Afdeling strafrecht Parketnummer: 21-004114-21 Uitspraak d.d.: 14 juli 2025 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof ArnhemLeeuwarden, zittingsplaats Arnhem, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 7 september 2021 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 05-882005-17 en 05-067207-17, tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983, wonende te [postcode] [adres] , [woonplaats] . Het hoger beroep De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 22 juni 2022 en 30 juni 2025 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft verder kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. R.S.F. ten Kortenaar, naar voren is gebracht. Het vonnis waarvan beroep De rechtbank heeft bij vonnis van 7 september 2021, waartegen het hoger beroep is gericht, de verdachte ter zake van de onder parketnummer 05/882005-17 onder 1, 2, 3 en 4 subsidiair ten laste gelegde feiten veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee jaar en negen maanden met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft gezeten. Daarbij heeft de rechtbank een geldbedrag en een sealmachine verbeurd verklaard, de teruggave gelast van de overige in beslag genomen voorwerpen en het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis opgeheven. Het hof is van oordeel dat de rechtbank op juiste gronden heeft beslist en zal het vonnis met hierna te melden verbetering en aanvulling van gronden bevestigen behalve voor zover het de aan verdachte opgelegde straf en de beslissing over het beslag betreft. Ten aanzien van die onderdelen van het vonnis komt het hof tot een andere beslissing dan de rechtbank. In zoverre zal het vonnis dan ook worden vernietigd. Aanvullende overweging ten aanzien van de feiten 1 en 2 De verdediging heeft in hoger beroep aangevoerd dat de drugs die op 12 december 2017 in de woning aan de [adres] in [plaats] zijn gevonden niet van verdachte waren. Uit het dossier volgt niet dat verdachte wetenschap had of zich op enige wijze bewust was van de aanwezigheid van deze verdovende middelen. Dat verdachte het opzet had op het aanwezig hebben daarvan kan daarom niet bewezen worden. Volgens de verdediging was de woning gemeubileerd toen verdachte deze betrok. Daarnaast verbleven regelmatig andere mensen in de woning. De drugs lagen in kasten en in de vriezer en dus niet dusdanig in het zicht dat je bij binnenkomst de drugs zag liggen. In aanvulling op de bewijsmiddelen en bewijsoverweging van de rechtbank overweegt het hof het volgende. Bij de aanhouding van verdachte werd binnen handbereik op de salontafel een bord met wit poeder en een opgerold briefje van € 5,- aangetroffen en in de toiletruimte werd een ponypack gevonden. Verdachte heeft tijdens de zitting verklaard dat hij wist dat zijn toenmalige vriendin [naam] drugs gebruikte en dat hij voor zijn aanhouding ook drugs heeft gebruikt voor goeie seks. Ook heeft verdachte erkend dat hij de cocaïne die [naam] zou gebruiken had verstopt in een suikerpotje. Dat verdachte wist dat er drugs in de woning aanwezig waren, kan verder afgeleid worden uit een tapgesprek tussen verdachte en [naam] . Hierin zegt verdachte tegen [naam] : ‘ [verdachte] : Oke, en anders moet je gewoon ff in in de kast, ligt nog suiker in dat bekertje, in die in die kom. [naam] : Oke is goed. [verdachte] : Maar dat is wel eh, maar dat is niet die, maar dat is wel (NTV). [naam] : Maar boven die kast ook, maar ja denk ik (NTV). [verdachte] : Wat zeg je? [naam] : Boven die kast toch ook? [verdachte] : Nee boven die ka – ojaa maar dat is sintori (NTV) ja’. Gevraagd naar dit gesprek heeft [naam] verklaard dat met ‘sintori’ cocaïne wordt bedoeld. Dit lag in de kast en verdachte wist waar het lag, aldus [naam] . Tijdens de doorzoeking in de woning aan de [adres] in [plaats] zijn op verschillende, door verdachte in het tapgesprek genoemde, plekken in de woning drugs aangetroffen. Zo zijn in het keukenkastje boven de magnetron drie ponypacks en een snowseal met wit poeder aangetroffen. In het voorraadkastje in de keuken lag een zak met wit poeder en in een ander voorraadkastje lagen diverse soorten pillen en brokken. Van een aangetroffen ruitvormige roze pil is vastgesteld dat deze positief testte op MDMA. De omschrijving van de verpakking van deze pil is ‘zwart keramisch kommetje’. Met de hierboven genoemde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang bezien en in aanvulling op hetgeen de rechtbank hieromtrent heeft opgenomen en overwogen komt het hof tot de conclusie dat verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van de drugs in de woning en dat hij daarover als een van de hoofdbewoners feitelijke macht kon uitoefenen in de zin dat hij erover kon beschikken, zodat hij de drugs opzettelijk aanwezig heeft gehad. Het hof verwerpt het verweer van de verdediging. Verbetering van de bewijsoverweging en de bewezenverklaring De rechtbank heeft op pagina 4 van het vonnis overwogen dat de rechtbank het