene uur in de zes weken omgang moeilijk vol te houden is voor [minderjarige] . Sinds april 2025 is, naast de voogd, ook een begeleider van [zorginstelling] bij de omgang aanwezig om [minderjarige] te ondersteunen. Op basis van een afgesproken sein kan [minderjarige] de omgangsruimte even verlaten om zichzelf te reguleren. 5.5 In de afgelopen jaren is de omgang steeds verder beperkt omdat de omgangsmomenten teveel van [minderjarige] vroegen. Het hof begrijpt dat de moeder vindt dat zij [minderjarige] te weinig ziet en dat zij zich daardoor te weinig betrokken voelt bij het leven van [minderjarige] . Maar tegen de hiervoor genoemde achtergrond en de problematiek van zowel [minderjarige] als de moeder, is het niet in het belang van [minderjarige] dat de omgang wordt uitgebreid. Bij deze beslissing is voor het hof ook de mening van [minderjarige] van belang. Zij is inmiddels 14 jaar. In het kindgesprek met het hof heeft zij gezegd dat de omgang goed is zoals die nu is. Zij wil niet meer contact met de moeder. Het hof zal het verzoek van de moeder afwijzen. 6De beslissing Het hof, beschikkende in hoger beroep: bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 7 januari 2025, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen; wijst het meer of anders verzochte af. Deze beschikking is gegeven door mrs. S. Kuijpers, E. de Boer en C.F.L.A. van der Vegt-Boshouders en is op 21 oktober 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.