Afdeling strafrecht Parketnummer: 21-003355-23 Uitspraakdatum: 12 december 2025 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Overijssel van 4 juli 2023 met parketnummer 08-034551-22 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren op [geboortedag] 1995 in [geboorteplaats] , wonende te [woonplaats] . Het hoger beroep De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de terechtzitting van het hof van 28 november 2025 en wat op de terechtzitting van de rechtbank Overijssel van 13 juni 2023 is besproken. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal strekkende tot: veroordeling van verdachte ten aanzien van het ten laste gelegde feit tot een taakstraf van 140 uren, bij niet naar behoren uitvoeren te vervangen door 70 dagen hechtenis, en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand met een proeftijd van drie jaren; verbeurdverklaring van de in beslag genomen iPad en iPhone; gedeeltelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 33.397,81, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd. Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. N.L.A.N. Weusthof, en de heer [naam 7] , namens de benadeelde partij, hebben aangevoerd. Het vonnis De rechtbank heeft verdachte bij voornoemd vonnis veroordeeld voor het ten laste gelegde feit tot een taakstraf van 140 uren, bij niet naar behoren uitvoeren te vervangen door 70 dagen hechtenis, en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand met een proeftijd van drie jaren. Verder heeft de rechtbank de in beslag genomen iPad en iPhone verbeurdverklaard. De rechtbank heeft de vordering van de benadeelde partij ter hoogte van € 62.148,79 geheel toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Het hof zal het vonnis van de rechtbank vernietigen omdat het tot een andere strafmotivering en beslissing ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel komt. Het hof zal daarom opnieuw rechtdoen. Tenlastelegging Op de zitting bij de rechtbank is de tenlastelegging gewijzigd. Aan verdachte is na deze wijziging ten laste gelegd dat: hij op een of meer tijdstippen in de periode van 27 augustus 2020 tot en met 14 februari 2022 te [plaats] , althans in Nederland niet-openbare gegevens, te weten een groot aantal opgaven uit toetsen en/of volledige toetsen, toebehorend aan en/of in gebruik bij Hogeschool [naam 1] - heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad terwijl hij, verdachte, ten tijde van de verwerving en/of het voorhanden krijgen van deze gegevens wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat deze door misdrijf waren verkregen en/of hij op een of meer tijdstippen in de periode van 27 augustus 2020 tot en met 14 februari 2022 te [plaats] , althans in Nederland niet-openbare gegevens, te weten een groot aantal opgaven uit toetsen en/of volledige toetsen, toebehorend aan en/of in gebruik bij Hogeschool [naam 1] , - ter beschikking van een ander, zijnde leerlingen van het [naam 1] , heeft gesteld en/of - aan een ander, zijnde leerlingen van het [naam 1] bekend heeft gemaakt en/of - uit winstbejag voorhanden heeft gehad en/of - heeft gebruikt door de toets aan studenten te verstrekken voordat de betreffende toets zou worden afgenomen terwijl hij, verdachte, wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat het door misdrijf verkregen gegevens betrof. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Bewijs Standpunt van de advocaat-generaal De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden. Standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft zich namens verdachte op het standpunt gesteld dat hij vrijgesproken moet worden van het ten laste gelegde feit. Zij heeft hiertoe aangevoerd dat het bewijs dat is verkregen door middel van het onderzoek aan de in beslag genomen iPad en iPhone uitgesloten moet worden van het bewijs in deze strafzaak. Uit het dossier blijkt dat de twee gegevensdragers met toestemming van de officier van justitie wat een periode van achttien maanden betreft volledig zijn uitgelezen en gekopieerd. Gezien het arrest van de Hoge Raad van 4 april 2017 (één van de Smartphonearresten) en de post-Landeck jurisprudentie was hiervoor voorafgaande toetsing door de rechter-commissaris vereist vanwege de inbreuk die dit oplevert op de persoonlijke levenssfeer van verdachte. Dit is in onderhavige zaak niet gebeurd. Daarom is sprake van een ongerechtvaardigde schending van artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). Dit levert een vormverzuim op dat tot gevolg dient te hebben dat het door voornoemd onderzoek verkregen bewijs van het bewijs in onderhavige strafzaak moet worden uitgesloten. Nu het dossier voor het overige alleen nog belastend bewijs bevat in de vorm van verdachtes verklaring op de zitting in hoger beroep en de verklaring van medeverdachte Winkelaar dient verdachte vrijgesproken te worden van het ten laste gelegde feit. Uit deze verklaringen volgt namelijk niet hoeveel toetsen er exact zouden zijn verstrekt aan verdachte en over welke periode dat zou zijn gebeurd, en of verdachte de toetsen ook daadwerkelijk ontving, en dus voorhanden had. Oordeel van het hof Verweer omtrent vormverzuim Juridisch kader Het hof stelt met betrekking tot voornoemd standpunt van de raadsvrouw voorop dat uit de Smartphone-arresten