GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN zittingsplaats Leeuwarden Zaaknummer : Wahv 200.343.991/01 e.v. (zie bijlage) CJIB-nummer : 257443282 e.v. (zie bijlage) Uitspraak d.d. : 21 oktober 2025 Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de rechtbank MiddenNederland van 7 mei 2024, betreffende [de betrokkene] e.a (hierna: de betrokkenen), wonende te [woonplaats] . De gemachtigde van de betrokkenen is Y. el Mathari, kantoorhoudende te Almere. De beslissing De rechtbank heeft de 116 in de bijlage genoemde beroepen van de betrokkenen tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op het administratief beroep door de officier van justitie nietontvankelijk verklaard. Het verloop van de procedure De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank in de 116 in de bijlage genoemde zaken. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding. De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend. De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht. De advocaat-generaal heeft daarop gereageerd. De gemachtigde van de betrokkene heeft hierop nog een reactie gegeven. Een kopie daarvan is doorgestuurd naar de advocaat-generaal. De beoordeling
- De rechtbank heeft beslist op het beroep tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op het beroep door de officier van justitie. Voor het instellen van hoger beroep merkt het hof de beslissing van de rechtbank aan als beslissing van de kantonrechter als bedoeld in artikel 13 van de Wahv. De sancties bedragen in alle zaken niet meer dan € 110,-.
- De gemachtigde stelt zich op het standpunt dat het appelverbod van artikel 14, eerste lid, van de Wahv hier niet geldt.
- Artikel 14, eerste lid, van de Wahv bepaalt dat geen hoger beroep kan worden ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter als de opgelegde sanctie bij die beslissing niet meer bedraagt dan € 110,-.
- De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat deze appelgrens niet van toepassing is op een (hoger) beroepschrift tegen het niet tijdig beslissen op het administratief beroep door de officier van justitie. De gemachtigde verzoekt het hof terug te komen op zijn eerdere rechtspraak op dit punt. Uit de totstandkomingsgeschiedenis van de Wahv en de Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen blijkt volgens de gemachtigde niet dat de wetgever met artikel 9, eerste lid, van de Wahv heeft beoogd de mogelijkheid van beroep tegen niet tijdig beslissen uit te sluiten in Wahv-zaken. Dat de wettekst van artikel 9, eerste lid, van de Wahv bij een eerste lezing mogelijk anders doet vermoeden is in feite niet meer dan een ‘weeffout’. De gemachtigde verwijst daarbij naar het arrest van het hof van 25 juni
- In de totstandkomingsgeschiedenis van de Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen wordt evenmin ingegaan op de verhouding van die wet en artikel 14, eerste lid, van de Wahv, zodat daaruit niet kan worden afgeleid dat de wetgever heeft beoogd om de appelgrens van artikel 14, eerste lid, van de Wahv ook van toepassing te laten zijn bij een beroep tegen het niet tijdig beslissen. Dat zou ook niet in lijn zijn met de strekking van artikel 14, eerste lid, van de Wahv. De gemachtigde wijst er daarbij op dat de appelgrens ertoe strekt om de verhouding te waarborgen tussen de inzet van middelen en het gewicht van de zaak en dat daarom niet valt in te zien waarom men wel in hoger beroep kan procederen over een boete van € 120,-, maar niet over een dwangsom van € 1.442,-. Een redelijke wetsuitleg brengt met zich dat, net zoals artikel 9, eerste lid, van de Wahv alleen van toepassing is bij een beroep tegen een reëel besluit op administratief beroep ex artikel 6, van de Wahv, ook de appelgrens alleen van toepassing is bij een hoger beroep tegen een uitspraak van de kantonrechter ex. artikel 13 van de Wahv op een beroep tegen een reëel besluit op administratief beroep ex artikel 6 van de Wahv. Dat is ook in lijn met de wettekst van artikel 14, eerste lid, van de Wahv. Volgens de wettekst is het appelverbod alleen van toepassing indien hoger beroep wordt ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter, indien de bij die beslissing opgelegde sanctie niet meer dan € 110,- bedraagt. In de onderhavige zaken is daar geen sprake van. De rechtbank heeft zich in het geheel niet uitgelaten over de rechtmatigheid en de hoogte van de opgelegde sancties. Daar komt bij dat de werking van artikel 14, eerste lid, van de Wahv zoals deze bepaling eerder door het hof is uitgelegd in strijd is met het discriminatieverbod van artikel 14, van het van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 1 van het Twaalfde Protocol bij het EVRM. In de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 14, eerste lid, van de Wahv en de Wet beroep en dwangsom bij niet tijdig beslissen wordt op geen enkele wijze gemotiveerd of toegelicht waarom voor dwangsomprocedures in verband met het niet tijdig beslissen in Wahv-zaken een appelverbod dient te gelden, in tegenstelling tot alle andere dwangsomprocedures. Dit onderscheid is niet voorzien van een redelijke en objectieve rechtvaardiging. De gemachtigde merkt daarbij - naar aanleiding van het verweerschrift van de advocaat-generaal - op dat dwangsommen en proceskostenvergoedingen formeel juridisch niet worden toegekend aan de gemachtigde, maar aan de betrokkene. Het is evident dat de betrokkenen met het toepassen van de appelgrens bij beroep tegen het niet tijdig beslissen worden beperkt in hun recht op effectieve toegang tot de rechter. De enkele stelling dat de Wahv een wet sui generis is en dus bepaalde bijzonderheden kent, kan in ieder geval niet worden aangemerkt als een objectieve en redelijke rechtvaardiging.
