← Nederland

ECLI:NL:GHARL:2025:6656

Afdeling strafrecht Parketnummer: 21-001005-23 TEGENSPRAAK Uitspraak van mr. R.M. Maanicus, lid van de enkelvoudige strafkamer, van 5 februari 2025 op het hoger beroep tegen het vonnis dat is gewezen in de zaak met parketnummer 05-265081-21 tegen de verdachte naam: [verdachte] voornamen: [verdachte] geboren: op [geboortedatum] 2002 te [geboorteplaats] wonende te: [woonadres] raadsman: mr. J.G. Roethof, advocaat te Arnhem KWALIFICATIE EN TOEGEPASTE WETSARTIKELEN Het onder 1 bewezenverklaarde levert op: mishandeling. Het onder 2 bewezenverklaarde levert op: eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen gepleegd. Het onder 3 bewezenverklaarde levert op: overtreding van artikel 7, eerste lid, van de Wegenverkeerswet

  1. gepleegdfeit 1:op 1 oktober 2021 te Nijmegen;feit 2:op 1 oktober 2021 te Nijmegen;feit 3:op 1 oktober 2021 te Nijmegen. Toegepaste wetsartikelen: de artikelen 9, 22c, 22d, 36f, 57, 63, 266, 267 en 300 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 7 van de Wegenverkeerswet 1994 BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 140 (honderdveertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 70 (zeventig) dagen hechtenis. Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] ter zake van het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 1.000,00 (duizend euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening. Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil. Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij] , ter zake van het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 1.000,00 (duizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening. Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 20 (twintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op. Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt. Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 1 oktober
  2. mr. R.M. Maanicus

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.