← Nederland

ECLI:NL:GHARL:2025:7076

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN zittingsplaats Leeuwarden Zaaknummer : Wahv 200.355.523/01 CJIB-nummer : 259905535 Uitspraak d.d. : 11 november 2025 Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Overijssel van 16 april 2025, betreffende [de betrokkene] (hierna: de betrokkene), wonende te [woonplaats] . De gemachtigde van de betrokkene is M.J.M. Bergers, kantoorhoudende te Maastricht. De beslissing van de kantonrechter De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard en het verzoek om een proceskostenvergoeding afgewezen. Het verloop van de procedure De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding. De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend. De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht. De advocaat-generaal heeft daarop gereageerd. De beoordeling

  1. Tegen de beslissing van de kantonrechter kan binnen zes weken hoger beroep worden ingesteld. Dat volgt uit de artikelen 13, derde lid, en 14 van de Wahv en de artikelen 6:24, 6:7 en 6:8 van de Algemene wet bestuursrecht. De termijn voor het instellen van hoger beroep begint op de dag die volgt op de dag waarop de beslissing aan de betrokkene is toegestuurd.
  2. De beslissing van de kantonrechter is op 25 april 2025 aan de betrokkene toegestuurd. De beroepstermijn eindigde dus op 6 juni
  3. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat het beroepschrift op 6 juni 2025 om 23:59 uur per e-mail is verzonden en daarmee tijdig is ingediend.
  4. Uit de stukken in het dossier blijkt dat op 7 juni 2025 om 00:01 uur een e-mail van de gemachtigde is ontvangen door de rechtbank. Als bijlage bij deze e-mail is het beroepschrift van de onderhavige zaak gevoegd. Dit beroepschrift is gedateerd 7 juni
  5. Gelet op artikel 6:9, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht is het beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. Het beroepschrift is niet per post verzonden, zodat het tweede lid van dit artikel toepassing mist. Nu het beroepschrift na het einde van de beroepstermijn is ontvangen, is niet tijdig hoger beroep ingesteld. Er is niet gebleken dat dit verschoonbaar is. Het hoger beroep zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard. Dit brengt mee dat het hof de bezwaren tegen de opgelegde sanctie niet kan behandelen.
  6. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. de arresten van het hof van 28 april 2020 en 1 april 2021, vindplaatsen op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336 en 2021:1786). De beslissing Het gerechtshof: verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk; wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af. Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Starreveld als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.