GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.349.952/01 zaaknummer rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Assen 10889561 arrest van 9 december 2025 in de zaak van [appellant] ( [appellant] ) die woont in [woonplaats] die hoger beroep heeft ingestelden bij de kantonrechter optrad als eiser advocaat: mr. R.A. Severijn en de gemeente Meppel (de Gemeente) die is gevestigd in Meppelen bij de kantonrechter gedaagde was advocaat: mr. G.H. Boelens 1Het verloop van de procedure in hoger beroep [appellant] heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen het vonnis dat de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Assen, (hierna: de kantonrechter) op 29 oktober 2024 tussen partijen heeft uitgesproken. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit: de dagvaarding in hoger beroep de memorie van grieven met wijziging van eis de memorie van antwoord het arrest van 26 augustus 2025 waarbij een enkelvoudige mondelinge behandeling is bepaald het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 8 oktober 2025 is gehouden Hierna hebben partijen het hof gevraagd arrest te wijzen. 2De kern van de zaak 2.1 Het gaat in deze zaak over de vraag of het werkgeversgedeelte van de pensioenpremie behoort tot het loon in het geval dat de werknemer vraagt om uitbetaling van niet genoten vakantiedagen bij het einde van zijn arbeidsovereenkomst. 2.2 Dit geschil heeft de volgende feitelijke achtergrond. 2.3 [appellant] is [in] 2008 in dienst getreden bij de Gemeente. [in] 2023 is aan de arbeidsovereenkomst een einde gekomen door het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd. [appellant] is nadien in dienst getreden bij een detacheringsbureau waar hij nog aanvullend pensioen heeft opgebouwd. 2.4 Bij het einde van het dienstverband had [appellant] nog 472,85 verlofuren niet genoten. Die verlofuren zijn aan hem door de Gemeente uitbetaald op basis van het salaris dat [appellant] laatstelijk verdiende bij de Gemeente. 2.5 Bij brief van 21 november 2023 heeft [appellant] (via de FNV) aan de Gemeente meegedeeld dat ook de waarde van het IKB en de waarde van het werkgeversgedeelte van de pensioenpremie meegenomen dienen te worden in de waarde van een verlofdag. 2.6 De Gemeente heeft daarop het ontbrekende IKB gedeelte alsnog uitbetaald. Met betrekking tot het werkgeversgedeelte van de pensioenpremie heeft zij zich in een brief van 6 december 2023 op het standpunt gesteld dat een werknemer geen recht heeft op rechtstreekse uitbetaling daarvan, maar dat het bedrag moet worden afgedragen aan het pensioenfonds. De Gemeente deelt in die brief mee dat zij dit gaat doen. Nadat was gebleken dat dit niet meer mogelijk was omdat het dienstverband reeds was beëindigd, heeft de Gemeente zich op het standpunt gesteld dat het werkgeversgedeelte niet meetelt bij de berekening van de waarde van een vakantiedag. 2.7 Omdat verdere correspondentie tussen partijen niet leidde tot overeenstemming, is [appellant] een procedure begonnen bij de kantonrechter. Daarin vorderde hij betaling door de Gemeente van een bedrag van € 2.702,95 bruto aan salaris, te vermeerderen met wettelijke rente en wettelijke verhoging. 2.8 De kantonrechter heeft die vordering afgewezen. De bedoeling van het hoger beroep is dat de vordering alsnog wordt toegewezen. Daarbij heeft [appellant] de grondslag van zijn vordering uitgebreid, in die zin dat hij subsidiair aanspraak maakt op uitbetaling van een (schade)vergoeding gelijk aan het werkgeversdeel van de pensioenpremie en meer subsidiair die aanspraak grondt op de redelijkheid en billijkheid. Hij voert daarvoor aan dat als het werkgeversdeel van de pensioenpremie niet behoort tot uit te betalen loon voor niet genoten vakantiedagen, sprake is van een situatie bedoeld in art. 6:78 BW en dat hij dan met toepassing van de regels van ongerechtvaardigde verrijking recht heeft op vergoeding van zijn nadeel tot het bedrag van de verrijking van de Gemeente. De verrijking bestaat daarbij uit het financiële voordeel dat de Gemeente heeft doordat zij niet het werkgeversdeel van de pensioenpremie hoeft af te dragen over het loon verschuldigd voor niet genoten vakantiedagen. Door die verrijking lijdt hij schade die bestaat uit een mindere pensioenopbouw. Althans dient de achterliggende gedachte van de ongerechtvaardigde verrijking te worden toegepast op gronden van redelijkheid en billijkheid, aldus [appellant] . De Gemeente heeft in hoger beroep verweer gevoerd tegen toewijzing van de vordering van [appellant] . 