Afdeling strafrecht Parketnummer: 21-002210-23 Uitspraak d.d.: 7 februari 2025 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 13 april 2023 met parketnummer 18-830214-19 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1966, wonende te [woonadres] . Het hoger beroep De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 24 januari 2025 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal strekkende tot veroordeling van verdachte tot een taakstraf van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft verder kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. P.R. Logemann, naar voren is gebracht. Ontvankelijkheid van verdachte in het hoger beroep De verdachte is door rechtbank Noord-Nederland vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 ten laste is gelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is daarom mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte om die reden niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis, waartegen het beroep is ingesteld, gegeven vrijspraak. Het vonnis waarvan beroep Naast het vrijspreken van verdachte ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde heeft de rechtbank verdachte veroordeeld ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde tot een taakstraf van 140 uren, subsidiair 70 dagen hechtenis, met aftrek van de tijd die hij reeds in voorarrest heeft doorgebracht. Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsmotivering en strafoplegging komt en daarom opnieuw rechtdoen. De tenlastelegging Aan verdachte is – voor zover in hoger beroep aan de orde – tenlastegelegd dat: 2.hij in of omstreeks de periode van 21 juli 2017 tot en met 4 juni 2018, te [pleegplaats] , gemeente(
- n)[gemeente] en/of [gemeente] , en/of in de gemeente [gemeente] , in elk geval in Nederland, van voorwerpen de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding, de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld en/of heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op een voorwerp was en/of heeft verborgen en/of verhuld wie een voorwerp voorhanden heeft gehad, door geldbedrag(
- en)van (totaal) 25.390,00 euro, contant te betalen aan [medeverdachte 1] , geldbedrag(
- en)van (totaal) 3.250,00 euro, over te boeken op rekening van [medeverdachte 2] (met omschrijving " [omschrijving] "), geldbedrag(
- en)van (totaal) 24.152,00 euro, over te boeken van/via zijn/verdachtes bedrijf [naam bedrijf] naar bedrijf [naam bedrijf] van [medeverdachte 1] , geldbedrag(
- en)van (totaal) 2.678,00 euro, over te boeken van/via bankrekening van zijn/verdachtes bedrijf/restaurant ( [naam restaurant] ) naar [medeverdachte 1] , en/of die voorwerpen, heeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet en/of van die voorwerpen, gebruik heeft gemaakt, terwijl hij wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat die voorwerpen geheel of gedeeltelijk, – onmiddellijk of middellijk – afkomstig waren uit enig misdrijf, en hij aldus van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Overweging met betrekking tot het bewijs Standpunt van de advocaat-generaal De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat hetgeen verdachte onder 2 ten laste is gelegd wettig en overtuigend bewezen kan worden. Standpunt van de verdediging De raadsman heeft zich, namens verdachte, op het standpunt gesteld dat verdachte vrijgesproken dient te worden van het onder 2 tenlastegelegde. Hiertoe heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte feitelijk niet meer heeft gedaan dan het storten van legale contante bedragen en het overmaken van die bedragen. Verdachte heeft namelijk verklaard dat hij het contante geld met zijn restaurant ( [naam restaurant] ) heeft verdiend en het daarmee dus een legale herkomst heeft. Het één en ander blijkt volgens de raadsman uit de uitdraai van aangiften inkomstenbelasting en alle pinboekingen van het restaurant van de jaren 2017 tot en met 2019, die per e-mail van 22 januari 2025 aan het hof zijn overgelegd. Hieruit kan namelijk worden opgemaakt dat ongeveer 50% van de omzet over die periode uit contante betalingen bestond, hetgeen volgens de raadsman passend was bij die tijd. Ten aanzien van de geldbedragen die verdachte naar medeverdachte [medeverdachte 1] heeft overgemaakt, heeft verdachte in hoger beroep verklaard dat dit provisiebetalingen, in hun geheel, waren ter vergoeding van de hypotheken