Afdeling strafrecht Parketnummer: 21-001877-22 Uitspraak d.d.: 13 mei 2025 TEGENSPRAAK Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 26 april 2022 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken onder de parketnummers 08-960021-19 en 08-960031-19, tegen [verdachte] geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1981, wonende te [adres] Het hoger beroep De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld. Bij akte van 8 juni 2022 is het hoger beroep partieel ingetrokken voor wat betreft feit 3 van parketnummer 08-960021-19 (026Eufaula). Met betrekking tot de straf ten aanzien van feit 3 (026Eufaula) zal het hof toepassing geven aan artikel 423, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 2 juli 2024, 1 april 2025 en 29 april 2025 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft verder kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. M.M. Kuyp, naar voren is gebracht. Het vonnis waarvan beroep De rechtbank heeft verdachte veroordeeld voor – kort gezegd: de eendaadse samenloop deelneming aan een criminele organisatie en het medeplegen van de invoer van cocaïne (feit 1, 2 en 3 in onderzoek 026Eufaula); het voorhanden hebben van XTC-pillen en MDMA (onderzoek 026Toppenisch). Aan verdachte is opgelegd een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van negen jaren met aftrek van voorarrest. Daarnaast zijn de onder verdachte in beslag genomen verdovende middelen, verpakkingen en vacumeermachine onttrokken aan het verkeer. De onder verdachte in beslag genomen broek is verbeurd verklaard. Ten aanzien van het in beslag genomen horloge is de teruggave aan verdachte gelast. Het hof zal het vonnis waarvan beroep – voor zover in hoger beroep aan de orde – vernietigen omdat het tot een andere strafoplegging komt. Daarom zal het hof opnieuw rechtdoen. Daarbij is rekening gehouden met de tussen het Openbaar Ministerie en de verdediging gemaakte procesafspraken. Procesgang Onderzoek 026Eufaula kende in eerste aanleg zeventien verdachten. Vijftien van hen zijn in hoger beroep gekomen tegen het vonnis van de rechtbank. Op 2 juli 2024 vond in alle vijftien zaken een regiezitting plaats voor het bespreken van de onderzoekswensen. Bij tussenarrest van 20 september 2024 heeft het hof in elf van de zaken het volgende overwogen. “Tijdens de regiezitting van 2 juli 2024 is de mogelijkheid van het maken van procesafspraken tussen het openbaar ministerie en de verdediging ter sprake gekomen. Het hof heeft op 16 augustus 2024 het voorstel zoals dat door het openbaar ministerie aan de verdediging is voorgelegd ontvangen. Vervolgens heeft de advocaat-generaal op 13 september 2024 aan het hof bericht dat overeenstemming is bereikt over procesafspraken. Het hof heeft echter nog niet de daadwerkelijk gemaakte afspraken op schrift, getekend door zowel het openbaar ministerie als de verdediging, ontvangen. Gelet evenwel op de uit de berichtgeving van het openbaar ministerie blijkende intenties van zowel het openbaar ministerie als de verdediging, zal het hof, vooruitlopend op de ontvangst van een getekend exemplaar van de procesafspraken, (vooralsnog) geen beslissing nemen op de onderzoekswensen zoals tijdens de regiezitting van 2 juli 2024 gedaan, maar het onderzoek heropenen en bepalen dat dit tegen een nog nader te bepalen terechtzitting zal worden hervat teneinde verder af te doen. Het hof streeft er daarbij naar alle zaken binnen het onderzoek Eufaula waarin thans sprake is van (mogelijke) procesafspraken op dezelfde dag(
- en)te plannen.” De andere vier zaken zijn naar het kabinet van de raadsheer-commissaris verwezen voor nader onderzoek, waaronder het horen van getuigen. Naderhand zijn in twee van die verwezen zaken eveneens procesafspraken gemaakt. Op 1 april 2025 zijn de in totaal dertien zaken in aanwezigheid van de betreffende verdachten en hun raadslieden op zitting behandeld. De tenlastelegging Aan verdachte is, voor zover aan de orde in hoger beroep, ten laste gelegd dat: in de zaak met parketnummer 08-960021-19 (026Eufaula): 1. hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2014 tot en met 28 februari 2015, te [plaats] , [gemeente] althans (elders) in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, welke organisatie werd gevormd door een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, waartoe hij, verdachte en/of zijn mededader(
