← Nederland

ECLI:NL:GHARL:2025:6634

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN zittingsplaats Leeuwarden Zaaknummer : Wahv 200.350.622/01 CJIB-nummer : 252974002 Uitspraak d.d. : 27 oktober 2025 Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 17 december 2024, betreffende [de betrokkene] (hierna: de betrokkene), wonende te [woonplaats]. De gemachtigde van de betrokkene is mr. B. de Jong, kantoorhoudende te Gouda. De beslissing van de kantonrechter De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard en het verzoek om een proceskostenvergoeding afgewezen. Het verloop van de procedure De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding. De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt. De beoordeling

  1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 250,- voor: “als bestuurder de doorgetrokken streep overschrijden (verkeer in beide richtingen)”. Deze gedraging zou zijn verricht op 9 oktober 2022 om 20.05 uur op de Provincialeweg hectometerpaal 15.9 in Bergambacht met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
  2. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de kantonrechter het bedrag van de sanctie met 25 procent had moeten matigen in verband met de overschrijding van de redelijke termijn van berechting. De gemachtigde van de betrokkene is per brief van 8 augustus 2024 in de gelegenheid gesteld om uiterlijk 9 september 2024 de gronden van de het beroep aan te vullen. De rechtbank heeft de gronden op 2 september 2024 ontvangen. De kantonrechter had de redelijke termijn niet mogen verlengen met een beroep op een arrest van het hof van 6 juni 2024 (ECLI:NL:GHARL:2024:3805).
  3. Het hof overweegt dat de redelijke termijn van berechting zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) langer kan zijn als de duur van de procedure in overwegende mate aan de betrokkene of zijn gemachtigde is toe te rekenen (zie het arrest van dit hof van 28 juli 2023, ECLI:NL:GHARL: 2023:6369). De kantonrechter moet evenwel ook de voortgang van de procedure bewaken en toezien op een redelijke termijn van berechting. De redelijke termijn van berechting is in dit geval aangevangen met de toezending van de inleidende beschikking op 19 oktober
  4. Door de gemachtigde is op 4 augustus 2023 beroep ingesteld tegen de beslissing van de officier van justitie. Daarbij is verzocht om een termijn om de gronden van het beroep aan te vullen. Per brief van 8 augustus 2024 is de gemachtigde in de gelegenheid gesteld om uiterlijk 9 september 2024 de gronden van het beroep aan te vullen. De gronden zijn op 2 september 2024 ontvangen.
  5. In dit geval, waarbij na een jaar na instellen van beroep de gelegenheid wordt gegeven de gronden van het beroep aan te vullen en de gemachtigde binnen de daarvoor gestelde termijn reageert, valt niet in te zien waarom de langere duur van de onderhavige procedure in overwegende aan de gemachtigde is toe te rekenen (vgl. het arrest van het hof van 27 mei 2024 (ECLI:NL: GHARL:2024:3537). Het hof stelt dan ook vast dat de redelijke termijn van berechting als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM in eerste aanleg is overschreden. Dit brengt, gelet op het arrest van het hof van 28 juli 2023 (ECLI:NL:GHARL:2023:6369), mee dat het bedrag van de sanctie moet worden gematigd met 25 procent. De beslissing van de kantonrechter kan daarom niet in stand blijven. Gelet hierop zal het hof doen wat de kantonrechter had behoren te doen.
  6. De proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking. De matiging van het sanctiebedrag vindt uitsluitend zijn grondslag in de overschrijding van de redelijke termijn van berechting in eerste aanleg. De proceskosten gemaakt in de fase van het administratief beroep komen niet voor vergoeding in aanmerking. Aan het indienen van het beroepschrift bij de kantonrechter en het verschijnen ter zitting dient één punt te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt € 907,-. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Het hof zal de advocaat-generaal aldus veroordelen voor de in beroep bij de kantonrechter gemaakt proceskosten tot een bedrag van € 907,- (= 2 x € 907,- x 0,5).
  7. De proceskosten in hoger beroep komen ook voor vergoeding in aanmerking. Het hof is van oordeel dat in de fase van het hoger beroep sprake is van samenhangende zaken in de zin van artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht. De gemachtigde heeft middels een gelijkluidend beroepschrift hoger beroep ingesteld in meerdere zaken tegen meerdere beslissingen van de kantonrechter van 17 december
  8. Daardoor is sprake van identieke werkzaamheden. Voor de vaststelling van de proceskostenvergoeding worden de onderhavige zaak en de zaken met het zaaknummer Wahv 200.350.634/01 en Wahv 200.350.642./01, waarin het hof bij arrest van heden eveneens beslist, daarom beschouwd als één zaak. De factor 1 voor samenhangende zaken wordt toegepast. Aan het indienen van het hoger beroepschrift dient één punt te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt € 907,-. Omdat de betrokkene in hoger beroep alleen in het gelijk wordt gesteld ten aanzien van de proceskostenvergoeding, wordt de wegingsfactor 0,25 (gewicht van de zaak = zeer licht) toegepast. Omdat de beslissing van de kantonrechter na 31 december 2023 bekend is gemaakt en gelet op wat is overwogen in het arrest van 7 oktober 2025 (ECLI:NL:GHARL: 2025:6116), past het hof op de in hoger beroep verrichte proceshandeling de factor, genoemd in artikel 13a, tweede lid aanhef en onder b, van de Wahv (nieuw) toe. Het zal het hof de advocaat-generaal in deze zaak aldus veroordelen voor de in hoger beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 7,56 (= (1 x 1 x € 907,- x 0,25 x 0,1) / 3).
  9. Gelet op het voorgaande bedraagt de vergoeding voor de gemaakte proceskosten € 914,
  10. De beslissing Het gerechtshof: verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing; verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking gedeeltelijk gegrond; wijzigt de inleidende beschikking in zoverre dat het bedrag van de sanctie wordt gewijzigd in € 187,50; bepaalt dat als de betrokkene op grond van artikel 11 van de Wahv teveel zekerheid heeft gesteld, het meerdere door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd; veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 914,
  11. Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Wijmenga als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.