die medeverdachte [medeverdachte 1] binnenbracht voor verdachte. Dat hij hiervan geen nota’s over kan leggen, heeft er volgens verdachte mee te maken dat deze betalingen niet BTW-plichtig zijn. Van de boekhouder hoefde hij hiervoor geen facturen op te stellen. Verdachte weet niet meer waarom hij ook een bedrag heeft overgemaakt naar medeverdachte [medeverdachte 2] , maar hij vermoedt dat hem dat toentertijd is gevraagd. Oordeel van het hof Het hof is van oordeel dat het door en namens verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen. Het hof overweegt hiertoe als volgt. Feiten Uit het dossier blijkt dat de politie op 4 juni 2018 in het oude [naam gebouw] aan de [adres] te [pleegplaats] een professionele hennepkwekerij aan heeft getroffen, bestaande uit zeven kweekruimtes met in totaal 2. 772 hennepstekken, 232 hennepmoederplanten en 3.438 hennepplanten. Uit informatie uit het Kadaster blijkt dat medeverdachte [medeverdachte 2] sinds 15 november 2016 eigenaar is van dit pand. Verder blijkt uit het dossier dat medeverdachte [medeverdachte 2] zelf geen gebruik heeft gemaakt van het pand, maar dat hij deze, blijkens de huurovereenkomst, verhuurde aan medeverdachte [medeverdachte 3] . Uit het dossier blijkt verder dat medeverdachte [medeverdachte 2] vanaf december 2016 in totaal € 156.850,00 aan huurpenningen heeft ontvangen voor de verhuur van het pand. Uit het onderzoek naar de herkomst van deze huurbetalingen komen, naast de bankrekening van medeverdachte [medeverdachte 2] , de bankrekeningen van verdachte en medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] in beeld. Uit verder onderzoek naar de bankrekeningen van verdachte en medeverdachten [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] blijkt het volgende. Er worden (vele) contante geldbedragen gestort op de bankrekeningen van verdachte betreffende zijn ondernemingen [naam restaurant] en [naam bedrijf] .Dit geld wordt door verdachte (direct of indirect) vervolgens via zijn privé en de genoemde zakelijke bankrekeningen overgemaakt naar de bankrekening(
- en)van medeverdachte [medeverdachte 1] . Deze boekt de bedragen weer over naar medeverdachte [medeverdachte 3] , die het vervolgens overmaakt naar medeverdachte [medeverdachte 2] ten behoeve van de huur van het pand in [pleegplaats] . Vanaf begin 2018 wordt de huur niet meer via de bankrekening van medeverdachte [medeverdachte 3] naar de bankrekening van medeverdachte [medeverdachte 2] overgemaakt. De huurbedragen komen vanaf dat moment direct van de rekeningen van verdachte, medeverdachte [medeverdachte 1] of van derden, die aan hen te linken zijn. Het hof overweegt, in lijn met de rechtbank, dat het een feit van algemene bekendheid is dat met de handel in verdovende middelen veel contant geld gepaard gaat. Het gegeven dat er in het pand aan de [adres] te [pleegplaats] een hennepkwekerij is aangetroffen, terwijl de huur voor het pand (indirect) wordt betaald door middel van (grote) contante geldstortingen en via verschillende bankrekeningen (waaronder die van verdachte) die bovendien op naam staan van personen (zoals verdachte) die feitelijk geen partij zijn bij de huurovereenkomst, rechtvaardigt het vermoeden van witwassen van opbrengsten van uit misdrijf afkomstige geldbedragen. Onder deze omstandigheden mag derhalve van verdachte worden verlangd dat hij een aannemelijke en verifieerbare verklaring geeft voor de herkomst van het op zijn (zakelijke) bankrekeningen gestorte geld. Opvallende contante geldstortingen Met betrekking tot de gestorte geldbedragen heeft verdachte in hoger beroep, in lijn met zijn verklaring in eerste aanleg, verklaard dat hij inderdaad contante bedragen heeft gestort, maar dat dit contante bedragen waren die hij had verdiend met zijn visrestaurant ( [naam restaurant] ) en die dus een legale herkomst hadden. Ter ondersteuning van deze verklaring, heeft hij een uitdraai van aangiften inkomstenbelasting en alle pinboekingen van het restaurant van de jaren 2017 tot en met 2019 aan het hof overgelegd. In dit kader wijst het hof er echter op dat de stukken die door verdachte in hoger beroep zijn ingediend, voor zover die al te verifiëren zijn nu niet blijkt door wie die stukken zijn opgemaakt, alleen betrekking hebben op de contante geldstortingen op de bankrekening van verdachtes visrestaurant ( [naam restaurant] ). Voor zover verdachte hiermee heeft willen aantonen