← Nederland

ECLI:NL:GHARL:2025:7999

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem nummers BK-ARN 24/1328 tot en met 24/1332 uitspraakdatum: 9 december 2025 Uitspraak van de tweede enkelvoudige belastingkamer op het hoger beroep van [belanghebbende] te [woonplaats] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de Rechtbank Gelderland van 27 juni 2024, nummers ARN 22/2596, 22/2597, 22/2598, 22/2600 en 22/2602 in het geding tussen belanghebbende en de heffingsambtenaar van de gemeente Wijchen (hierna: de heffingsambtenaar) 1Ontstaan en loop van het geding 1.

  1. De heffingsambtenaar heeft bij beschikkingen op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) de waarden van de onroerende zaken [adressen] 6, 8, 8B en 8C alsmede [adres] 27 per waardepeildatum 1 januari 2019 en naar de toestand op die datum voor het jaar 2020 vastgesteld. Tegelijk met deze beschikkingen zijn aanslagen onroerendezaakbelasting 2021 (OZB) vastgesteld. 1.
  2. De bezwaren van belanghebbende zijn door de heffingsambtenaar bij uitspraken op bezwaar niet ontvankelijk verklaard. 1.
  3. Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroepen ongegrond verklaard. 1.
  4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. 1.
  5. Belanghebbende heeft een nader stuk ingediend. 1.
  6. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 september
  7. Daarbij is verschenen en gehoord mr. D.A.N. Bartels, als de gemachtigde van belanghebbende alsmede mr. [naam1] en taxateur [naam2] namens de heffingsambtenaar. 2Vaststaande feiten 2.
  8. Met dagtekening 31 januari 2020 heeft de heffingsambtenaar aan belanghebbende de aanslagen gemeentelijke belastingen opgelegd en de WOZ-beschikkingen voor dat betreffende de objecten genomen. 2.
  9. Namens belanghebbende zijn met dagtekening 22 maart 2021 bezwaarschriften ingediend tegen de aanslag en de daarop vermelde WOZ-beschikkingen. De heffingsambtenaar heeft de bezwaarschriften ontvangen op 24 maart
  10. 2.
  11. Bij uitspraak op bezwaar van 7 februari 2022 heeft de heffingsambtenaar de bezwaren van belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard wegens de te late indiening ervan. 3Geschil 3.
  12. In geschil is of de heffingsambtenaar de bezwaren van belanghebbende terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. 3.
  13. Belanghebbende beantwoordt die vraag bevestigend, de heffingsambtenaar ontkennend. 4Beoordeling van het geschil 4.
  14. Voor het indienen van een bezwaarschrift geldt een termijn van zes weken. Deze vangt aan op de dag na die van de dagtekening van het aanslagbiljet. Een bezwaarschrift is tijdig ingediend als het voor het einde van de termijn door de heffingsambtenaar is ontvangen. Bij verzending per post is een bezwaarschrift tijdig ingediend als het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd en het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen. De aanslagen dateren van 31 januari
  15. Dit betekent dat de bezwaartermijn is geëindigd op 13 maart
  16. De heffingsambtenaar heeft het bezwaarschrift ontvangen op 24 maart
  17. Het bezwaar is derhalve buiten de daarvoor gestelde termijn ontvangen door de heffingsambtenaar. 4.
  18. Het Hof volgt belanghebbende niet in zijn stelling dat de heffingsambtenaar belanghebbende in de gelegenheid had moeten stellen het verzuim van de te late indiening van het bezwaar te herstellen. Op grond van artikel 6:6 van de Awb kan een bezwaar alleen niet-ontvankelijk worden verklaard als niet is voldaan aan artikel 6:5 van de Awb of aan enig ander bij wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het bezwaar wanneer de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn. Het gaat daarbij echter per definitie om verzuimen die hersteld kunnen worden, zoals een ontbrekende handtekening of het ontbreken van gronden. Als niet wordt voldaan aan de voorwaarde dat het geschrift binnen de bezwaartermijn moet worden ingediend, is dat in beginsel niet voor herstel vatbaar. Als een bezwaarschrift te laat is, kan het immers niet door een latere gebeurtenis alsnog op tijd zijn. Het Hof acht het daarom in principe niet de bedoeling van de wetgever geweest om dit vereiste onder werking van artikel 6:6 van de Awb te laten vallen. 4.
  19. Een niet-ontvankelijkverklaring van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar blijft achterwege als redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest (artikel 6:11 van de Awb). De heffingsambtenaar heeft echter niet gevraagd naar de mogelijke verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding. De wet verplicht daar niet uitdrukkelijk toe maar uit de jurisprudentie valt af te leiden dat meer dan voorheen een individuele benadering is vereist. In zoverre kan het niet vragen naar een mogelijke verschoonbaarheid toch worden beschouwd als de schending van een rechtsregel. Het Hof ziet echter aanleiding dit gebrek te passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Awb. Belanghebbende heeft namelijk ter zittingen van de Rechtbank en het Hof, in zijn hogerberoepschrift noch in zijn beroepschrift in eerste aanleg een reden gegeven voor de overschrijding van de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift. Zo’n reden is evenmin te vinden in de brief aan de Rechtbank van 10 juni 2022 waarin de gemachtigde van belanghebbende reageert op het verzoek van de Rechtbank van 24 mei 2022 om de redenen van de termijnoverschrijding aan te voeren. Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende de verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding niet onderbouwd. Er zijn geen feiten gesteld die kunnen leiden tot verschoonbaarheid. 4.
  20. Evenmin aannemelijk acht het Hof de stelling van belanghebbende dat de heffingsambtenaar de beschikking en de aanslag heeft verstuurd op een latere datum dan de datum die is vermeld op het door de heffingsambtenaar gebruikte biljet. Belanghebbende heeft geen feiten aangevoerd die het gestelde aannemelijk maken. In dit oordeel weegt het Hof mee dat belanghebbende zich heeft laten bijstaan door een als kundig bekend staande professionele rechtsbijstandverlener. Van zo’n rechtsbijstandverlener mag naar het oordeel van het Hof worden verwacht dat hij al in het bezwaarschrift of in ieder geval in de schriftelijke stukken dan wel ter zitting inzicht geeft in hoe de gang van zaken rond het versturen en de ontvangst van het aanslagbiljet zijns inziens is verlopen. Nu dergelijk inzicht niet is verschaft, ziet het Hof geen grond om aannemelijk te achten dat de heffingsambtenaar de beschikking en de aanslag heft verstuurd op een latere datum dan de datum die is vermeld op het aanslagbiljet. Slotsom Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond. 5Griffierecht en proceskosten Het Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten. 6Beslissing Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank. Deze uitspraak is gedaan door mr. R.A.V. Boxem, voorzitter, in tegenwoordigheid van dr. J.W.J. de Kort als griffier. De beslissing is op 9 december 2025 in het openbaar uitgesproken. De griffier, De voorzitter, (J.W.J. de Kort) (R.A.V. Boxem) Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden. Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl. Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
  21. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd; 2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn; 3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. de dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; d. de gronden van het beroep in cassatie. Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten. Artikelen 6:7 en 6:9 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 22j van de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Hoge Raad 18 oktober 2019, ECLI:NL:2019:
  22. Met name College van beroep voor het bedrijfsleven 30 januari 2024, ECLI:NL:CBB:2024:31 en Hoge Raad 5 april 2024, ECL1:NL:HR:2024:515.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.