GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN locatie Arnhem nummers BK-ARN 24/1309 en 24/1310 uitspraakdatum: 28 oktober 2025 Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer op het hoger beroep van [belanghebbende] V.O.F. te [vestigingsplaats] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) van 29 mei 2024, nummers ARN 21/789 en 21/790, in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Utrecht (hierna: de Inspecteur) 1Ontstaan en loop van het geding 1.1. Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 oktober 2017 tot en met 31 december 2017 een naheffingsaanslag omzetbelasting (hierna: naheffingsaanslag 2017) opgelegd van € 4.356. Bij beschikkingen is belastingrente berekend van € 421 en is een vergrijpboete opgelegd van € 2.178. 1.2. Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 januari 2018 tot en met 30 juni 2018 een naheffingsaanslag omzetbelasting (hierna: naheffingsaanslag 2018) opgelegd van € 19.296. Bij beschikkingen is belastingrente berekend van € 1.093 en is een vergrijpboete opgelegd van € 9.648. 1.3. De Inspecteur heeft bij uitspraken op bezwaar de bezwaren ongegrond verklaard. 1.4. Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft de beroepen gegrond verklaard, de uitspraken op bezwaar uitsluitend voor zover het de boeten betreft vernietigd, de boeten verminderd tot € 871 (naheffingsaanslag 2017) en € 3.859 (naheffingsaanslag 2018) en bepaald dat haar uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde gedeelten van de uitspraken op bezwaar. De Rechtbank heeft daarbij de Staat veroordeeld tot het betalen van een immateriële schadevergoeding aan belanghebbende tot een bedrag van € 2.000, de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 3.245 en bepaald dat de Inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 360 vergoed. 1.5. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. 1.6. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 juli 2025. Daarbij zijn verschenen en gehoord [naam1] namens belanghebbende en H. Benschop, als de gemachtigde van belanghebbende, alsmede namens de Inspecteur mr. [naam2] , mr. [naam3] en mr. [naam4] . 2Vaststaande feiten 2.1. Belanghebbende is een vennootschap onder firma waarvan [naam5] en [naam1] de vennoten zijn. De activiteiten bestaan uit de aan- en verkoop van (schade-)auto's. Auto’s worden ingekocht bij leasemaatschappijen en verzekeraars. 2.2. In 2014 en 2015 heeft de Inspecteur (derden)onderzoeken bij belanghebbende uitgevoerd. Het onderzoek in 2014 hield verband met leveringen aan [bedrijf1] , waarbij het contact verliep via [naam6] . Het onderzoek in 2015 hield verband met [bedrijf2] . Volgens belanghebbende zou dit een voortzetting zijn van [bedrijf1] Ook in dit geval verliep het contact via [naam6] . 2.3. In een brief van 9 november 2015 van de Inspecteur aan belanghebbende is het volgende vermeld: “(…) U heeft mij onder meer verteld, dat de door u in de onderhavige casus verkochte auto's door (of namens) de koper bij u op uw bedrijfsadres ( [adres1] 15 te [plaats1] ) zijn afgehaald. Bij deze zogenaamde "afhaaltransacties" is het aantonen van het 0% tarief (ICL vervoer naar andere lidstaat dan wel uitvoer uit EU) altijd een probleem. Een samenstel aan gegevens die uit de administratie blijken kan hierbij een rol spelen. De volgende gegevens kunnen dat ondersteunen: - Ingeval van intracommunautaire leveringen dient (wanneer de klant de goederen zelf ophaalt) een afhaalverklaring te worden opgemaakt. Bij een vaste afnemer zal deze ten minste moeten bevatten de naam van de afnemer, het kenteken van het voertuig waarmee de goederen zullen worden vervoerd, het nummer van de factuur waarop de geleverde goederen zijn gespecificeerd, de plaats waarheen de afhaler de goederen zal vervoeren, alsmede de toezegging dat de afnemer bereid is aan de Belastingdienst desgevraagd nadere informatie te verstrekken omtrent de bestemming van de goederen. Deze verklaring dient te zijn ondertekend door degene die de geleverde goederen in ontvangst neemt en te zijn gedateerd. - Met name bij afhaaltransacties door incidentele afnemers met contante betaling, waarbij de factuur veelal met de