aannemelijk vindt dat met [bijnaam] de verdachte wordt bedoeld. Het hof acht die overweging niet juist en vervangt die door de volgende overweging. Het hof is van oordeel dat op grond van de door de rechtbank uitgewerkte bewijsmiddelen vast staat dat met [bijnaam] de verdachte wordt bedoeld. Ten aanzien van het onder 4 tenlastegelegde heeft de rechtbank overwogen dat van de in de woning aangetroffen briefjes van € 50 De Nederlandse Bank er in 2016 vijftien en in 2017 160 heeft gesorteerd en dat verdachte dit geld dus niet vóór 2016 in huis kan hebben gehad. De rechtbank heeft abusievelijk vastgesteld dat het daarbij gaat om de som van € 9.250 in plaats van € 8.750 – € 750 (vijftien x € 50) plus € 8.000 (160 x € 50) – zodat het van enig eigen misdrijf afkomstige geld niet is € 9.560 maar € 9.060 (€ 8.750 -/- € 3.190 – de geldopnames in 2016 en 2017 – plus € 3.500 – de zeven briefjes van € 500 –). Het hof leest de bewezenverklaring onder 4 in het verlengde hiervan verbeterd in die zin dat in plaats van ‘9.560 Euro’ ‘9.060 Euro’ moet worden gelezen. Het voorwaardelijk verzoek van de verdediging Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging het verzoek gedaan ingeval het hof tot een bewezenverklaring komt om [getuige] als getuige te horen. [getuige] heeft tijdens zijn verhoor in eerste aanleg niet willen zeggen wie de persoon achter [bijnaam] is, maar wellicht is dat nu anders. Het hof stelt vast dat [getuige] eerder bij de rechter-commissaris is gehoord in het bijzijn van de raadsman van de verdachte en dat de verdediging tijdens het verhoor het ondervragingsrecht heeft kunnen uitoefenen. Voor het opnieuw horen van [getuige] ziet het hof dan ook geen noodzaak. Het hof heeft daarbij ook in aanmerking genomen dat [getuige] geen verklaring heeft afgelegd met een voor de verdachte belastende strekking. Het hof wijst het verzoek af. Oplegging van straf en/of maatregel De advocaat-generaal heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf van twee jaar en drie maanden met aftrek van het voorarrest. De raadsman heeft aangevoerd dat de lange duur van de behandeling van de strafzaak ertoe heeft geleid dat de operatie aan de knie van verdachte nog steeds niet heeft plaatsgevonden en dat de verdachte als gevolg van het in zijn strafzaak gelegde conservatoir beslag financieel aan de grond zit. Daar komt bij dat de verdachte het ook niet heeft aangedurfd om een nieuwe relatie aan te gaan waardoor ook zijn wens opnieuw vader te worden niet in vervulling is gegaan. Deze zwaarwegende gevolgen van de lange behandeling van de zaak maken dat de schending van de redelijke termijn, welke schending niet aan de verdediging te wijten is, anders verdisconteerd moet worden dan de advocaat-generaal heeft voorgesteld. Wat de verdediging betreft is sprake van een dusdanige schending van de redelijke termijn zowel in eerste aanleg als in hoger beroep dat geen strafdoel meer gediend is bij (extra) bestraffing van de verdachte. Het primaire verzoek is dan ook om aan de verdachte een straf op te leggen die gelijk is aan het voorarrest. Subsidiair zou daaraan een deels voorwaardelijke straf gekoppeld kunnen worden. De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Het hof heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen – en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van de hierna aan te geven duur leiden – de volgende omstandigheden. De verdachte heeft zich gedurende een periode van zeven maanden schuldig gemaakt aan overtreding van de Opiumwet door verdovende middelen te verhandelen en verschillende soorten drugs aanwezig te hebben op de dag van zijn aanhouding. Het is een feit van algemene bekendheid dat harddrugs voor de volksgezondheid in het algemeen en voor de gezondheid van gebruikers daarvan in het bijzonder zeer schadelijk zijn, gelet op het verslavende karakter daarvan. Bovendien gaat het handelen in harddrugs vaak samen met verschillende vormen van criminaliteit en illegale geldstromen, waarbij het een belangrijke schakel vormt in de keten van criminele ondermijnende activiteiten die de samenleving ernstig ontwrichten. De verdachte heeft met zijn handelen bijgedragen aan deze keten van criminele activiteiten. Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan wapenbezit. In zijn woning had de verdachte twee pistolen, een gas-/alarmrevolver en munitie verstopt. Het ongecontroleerde bezit van een vuurwapen brengt in het algemeen al een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen mee en is daarom bij wet verboden. In de context van drugshandel is wapenbezit des te gevaarlijk nu die handel gekenmerkt wordt door vuurwapengeweld. Het hof heeft bij het bepalen van de aan de verdachte op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van de bewezen verklaarde feiten en tot uitgangspunt genomen wat doorgaans wordt opgelegd voor het begaan van deze misdrijven. De oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht houden als vertrekpunt van denken over