- s)en/of één of meer andere perso(o)n(en), behoorden, welke organisatie het oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10, vierde en vijfde lid en/of 10a eerste lid, te weten - het (telkens) opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van één of meer hoeveelheden cocaïne en/of heroïne, zijnde cocaïne en heroïne middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, in elk geval (telkens) (een) middel(
- en)vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I en/of - het (telkens) opzettelijk bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of, afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of aanwezig hebben en/of vervaardigen van hoeveelheden cocaïne en/of heroïne, zijnde cocaïne en heroïne middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, in elk geval (telkens) (een) middel(
- en)vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I en/of - het (telkens) voorbereiden en/of bevorderen van feiten als bedoeld in artikel 2 juncto artikel 10 vierde en/of vijfde lid van de Opiumwet terwijl hij, verdachte, binnen die organisatie een leidinggevende rol heeft vervuld; (Artikel 11a Opiumwet (oud)) en/of hij in of omstreeks de periode van 1 maart 2015 tot en met 26 mei 2020, te [plaats] , [gemeente] althans (elders) in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, welke organisatie werd gevormd door een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, waartoe hij, verdachte en/of zijn mededader(
- s)en/of één of meer andere perso(o)n(en), behoorden, welke organisatie het oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10, vierde en vijfde lid en/of 10a eerste lid, te weten - het (telkens) opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van één of meer hoeveelheden cocaïne en/of heroïne, zijnde cocaïne en heroïne middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, in elk geval (telkens) (een) middel(
- en)vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I en/of - het (telkens) opzettelijk bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of, afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of aanwezig hebben en/of vervaardigen van hoeveelheden cocaïne en/of heroïne, zijnde cocaïne en heroïne middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, in elk geval (telkens) (een) middel(
- en)vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I en/of - het (telkens) voorbereiden en/of bevorderen van feiten als bedoeld in artikel 2 juncto artikel 10 vierde en/of vijfde lid van de Opiumwet terwijl hij, verdachte, binnen die organisatie een leidinggevende rol heeft vervuld; (Artikel 11b Opiumwet) 2. hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2014 tot en met 26 mei 2020 te [plaats] , [gemeente] althans (elders) in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, welke organisatie werd gevormd door een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, waartoe hij, verdachte en/of zijn mededader(
- s)en/of één of meer andere perso(o)n(en), behoorden, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten: - witwassen terwijl hij, verdachte, binnen die organisatie een leidinggevende rol heeft vervuld; in de zaak met parketnummer 08-960031-19 (026Toppenish, gevoegd): 1. hij op of omstreeks 11 december 2019 te [plaats] , [gemeente] althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander en/of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, (circa) 18.630 gram (een hoeveelheid van (circa) 50.000 XTC-tabletten) en/of (circa) 510 gram brokken/kristallen, van een materiaal bevattende 3,4-methyleendioxymethamfetamine (MDMA), zijnde MDMA een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Procesafspraken Op 5 februari 2025 ontving het hof de door de advocaat-generaal, verdachte en de raadsman ondertekende procesafspraken. Na te zijn gewezen op een wettelijke onmogelijkheid in de afspraken, zijn de advocaat-generaal en de verdediging met nieuwe afspraken gekomen. De definitieve versie heeft het hof op 26 maart 2025 ontvangen. Het navolgende is ten aanzien van alle feiten (dus ook feit 3 met parketnummer 08-960021-19 (026Eufaula) overeengekomen: Het Openbaar Ministerie zal ter terechtzitting rekwireren tot een bewezenverklaring en kwalificatie van de feiten als door de rechtbank is beslist en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 22 maanden waarvan 16 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren en een taakstraf voor de duur van 480 uur met aftrek van voorarrest vorderen. Door de verdediging zullen geen (bewijs) verweren worden gevoerd. Verdachte hoeft in het kader van de procesafspraken geen verklaring af te leggen. Verdachte berust met het maken van procesafspraken in de bewezenverklaring en de kwalificatie van de rechtbank en beoogt hiermee een voorspoedige