goederen wordt meegegeven is extra zorgvuldigheid vereist bij de identificatie van de afnemer. Facturen met namen en adressen van ondernemers en bijbehorende BTW-identificatienummers zijn immers eenvoudig te verkrijgen. Extra zorgvuldigheid voor misbruik van BTW-identificatienummers vereist dat de leverancier in een situatie als deze zich ervan vergewist, bijvoorbeeld door legitimatie, dat de koper namens het als afnemer gepresenteerde bedrijf optreedt. Dat kan door de desbetreffende persoon zich te laten identificeren door het tonen van diens paspoort, identiteitskaart of rijbewijs. Ik raad u aan, wanneer de koper het gekochte goed zelf bij u afhaalt in het vervolg gebruik te gaan maken van genoemde ondertekende afhaalverklaringen en die vergezeld van onder meer een kopie van bijvoorbeeld het rijbewijs van de persoon die afhaalt in uw administratie te bewaren (zeven kalenderjaren). Daarnaast kunnen ondersteunen: - Een (regelmatige) check van het BTW identificatienummer van de afnemer; - Een schriftelijke bestelling vanuit het buitenland met de aanduiding dat de geleverde goederen op een plaats in het buitenland moeten worden afgeleverd; - Correspondentie met de koper (bijvoorbeeld de orderbevestiging) waaruit blijkt dat de desbetreffende goederen in het buitenland moeten worden of zijn afgeleverd; - Een commercieel gebruikelijke bevestiging door de koper van de ontvangst van de goederen in het buitenland; - De op naam van een buitenlandse koper gestelde factuur; - Een betaling vanuit het buitenland; - Een verzekeringspolis met betrekking tot het internationale transport van de goederen; - Een exportvergunning (bijvoorbeeld voor afvalstoffen en "strategische" goederen); - Douane-documenten met betrekking tot goederen die nog onder douane-toezicht staan of die naar een andere lidstaat worden verzonden of vervoerd via het grondgebied van een derde land; - Bescheiden die betrekking hebben op de uitschrijving van een "register-goed" uit Nederlandse openbare registers in samenhang met de inschrijving van dat goed in de openbare registers van een andere Lidstaat, en - bescheiden die rechtstreeks betrekking hebben op de verzending of het verroer van de goederen (de voor ontvangst ondertekende CMR-vrachtbrief, de nota van de vervoerder en, indien het gaat om accijnsgoederen, het -vereenvoudigd- accijnsgeleidedocument AGD). Deze opsomming is niet limitatief maar geeft een indicatie welke stukken een ondersteunende rol kunnen spelen. Voor het aantonen van ICL dan wel uitvoer bestaat een vrije bewijsleer. Op 30 oktober 2015 heb ik met u afgesproken dat u vanaf dan ingeval van afhaaltransacties zogenaamde afhaalverklaringen opstelt en dat u die door de buitenlandse afnemer laat ondertekenen en vervolgens zevenkalenderjaren bewaart in uw administratie. (…)" 2.4. In 2016 heeft de Inspecteur, naar aanleiding van de eerder ingestelde derdenonderzoeken, een boekenonderzoek ingesteld bij belanghebbende. In het daartoe opgestelde controlerapport van 17 maart 2016 is vermeld dat belanghebbende heeft geleverd aan afnemers die als ‘missing traders’ zijn aan te merken. Voorts is de in 2.3 opgenomen brief geciteerd in dat controlerapport. 2.5. Belanghebbende heeft in het vierde kwartaal 2017 en het eerste en tweede kwartaal 2018 facturen uitgereikt op naam van [naam7] met als adres [adres2] 79 in [plaats2] te Hongarije met btw-nummer [nummer1] (hierna: [naam7] ). Twaalf facturen betreffen de leveringen van voertuigen met de volgende gegevens: Factuurdatum Factuurnr. Vermeld kenteken Merk/type Factuurbedrag (ex BPM) 5-12-2017 173177 [kentekennummer1] Mazda 2 € 6.850 7-12-2017 173204 [kentekennummer2] Mercedes Benz C klasse € 18.250 25-1-2018 180249 [kentekennummer3] Opel Movano € 6.500 8-2-2018 180407 [kentekennummer4] Alfa Romeo Mito € 5.000 12-3-2018 180771 [kentekennummer5] Lexus CT200 € 13.250 16-3-2018 180835 [kentekennummer6] Mitsubishi Outlander € 13.500 12-4-2018 181079 [kentekennummer7] Mitsubishi Outlander € 14.483 17-5-2018 181387 [kentekennummer8] Mitsubishi Outlander € 18.300 24-5-2018 181449 [kentekennummer9] Ford Fiesta € 4.100 31-5-2018 181524 [kentekennummer10] Toyota Auris € 8.800 7-6-2018 181573 [kentekennummer11] Volvo V60 € 16.752,29 25-6-2018 181737 [kentekennummer12] Opel Movano € 10.500 Op de facturen is vermeld dat sprake is van een intracommunautaire levering en is geen omzetbelasting in rekening gebracht. 