Afdeling strafrecht Parketnummer: 21-004482-24 Uitspraak d.d.: 13 juni 2025 TEGENSPRAAK Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 7 oktober 2024 met parketnummer 18-131634-24 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te Koeweit (Koeweit) op [geboortedag] 1987, Zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande. Het hoger beroep De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 13 juni 2025 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van de verdachte tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden, met de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering zijn geadviseerd. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft verder kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. P. Bonthuis, naar voren is gebracht. Het vonnis waarvan beroep De politierechter in de rechtbank Noord-Nederland heeft verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht. Het hof zal het vonnis vernietigen omdat het tot een andere strafoplegging komt en daarom opnieuw rechtdoen. De tenlastelegging Aan verdachte is -na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg- tenlastegelegd dat: hij in of omstreeks de periode van 18 januari 2024 tot en met 19 januari 2024 te [plaats 1] , gemeente Súdwest-Fryslân, in een woning en/of op een besloten erf waarop een woning stond, te weten de [adres 1] , alwaar verdachte zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, diverse sleutels en/of een geldbedrag (ongeveer € 700) en/of kaas en/of bier en/of chocolade en/of 3 jassen en/of schoonmaakmiddel en/of diverse sieraden en/of medicijnen (oxycodon) en/of stripboeken en/of parfums en/of een zilveren snuifdoos en/of een blaasbalg en/of potten groente en/of een tas en/of een koffer en/of munten en/of een rijbewijs , in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde] , in elk geval aan een ander toebehoorde(
- n)heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl hij, verdachte, zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking, inklimming en/of een valse sleutel. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Bewezenverklaring Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: hij in of omstreeks de periode van 18 januari 2024 tot en met 19 januari 2024 te [plaats 1] , gemeente Súdwest-Fryslân, in uit een woning en/of op een besloten erf waarop een woning stond, te weten de [adres 1] , alwaar verdachte zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, diverse sleutels en/of een geldbedrag (ongeveer € 700) en/of kaas en/of bier en/of chocolade en/of 3 jassen en/of schoonmaakmiddel en/of diverse sieraden en/of medicijnen (oxycodon) en/of stripboeken en/of parfums en/of een zilveren snuifdoos en/of een blaasbalg en/of potten groente en/of een tas en/of een koffer en/of munten en/of een rijbewijs, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde] , in elk geval aan een ander toebehoorde(
- n)heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl hij, verdachte, zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking, en inklimming en/of een valse sleutel. Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde levert op: diefstal op een besloten erf waarop een woning staat door iemand die zich aldaar buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevindt, door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en inklimming. Strafbaarheid van de verdachte Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn. Oplegging van straf Het hof heeft onmiddellijk na het onderzoek ter terechtzitting uitspraak gedaan in aanwezigheid van verdachte en zijn raadsman, mr. P. Bonthuis. De strafoplegging is toen mondeling gemotiveerd. De aldus gemotiveerde strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Deze motivering luidt - in hoofdlijnen - als volgt: De inbraak betreft een vervelend strafbaar feit waarvoor een gevangenisstraf passend en geboden is. Het hof zal verdachte een volledig voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier maanden opleggen, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Het hof zal daar de bijzondere voorwaarden aan verbinden die de reclassering heeft geadviseerd, te weten dat verdachte verplicht is zich gedurende de proeftijd te melden bij de reclassering, dat verdachte zich zal laten opnemen in [zorginstelling] te [plaats 2] of een soortgelijke zorginstelling met een maximumtermijn van een jaar, en dat verdachte meewerkt aan controle om het middelengebruik te beheersen. Bevel gevangenneming Ter terechtzitting van 13 juni 2025 heeft het hof met onmiddellijke ingang de gevangenneming van verdachte bevolen en de voorlopige hechtenis tevens met onmiddellijke ingang onder voorwaarden geschorst. Het hof hecht eraan toe te lichten waarom het tot deze beslissing is gekomen. Verdachte gaat gebukt onder een jarenlange verslaving aan verdovende middelen en is bekend met terugvallen. Om zijn verslaving te bekostigen pleegt hij strafbare feiten. Verdachte is op 11 juni 2025, twee dagen voorafgaande aan de zitting, uit detentie gekomen. Tijdens de detentie heeft hij aan zichzelf gewerkt. Verdachte heeft verklaard dat hij zich schaamt voor het feit dat hij het strafbare feit heeft gepleegd, dat hij van de verdovende middelen af wil blijven en dat hij gemotiveerd is om in een kliniek te worden opgenomen en behandeld. Het hof heeft acht geslagen op het reclasseringsrapport gedateerd 28 mei 2025, waarin de reclassering concludeert dat het verdachte in detentie goed vergaan is en dat hij gemotiveerd is tot verandering. De reclassering benoemt dat dit eerder ook het geval is geweest, maar dat de ervaring leert dat verdachte, eenmaal buiten, terugvalt in middelengebruik, zich zal onttrekken en dat de kans gering is dat het hem lukt de abstinentie vol te houden zonder dat hij een behandeling heeft doorlopen. VNN heeft laten weten dat verdachte vanaf 24 juni 2025 in [zorginstelling] te [plaats 2] kan worden opgenomen. In de tussentijd verblijft verdachte bij zijn broer in [plaats 3] , waar door zijn broer en zijn kinderen streng op hem wordt gelet. Het hof acht het van groot belang dat verdachte de al ingezette positieve lijn blijft doorzetten, maar ziet tevens dat de bereikte resultaten zonder behandeling fragiel zijn. Het hof acht het van belang dat verdachte vanaf 24 juni 2025 kan worden opgenomen in de kliniek. Nu er ernstige bezwaren zijn en er, vanwege de verslaving, risico is op recidive en teneinde te bewerkstelligen dat verdachte vanaf 24 juni 2025 kan worden opgenomen bij de verslavingskliniek, heeft het hof met onmiddellijke ingang tot 27 juni 2025 de gevangenneming van verdachte ter terechtzitting bevolen en tevens gelijk geschorst onder de voorwaarden dat verdachte (onder andere) zich binnen drie werkdagen na het ingaan van de schorsing zal melden bij de reclassering en dat verdachte zich op 24 juni 2025 om 11.00 uur zal melden bij [zorginstelling] te [plaats 2] teneinde zich aldaar te laten opnemen om zich te laten behandelen. Op deze wijze kan verdachte vanaf 24 juni 2025 worden opgenomen in de kliniek. Een en ander is met verdachte en zijn raadsman ter zitting besproken. Zij konden zich hierin vinden. Toepasselijke wettelijke voorschriften Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 63 en 311 van het Wetboek van Strafrecht. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar. Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) maanden. Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 3 (drie) jaren ten behoeve van het vaststellen van zijn/haar identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dit noodzakelijk acht daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(
- n)niet heeft nageleefd. de verdachte verplicht is zich gedurende proeftijd te melden bij het Leger des Heils Reclassering, [adres 2] . Verdachte blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. de verdachte zich zal laten opnemen in [zorginstelling] te [plaats 2] of een soortgelijke zorginstelling, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. De opname duurt een jaar of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorginstelling dat nodig vindt. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg, begeleid wonen of maatschappelijke opvang gewenst vindt, werkt verdachte mee aan de indicatiestelling en plaatsing. de verdachte werkt mee aan controle om het middelengebruik te beheersen. De reclassering kan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt hoe vaak verdachte wordt gecontroleerd. Geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarde(
- n)en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden. Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht. Aldus gewezen door mr. L.T. Wemes, voorzitter, mr. A.H. toe Laer en mr. F.E.J. Goffin, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. D. de Jong, griffier, en op 13 juni 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.