behandeling van zijn strafzaak. Verdachte zal fysiek aanwezig zijn bij de inhoudelijke behandeling van dit afdoeningsvoorstel. Gelet op de gemaakte procesafspraken worden de reeds ingediende onderzoekswensen niet gehandhaafd. Verdachte zal zich niet onttrekken aan de tenuitvoerlegging van de straf. Verdachte en het Openbaar Ministerie zien af van het instellen van cassatie indien het hof komt tot een gelijke afdoening van deze zaak (inhoudende de bewezenverklaring en strafoplegging) conform de tussen partijen gemaakte afspraken. Verdachte verklaart op geen enkele wijze (ook niet via civiele weg) enige vergoeding te vorderen of te verzoeken voor de tijd die hij heeft doorgebracht in verzekering en in voorlopige hechtenis, langer dan de uiteindelijke straf die hem in de onderhavige zaak wordt opgelegd. Beoordelingskader Het hof stelt voorop dat, ondanks het ontbreken van een algemene, op procesafspraken toegeschreven regeling, in strafzaken de mogelijkheid bestaat tot het maken van afdoeningsvoorstellen, onder de voorwaarden zoals de Hoge Raad die heeft vastgesteld in zijn uitspraak van 27 september 2022 (ECLI:NL:HR:2022:1252). “Daarbij gaat het om afspraken tussen het openbaar ministerie en de verdediging over het verloop van de strafprocedure en/of de wijze waarop de strafzaak wordt afgedaan. De inhoud van dergelijke afspraken kan uiteenlopen, maar kenmerkend is de wederkerigheid ervan. Een procesafspraak kan bijvoorbeeld inhouden dat de verdediging afziet van bepaalde processuele activiteiten (zoals het doen van verzoeken tot het oproepen en horen van getuigen of het voeren van bepaalde verweren) en het openbaar ministerie de omvang van de beschuldiging tegen de verdachte op enigerlei wijze afbakent (bijvoorbeeld door de omvang van de tenlastelegging te beperken of de tenlastelegging op bepaalde, minder ernstige strafbare feiten toe te snijden), waarbij tussen het openbaar ministerie en de verdediging overeenstemming bestaat over wat een passende uitkomst van de strafzaak zou zijn.” Een belangrijke factor voor de keuze om tot procesafspraken te komen is een voortvarende afdoening van de strafzaak en om de efficiëntie in de behandeling van strafzaken te vergroten. De gedachte is dat door het maken van procesafspraken, strafzaken sneller kunnen worden afgehandeld, wat zorgt voor een betere benutting van schaarse zittingscapaciteit. Verdachten, maar ook eventuele slachtoffers en benadeelde partijen, weten hierdoor eerder waar ze aan toe zijn en verdachten kunnen bij een procesafspraak een korting krijgen op de door het Openbaar Ministerie te formuleren strafeis. De rechter behoudt daarbij de eigen verantwoordelijkheid dat de behandeling en de beoordeling van de strafzaak plaatsvinden overeenkomstig de daarvoor geldende wettelijke regeling – in het bijzonder de artikelen 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering – en de eisen van een eerlijk proces. Verder heeft de Hoge Raad in zijn uitspraak van 27 september 2022 overwogen dat “in alle gevallen waarin door het openbaar ministerie en de verdediging een afdoeningsvoorstel tot stand is gebracht, de rechter moet onderzoeken – en in de uitspraak van dat onderzoek blijk moet geven – of de verdachte in de concrete omstandigheden van het geval vrijwillig, op basis van voldoende en duidelijke informatie en terwijl hij zich bewust was van de rechtsgevolgen, is gekomen tot de ondubbelzinnige beslissing mee te werken aan het afdoeningsvoorstel en de daarmee gepaard gaande afstand van verdedigingsrechten. Voor het verrichten van dit onderzoek is het in beginsel vereist dat de verdachte, voorzien van rechtsbijstand, op de terechtzitting aanwezig is. In het geval dat de verdachte niet op de terechtzitting is verschenen, moet de rechter nader motiveren op welke wijze hij heeft kunnen vaststellen dat aan de hiervoor genoemde vereisten is voldaan.” Toelichtingen op de procesafspraken Standpunt van het Openbaar Ministerie De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot afdoening van de zaak conform de procesafspraken. Zij heeft daartoe aangevoerd dat de lange duur van het onderzoek aanleiding is geweest voor de totstandkoming van die afspraken. Tegen de achtergrond van het recht op een eerlijk proces, zoals vastgelegd in artikel 6 EVRM, heeft het Openbaar Ministerie immers een zelfstandige taak om bij te dragen aan een voortvarende berechting. Op 26 april 2022 heeft de rechtbank vonnis gewezen en pas meer dan twee jaar later, op 2 juli 2024, heeft de regiezitting plaatsgevonden. Het uitvoeren van nader onderzoek, waaronder het