Afdeling strafrecht Parketnummer: 21-003718-24 Uitspraakdatum: 11 december 2025 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 2 september 2024 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 18-108601-24 en 18-190103-24, tegen [verdachte] , geboren op [geboortedag] 1969 in [geboorteplaats] , wonende te [adres] . Hoger beroep De verdachte en de officier van justitie hebben hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 27 november 2025 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot: vernietiging van het vonnis van de politierechter; veroordeling van verdachte ter zake van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten in de zaak met parketnummer 18-108601-24 en de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten in de zaak met parketnummer 18-190103-24 tot een werkstraf van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis, een gevangenisstraf van twee weken voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en oplegging van een bijzondere voorwaarde; - toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] , voor het bedrag van € 2.500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, en bepaling dat de verdachte hoofdelijk aansprakelijk is. Deze vordering is na voorlezen aan het hof overhandigd. Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en haar raadsvrouw, mr. M.R.M. Schaap, en de vertegenwoordiger van de benadeelde partij [benadeelde] , de heer [naam 1] van Slachtofferhulp Nederland, hebben aangevoerd. Het vonnis De politierechter heeft bij vonnis van 2 september 2024 verdachte veroordeeld voor het onder 1 ten laste gelegde feit in de zaak met parketnummer 18-108601-24 en het onder 1 ten laste gelegde feit in de zaak met parketnummer 18-190103-24 tot een taakstraf van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis, een gevangenisstraf van 2 weken voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Daarnaast heeft de politierechter de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] gedeeltelijk toegewezen tot een bedrag van € 800,00, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde feit in de zaak met parketnummer 18-108601-24 en het onder 2 ten laste gelegde feit in de zaak met parketnummer 18-190103-24 heeft de politierechter het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging. Het hof komt in dit arrest tot een andere beslissing over de strafoplegging en ten aanzien van de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie dan de politierechter. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht. Tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat: Zaak met parketnummer 18-108601-24: 1.zij op of omstreeks 1 februari 2024 te [plaats 1] een of meer persoonsgegevens van een ander/of een derde, te weten naam en/of initialen en woonplaats van [benadeelde] zich heeft verschaft, heeft verspreid en/of anderszins ter beschikking heeft gesteld, met het oogmerk om [benadeelde] - vrees aan te (laten)jagen - ernstige overlast aan te (laten) doen en/of - in de uitoefening van haar ambt of beroep ernstig te (laten) hinderen; 2.zij op of omstreeks 1 februari 2024 te [plaats 1] opzettelijk, de eer en/of de goede naam van [benadeelde] heeft aangerand, door tenlastelegging van een bepaald feit, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, door middel van geschriften verspreid, openlijk tentoongesteld of aangeslagen en/of door geschriften waarvan de inhoud openlijk ten gehore werd gebracht, door een reactie onder openbaar bericht van RTV Noord op Facebook te plaatsen, inhoudende: “ [benadeelde] uit [plaats 2] heeft mijn kleinzoon toegetakeld”; Zaak met parketnummer 18-190103-24 (gevoegd): 1.zij in de periode van 17 april 2024 tot en met 19 april 2024 te [plaats 1] een of meer persoonsgegevens van een ander/of een derde, te weten te weten de initialen en woonplaats van [benadeelde] zich heeft verschaft, heeft verspreid en/of anderszins ter beschikking heeft gesteld, met het oogmerk om [benadeelde] - vrees aan te (laten)jagen - ernstige overlast aan te (laten) doen en/of - in de uitoefening van haar ambt of beroep ernstig te (laten) hinderen; 2.zij in de periode van 17 april 2024 tot en met 19 april 2024 te [plaats 1] opzettelijk, de eer en/of de goede naam van [benadeelde] heeft aangerand, door tenlastelegging van een bepaald feit, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, door