Afdeling strafrecht Parketnummer: 21-005476-24 Uitspraak d.d.: 21 oktober 2025 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 2 december 2024 met parketnummer 18-081705-23 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1994 in [geboorteplaats] , wonende te [woonplaats] . Het hoger beroep De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 7 oktober 2025 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot: de bevestiging van het vonnis van de rechtbank, met uitzondering van de straf; de veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf van veertien maanden, waarvan acht maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren; het stellen van dezelfde bijzondere voorwaarden die de rechtbank heeft gesteld; het gedeeltelijk toewijzen van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 7.836,52, bestaande uit € 336,52 aan materiële schade en € 7.500,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel; de benadeelde partij in het meer gevorderde niet-ontvankelijk verklaren. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft verder kennisgenomen van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw, mr. G.W. van der Zee, en de advocaat van de benadeelde partij, mr. A. Elzinga, naar voren is gebracht. Het vonnis waarvan beroep De rechtbank heeft bij het vonnis van 2 december 2024 de verdachte veroordeeld voor het met iemand van wie hij weet dat zij in staat van verminderd bewustzijn verkeert, handelingen plegen die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, tot een gevangenisstraf van twaalf maanden, waarvan acht maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. De rechtbank heeft daarbij meerdere bijzondere voorwaarden gesteld. Verder heeft de rechtbank de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toegewezen tot een bedrag van € 7.836,52, bestaande uit € 336,52 aan materiële schade en € 7.500,00 aan immateriële schade. Deze vordering is vermeerderd met de wettelijke rente en de rechtbank heeft ter hoogte van hetzelfde bedrag de schadevergoedingsmaatregel opgelegd. Ten aanzien van het meer gevorderde is de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk verklaard. Het hof is, onder aanvulling en verbetering van de gronden als hierna weergegeven, van oordeel dat de rechtbank op juiste gronden heeft beslist en zal het vonnis bevestigen behalve voor wat betreft de beslissing op de vordering van de benadeelde partij. Ten aanzien van dit onderdeel van het vonnis komt het hof tot een andere beslissing dan de rechtbank. In zoverre zal het vonnis dan ook worden vernietigd. Het hof zal het vonnis voor het overige, met aanvulling en verbetering van gronden, bevestigen. Aanvulling en verbetering van de bewijsmiddelen De bewijsmiddelen zoals die in het vonnis zijn opgenomen worden als volgt aangevuld en/of verbeterd. - Het hof vult de verklaring van aangeefster op pagina 4 van het vonnis aan met de navolgende zin: “Aangeefster heeft verklaard dat, toen [verdachte] met zijn piemel in haar zat, haar string op haar knieën zat en dat zij niet weet hoe haar string daar is gekomen.” - Het hof verbetert op pagina 4 van het vonnis de navolgende zin: “Aangeefster heeft over de nacht van 3 september 2023 verklaard dat zij met [naam 2] in bed lag in de kamer van [naam 2] in de woning” als volgt: Aangeefster heeft over de nacht van 3 september 2022 verklaard dat zij met [naam 2] in bed lag in de kamer van [naam 2] in de woning. - Het hof schrapt op pagina 4 van het vonnis de navolgende zin uit de verklaring van de verdachte: “Verdachte gaf aan dat hij in zijn onderbewustzijn naast zijn scharrel [naam 1] lag” en overweegt daarbij dat dit geen redengevende omstandigheid is waarop de bewezenverklaring steunt. Aanvullende bewijsoverweging De verweren die in hoger beroep zijn gevoerd, zijn in de kern gelijk aan wat er in eerste aanleg naar voren is gebracht. Het hof is van oordeel dat de rechtbank de verweren op juiste gronden heeft verworpen en overweegt ter aanvulling dat het door de verdediging gevoerde verweer dat geen sprake is geweest van opzet, slechts kan slagen als bij de verdachte ten tijde van zijn handelen ieder inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen daarvan zou hebben ontbroken. Dat hiervan sprake is geweest, is het hof niet gebleken, gelet ook op hetgeen de rechtbank heeft overwogen met betrekking tot het opzet van de verdachte en de omstandigheid dat de verdachte onder invloed van drugs en alcohol was. Eveneens is het niet aannemelijk geworden dat de verdachte lijdt aan sexsomnia (kort gezegd een slaapstoornis waarbij iemand seksuele handelingen verricht terwijl hij slaapt en zich niet of verminderd bewust is van zijn handelingen), zoals door de verdediging voor het eerst ter zitting in hoger beroep is betoogd. Ter onderbouwing van dit verweer heeft de verdediging geen schriftelijke stukken overgelegd waaruit blijkt dat de verdachte (mogelijk) lijdt aan deze (zeldzame) aandoening. Het dossier biedt ook overigens geen aanknopingspunten die dit verweer ondersteunen. Bovendien verhoudt de verklaring van de verdachte ter zitting bij het hof dat hij ten tijde van de gebeurtenis een “split second” dacht dat hij naast [naam 1] - zijn toenmalige partner - lag, dat hij de kamer meteen heeft verlaten uit schaamte en de verklaring ter zitting in eerste aanleg dat zoiets nog nooit eerder was gebeurd zich niet goed tot voormeld verweer. Contactverbod Evenals de rechtbank, ziet het hof voor de oplegging van een door [benadeelde] gevraagd contactverbod geen aanleiding. De verdachte maakt geen onderdeel meer uit van de vriendengroep van de partner van [benadeelde] en de verdachte en [benadeelde] hebben elkaar de afgelopen drie jaren ook niet langs een andere weg getroffen. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde] De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt in totaal € 25.436,52, bestaande uit € 11.936,52 aan materiële schade en € 13.500,00 aan immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 7.836,52, bestaande uit € 336,52 aan materiële schade en € 7.500,00 aan immateriële schade. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering. Materiële schade Studievertraging Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het subsidiair bewezenverklaarde handelen van de verdachte een studievertraging heeft opgelopen van ten minste zes maanden. De benadeelde partij heeft in dit verband naar voren gebracht dat zij door de impact van het bewezenverklaarde handelen niet in staat was de vereiste stage-uren van 40 uur per week te volbrengen. Dat heeft ertoe geleid dat de oorspronkelijke geplande afstudeerdatum in de zomer van 2024 niet is behaald. Uit de namens de benadeelde partij overgelegde stukken blijkt dat haar behandelend arts (ten behoeve van de aanvraag financiële tegemoetkoming vanwege het oplopen van studievertraging) bevestigt dat zij vanwege het incident niet aan de opleidingseisen kon voldoen. De studievertraging is opgelopen over een periode die is begonnen op 3 september
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.