horen van getuigen, zou maken dat de inhoudelijke behandeling van de zaak nog langer op zich laat wachten. Ook zorgen de omvang van het onderzoek met in totaal vijftien verdachten en de capaciteitsproblemen bij het Openbaar Ministerie en de rechterlijke macht ervoor dat het vastleggen van een zittingsdatum en -zaal hoogstwaarschijnlijk niet op korte termijn mogelijk is. Daarnaast wordt de tenuitvoerlegging van een gevangenisstraf bemoeilijkt door capaciteitsproblemen in het gevangeniswezen. Bij het maken van de afspraken heeft de advocaat-generaal overleg gehad met de officieren van justitie in eerste aanleg en het college van procureurs-generaal generaal die met de procesafspraken hebben ingestemd. Bij de afweging is enerzijds rekening gehouden met de aard en ernst van de feiten, de ouderdom van de feiten, de strafvorderingsrichtlijnen van het Openbaar Ministerie en de LOVS-oriëntatiepunten voor straftoemeting. Anderzijds is rekening gehouden met de mens achter de verdachten. Het lange wachten op een einduitspraak brengt immers voor hen een zware lijdensdruk met zich mee. Daardoor heeft het Openbaar Ministerie ervoor gekozen de nadruk te leggen op het voorkomen van recidive in plaats van vergelding. Het Openbaar Ministerie is daarbij nagegaan of de verdachten zich de ernst van de feiten en de gevolgen van hun handelen realiseren. Standpunt van de verdediging De raadsman heeft ter zitting de totstandkoming van de afspraken en de persoonlijke omstandigheden van verdachte nader toegelicht. De overeengekomen afdoening is maatwerk en oogt wellicht lager dan de straf die verdachte daadwerkelijk heeft gevoeld en nog zal voelen. Met de reeds ondergane voorlopige hechtenis voor de duur van 978 dagen is een helder signaal afgegeven aan zowel verdachte en zijn naasten als ook aan de maatschappij. Hij is vier keer gedetineerd geweest en moest telkens opnieuw beginnen in het soberste regime. Tijdens iedere schorsing heeft verdachte zich aan de voorwaarden gehouden. Er is sprake van fors tijdsverloop. Verdachte draagt in zijn eentje de zorg voor zijn kinderen en heeft inmiddels een goed lopend bedrijf opgebouwd. Zijn ouders kunnen niet meer bijdragen aan de zorg voor de kinderen, in verband met hun gezondheid. In het licht van het voorgaande is de overeengekomen strafoplegging passend. Daarnaast heeft verdachte ter zitting van 1 april 2025 afstand gedaan van de onder hem in beslag genomen verdovende middelen, verpakkingen, vacumeermachine en broek. Oordeel van het hof over de procesafspraken Wijze van totstandkoming Ter terechtzitting van 1 april 2025 is het hof uitdrukkelijk bij verdachte nagegaan of hij uit eigen beweging akkoord is gegaan met de procesafspraken en of hij zich realiseert wat de gevolgen zijn. De voorzitter heeft onder meer gevraagd of verdachte voldoende tijd heeft gehad om na te denken, of hij overleg heeft gehad met zijn raadsman en zijn naasten en of de overeenkomst zonder dwang tot stand is gekomen. De voorzitter heeft verder benadrukt dat verdachte met het aangaan van de procesafspraken afstand doet van zijn verdedigingsrechten, dat verdachte aangeeft dat hij niet in cassatie zal gaan en dat met die afspraken een veroordeling op de Justitiële Documentatie komt te staan. Verdachte heeft al deze vragen bevestigend beantwoord. Het hof kent ook gewicht toe aan het feit dat de officieren van justitie in eerste aanleg en het college van procureurs-generaal, het hoogste orgaan binnen het Openbaar Ministerie, akkoord zijn gegaan met de procesafspraken. Dat lijkt te passen bij het beleid van het Openbaar Ministerie om de strafrechtketen te ontlasten. Inhoud De eerste vraag is of het hof al dan niet tot een bewezenverklaring komt. De procesafspraken houden in dat de advocaat-generaal en de verdediging akkoord gaan met de bewezenverklaring van de rechtbank. De verdediging heeft afgezien van het voeren van bewijsverweren. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en hoger beroep acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de eendaadse samenloop van feit 1, 2 onder parketnummer 08-960021-19 en aan het feit onder parketnummer 08-960031-19, zoals door de rechtbank bewezen is verklaard en gekwalificeerd. Over het tijdsverloop in de zaak constateert het hof het volgende. De ten laste gelegde en door de rechtbank bewezen verklaarde periode begint op 1 januari 2014, nu ruim elf jaar geleden. Op 5 mei 2022 is namens verdachte hoger beroep ingesteld. Dat betekent dat de redelijke termijn in hoger beroep op de datum van de uitspraak van dit arrest is overschreden met meer dan een jaar. Zeker als er ook nog nader onderzoek zou moeten worden gedaan door de raadsheer-commissaris, is het maar de vraag of de zaak in 2026 inhoudelijk zou kunnen worden behandeld. Verder merkt het hof op dat er zowel bij het Openbaar Ministerie als bij de rechtspraak capaciteitsproblemen spelen. Ook zijn er capaciteitsproblemen in het gevangeniswezen. Vanwege het cellentekort worden nu al gevangenisstraffen voortijdig beëindigd of wordt de insluiting uitgesteld. Naast de belasting van de strafrechtketen is het onwenselijk dat verdachten lang op de behandeling van hun zaak moeten wachten en daardoor lang in onzekerheid verkeren. Bij de beoordeling van de afspraken heeft het hof ook gekeken naar de aard en de ernst van de ten laste gelegde feiten en de ouderdom van de feiten. Het gaat – kort gezegd – om deelname aan een criminele organisatie die witwassen en handel in harddrugs als oogmerk heeft (026Eufaula, feit 1 en 2) en het voorhanden hebben van harddrugs (026Toppenish). De rechtbank heeft bewezen verklaard dat verdachte ten aanzien van 026Eufaula zich daar in totaal bijna vijf jaar en vier maanden lang schuldig aan heeft gemaakt. Dat is naar het oordeel van het hof een lange periode van het plegen van feiten die een gevaar opleveren voor de volksgezondheid en andere vormen van criminaliteit met zich meebrengen. Daartegenover staat dat er in deze zaak geen geweldsfeiten ten laste zijn gelegd. Tot slot heeft het hof rekening gehouden met de justitiële documentatie en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder de omstandigheden als hiervoor weergegeven onder het standpunt van de verdediging. Alles afwegende is het hof van oordeel dat door de wijze van totstandkoming van de procesafspraken, de ouderdom van de feiten, de overschrijding van de redelijke termijn in twee instanties en de te verwachten duur van het onderzoek het recht op een voortvarend en eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM beter is gewaarborgd als de zaak volgens de afspraken wordt afgedaan. In deze context, met inachtneming van hetgeen hierna wordt overwogen, is het hof van oordeel dat de overeengekomen strafoplegging redelijk en passend is. Het hof acht het redelijk dat de nadruk ligt op het voorkomen dat verdachte opnieuw in de fout gaat in plaats van vergelding, waarbij het hof meeneemt dat vanuit het oogpunt van de speciale preventie wel al richting verdachte een duidelijk signaal is gegeven zich niet meer met criminele activiteiten bezig te houden. Het hof overweegt dat het zich uitdrukkelijk heeft afgevraagd of de straffen zoals voorzien in de procesafspraken voldoende recht doen aan de leidinggevende rol die verdachte in de ten laste gelegde feiten heeft gespeeld. Dit te meer omdat hij een ontkennende houding is blijven aannemen en geen openheid van zaken heeft willen geven. Het hof hecht echter ook belang aan het feit dat verdachte wel verdedigingsrechten heeft prijsgegeven en berust in de bewezenverklaring van de rechtbank, hetgeen in de maatschappij vermoedelijk veelal als een schuldbekentenis zal worden gezien. Ook van belang is dat in de overwegingen bij de procesafspraken uitdrukkelijk slechts is voorzien in aftrek van het reeds ondergaan voorarrest van de op te leggen gevangenisstraf en dus niet van de op te leggen taakstraf. Het hof gaat er, mede gelet op de overwegingen 6. en 11. uit de pleitnota, dan ook van uit dat partijen dit zo hebben bedoeld. Deze (dus nog volledig uit te voeren) taakstraf, die bij niet-uitvoering tezamen goed zijn voor acht maanden ‘zitten’, vormt een extra genoegdoening aan de samenleving, naast de nog lopende ontnemingszaak. Tegen die achtergrond zijn de strafdoelen ook in de zaak van deze verdachte voldoende gewaarborgd. Bewezenverklaring Door eventueel in een aanvulling op te nemen wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel – ook in onderdelen – slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het in de zaak met parketnummer 08-960021-19 onder 1 en 2 en in de zaak met parketnummer 08-960031-19 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat: in de zaak met parketnummer 08-960021-19 (026Eufaula): 1. hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2014 tot en met 28 februari 2015, te [plaats] , [gemeente] althans (elders) in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, welke organisatie werd gevormd door een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, waartoe hij, verdachte en /of zijn mededader ( s ) en/of één of meer andere perso(o)n(en), behoorden, welke organisatie het oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10, vierde en vijfde lid en /of 10a eerste lid, te weten - het (telkens) opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van één of meer hoeveelheden cocaïne en/of heroïne, zijnde cocaïne en heroïne middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, in elk geval (telkens) (een) middel(