dat die contante geldbedragen voor een groot deel zien op omzet van het restaurant, is hiermee in het onderzoek van de politie ook reeds rekening gehouden. Verdachte had in de tenlastegelegde periode echter ook een bankrekening van zijn andere onderneming tot zijn beschikking, namelijk de bankrekening voor [naam bedrijf] . Uit het dossier blijkt dat er in de periode van 16 maart 2015 tot en met 18 juni 2018 een bedrag van in totaal € 43.410,00 aan contant geld is gestort op deze bankrekening. Soms gebeurde dit, zoals uit de rekeningoverzichten in het dossier blijkt, ook op dezelfde dagen als waarop contante bedragen werden gestort op de bankrekening van [naam restaurant] . Hoewel op grond van het voorgaande van verdachte, ook met betrekking tot de herkomst van de geldstortingen op de bankrekening van [naam bedrijf] , een aannemelijke en verifieerbare verklaring mag worden verwacht, heeft hij alleen met betrekking tot (een deel van) de contante stortingen op de bankrekening betreffende [naam restaurant] geprobeerd de herkomst van de gestorte geldbedragen aan te tonen. Het gegeven dat er sprake was van een legale herkomst van de op de bankrekening van [naam restaurant] gestorte geldbedragen, voor zover dat al vastgesteld zou kunnen worden op basis van de aan het hof overgelegde stukken, zegt echter nog niets over de herkomst van de op de bankrekening van [naam bedrijf] gestorte bedragen. Een verklaring van de verdachte over de herkomst hiervan is achterwege gebleven. Opvallende overboekingen en contante geldbetalingen aan medeverdachte [medeverdachte 1] Daarbij komt dat uit het dossier blijkt dat verdachte (een deel van) de geldbedragen, die hij heeft gestort op de bankrekening van [naam bedrijf] , vervolgens doorboekte naar medeverdachte [medeverdachte 1] . Verder blijk ook dat verdachte via zijn andere bankrekeningen (het gaat hierbij om zowel zijn privébankrekening, als de bankrekeningen van [naam restaurant] ) geldbedragen overboekt naar (vooral) medeverdachte [medeverdachte 1] en (éénmaal naar) medeverdachte [medeverdachte 2] . Verdachte heeft verklaard dat hij deze overboekingen naar medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] inderdaad heeft gedaan. Met betrekking tot de overboeking naar medeverdachte [medeverdachte 2] heeft verdachte echter verklaard dat hij niet meer weet waarom hij deze precies heeft verricht en over de overboekingen naar medeverdachte [medeverdachte 1] heeft hij verklaard dat deze overboekingen, in hun geheel, zagen op provisiebetalingen ter vergoeding van “de hypotheken die medeverdachte [medeverdachte 1] binnenbracht voor hem”. Het hof acht deze verklaring van verdachte echter niet geloofwaardig. Hiervoor acht het hof, naast het hiervoor overwogene, van belang dat medeverdachte [medeverdachte 1] bij de politie heeft verklaard dat hij een (klein) deel van de via de bankrekening van [naam bedrijf] naar hem overgeboekte bedragen inderdaad mocht houden als provisie, maar dat de rest bestemd was om over te boeken naar medeverdachte [medeverdachte 3] ten behoeve van de huur van het pand te [pleegplaats] . Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft voorts weliswaar verklaard dat hij voor het (storten en vervolgens) overboeken van de (contant) ontvangen geldbedragen een vergoeding ontving van zo’n € 375,00 à € 400,00 per maand, maar dit betrof een contant aan hem betaald bedrag dat hij “extra” van verdachte kreeg. Ten aanzien van de overige, via de andere bankrekeningen van verdachte, naar medeverdachte [medeverdachte 1] overgeboekte gelden, heeft hij verklaard dat deze ook bestemd waren voor de huur van het pand te [pleegplaats] . Hetzelfde gold volgens zijn verklaring voor de contante betalingen die hij ontving van verdachte. Deze contante betalingen heeft medeverdachte [medeverdachte 1] gestort om vervolgens eveneens over te boeken naar medeverdachte [medeverdachte 3] , die het weer heeft gebruikt om de huur van het pand te betalen. Het hof acht de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 1] geloofwaardig nu hij niet alleen uitgebreid en gedetailleerd heeft verklaard bij de politie, maar hij hiermee zichzelf ook aanzienlijk heeft belast. Bovendien vindt zijn verklaring bevestiging in de WhatsApp-gesprekken tussen verdachte en hem, zoals deze in het dossier zijn opgenomen. Hieruit blijkt onder andere dat er gesproken is over de overgeboekte bedragen, over “de huur” en over het overboeken van een bedrag van € 3.250,00 aan medeverdachte [medeverdachte 2] “volgens afspraak”. Gewoontewitwassen Voornoemde constructie, waarbij verdachte grote contante bedragen heeft gegeven aan medeverdachte [medeverdachte 1] en daarnaast op zijn bankrekening van [naam bedrijf] heeft gestort, alsmede vervolgens via deze bankrekening, maar ook via zijn privébankrekening en de bankrekening van zijn visrestaurant ( [naam restaurant] ) grote sommen geld heeft overgeboekt naar medeverdachte [medeverdachte 1] ten behoeve van het betalen van de huur van het pand in [pleegplaats] , kan bezwaarlijk anders worden gezien dan een constructie om geld afkomstig uit enig misdrijf wit te wassen. Gelet hierop en op het hiervoor overwogene, waaronder begrepen het gegeven dat het hof verdachtes verklaring omtrent de herkomst van (
- al)het gestorte geld onvoldoende - en zijn verklaring over de reden van de overboekingen naar medeverdachte [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] - ongeloofwaardig vindt, acht het hof bewezen dat verdachte opzet heeft gehad op het witwassen. Gelet op de periode en de frequentie van de geldstortingen en overboekingen door verdachte kan ten slotte worden bewezen dat hij van het witwassen een gewoonte heeft gemaakt. Het hof acht derhalve wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 2 tenlastegelegde gewoontewitwassen. Bewezenverklaring Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: 2.hij in de periode van 21 juli 2017 tot en met 4 juni 2018, in de gemeente [gemeente] , door - geldbedrag(
- en)van (totaal) 25.390,00 euro, contant te betalen aan [medeverdachte 1] , - geldbedrag(
- en)van (totaal) 3.250,00 euro, over te boeken op rekening van [medeverdachte 2] - geldbedrag(
- en)van (totaal) 24.152,00 euro, te boeken van/via zijn/verdachtes bedrijf [naam bedrijf] naar bedrijf [naam bedrijf] van [medeverdachte 1] , - geldbedrag(
- en)van (totaal) 2.678,00 euro, over te boeken van/via bankrekening van zijn/verdachtes bedrijf/restaurant ( [naam restaurant] ) naar [medeverdachte 1] , die voorwerpen, heeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen een van die voorwerpen, gebruik heeft gemaakt, terwijl hij wist dat die voorwerpen geheel of gedeeltelijk, – onmiddellijk of middellijk – afkomstig waren uit enig misdrijf, en hij aldus van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt. Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het onder 2 bewezenverklaarde levert op: van het plegen van witwassen een gewoonte maken. Strafbaarheid van de verdachte Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn. Oplegging van straf De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Het hof heeft hierbij in het bijzonder het navolgende in ogenschouw genomen. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan gewoontewitwassen door gedurende een lange periode een bedrag van in totaal ruim € 50.000,00 wit te wassen. Aan dit handelen van verdachte is op 4 juni 2018 een einde gekomen doordat de hennepkwekerij in het huurpand in [pleegplaats] is aangetroffen. Witwassen is in zijn algemeenheid een strafbaar feit dat een ernstige bedreiging vormt voor de legale economie en heeft een ontwrichtende werking op de integriteit van het financieel economisch verkeer en de openbare orde. Bovendien heeft witwassen tot gevolg dat criminele activiteiten financieel lonen. Verdachte heeft hier door zijn handelen aan bijgedragen en het vertrouwen van de maatschappij in het economische verkeer geschaad. Bovendien heeft verdachte geen inzicht getoond in de laakbaarheid van zijn handelen en heeft hij in hoger beroep op geen enkele wijze verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen. Het hof weegt bij de strafoplegging het uittreksel uit de justitiële documentatie van 19 december 2024 van verdachte mee. Hieruit blijkt dat hij niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor een strafbaar feit. Het hof heeft bij het bepalen van de straf acht geslagen op de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals deze ter terechtzitting in hoger beroep naar voren zijn gekomen en zoals uit het reclasseringsrapport van 22 juli 2021 is gebleken. Verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat het financieel goed met hem gaat. Verder gaat het echter minder goed in zijn leven. Dit heeft ermee te maken dat zijn vrouw ernstig ziek