2.9 Het hof zal beslissen dat de vordering van [appellant] niet toewijsbaar is en dat het bestreden vonnis moet worden bekrachtigd, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten. Hoe het hof tot dat oordeel is gekomen wordt hierna toegelicht. 3De toelichting op de beslissing van het hof de vermeerdering van eis 3.1 De uitbreiding van de grondslag van de vordering heeft plaatsgevonden in de memorie van grieven en is dus tijdig gedaan. De Gemeente heeft tegen de vermeerdering geen bezwaar gemaakt en ook het hof heeft daar ambtshalve geen bezwaar tegen, zodat de uitbreiding meegenomen zal worden in de beoordeling. de grieven 3.2 [appellant] heeft zes grieven aangevoerd tegen het vonnis van de kantonrechter. De strekking van die grieven is dat zijn vordering alsnog wordt toegewezen en dat het hof opnieuw beoordeelt of die vordering toewijsbaar is op de daarvoor in hoger beroep aangevoerde gronden. behoort het werkgeversdeel van de pensioenpremie tot het loon bij uitbetaling van niet genoten vakantiedagen bij het einde van de arbeidsovereenkomst? 3.3 Artikel 7:641 lid 1 BW bepaalt dat een werknemer die bij het einde van de arbeidsovereenkomst nog aanspraak heeft op vakantie, recht heeft op uitkering in geld tot een bedrag van het loon over een tijdvak overeenkomend met de aanspraak. 3.4 Partijen zijn het erover eens dat uit jurisprudentie van de Hoge Raad en het HvJEU volgt dat de waarde van niet genoten vakantiedagen gelijk dient te zijn aan het bedrag van het laatstverdiende loon over een gelijke periode als de niet genoten vakantiedagen. Zij zijn het er verder over eens dat uit de jurisprudentie volgt dat het begrip “loon” ruim opgevat dient te worden en dat daaronder verstaan dient te worden het overeengekomen loon en alle looncomponenten die intrinsiek samenhangen met de taken die de werknemer zijn opgedragen zijn in het kader van zijn arbeid. 3.5 Er bestaat daarbij tussen hen geen verschil van mening over dat bij toepassing van de hiervoor vermelde uitgangspunten, de werknemer bij uitbetaling van niet genoten vakantiedagen bij het einde van het dienstverband, ook aanspraak heeft op uitbetaling van het door de werkgever op het loon ingehouden bedrag aan werknemersbijdrage in de pensioenpremie. Waar zij van mening over verschillen is of de werknemer ook aanspraak heft op uitbetaling van het werkgeversgedeelte van de pensioenpremie. Volgens [appellant] behoort ook die waarde tot het loon waarop aanspraak bestaat bij uitbetaling van niet genoten vakantiedagen bij het einde van de dienstbetrekking. De Gemeente betwist dat. 3.6 De vraag of het werkgeversgedeelte van de pensioenpremie deel uitmaakt van het loon bij uitbetaling van niet genoten vakantiedagen bij het einde van het dienstverband is eerder door dit hof beantwoord, laatstelijk in een uitspraak van 7 augustus 2018. Toen heeft het hof geoordeeld dat het werkgeversgedeelte niet behoort tot dat loon. Overwogen is toen, voor zover hier van belang:Het werkgeversdeel van de pensioenpremie 5.12 In HR 18 december 1953, NJ 1954, 242 is bepaald dat onder loon moet worden verstaan de vergoeding door de werkgever aan de werknemer verschuldigd ter zake van de bedongen arbeid. Naar dat arrest is ook in latere uitspraken verwezen (bijv. HR 12 oktober 2001, ECLI:NL:HR:2001:ZC3681). Het werkgeversdeel van de pensioenpremie die voldaan wordt aan het bedrijfspensioenfonds van BAT, is een betaling aan een derde en is geen vergoeding die de werkgever aan de werknemers is verschuldigd. De werknemer heeft er wel recht op dat deze bijdrage wordt voldaan, maar heeft niet zelf recht op dit bedrag en kan het dan ook niet zelf voor andere doeleinden aanwenden. In lijn met deze gedachtegang viel het werkgeversdeel destijds niet onder het in aanmerking te nemen loon bij de berekening van de ontslagvergoedingen op basis van