- en)vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I en/of - het (telkens) opzettelijk bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of, afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of aanwezig hebben en/of vervaardigen van hoeveelheden cocaïne en/of heroïne, zijnde cocaïne en heroïne middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, in elk geval (telkens) (een) middel(
- en)vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I en/of - het (telkens) voorbereiden en/of bevorderen van feiten als bedoeld in artikel 2 juncto artikel 10 vierde en/of vijfde lid van de Opiumwet terwijl hij, verdachte, binnen die organisatie een leidinggevende rol heeft vervuld; (Artikel 11a Opiumwet (oud)) en /of hij in of omstreeks de periode van 1 maart 2015 tot en met 20 april 2019, te [plaats] , [gemeente] althans (elders) in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, welke organisatie werd gevormd door een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, waartoe hij, verdachte en /of zijn mededader ( s ) en/of één of meer andere perso(o)n(en), behoorden, welke organisatie het oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10, vierde en vijfde lid en /of 10a eerste lid, te weten - het (telkens) opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van één of meer hoeveelheden cocaïne en/of heroïne, zijnde cocaïne en heroïne middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, in elk geval (telkens) (een) middel(
- en)vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I en/of - het (telkens) opzettelijk bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of, afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of aanwezig hebben en/of vervaardigen van hoeveelheden cocaïne en/of heroïne, zijnde cocaïne en heroïne middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, in elk geval (telkens) (een) middel(
- en)vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I en/of - het (telkens) voorbereiden en/of bevorderen van feiten als bedoeld in artikel 2 juncto artikel 10 vierde en/of vijfde lid van de Opiumwet terwijl hij, verdachte, binnen die organisatie een leidinggevende rol heeft vervuld; (Artikel 11b Opiumwet) 2. hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2014 tot en met 20 april 2019, te [plaats] , [gemeente] althans (elders) in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, welke organisatie werd gevormd door een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, waartoe hij, verdachte en /of zijn mededader ( s ) en/of één of meer andere perso(o)n(en), behoorden, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten: - witwassen terwijl hij, verdachte, binnen die organisatie een leidinggevende rol heeft vervuld; in de zaak met parketnummer 08-960031-19 (026Toppenish, gevoegd): 1. hij op of omstreeks 11 december 2019 te [plaats] , [gemeente] althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander en/of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, (circa) 18.630 gram (een hoeveelheid van (circa) 50.000 XTC-tabletten) en /of (circa) 510 gram brokken/kristallen, van een materiaal bevattende 3,4-methyleendioxymethamfetamine (MDMA), zijnde MDMA een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I , dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet . Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het hof constateert dat uit de bewezenverklaring van de rechtbank met betrekking tot de feiten 1 en 2 met parketnummer 08-960021-19 (026Eufaula), en het lichaam van het vonnis van de rechtbank volgt dat zij is uitgegaan van de leidinggevende rol van verdachte. De kwalificatie van de rechtbank berust op dit punt op een kennelijke verschrijving, zodat het hof dit hierna heeft aangepast. Dit heeft, tegen deze achtergrond, geen invloed op de procesafspraken. Het in de zaak met parketnummer 08-960021-19 bewezenverklaarde levert op: de eendaadse samenloop van onder 1: als leider deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, vierde en vijfde lid, en artikel 10a, eerste lid, van de Opiumwet (artikel 11a van de Opiumwet (oud)) en als leider deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, vierde en vijfde lid, en artikel 10a, eerste lid, van de Opiumwet (artikel 11b van de Opiumwet) en onder 2: als leider deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. Het in de zaak met parketnummer 08-960031-19 bewezenverklaarde levert op: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod. Strafbaarheid van de verdachte Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn. Oplegging van straf en/of maatregel Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Naar het oordeel van het hof kan niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Het hof verwijst daarvoor naar wat er onder het oordeel over de procesafspraken is overwogen. Het hof zal de procesafspraken volgen. Ten aanzien van de hiervoor bewezen verklaarde feiten zal het hof opleggen een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden waarvan 16 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar en met aftrek van voorarrest. Daarbij is rekening gehouden met de hierna te bepalen straf voor feit 3 in de zaak met parketnummer 08-960021-19 (026Eufaula). Daarnaast zal het hof, nu sprake is van een meerdaadse samenloop, voor de feiten een taakstraf opleggen, te weten een taakstraf voor de duur van 480 uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 240 dagen hechtenis. Daarbij acht het hof de taakstraf en de daaraan verbonden vervangende hechtenis in een redelijke verhouding staan tot de ernst van de betreffende feiten, waarbij mede rekening is gehouden met de termijn waarbinnen de taakstraf dient te zijn voltooid. Tenuitvoerlegging Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering, aan de orde is. Beslag Het hof zal de teruggave gelasten van het onder verdachte in beslag genomen horloge van het merk Breitling. Strafbepaling ex artikel 423, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering Nu het hoger beroep slechts is gericht tegen de feiten onder 1 en 2 met parketnummer 08-960021-19 (026Eufaula) en het feit met parketnummer 08-960031-19 (026Toppenish) zal het hof overeenkomstig het bepaalde in artikel 423, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering de straf ten aanzien van het in eerste aanleg onder 3 met parketnummer 08-960021-19 (026Eufaula) bewezenverklaarde bepalen. Het onder 3 bewezenverklaarde betreft, kort gezegd, het medeplegen van de invoer van cocaïne. Het hof zal, gelet op de aard en de ernst van dit feit, de op te leggen straf bepalen op een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden, met aftrek van de tijd die in voorarrest is doorgebracht. Toepasselijke wettelijke voorschriften Het hof heeft gelet op de artikelen 11a en 11b van de Opiumwet en de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 55, 57 en 140 van het Wetboek van Strafrecht. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover in hoger beroep aan de orde, en doet opnieuw recht: Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 08-960021-19 onder 1 en 2 en in de zaak met parketnummer 08-960031-19 tenlastegelegde heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart het in de zaak met parketnummer 08-960021-19 onder 1 en 2 en in de zaak met parketnummer 08-960031-19 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar. Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 (twintig) maanden. Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 16 (zestien) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht. Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 480 (vierhonderdtachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 240 (tweehonderdveertig) dagen hechtenis. Bepaalt de door de rechtbank opgelegde straf voor het in zaak 08-960021-19 onder 3 bewezenverklaarde op: een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden. Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht. Gelast de teruggave aan de verdachte van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten: - het horloge van het merk Breitling. Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis. Aldus gewezen door mr. D. Visser, voorzitter, mr. P.A.H. Lemaire en S. Bek, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. R.W.P. Soons, griffier, en op 13 mei 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken. Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 13 mei 2025. Tegenwoordig: mr. D. Visser, voorzitter, mr. J. Zeilstra, advocaat-generaal, mr. R.W.P. Soons, griffier. De voorzitter doet de zaak uitroepen. De verdachte is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig. De voorzitter spreekt het arrest uit. Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend. Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.