2.6. Van elke in 2.5 opgenomen transactie heeft belanghebbende de volgende documenten bewaard: een kopie van het kentekenbewijs en een exportbewijs waarbij op het exportbewijs de naam [naam8] (hierna: [naam8] ) voorkomt; een uitdraai uit het VIES-systeem met betrekking tot het btw-nummer van [naam7] rond de transactiedatum; een kopie van een uittreksel uit het Hongaarse handelsregister van [naam7] ; een kopie van het identiteitsbewijs van [naam8] , geboren [in] 1988, hetgeen door het maken van kopieën in alle dossiers aanwezig is; een e-mail van [naam6] van het e-mailadres [mailadres1] met het verzoek de papieren van de desbetreffende auto op naam van zijn cliënt te schrijven, veelal gevolgd door de vermelding van [naam7] , [adres2] 79, [plaats2] [nummer1] , Hongarije; een vervoersverklaring met een kopie paspoort van de persoon die de auto heeft afgehaald; Daarnaast bevinden zich in de dossiers foto’s van het adres [plaats2] , [adres2] 79, [plaats2] Hongarije, afkomstig van Google Maps. Deze foto’s hebben als printdatum 10 juli 2019 en laten een pand zien met een bord waarop is vermeld ‘ [naam11] ’ (hierna: [naam11] ). 2.7. De betalingen voor de auto’s heeft veelal contant plaatsgevonden. Een aantal deelbetalingen hebben plaatsgevonden vanaf een bankrekening van [naam6] . Enkel bij de eerste twee transacties, van 5 en 7 december 2017, is door [naam7] een deelbetaling per bank gedaan. 2.8. De Inspecteur heeft een boekenonderzoek uitgevoerd bij belanghebbende. Het doel van het boekenonderzoek was de aanvaardbaarheid van de aangiften omzetbelasting over het tijdvak van 1 januari 2018 tot en met 31 maart 2019 te controleren. Het boekenonderzoek is op 10 juli 2019 gestart met een inleidend gesprek. In een verslag van een vervolggesprek dat heeft plaatsgevonden op dezelfde dag is onder meer het volgende opgenomen: “(…) Eveneens gesproken over verrichte intracommunautaire leveringen en de controlemaatregelen die men neemt inzake de verificatie van de hoedanigheid van de afnemer. Als voorbeeld ter plaatse inzage in stukken gevraagd in verband met leveringen voor een bedrag van € 136.284 op afnemer met btw-nr: [nummer1] . Het gaat om het tijdvak: Q4 2017 tot en met Q2 2018. Bij bestelling van auto's en de afhaal daarvan wordt niet geverifieerd of de persoon/ personen rechtens bevoegd zijn om de vennootschap te vertegenwoordigen. Nader onderzoek wees mij uit dat [naam5] bestellingen heeft aangenomen van een persoon genaamd: [naam6] met mobiel nr: [nummer2] . Op basis van verstrekte stukken ter plaatse bleek dat [naam6] niet rechtens bevoegd is om de onderneming te vertegenwoordigen. WhatsApp verkeer is niet aan de orde geweest. Na telefonisch contact zou via de e-mail zijn gecommuniceerd met e-mailadres: [mailadres1] . [naam5] was opvallend stil en [naam1] sprak uitvoerig over de bedrijfsvoering. [naam1] baalde ervan dat een en ander niet goed is gegaan met de intracommunautaire handel. (…)” 2.9. De Inspecteur heeft belanghebbende op 17 juli 2019 gevraagd om van vijftien afnemers de gegevens van een voorbeeldtransactie voor verder onderzoek beschikbaar te stellen. Op 18 juli 2019 heeft een vervolggesprek plaatsgevonden. Daarbij heeft belanghebbende de gevraagde gegevens overhandigd. Van dit vervolggesprek is een verslag opgemaakt. In het verslag is onder meer het volgende opgenomen: “(…) Uit nader onderzoek is mij gebleken dat [belanghebbende] V.O.F. (hierna: bpl.) onder meer levert aan (dubieuze) afnemers in andere EU - lidstaten. Onder meer aan drie Hongaarse afnemers waarin contactpersoon [naam6] een rol speelt. Het gaat om: [nummer1] € 136.285 [nummer3] € 33.800 [nummer4] € 51.800 € 221.885 Cautie Om 10:21 uur heb ik de heren [naam14] de cautie gegeven. De opzet en werking daarvan werd begrepen. Vervolgens navraag gedaan naar het verkoopproces aan vorenstaande afnemers. [naam5] is verantwoordelijk voor de verkopen aan afnemers in andere EU - lidstaten. [naam6] is de contactpersoon