de kantonrechtersformule en thans evenmin onder de definitie van loon in het besluit loonbegrip vergoeding aanzegtermijn en transitievergoeding. Dit hof heeft bij arrest van 26 april 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:3412 eerder beslist dat het werkgeversdeel pensioenbijdrage niet onder het vakantieloon valt. 5.13 [ geïntimeerde] heeft betoogd dat op grond van Hof den Haag 28 januari 2014 ECLI:NL:GHDHA:2014:72, Ktr Amsterdam 29 juni 2012, ECLI:NL:RBAMS:2012:BX1486 en CRvB 22 november 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:4017, in het licht van het genoemde arrest Williams/British Airways en de verdere hiervoor reeds aangehaalde arresten van het HvJ-EU, hij ook aanspraak heeft op uitbetaling van het werknemersdeel [bedoeld is: het werkgeversdeel] in de pensioenpremie. 5.14 Het hof is van oordeel dat, anders dan de kantonrechter heeft overwogen, bedoeld werkgeversdeel niet tot het vakantieloon moet worden gerekend. [geïntimeerde] had gedurende het bestaan van zijn arbeidsovereenkomst recht op opbouw van zijn pensioen. Dit pensioen was ondergebracht bij het bedrijfspensioenfonds en op grond van de pensioentoezegging heeft hij aanspraak op uitbetaling van een pensioen op de pensioendatum waarbij de hoogte wordt bepaald door zijn middelloon en door de duur van zijn dienstverband. Of de pensioenpremie daadwerkelijk volledig is voldaan is, naar ter zitting van het hof ook is erkend, niet bepalend voor de hoogte van de pensioenaanspraak. (…). 5.15 Gedurende het bestaan van de arbeidsovereenkomst heeft [geïntimeerde] nooit aanspraak kunnen maken op uitbetaling van het werkgeversdeel pensioenpremie. [geïntimeerde] heeft betoogd dat indien de arbeidsovereenkomst was gecontinueerd en hij, bij een latere einddatum dan nu is overeengekomen, zijn vakantiedagen had kunnen opnemen, zijn pensioenopbouw gedurende die periode was voortgezet en hij voor die gemiste pensioenopbouw gecompenseerd dient te worden door uitbetaling van het werkgeversdeel. 5.16 Het hof overweegt dat uit dit betoog volgt dat de pensioenschade waarop [geïntimeerde] doelt, voortvloeit uit de beëindiging van de arbeidsovereenkomst en niet uit het niet opnemen van de vakantiedagen. (…) Het hof acht in het licht van het voorgaande niet aangetoond dat, gelet op de aard van de tussen partijen overeengekomen pensioenvoorziening, het werkgeversdeel van de pensioenpremie in intrinsiek verband staat met het al dan niet verrichten van werkzaamheden door [geïntimeerde]. Deze premie staat meer in verband met het bestaan van de arbeidsovereenkomst als zodanig en dient daarom niet te worden meengenomen in de berekening van het vakantieloon van [geïntimeerde]. (…) Uit de aangehaalde jurisprudentie van het HvJ-EU volgt dat het normale loon dat had moeten worden doorbetaald tijdens de jaarlijkse vakantie met behoud van loon bepalend is voor de berekening van de financiële vergoeding voor de aan het einde van arbeidsverhouding niet-opgenomen vakantie-uren (zie arrest Greenfield, punt 51). Daaruit volgt niet dat het vakantieloon meer moet bedragen dan het normale loon. Dat zou ook in strijd zijn met het doel en de strekking van de artikel 7 van de richtlijn 2003/88, zoals uitgelegd door het HvJ-EU dat werknemers geen financiële belemmeringen mogen ondervinden om de door de richtlijn toegekende vakantie daadwerkelijk te kunnen genieten. Indien een niet genoten vakantiedag tegen een hogere vergoeding aan het einde van de arbeidsovereenkomst kan worden verzilverd dan het loon dat tijdens de vakantie moet worden doorbetaald, zou dat juist kunnen leiden tot perverse prikkels om geen vakantie op te nemen. 3.7 De vraag ligt voor of het hof in het door partijen in deze zaak gevoerde debat aanleiding ziet terug te komen van deze uitspraak, of dat aanleiding bestaat om eerst nog prejudiciële vragen te stellen aan de Hoge Raad, zoals door [appellant] nog heeft voorgesteld. Het hof beantwoordt beide vragen ontkennend en licht dat als volgt toe. 3.8 Er is na voormelde uitspraak geen jurisprudentie ontstaan die aanleiding geeft om terug te komen op de uitspraak uit 2018. Integendeel:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.