- Het hof stelt voorop dat artikel 14, eerste lid, van de Wahv een regeling biedt in welke gevallen hoger beroep kan worden ingesteld tegen beslissingen van de kantonrechter. Deze bepaling moet worden beoordeeld in het licht van de bedoeling van de wetgever, namelijk dat niet tegen alle beslissingen die de kantonrechter in het kader van de Wahv neemt, hoger beroep kan worden ingesteld. De wetgever heeft bagatelzaken uitgezonderd van hoger beroep. Artikel 9, eerste lid, van de Wahv is een bepaling van andere orde. Dit artikellid bepaalt welke beslissingen van de officier van justitie (een bestuursorgaan) aan een beoordeling door een rechter (de kantonrechter) kunnen worden onderworpen. Gelet op het verschil in strekking tussen deze twee bepalingen, behoeft de uitleg die gegeven moet worden aan artikel 14, eerste lid, van de Wahv niet noodzakelijkerwijs even ruim te zijn als de uitleg die aan artikel 9, eerste lid, van de Wahv gegeven moet worden.
- Het is vaste rechtspraak van het hof dat beroepen tegen het niet tijdig beslissen op het administratief beroep en nevenbeslissingen die de officier van justitie neemt of behoort te nemen (over de toekenning van proceskostenvergoeding en over de bepaling van de verschuldigdheid en hoogte van en dwangsom in verband met het niet tijdig beslissen op het administratief beroep) wel door de kantonrechter kunnen worden getoetst maar de beslissingen van kantonrechters daaromtrent door het hof slechts indien geen sprake is van een bagatelzaak. De wetgever heeft voor de bepaling wanneer sprake is van een bagatelzaak aansluiting gezocht bij de hoogte van het sanctiebedrag, de hoofdbeslissing in het kader van de Wahv.
- Het hof volgt de gemachtigde niet in zijn stelling dat de appelgrens alleen geldt indien de kantonrechter oordeelt over beroep tegen de (reële) beslissing van de officier van justitie. Uit het arrest van het hof van 25 juni 2024 kan niet anderszins worden afgeleid. Het hof overweegt verder dat uit de tekst van artikel 14, eerste lid, van de Wahv niet volgt dat alleen hoger beroep kan worden ingesteld indien de kantonrechter in diens beslissing heeft geoordeeld dat de sanctie niet meer bedraagt dan € 110,- of dat de appelgrens alleen geldt indien de kantonrechter zodanige beslissing neemt. Artikel 14, eerste lid, van de Wahv eist niet dat de sanctie onderwerp van geschil is. Aangezien het niet de kantonrechter is die sancties oplegt, moet deze bepaling aldus worden verstaan dat hoger beroep mogelijk is indien, na de beslissing van de kantonrechter, een sanctie van meer dan € 110,- resteert.
