GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN zittingsplaats Leeuwarden Zaaknummer : Wahv 200.352.086/01 CJIB-nummer : 259988530 Uitspraak d.d. : 23 oktober 2025 Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam van 6 maart 2025, betreffende [de betrokkene] (hierna: de betrokkene), voorheen wonende te [woonplaats] . De gemachtigde van de betrokkene is mr. C.M.J.E.P. Meerts, kantoorhoudende te Beegden. De beslissing van de kantonrechter De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard. Het verloop van de procedure De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding. De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen, maar heeft hiervan geen gebruik gemaakt. De beoordeling
- Artikel 11 van de Wahv verplicht de betrokkene om in de procedure bij de kantonrechter zekerheid te stellen voor de betaling van de sanctie en de administratiekosten. Indien de sanctie ten minste € 225,- bedraagt, dient zekerheid te worden gesteld voor de betaling van € 225,- en de administratiekosten. De kantonrechter heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat niet aan deze verplichting is voldaan.
- De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de kantonrechter de niet-ontvankelijkheid heeft gebaseerd op het feit dat er geen zekerheid is gesteld, maar dat dit niet hoeft als de boete is vernietigd, zoals in dit geval.
- Uit het dossier blijkt dat de betrokkene is overleden voordat de officier van justitie op het administratief beroep heeft beslist, maar er al wel administratief beroep was ingesteld. Het overlijden van de betrokkene brengt, gelet op artikel 25, vierde lid, van de Wahv, mee dat het recht om verhaal te nemen door de officier van justitie is vervallen. Dit betekent dat het bedrag van de sanctie en de administratiekosten niet meer betaald hoeven te worden. In de beslissing op het administratief beroep is dit ook aan de gemachtigde van de betrokkene medegedeeld. De officier van justitie heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat er geen procesbelang meer is.
- Het bedrag van de sanctie en de administratiekosten kan in een geval als het onderhavige niet conform artikel 21, tweede lid, van de Wahv, op de gestelde zekerheid worden verhaald. Een redelijke wetsuitleg brengt mee dat de verplichting om zekerheid te stellen in een dergelijk geval niet geldt. De kantonrechter heeft het beroep daarom ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter dan ook vernietigen.
- Aangezien de gemachtigde heeft aangegeven dat het hof de zaak kan behandelen, zal het hof de zaak overeenkomstig artikel 20d, tweede lid, Wahv niet terugwijzen, maar zelf afdoen.
- Het beroep richt zich tegen de beslissing van de officier van justitie, voor zover het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen.
- De gemachtigde voert aan dat de officier van justitie ten onrechte geen vergoeding voor de proceskosten heeft toegewezen, omdat de boete is vernietigd.
- De betrokkene wordt niet in het gelijk gesteld als bedoeld in het arrest van het hof van 28 april 2020 (ECLI:NL:GHARL:2020:3336). De officier van justitie doelt in zijn beslissing op artikel 25, vierde lid, van de Wahv. Van het vernietigen of wijzigen van de inleidende beschikking is geen sprake. Nu de betrokkene ná het instellen van administratief beroep is overleden, is naar het oordeel van het hof voor wat betreft het opstellen van het administratief beroepschrift en het horen van de gemachtigde van de betrokkene door de officier van justitie op 5 februari 2024 sprake van kosten die de betrokkene in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken in de zin van artikel 7:28, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Niettemin komen deze kosten niet voor vergoeding in aanmerking, nu de inleidende beschikking niet wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. De officier van justitie heeft het verzoek om een proceskostenvergoeding daarom terecht afgewezen.
- Het voorgaande brengt mee dat als volgt wordt beslist. De beslissing Het gerechtshof: vernietigt de beslissing van de kantonrechter; verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond; wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af. Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Van der Zee-Venema als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.