geweest die namens diverse bedrijven auto's heeft besteld. Niet is geverifieerd door [naam5] of [naam6] rechtens bevoegd is om de ondernemingen te vertegenwoordigen. Om welke opdrachtgevers het gaat is volstrekt onduidelijk. Daar heeft [naam5] ook geen navraag naar gedaan. Eveneens is bij de afhaal van auto's onduidelijk welke personen dat zijn geweest. [naam1] mengde zich in het gesprek. Hij baalt er van dat hij niet eerder door medewerkers van de Belastingdienst erop is gewezen waar hij aan moet voldoen bij ICL-transacties. Met zekerheid weet [naam1] te stellen dat geen andere concurrent het zo zorgvuldig vastlegt als bpl. Nogmaals de minimale toets uitgelegd. [naam1] gaf aan dat hij geen zin meer heeft in dit soort gevallen. Bij voorkomende transacties wordt anders gewoon btw in rekening gebracht. Aangegeven dat ik niet bij bezoeken van andere collega’s aanwezig ben geweest. Over de inhoud van die gesprekken kan ik ook geen oordeel geven. Wel gewezen op een brief met dagtekening 26-10-2017. Zie hierna: (…) Uit vorenstaande brief volgt onder meer dat de heer [naam12] de vennoten heeft gewezen op de verificatie van de identiteit van de afnemer van een auto. De vennoten konden zich de brief niet herinneren. Desalniettemin aangegeven dat uit vorenstaande volgt dat een collega hen wel degelijk heeft gewezen op het vaststellen van de identiteit van de afhaler. Een en ander heeft geen gevolg voor de omzet. Aangegeven dat [naam1] daar op 10-7-2019 een andere verklaring over heeft afgelegd. Dat werd direct betwist. (…)” 2.10. Op 3 oktober 2019 heeft de Inspecteur de Hongaarse autoriteiten om inlichtingen verzocht. De Hongaarse autoriteiten hebben onder meer het volgende geantwoord: “(…) The representatives of [naam7] were [naam13] , [naam8] , The taxpayer did not submit any documents to the auditors. The seat of the taxpayer was registered in a seat provider and the seat providing contract was terminated on 5th June 2018 and new seat was not registered in the company registry. [naam7] submitted the VAT return for 2017QIV and 2018QI but our company did not declare any IC acquisitions and did not submit any recap.statements. From 2018QII the company do not submit tax returns. On 11.03.2019 [naam7] was deregistered from the company registry. (…) [naam6] was not employed by the above mentioned companies, he did not have any interest in the above mentioned companies and he was not the registered representatives of the companies. (…)” 2.11. Op 20 april 2020 heeft de Inspecteur schriftelijk laten weten dat de reikwijdte van het boekenonderzoek is uitgebreid tot de periode van 1 oktober 2017 tot en met 31 maart 2019. 2.12. De inspecteur heeft een conceptcontrolerapport opgemaakt met als datum 24 april 2020. Daarbij is aangekondigd dat de Inspecteur voornemens is een vergrijpboete op te leggen in verband met het opzettelijk te weinig betalen van omzetbelasting. Belanghebbende is in de gelegenheid gesteld zich over dit conceptcontrolerapport uit te laten, en heeft van die mogelijkheid gebruik gemaakt op 6 mei 2015. 2.13. Het definitieve controlerapport is opgesteld met als datum 15 mei 2020. In dit controlerapport is (onder meer) geconcludeerd dat de aanspraak op het nultarief voor de leveringen van de twaalf auto’s aan [naam7] niet is aangetoond en dat daarvoor naheffingsaanslagen zullen worden opgelegd. Voorts is een vergrijpboete van 50% van de op grond daarvan na te heffen omzetbelasting opgelegd. 2.14. Op 12 november 2020 heeft de inspecteur, gedurende de bezwaarfase, de Hongaarse autoriteiten om nadere inlichtingen verzocht. De Hongaarse autoriteiten hebben onder meer het volgende geantwoord: “(…) Mr [naam6] and MR [naam8] did not have same addresses in the historical registry, they never lived together, from that fact they cannot be members of the same family (only the mother's name is registered). Mr [naam8] was born as [naam8] so his family name did not change, MR [naam6] was only [naam6] in the registry so no changes in the names. Maybe the misunderstood was caused the reversed name order in HU, " [naam6] " is not the family name of these men (in these cases). (It is confusing that sometimes [naam6] can be a family name.) We cannot obtain and provide any ID copy as the tax number and the company is deregistered, local colleagues cannot start any audit activity which is needed for obtaining ID copies. But all details in your ID copies are identical with data in our registry. (…)” 2.15. De Rechtbank heeft geoordeeld dat belanghebbende er niet in is geslaagd de toepassing van het nultarief aannemelijk te maken. Zij heeft de opgelegde boetes wel verminderd, omdat zij van oordeel was dat belanghebbende niet kan worden verweten dat zij opzettelijk te weinig omzetbelasting op aangifte heeft voldaan, maar dat dit aan haar grove schuld te wijten is. 3Geschil 3.1. In geschil is of de naheffingsaanslagen, boetes en beschikkingen belastingrente terecht en tot het juiste bedrag zijn opgelegd. 3.2. Ten aanzien van de naheffingsaanslagen is specifiek in geschil of het nultarief van toepassing is op de leveringen van de onder 2.5 genoemde voertuigen. Meer specifiek is primair in geschil of aan de materiële voorwaarden voor toepassing van het nultarief wordt voldaan. Subsidiair is in geschil of het nultarief moet worden geweigerd in verband met betrokkenheid van belanghebbende bij fraude. 3.3. Voorts is in geschil of het vertrouwensbeginsel is geschonden. 3.4. Belanghebbende heeft voorts gesteld dat het zorgvuldigheidsbeginsel, het fair-playbeginsel en het verdedigingsbeginsel zijn geschonden. 3.5. Ten slotte zijn de boetes in geschil. 4Beoordeling van het geschil Juridisch kader 4.1. Gelet op het bepaalde in artikel 9, lid 2, aanhef en onder b, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: Wet OB), juncto post a.6, van de bij de Wet OB horende Tabel II, bedraagt de belasting nihil voor leveringen van goederen die worden vervoerd naar een andere lidstaat, wanneer deze goederen aldaar zijn onderworpen aan heffing van belasting ter zake van intracommunautaire verwerving van die goederen, mits is voldaan aan bij algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden (hierna: het nultarief). 4.2. Post a.6 van de bij de Wet OB behorende Tabel II is gebaseerd op artikel 138 van de Btw-richtlijn. Uit vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ EU) volgt dat het nultarief in beginsel niet mag worden geweigerd indien de materiële voorwaarden zijn vervuld. Deze materiële voorwaarden zijn dat de macht om als eigenaar over de goederen te beschikken is overgegaan, dat de goederen naar een andere lidstaat zijn vervoerd en dat de afnemer deze als belastingplichtige (dan wel als daarmee gelijk te stellen niet-belastingplichtige rechtspersoon) heeft verworven. De bewijslast dat aan deze voorwaarden is voldaan, rust op de belanghebbende. 4.3. Het uitgangspunt dat bij voldoening aan de materiële voorwaarden het nultarief niet mag worden geweigerd, kent een uitzondering in het geval van fraude of misbruik. Het bestrijden van fraude, belastingontwijking en eventuele misbruiken is een doel dat door de Btw-richtlijn is erkend en wordt gestimuleerd. Volgens vaste rechtspraak van het HvJ EU geldt de uitzondering niet alleen wanneer de belastingplichtige zichzelf schuldig maakt aan belastingfraude, maar ook wanneer een belastingplichtige wist of had moeten weten dat de handeling waaraan hij deelnam, onderdeel was van omzetbelastingfraude door de leverancier of een andere ondernemer die in een eerder of later stadium van de toeleveringsketen actief was. Wanneer de belastingplichtige niet zelf de omzetbelastingfraude pleegt, kan hem het recht op het nultarief alleen worden geweigerd wanneer op basis van objectieve gegevens vaststaat dat die belastingplichtige wist of had moeten weten dat hij door zijn verkoop van de goederen of diensten waarvoor aanspraak op het nultarief wordt gemaakt, deelnam aan een keten van transacties waarin, in een eerder of later stadium, omzetbelastingfraude door een andere ondernemer werd gepleegd. Indien het nultarief wordt geweigerd omdat de betrokken ondernemer wist of had moeten weten dat hij deelnam aan omzetbelastingfraude in het kader van een keten van leveringen is in beginsel vereist dat wordt vastgesteld
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.