een op te leggen straf voor het plegen van de onder 1 en 3 bewezen verklaarde feiten een onvoorwaardelijke gevangenisstraf in. Uit het uittreksel van het strafblad van de verdachte van 26 mei 2025 blijkt dat hij in het verleden al eens onherroepelijk is veroordeeld, maar dat dit andersoortige feiten betreft. Die veroordelingen heeft het hof daarom niet in strafverzwarende zin bij de strafoplegging betrokken. Wel is het zorgelijk dat uit het strafblad ook volgt dat verdachte op 24 juli 2024 is gedagvaard voor de handel in harddrugs gedurende een periode in 2020 en voor verboden vuurwapenbezit in 2023. Alhoewel deze zaak nog door de strafrechter moet worden beoordeeld, is verdachte dus in korte tijd opnieuw in verband met drugscriminaliteit met politie en justitie in aanraking gekomen. Bij het bepalen van de aard en duur van de op te leggen straf heeft het hof ook acht geslagen op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waarover hij op de zitting in hoger beroep heeft verklaard. Hierin ziet het hof geen reden voor strafmatiging. Alles afwegende is het hof van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie jaren, zoals door de rechtbank als uitgangspunt is genomen, een passende sanctie is. Naar het oordeel van het hof wordt met oplegging van een gevangenisstraf van gelijke duur als het voorarrest – ook als daarnaast een voorwaardelijk deel wordt opgelegd – onvoldoende recht gedaan aan de ernst van de feiten. Daarbij heeft het hof speciaal gelet op de combinatie van de handel in harddrugs en het bezit van vuurwapens met (bijbehorende) munitie en de gevaren die dat voor de samenleving meebrengt. Het hof stelt vast dat in eerste aanleg en in hoger beroep een overschrijding is geweest van de redelijke termijn. De redelijke termijn in eerste aanleg is aangevangen op 12 december 2017, de dag waarop de verdachte in verzekering is gesteld. De rechtbank heeft vonnis gewezen op 7 september 2021. Dit betekent een overschrijding van de redelijke termijn van een jaar en negen maanden. Vervolgens is namens de verdachte op 21 september 2021 hoger beroep ingesteld. Het hof wijst dit arrest op 14 juli 2025. Daarmee is de redelijke termijn in hoger beroep ook met een jaar en negen maanden overschreden. Gelet op deze overschrijdingen van de redelijke termijn ziet het hof aanleiding de duur van de aan de verdachte op te leggen gevangenisstraf met negen maanden te verminderen. Het hof acht dan ook een gevangenisstraf voor de duur van zevenentwintig maanden met aftrek van het voorarrest in combinatie met na te melden verbeurdverklaring passend en geboden. Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering, aan de orde is. Beslag Net als de rechtbank zal het hof een deel van het in beslag genomen geld (een bedrag van € 9.060,-) en de sealmachine verbeurdverklaren omdat het gaat om voorwerpen die de verdachte toebehoren, die hij ten eigen bate kan aanwenden en die geheel door middel of uit de baten van het onder 1 bewezenverklaarde strafbare feit zijn verkregen. Het hof heeft hierbij rekening gehouden met de financiële draagkracht van de verdachte. Van de overige in beslag genomen voorwerpen zal het hof de teruggave aan verdachte gelasten, omdat geen strafvorderlijk belang zich daartegen verzet. Toepasselijke wettelijke voorschriften Het hof heeft gelet op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet, de artikelen 33, 33a en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straf en doet in zoverre opnieuw recht. Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 27 (zevenentwintig) maanden. Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht. Verklaart verbeurd de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten: - een geldbedrag van € 9.060,-; - een sealmachine. Gelast de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten: de overige in beslag genomen voorwerpen. Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene. Aldus gewezen door mr. N.C. van Lookeren Campagne, voorzitter, mr. R.D.J. Visschers en mr. L.P. Stapel, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. H.J. Rosmalen-Jansen, griffier, en op 14 juli 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken. Het proces-verbaal van bevindingen, nummer 201712140932.BEV (pagina’s 107108), in de wettelijke vorm opgemaakt op 14 december 2017 door [naam] De verklaring van verdachte ter terechtzitting van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, op 30 juni 2025. Het proces-verbaal van bevindingen, nummer 201711281031.BEV (pagina 231, sessie 1389), in de wettelijke vorm opgemaakt op 4 december 2017 door [naam] Het proces-verbaal van verhoor [naam] , nummer 201712131445.VDA (pagina 261), in de wettelijke vorm opgemaakt op 13 december 2017 door [naam] en [naam] Idem noot 1. Het proces-verbaal Onderzoek verdovende middelen, nummer PL0600-2017407562-20 (pagina 194), in de wettelijke vorm opgemaakt op 5 februari 2018 door [naam]
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.