GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem afdeling civiel recht zaaknummers gerechtshof 200.344.643, 200.348.794, 200.348.920, 200.348.799 en 200.349.272 zaaknummers rechtbank Gelderland 437111, 436973, 442606, 443765 en 442171 beschikking van 20 november 2025 inzake [appellant] , wonende te [woonplaats1] , in zaaknummers 200.344.643, 200.348.920 en 200.348.799 verzoeker in hoger beroep, in zaaknummers 200.348.794 en 200.349.272 verweerder in hoger beroep, verder te noemen: de vader, advocaat: mr. R.W. de Gruijl, en [verweerster] , wonende te [woonplaats1] , in zaaknummers 200.344.643, 200.348.920 en 200.349.272 verweerster in hoger beroep, in zaaknummers 200.348.794 en 200.348.799 verzoekster in hoger beroep, verder te noemen: de moeder, advocaat: mr. M.M.E. Rietjens, en de gecertificeerde instelling, Stichting Jeugdbescherming Gelderland gevestigd te Arnhem, in zaaknummers 200.344.643, 200.348.794, 200.348.920, 200.348.799 en 200.349.272 verweerster in hoger beroep, verder te noemen: de GI. 1Het verloop van het geding in hoger beroep 1.1 Voor het verloop van het geding tot 11 maart 2025 verwijst het hof naar zijn tussenbeschikking van die datum. 1.2 Het verdere verloop blijkt uit: een brief van 3 oktober 2025 van de GI met producties een brief van 6 oktober 2025 van mr. Rietjens met producties een bericht van 15 oktober 2025 van mr. Rietjens met een productie. 1.3 De mondelinge behandeling is op 16 oktober 2025 voortgezet. Deze vond tegelijkertijd plaats met de mondelinge behandeling in de zaken met de nummers 200.355.624 en 200.357.535 (waarop bij afzonderlijke beschikking zal worden beslist). Hierbij waren aanwezig: de vader met zijn advocaat twee vertegenwoordigers van de GI de moeder met haar advocaat een vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming (de raad) als adviseur. 2De motivering van de beslissing 2.1 Het hof blijft bij hetgeen is overwogen en beslist in de tussenbeschikking van 11 maart 2025, voor zover hierna niet anders wordt overwogen of beslist. 2.2 Het gaat in deze procedure over de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige1] , [minderjarige2] , [minderjarige3] en [minderjarige4 1] die tot 28 november 2025 loopt en over de zorgregeling tussen de ouders en de kinderen. In de tussenbeschikking heeft het hof een voorlopige zorgregeling vastgesteld. De beslissing over de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing en de zorgregeling is verder aangehouden in afwachting van het verloop van de zorgregeling, het verloop van de therapie van [minderjarige2] , [minderjarige3] en [minderjarige4 1] , de inzet van de therapie/ hulp aan [minderjarige1] en onderzoek bij/ hulp aan ouders. Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing 2.3 Het hof is van oordeel dat er gronden zijn voor de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing. De kinderen hebben forse problematiek, die onder meer voortkomt uit de slechte relatie die de ouders met elkaar hadden, de gebrekkige opvoedvaardigheden van de ouders en de kind-eigen problematiek. In het verslag van de therapeut van [minderjarige1] staat dat er aanwijzingen zijn voor traumagerelateerde klachten, dat hij moeite heeft met het reguleren van zijn emoties en beperkt gebruik maakt van gezonde, effectieve strategieën om met boosheid, angst en verdriet om te gaan. Over [minderjarige2] , [minderjarige3] en [minderjarige4 1] schrijft de orthopedagoog-generalist dat bij alle drie de kinderen sterke aanwijzingen zijn voor hechtingsproblematiek en traumagerelateerde klachten. Er wordt gezien dat ze alle drie een verminderd vertrouwen hebben in de volwassenen om hen heen, zij lijken geleerd te hebben dat zij vooral goed voor zichzelf moeten zorgen omdat iemand anders dit niet doet. Uit de verslagen van de gezinshuisouders lijkt het (nog) niet beter te gaan met de kinderen sinds zij uit huis zijn geplaatst De traumatherapie voor de jongste drie kinderen is nog niet gestart – ondanks dat de GI op de vorige mondelinge behandeling heeft gezegd dat in februari 2025 een intake zou zijn – en de GI lijkt de ouders weinig vooruitzicht te bieden. De zorgen die de ouders over de kinderen hebben en hun frustratie over de gang van zaken is in zoverre wel te begrijpen. Dat betekent naar het oordeel van het hof niet dat de kinderen op dit moment weer bij de moeder en/of de vader kunnen gaan wonen. Gezien de voorgeschiedenis tussen de ouders, de dynamiek waarin de kinderen met de ouders geruime tijd hebben geleefd en de trauma’s die de kinderen hebben, vindt het hof het – zoals de GI heeft aangevoerd – noodzakelijk dat eerst onderzocht wordt wat er voor nodig is om de kinderen weer thuis te laten wonen. Dat de relatie tussen de ouders al geruime tijd geleden is beëindigd, maakt het oordeel van het hof niet anders. De moeder heeft inmiddels haar medewerking toegezegd aan het NIFP-onderzoek, zodat het hof ervan uitgaat dat na dit onderzoek duidelijk is wat de kinderen nodig hebben en wat de moeder hen kan bieden. De moeder heeft op de mondelinge behandeling aan het hof verteld dat zij (tijdelijk) met haar partner en hun jongste kind [minderjarige5] bij haar schoonvader woont. Volgens de moeder zouden de kinderen ook bij haar in de woning van de schoonvader kunnen gaan wonen, maar het hof is van oordeel dat over de (woon)situatie van de schoonvader onvoldoende bekend is. Als dit een bestendige (woon)situatie van de moeder is, dan zou dat ook in het onderzoek moeten worden betrokken. De moeder heeft verder verteld dat zij bereid en in staat is om direct hulp (vanuit school, logopedie en fysiotherapie en ambulante hulpverlening) in te zetten als de kinderen weer bij haar wonen. Het hof vindt het goed dat de moeder laat zien dat zij hulp voor de kinderen wil, maar het hof vindt het noodzakelijk dat eerst vast komt te staan wat voor hulp de kinderen nodig hebben. De vader heeft (nog) geen medewerking aan het NIFP-onderzoek gegeven. Op zichzelf is te begrijpen dat de vader, vanuit de zorgen en frustraties die spelen, heeft willen afwachten wat de uitkomst van deze procedures zou zijn. Het hof gaat ervan uit dat de vader, nu de beslissingen waarom is gevraagd in deze uitspraak worden gegeven, alsnog in het belang van de kinderen zal meewerken aan het onderzoek, zodat kan worden bepaald wat de kinderen nodig hebben en hoe dat het beste kan worden vormgegeven. Het hof vindt het noodzakelijk dat gedurende het NIFP-onderzoek de jongste kinderen in het gezinshuis blijven en [minderjarige1] op de groep. Het hof zal de beschikking van de rechtbank van 27 november 2024 (zaaknummers 200.348.799 en 200.349.272) over de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing in stand laten (bekrachtigen). De zorgregeling 2.4 In de tussenbeschikking heeft het hof de volgende voorlopige zorgregeling vastgesteld: de kinderen hebben elke week met één van de ouders (dus om en
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.