- Het hof ziet in wat de gemachtigde aanvoert geen reden terug te komen op deze rechtspraak. Het hof heeft in het arrest van 8 april 2021 overwogen dat de wetgever in de invoering van de Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen geen aanleiding heeft gezien om artikel 14, eerste lid, van de Wahv te wijzigen en dat daarom aan de omstandigheid dat bij het instellen van de appelgrens de Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen niet bestond, niet de conclusie kan worden verbonden dat de wetgever met de appelgrens niet het oog heeft gehad op een situatie als deze. Het hof heeft daarbij overwogen dat het bij geschillen aangaande de vaststelling van de dwangsom bij niet tijdig beslissen kan gaan om bedragen die aanzienlijk hoger zijn dan de appelgrens, terwijl in geschillen die voortvloeien uit een Wahv-procedure mogelijk in een niet onbelangrijk deel daarvan de kantonrechter de eerste en enige rechter zal zijn en dat het, voor zover dit uit een oogpunt van rechtseenheid ongewenst wordt geacht, op de weg van de wetgever ligt om dat belang af te wegen. De wetgever is niet tot aanpassing van artikel 14, eerste lid, van de Wahv overgegaan.
- Artikel 14 van het EVRM en artikel 1 van het Twaalfde Protocol van het EVRM verbieden niet iedere ongelijke behandeling van gelijke gevallen, maar alleen die waarvoor geen objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat. Het onderscheid tussen dwangsomzaken in het kader van de Wahv en dwangsomzaken in het kader van andere wetgeving is geen onderscheid op grond van een inherent, dat wil zeggen onafscheidelijk aan een persoon verbonden criterium, zoals geslacht of ras. Bij de beantwoording van de vraag of het gemaakte onderscheid discriminerend is, is de vraag of Wahv-dwangsomzaken en de overige dwangsomzaken als gelijke gevallen zijn aan te merken. Als dat zo is, is vervolgens de vraag of een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat voor de ongelijke behandeling. In dat kader moet worden beoordeeld of sprake is van een legitiem doel en of de gekozen ongelijke behandeling redelijk en geschikt is om dat doel te bereiken. Aan de wetgever komt in het algemeen een ruime beoordelingsvrijheid toe bij het beantwoorden van de vraag of gevallen als gelijk moeten worden beschouwd, en, als dat zo is, of een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat om die gevallen toch verschillend te behandelen.
- Naar het oordeel van het hof is niet gebleken van strijd met het discriminatieverbod. Wahv-dwangsomzaken verschillen weliswaar met andere bestuursrechtelijke dwangsomzaken in die zin dat niet in alle gevallen hoger beroep mogelijk is, maar datzelfde geldt in geval van beslissingen omtrent de sanctie, beroepen tegen het niet tijdig beslissen op het administratief beroep en andere nevenbeslissingen dan die inzake de dwangsom. Dit hangt samen met de appelgrens, waarvan het hof eerder geoordeeld dat deze niet in strijd is met het recht op toegang tot de rechter. Het hof heeft geoordeeld dat artikel 14, vijfde lid, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR) en artikel 6 EVRM geen onbeperkt recht op een hogere voorziening toekennen in geval van bagateldelicten en dat in geval van gedragingen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, Wahv, met een sanctiebedrag onder de appelgrens van artikel 14, eerste lid, van de Wahv, deze als bagateldelicten dienen te worden gekwalificeerd. Voor de uitsluiting van deze categorie van zaken van hoger beroep bestaat een objectieve en redelijke rechtvaardiging, namelijk het geringe belang dat blijkens het bedrag van de sanctie, de hoofdbeslissing in het kader van de Wahv, aan de orde is.