middel van geschriften en/of afbeeldingen verspreid, openlijk tentoongesteld of aangeslagen en/of door geschriften waarvan de inhoud openlijk ten gehore werd gebracht, door een reactie onder een openbaar bericht van [website 2] op Facebook te plaatsen, inhoudende: “Zwart op wit dat deze dame 2x ad haren van mijn kleinzoon heeft getrokken. Ik schreef: [benadeelde] . uit een dorp in [plaats 1] heeft mijn kleinzoon mishandeld”; Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie ten aanzien van feit 2 Standpunt van de advocaat-generaal De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in de vervolging, nu voldoende uit het dossier is gebleken dat aangeefster vervolging wenste. Hiertoe heeft het Openbaar Ministerie een aanvullend proces-verbaal aan het dossier toegevoegd waaruit de klacht blijkt. Standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde in beide zaken niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging. Daartoe heeft de raadsvrouw – kort samengevat en zakelijk weergegeven – aangevoerd dat een formele klacht ontbreekt en het dossier geen enkele aanleiding geeft om aan te nemen dat aangeefster de wens had een openbare behandeling af te dwingen. Dat het Openbaar Ministerie op een later moment een aanvullend proces-verbaal aan het dossier heeft toegevoegd, maakt dit niet anders, nu van deze wens tot vervolging buiten de drie-maandentermijn is gebleken. Oordeel van het hof Vervolging van smaad of laster kan alleen plaatsvinden als een klacht is gedaan door degene tegen wie het misdrijf is begaan. Uit de jurisprudentie volgt dat het ontbreken van een (formele) klacht bij klachtdelicten niet zonder meer tot de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie hoeft te leiden, indien de klachtgerechtigde te kennen heeft gegeven vervolging te wensen (vergelijk HR 4 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2242, r.o. 4.2.2). Naar huidig recht geldt dat het bij klachtdelicten erom gaat dat vervolging van de verdachte de instemming geniet van degene die aangifte doet. Doorslaggevend is of op grond van het strafdossier en/of het onderzoek ter terechtzitting komt vast te staan dat het ook de uitdrukkelijke wens is van degene die aangifte heeft gedaan dat het openbaar ministerie vervolging instelt tegen de verdachte ten aanzien van het feit. In het eerste lid van artikel 66 Sr is bepaald dat de klacht kan worden ingediend gedurende drie maanden na de dag waarop de klachtgerechtigde kennis heeft genomen van het gepleegde feit. De Hoge Raad heeft bij voornoemd arrest van 4 december 2018 geoordeeld dat de klachtgerechtigde zijn bevoegdheid slechts gedurende de in de wet genoemde klachttermijn kan uitoefenen. Ingeval de klacht niet voldoet aan alle formele wettelijke eisen of niet is ingediend bij de bevoegde ambtenaar, maar vaststaat dat de klachtgerechtigde de vervolging heeft gewenst, zal van die wens binnen de termijn van drie maanden moeten zijn gebleken. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat het gerechtshof (enige) ruimte heeft om concreet te beoordelen wanneer de klachttermijn is aangevangen, maar dat een binnen de wettelijke termijn ingediende klacht bij klachtdelicten onverkort als voorwaarde geldt voor de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. Als een dossier wel een aangifte maar geen verzoek tot vervolging inhoudt kan toch het bestaan van een klacht als bedoeld in artikel 164 Sv worden aangenomen, als komt vast te staan dat de aangever toen de aangifte werd opgemaakt de bedoeling had dat de verdachte zou worden vervolgd. Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde in de zaak met parketnummer 18-108601-24 stelt het hof vast dat aangeefster op 9 februari 2024 aangifte heeft gedaan, waarin is opgenomen dat aangeefster op de Facebookpagina van verdachte een bericht zag over haar (aangeefster), waarin haar voornaam en woonplaats werden benoemd. In de aangifte staat vermeld “Ik doe hierbij aangifte van smaad laster dan wel doxing door middel van Facebook.” Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde in de zaak met parketnummer 18-190103-24 stelt het hof vast dat aangeefster op 1 mei 2024 aangifte heeft gedaan, waarin is opgenomen dat aangeefster door de politie op de hoogte is gebracht dat haar naam en initialen opnieuw op Facebook zijn gedeeld, naar aanleiding van de eerdere zaak. Aangeefster heeft laten weten dat zij opnieuw aangifte wilde doen. In de aangifte staat vermeld: “Ik doe aangifte van doxing. Mijn gegevens zijn zonder mijn toestemming online gedeeld op een online platform, dit om mij in een kwaad daglicht te zetten en reacties te provoceren. Door het delen van mijn gegevens vrees ik voor de veiligheid van mij en mijn gezin, gezinsleden van mij zijn namelijk al aangesproken over dit geheel. Eerder heb ik ook aangifte gedaan van doxing, deze aangifte is opgenomen onder [registratienummer] Daarnaast staat in beide aangiftes dat [benadeelde] geïnformeerd wil worden over de voortgang van het opsporingsonderzoek en dat zij de door haar geleden schade op verdachte wil verhalen door zich te voegen in het strafproces. Aangeefster heeft haar verzoek tot schadevergoeding onderbouwd. Tevens was aangeefster zowel bij behandeling in eerste aanleg door de politierechter, als bij de terechtzitting van het hof fysiek aanwezig en heeft zij zich laten bijstaan door de heer [naam 1] van Slachtofferhulp Nederland. Het hof is van oordeel dat uit voornoemde omstandigheden voldoende blijkt dat aangeefster [benadeelde] de wens had dat vervolging van de verdachte zou worden ingesteld en dat van deze wens binnen de drie-maandentermijn is gebleken. Het Openbaar Ministerie is daarom ontvankelijk in de vervolging. Overweging met betrekking tot het bewijs Standpunt van de advocaat-generaal De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de onder 1 ten laste gelegde doxing en het onder 2 ten laste gelegde smaadschrift zowel in de zaak met parketnummer 18-108601-24, als in de zaak met parketnummer 18-190103-24 wettig en overtuigend bewezen kan worden. De advocaat-generaal sluit zich aan bij de bewezenverklaring van de politierechter van de in beide zaken onder 1 ten laste gelegde doxing. Ten aanzien van het in beide zaken onder 2 ten laste gelegde smaadschrift voert de advocaat-generaal aan dat er in beide zaken sprake is van telastlegging van een concrete gedraging, waaraan verdachte heeft getracht ruchtbaarheid te geven, en waardoor sprake is van schending van aangeefster haar eer en goede naam. Standpunt van de verdediging De raadsvrouw van verdachte heeft bepleit dat verdachte integraal dient te worden vrijgesproken van de ten laste gelegde feiten. Het bericht dat verdachte zou hebben geplaatst is evident niet van haar afkomstig. Het bericht dat verdachte wel heeft geplaatst, kan geen smaad, laster of doxing opleveren, nu daar alleen in zéér algemene zin gerefereerd wordt aan een “ [benadeelde] . uit een dorp in [plaats 1] ”. Oordeel van het hof Het hof is van oordeel dat het door de raadsvrouw gevoerde verweer strekkende tot algehele vrijspraak wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals hieronder opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen. De doxing feiten Doxing is sinds 1 januari 2024 strafbaar gesteld in artikel 285d Sr. Met de strafbaarstelling van doxing wordt de norm gesteld dat het zich verschaffen, verspreiden of anderszins ter beschikking stellen van persoonsgegevens van een ander voor intimiderende doeleinden, zoals vrees aan (laten) jagen en/of ernstige overlast aan (laten) doen, onacceptabel is. Het doel van de strafbaarstelling is de persoonlijke vrijheid van (potentiële) slachtoffers beschermen. Ten aanzien van het oogmerk overweegt het hof het volgende. Voor de strafbaarheid van doxing is vereist dat degene zich de persoonlijke gegevens verschaft, verspreidt of anderszins ter beschikking stelt. Dat zijn gedragingen die opzet impliceren. Het verspreiden moet zijn gedaan met het oogmerk om een ander vrees aan te jagen, ernstige overlast aan te (laten) doen of ernstig te hinderen in zijn beroepsuitoefening. Aan het oogmerkvereiste, de zwaarste opzetvorm, is voldaan als de verdachte op het moment van die gedraging die bedoeling heeft dan wel dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte heeft beseft dat het noodzakelijke gevolg van zijn handeling is, dat het slachtoffer vrees zal worden aangejaagd, ernstige overlast zal worden aangedaan of in de uitoefening van zijn ambt of beroep zal worden gehinderd. Op basis van de bewijsmiddelen en het verhandelde ter terechtzitting stelt het hof vast dat verdachte op of omstreeks 1 februari 2024 persoonlijke gegevens van aangeefster heeft verspreid, te weten voornaam, initialen en woonplaats, in een reactie