← Nederland

ECLI:NL:GHARL:2025:6580

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN zittingsplaats Leeuwarden Zaaknummer : Wahv 200.352.300/01 CJIB-nummer : 258281560 Uitspraak d.d. : 22 oktober 2025 Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Limburg van 14 februari 2025, betreffende [de betrokkene] (hierna: de betrokkene), wonende te [woonplaats]. De gemachtigde van de betrokkene is R. Brasser, kantoorhoudende te Drachten. De beslissing van de kantonrechter De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaard, de beslissing van de officier van justitie vernietigd, het beroep tegen de inleidende beschikking gedeeltelijk gegrond verklaard en het bedrag van de sanctie gematigd tot € 210,- (te vermeerderen met administratiekosten. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is toegewezen tot een bedrag van € 453,

  1. Het verloop van de procedure De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding. Er is daarnaast gevraagd om de zaak op een zitting van het hof te behandelen. De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend. De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht. De advocaat-generaal heeft daarop gereageerd. De zaak is behandeld op de zitting van 8 oktober
  2. De gemachtigde van de betrokkene is verschenen. De advocaat-generaal is vertegenwoordigd door [naam advocaat-generaal]. De beoordeling
  3. Het hoger beroep richt zich tot de beslissing van de kantonrechter voor zover die ziet op de gronden inzake de vaststelling van een dwangsom. De gemachtigde voert aan dat de kantonrechter ten onrechte heeft overwogen dat de ingebrekestelling zodanig ‘verstopt’ zit in de brief van 4 december 2023 dat de officier van justitie deze brief niet had hoeven aan te merken als een ingebrekestelling. Het schrijven van 4 december 2023 beslaat slechts een halve pagina terwijl het woord ingebrekestelling duidelijk is vermeld. De ingebrekestelling was voldoende als zodanig te herkennen. Verder geeft de omstandigheid dat de officier van justitie geweigerd heeft een dwangsom toe te kennen en dit standpunt ook heeft verdedigd bij de kantonrechter terwijl deze had moeten weten dat dat standpunt in hoger beroep geen stand kon houden, aanleiding tot toekenning van proceskostenvergoeding in hoger beroep.
  4. De advocaat-generaal stelt zich ook op het standpunt dat het schrijven van 4 december 2023 voldoende kenbaar is als ingebrekestelling. De verdagingsbrief van de officier van justitie is op 18 januari 2024 verzonden omdat in het systeem ten onrechte is geregistreerd dat de inleidende beschikking op 25 augustus 2023 nogmaals zou zijn verzonden. De ingebrekestelling van 4 december 2023 is ingediend nadat de beslistermijn was verstreken.
  5. Uit de stukken in het dossier blijkt het volgende. Op 9 juni 2023 is de inleidende beschikking naar de betrokkene gestuurd. De uiterste datum voor het instellen van administratief beroep was 21 juli 2023, waardoor de beslistermijn in beginsel 16 weken later en dus op 10 november 2023 eindigde. In het dossier bevindt zich een brief van de officier van justitie gedateerd 18 januari 2024, waarin de gemachtigde wordt medegedeeld dat de beslistermijn met 10 weken wordt verlengd. De officier van justitie heeft de beslistermijn derhalve niet tijdig verlengd. De beslissing van de officier van justitie heeft de dagtekening 26 februari
  6. Van een ingebrekestelling als bedoeld in artikel 4:17, derde lid, van de Awb is sprake als duidelijk is dat de belanghebbende het bestuursorgaan maant om alsnog een bepaald besluit te nemen. Daarvan is sprake indien voldoende duidelijk is op welke aanvraag het geschrift betrekking heeft. Verder moet duidelijk zijn dat belanghebbende zich op het standpunt stelt dat het bestuursorgaan niet tijdig op de aanvraag heeft beslist ten slotte moet de belanghebbende erop aandringen dat een zodanige beslissing alsnog wordt genomen.
  7. Het dossier bevat een brief d.d. 4 december 2023 waarin onder meer het volgende is vermeld: “Betreft: aanvulling administratief beroep 4062 5422 5828 1560 (…) Tevens stel ik u in gebreke voor het niet beslissen op mijn administratief beroep en verzoek u binnen 2 weken na heden dit alsnog te doen.”
  8. Naar oordeel van het hof blijkt uit voornoemde brief voldoende duidelijk dat gesteld wordt dat de officier van justitie niet tijdig heeft beslist en dat deze gemaand wordt dit alsnog te doen. Uit de onderwerpregel blijkt voorts op welke aanvraag het geschrift betrekking heeft. De brief kan dan ook worden aangemerkt als een ingebrekestelling. Dat de ingebrekestelling is opgenomen in een brief waarin ook de gronden worden aangevuld, doet hieraan niet af.
  9. Indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven, verbeurt het bestuursorgaan aan de aanvragen een dwangsom van elke dag dat het in gebreke is, doch voor ten hoogste 42 dagen. De dwangsom bedraagt de eerste veertien dagen € 23,- per dag, de daarop volgende veertien dagen € 35,- per dag en de overige dagen € 45,- per dag. In dit geval is de maximumtermijn van 42 dagen bereikt en is de maximale dwangsom van € 1442,- verschuldigd. In zoverre kan de beslissing van de kantonrechter niet in stand blijven en zal het hof doen wat de kantonrechter had behoren te doen.
  10. Ten aanzien van het verzoek om een proceskostenvergoeding en hetgeen de gemachtigde in dat verband heeft aangevoerd, overweegt het hof als volgt. De betrokkene is niet in het gelijk gesteld als bedoeld in het arrest van het hof van 28 april 2020, vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:
  11. Anders dan waar het gaat om de vaststelling van de juiste proceskostenvergoeding indien een betrokkene in het gelijk is gesteld (vergelijk het arrest van het hof van 1 april 2021, vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2021:1786) staat de juiste vaststelling van de verschuldigdheid en de hoogte van de dwangsom naar vaste jurisprudentie van het hof niet in zodanig verband tot het in het gelijk stellen van de betrokkene dat toekenning van een vergoeding daarvoor redelijk is. Het hof ziet in hetgeen namens de betrokkene is aangevoerd geen aanleiding om terug te komen op zijn jurisprudentie. Het verzoek om een proceskostenvergoeding wordt afgewezen. De beslissing Het gerechtshof: vernietigt de beslissing van de kantonrechter voor zover het ziet op de vaststelling van een dwangsom in verband met het niet tijdig beslissen op het administratief beroep door de officier van justitie; stelt vast dat de officier van justitie een dwangsom is verschuldigd van € 1442,- te vermeerderen met wettelijke rente; wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af. Dit arrest is gewezen door mr. Beswerda, in tegenwoordigheid van mr. Eskandari, als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken. vlg. arrest van het hof van 30 juli 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:4958 vlg. Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, 24 december 2014, gepubliceerd op rechtspraak.nl met vindplaats ECLI:NL:RVS:2014:4682 vlg. arrest van het hof van 21 september 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:7009 vgl. r.o. 19 van het arrest van het hof van 18 mei 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:4778

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.