- Gelet op het voorgaande zal het hof zal het hoger beroep in de in de bijlage genoemde zaken niet-ontvankelijk verklaren. Er is geen aanleiding voor het toekennen van een proceskostenvergoeding. De beslissing Het gerechtshof: verklaart het hoger beroep in de 116 in de bijlage genoemde zaken niet-ontvankelijk; wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af. Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Van der Zee-Venema als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken. Wahv-nummer CJIB-nummer Naam betrokkene 200.343.991 257443282 [de betrokkene] 200.343.992 257448615 [naam] 200.343.994 257814948 [naam] 200.343.995 257205405 [naam] 200.343.996 257839382 [naam] 200.343.997 257449751 [naam] 200.343.999 257458352 [naam] 200.344.001 256302375 [naam] 200.344.008 257843423 [naam] 200.344.014 257844286 [naam] 200.344.015 257465938 [naam] 200.344.016 257237820 [naam] 200.344.018 257468114 [naam] 200.344.019 256979195 [naam] 200.344.021 257847810 [naam] 200.344.028 257860687 [naam] 200.344.031 257477211 [naam] 200.344.034 257963906 [naam] 200.344.041 258103505 [naam] 200.344.043 258242918 [naam] 200.344.047 256793991 [naam] 200.344.048 258380763 [naam] 200.344.050 258411063 [naam] 200.344.051 257499900 [naam] 200.344.053 256794066 [naam] 200.344.054 258516568 [naam] 200.344.055 257266398 [naam] 200.344.057 256981031 [naam] 200.344.059 257508495 [naam] 200.344.060 258667732 [naam] 200.344.061 256981081 [naam] 200.344.062 258668111 [naam] 200.344.063 257511723 [naam] 200.344.065 258668585 [naam] 200.344.066 256828505 [naam] 200.344.067 260582569 [naam] 200.344.069 257514344 [naam] 200.344.072 257514666 [naam] 200.344.073 256981608 [naam] 200.344.074 257275311 [naam] 200.344.075 257279093 [naam] 200.344.077 257515020 [naam] 200.344.080 256982806 [naam] 200.344.082 257296165 [naam] 200.344.083 256982831 [naam] 200.344.087 256982935 [naam] 200.344.088 257307422 [naam] 200.344.089 257535315 [naam] 200.344.090 257309096 [naam] 200.344.091 256982944 [naam] 200.344.093 257309590 [naam] 200.344.096 257310368 [naam] 200.344.099 257312699 [naam] 200.344.100 257570448 [naam] 200.344.101 257039186 [naam] 200.344.103 257571479 [naam] 200.344.105 256861384 [naam] 200.344.107 257578030 [naam] 200.344.109 257040266 [naam] 200.344.110 256861859 [naam] 200.344.111 257314662 [naam] 200.344.112 257591777 [naam] 200.344.114 257316285 [naam] 200.344.116 256863835 [naam] 200.344.117 257316804 [naam] 200.344.125 256869177 [naam] 200.344.130 257327610 [naam] 200.344.131 257633379 [naam] 200.344.134 257634443 [naam] 200.344.137 257649666 [naam] 200.344.141 257649762 [naam] 200.344.143 257683096 [naam] 200.344.144 257356514 [naam] 200.344.145 256879502 [naam] 200.344.146 257684228 [naam] 200.344.148 257702711 [naam] 200.344.151 257366160 [naam] 200.344.152 257376956 [naam] 200.344.153 257737652 [naam] 200.344.156 257420969 [naam] 200.344.157 257738511 [naam] 200.344.163 257059457 [naam] 200.344.164 257794228 [naam] 200.344.168 257795376 [naam] 200.344.170 257066754 [naam] 200.344.172 256904244 [naam] 200.344.173 257074824 [naam] 200.344.175 257075028 [naam] 200.344.176 256910311 [naam] 200.344.177 257091553 [naam] 200.344.180 257101907 [naam] 200.344.182 257101972 [naam] 200.344.184 256914616 [naam] 200.344.185 257102155 [naam] 200.344.187 257106697 [naam] 200.344.189 257134357 [naam] 200.344.192 257141941 [naam] 200.344.193 256918843 [naam] 200.344.194 257141985 [naam] 200.344.196 257633379 [naam] 200.344.198 257143634 [naam] 200.344.199 256934189 [naam] 200.344.201 256934749 [naam] 200.344.205 257146409 [naam] 200.344.207 257176726 [naam] 200.344.210 256944795 [naam] 200.344.211 257202399 [naam] 200.344.213 256971422 [naam] 200.344.215 256973435 [naam] 200.344.216 256973864 [naam] 200.344.217 256974023 [naam] 200.344.218 256976859 [naam] 200.344.219 256977316 [naam] 200.344.220 256977436 [naam] 200.344.223 256977521 [naam] 200.344.225 256978647 [naam] ECLI:NL:GHARL:2024:
- vgl. het arrest van het hof van 3 april 2013, ECLI:NL:GHARL:2013:
- vgl. het arrest van het hof van 5 januari 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:
- ECLI:NL:GHARL:2021:
- vgl. o.a. Europees Hof voor de Rechten van de Mens 19 december 2018, ECLI:CE:ECHR:2018:1219JUD002045214, Molla Sali v Griekenland. vgl. het arrest van het hof Leeuwarden van 14 juni 2000, ECLI:NL:GHLEE:2000:ZJ:0004.