is. Ook lijdt zij erg onder onderhavige strafzaak van verdachte. De rechtbank heeft verdachte in eerste aanleg, lager dan de eis van de officier van justitie, veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 140 uren, te vervangen door 70 dagen hechtenis. In de motivering van de straf heeft de rechtbank in verdergaande mate dan de officier van justitie rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg en de omstandigheid dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten. Het hof komt tot een andere strafoplegging. Hoewel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf als uitgangspunt te gelden heeft bij witwassen van een duur en omvang als het onderhavige feit, komt het hof vanwege het tijdsverloop tot een andere strafmodaliteit. Naar het oordeel van het hof doet de in eerste aanleg opgelegde straf geen recht aan de ernst van de feiten en de initiërende rol die verdachte daarin heeft gehad. Daarnaast moet de op te leggen straf ook aan anderen duidelijk maken dat dit strafbaar gedrag en het schade toebrengen aan het vertrouwen in het financiële handelsverkeer onaanvaardbaar is. Het gegeven dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit, is naar het oordeel van het hof geen omstandigheid die in dit geval een straf verlagende consequentie dient te hebben. Alles afwegende, acht het hof, conform de eis van de officier van justitie in eerste aanleg en de advocaat generaal in hoger beroep, passend en geboden de oplegging van een taakstraf van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis, met aftrek van de tijd die hij reeds in voorarrest heeft doorgebracht. Toepasselijke wettelijke voorschriften Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 420ter van het Wetboek van Strafrecht. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde. BESLISSING Het hof: Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde. Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart het onder 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar. Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 120 (honderdtwintig) dagen hechtenis. Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht. Aldus gewezen door mr. L.T. Wemes, voorzitter, mr. T.H. Bosma en mr. L. Pieters, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. I.C. Bita, griffier, en op 7 februari 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken. Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers wordt daarmee, tenzij anders aangegeven, gedoeld op de paginanummers van het politiedossier van Politie Noord Nederland in het onderzoek NARWAL met nummer PL0100-2017336175 dat op 1 juli 2019 door verbalisant [verbalisant] is vastgesteld en ondertekend. Proces-verbaal aantreffen hennepkwekerij, 5 juni 2018, p. 1339 tot en met 1350. Proces-verbaal, p. 1926 tot en met 1933. Proces-verbaal deelonderzoek Witwassen, 1 juli 2019, p. 1955 tot en met 1962, en 1931 tot en met 1932. Proces-verbaal deelonderzoek Witwassen, 1 juli 2019, p. 1955 tot en met 1962 en 1931 tot en met 1932. Proces-verbaal van bevindingen, p. 1931 tot en met 1933. Bijlage bij proces-verbaal deelonderzoek Witwassen, 1 juli 2019, p. 1967, 1969 tot en met 1972. Proces-verbaal van bevindingen, 27 juni 2018, p. 1935 tot en met 1939. Proces-verbaal deelonderzoek Witwassen, 1 juli 2019, p. 1955 tot en met 1962. Proces-verbaal van bevindingen, 27 juni 2018, p. 1935 tot en met 1939 en p. 1928. P. 2 van het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 24 januari 2025. Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 1] , 6 juni 2018 p. 969 tot en met 970. Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 1] , 6 juni 2018, p. 978. Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 1] , 5 juni 2018, p. 964 en 965. Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 1] , 6 juni 2018, p. 964 en 978. Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 1] , 6 juni 2018, p. 969 tot en met 971 en het proces-verbaal deelonderzoek Witwassen, 1 juli 2019, p. 1955 tot en met 1962. Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 1] , 5 juni 2018, p. 965 en 969 tot en met 971. Proces-verbaal van bevindingen, p. 1937 en proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 1] , 5 juni 2018, p. 969 tot en met 971. Bijlage 6 bij proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 1] , 26 februari 2019, p. 1064 en 1076. Idem, p. 1059. Idem, p. 1079.