onder een openbaar bericht van RTV Noord via het profiel [naam 2] . Verdachte heeft ter zitting verklaard dat zij actief is op Facebook onder de naam ‘ [naam 2] ’. Weliswaar is aangevoerd dat er meerdere profielen onder die naam op Facebook actief zijn met andere profielfoto’s, maar verdachte heeft verklaard dat haar gebruik van profielfoto’s wisselt en dat zij ook meerdere profielen heeft. Het bericht van RTV Noord gaat over het incident met de kleinzoon van verdachte. Het hof is van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte bij het plaatsen van het bericht met de bewoordingen “ [benadeelde] uit [plaats 2] heeft mijn kleinzoon toegetakeld” heeft beseft dat haar handelen het noodzakelijke gevolg zou hebben dat aangeefster ernstige overlast zou worden aangedaan en haar in de uitoefening van haar beroep ernstig zou hinderen. Ook stelt het hof vast dat verdachte van 17 april 2024 tot en met 19 april 2024 persoonlijke gegevens van aangeefster heeft verspreid. Verdachte heeft een reactie geplaatst onder een openbaar bericht van [website 2] getiteld "Moeder uit Stad die medewerkster kinderdagverblijf beschuldigde van mishandeling zoontje nu zelf aangeklaagd voor ’doxing’" met in die reactie de initialen van aangeefster en haar woonplaats. In dit bericht heeft zij een link geplaatst naar de reactie die zij op of omstreeks op 1 februari 2024 heeft geplaatst onder het openbare bericht van RTV Noord over het incident met de kleinzoon van verdachte, waarin aangeefster haar voornaam en initialen wordt genoemd. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat zij dit bericht op Facebook heeft geplaatst. De verwijzing naar het eerdere bericht onder het bericht van RTV Noord door een link te plaatsen, waarbij zij schrijft “Ik schreef [benadeelde] . uit een dorp in [plaats 1] heeft mijn kleinzoon mishandeld”, weerlegt het argument van verdachte dat de berichten door iemand anders die actief zou zijn onder dezelfde naam op Facebook is geplaatst. Het hof is van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte bij het plaatsen van het bericht met de bewoordingen “Zwart op wit dat deze dame 2x ad haren van mijn kleinzoon heeft getrokken. Ik schreef: [benadeelde] . uit een dorp in [plaats 1] heeft mijn kleinzoon mishandeld” heeft beseft dat haar handelen het noodzakelijke gevolg zou hebben dat aangeefster ernstige overlast zou worden aangedaan en haar in de uitoefening van haar beroep ernstig zou hinderen. Op grond van voorgaande acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich tweemaal schuldig heeft gemaakt aan doxing. De smaadschrift feiten Voor een bewezenverklaring van smaadschrift als bedoeld in artikel 261 lid 2 Sr is vereist dat iemands eer of goede naam wordt aangetast door middel van telastlegging van een bepaald feit met het kennelijke doel daaraan ruchtbaarheid te geven. Daarvan is sprake, indien het feit op een zodanige wijze door de verdachte is geuit dat het een duidelijk te onderkennen concrete gedraging van een ander aanwijst. Het hof stelt op grond van vorenstaande, het dossier en het verhandelde ter zitting in hoger beroep vast dat verdachte op of omstreeks 1 februari 2024 onder een openbaar bericht van RTV Noord over een incident met haar kleinzoon een reactie heeft geplaatst inhoudende “ [benadeelde] uit [plaats 2] heeft mijn kleinzoon toegetakeld”. In de periode van 17 april 2024 tot en met 19 april 2024 heeft verdachte een reactie geplaatst op een openbaar bericht van [website 2] getiteld: "Moeder uit Stad die medewerkster kinderdagverblijf beschuldigde van mishandeling zoontje nu zelf aangeklaagd voor ’doxing’". geplaatst. De reactie van verdachte hield in “Zwart op wit dat deze dame 2x ad haren van mijn kleinzoon heeft getrokken. Ik schreef: [benadeelde] . uit een dorp in [plaats 1] heeft mijn kleinzoon mishandeld”. In beide gevallen schieten de bewoordingen het enkel uiten van kennelijke onvrede over de situatie voorbij. Verdachte heeft de eer en goede naam van aangeefster aangerand, door haar op de hiervoor vermelde wijze publiekelijk in verband te brengen met kindermishandeling. Op grond van voorgaande acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich tweemaal schuldig heeft gemaakt aan smaadschrift. De bewijsmiddelen voor beide parketnummers Ieder bewijsmiddel is -ook in onderdelen- slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.