kan worden afgeleid dat een getrapte bevoegdheidstoedeling bestond voor het kunnen verrichten van onderzoek aan gegevensdragers zoals een smartphone of computer. Deze kwam er op neer dat dat onderzoek kon worden verricht door een opsporingsambtenaar, als vooraf was te voorzien dat de met het onderzoek samenhangende inbreuk op de persoonlijke levenssfeer als beperkt kon worden beschouwd. Als vooraf was te voorzien dat sprake zal zijn van een meer dan beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte, kon het onderzoek alleen maar door of namens de officier van justitie worden verricht. Wanneer vooraf was te voorzien dat de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer zeer ingrijpend zal zijn, kon het onderzoek alleen maar door of namens de rechter-commissaris worden verricht. De Hoge Raad heeft echter in het Landeck-arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie aanleiding gezien om de rechtspraak uit de Smartphone-arresten enigszins bij te stellen. Een en ander houdt – voor zover van belang voor onderhavige zaak – in dat bij elke vorm van onderzoek aan een elektronische gegevensdrager die een meer dan beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer meebrengt een voorafgaande toetsing van de rechter-commissaris is vereist. Hierbij geldt verder dat van een beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer al geen sprake meer is als op voorhand is te voorzien dat door het onderzoek aan de smartphone (of andere elektronische gegevensdrager of geautomatiseerd werk) inzicht wordt verkregen in verkeers- en locatiegegevens, maar ook in andersoortige gegevens (zoals foto’s, de browsergeschiedenis, de inhoud van via die smartphone uitgewisselde communicatie en gevoelige gegevens). Toegepast op onderhavige zaak In het licht van hiervoor genoemde juridisch kader stelt het hof met de raadsvrouw vast dat het hier gaat om een uitvoerig en intensief onderzoek van de iPhone en iPad van verdachte. Uit het dossier blijkt dat voor een langere periode data van de twee gegevensdragers gekopieerd is. Deze data is vervolgens onderzocht. Dit onderzoek omvatte onder andere onderzoek naar de foto’s, de berichten via WhatsApp, de e-mailaccounts, de berichten via Facebook Messenger, de berichten via Snapchat en de berichten via overige chats, de notities en de user-accounts op de iPhone en iPad van verdachte. Dit onderzoek moet naar het oordeel van het hof, ook al in het bevoegdheidsverdelingsmodel zoals dat uit de Smartphone-arresten blijkt, aangemerkt worden als een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van verdachte waarvan op voorhand voorzienbaar was dat deze zeer ingrijpend zou zijn. Dit brengt met zich mee dat er naar het oordeel van het hof voorafgaande toestemming van de rechter-commissaris vereist was voor het uitvoeren van het onderzoek zoals door dit door de verbalisanten is gedaan. Met de raadvrouw stelt het hof vast dat deze toestemming niet is verleend. Het dossier vermeldt namelijk alleen maar dat het onderzoek plaatsvond ‘met toestemming van de officier van justitie’. Door het ontbreken van de voorafgaande toestemming van de rechter-commissaris voor het uitvoeren van voornoemd onderzoek aan de iPhone en de iPad is naar het oordeel van het hof sprake van een schending van artikel 8 EVRM. Dit levert een vormverzuim in het voorbereidend onderzoek in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering op. Bij de bepaling of aan deze schending ook enig rechtsgevolg moet worden verbonden, moet het hof onder andere beoordelen of het aannemelijk is dat verdachte daadwerkelijk nadeel van de schending heeft ondervonden. In dit kader overweegt het hof dat ook een schending van de persoonlijke levenssfeer van de verdachte als zodanig onder omstandigheden een voldoende concreet nadeel kan opleveren. In beginsel is hiervan in het onderhavige geval sprake. Aan de andere kant is in de onderhavige zaak sprake van een verdenking van een ernstig en omvangrijk strafbaar feit met een overwegend digitale component. Zou de rechter-commissaris vooraf om toestemming zijn gevraagd voor onderzoek aan de iPhone en iPad van verdachte zoals dat heeft plaatsgevonden, dan had deze die toestemming zonder nadere beperkingen kunnen geven. Het hof is daarom van oordeel dat verdachte niet in een nadeliger positie is geraakt door het vormverzuim. Daarom komt het hof tot het oordeel dat enige compensatie, in de vorm van bewijsuitsluiting of strafvermindering, niet aan de orde is gelet op het ontbreken van nadeel bij verdachte ten gevolge van het vormverzuim. Het hof zal daarom volstaan met de constatering van het vormverzuim. Bewijsoverweging Gelet op het hiervoor overwogene is het hof, in tegenstelling tot het standpunt van de raadsvrouw, van oordeel dat het dossier voldoende bewijs bevat om tot een bewezenverklaring te kunnen komen. Dit bewijs is hieronder in voetnoten uitgewerkt. Het hof twijfelt niet aan de juistheid en betrouwbaarheid van dat bewijs. Het hof overweegt in het bijzonder als volgt. Uit het dossier blijkt dat [benadeelde] namens Stichting [naam 1] op 4 februari 2022 aangifte heeft gedaan van het zonder toestemming van [naam 1] beschikbaar stellen en verspreiden van toetsen. Op 1 december 2021 heeft een oud-student van [naam 1] bij [naam 1] een melding gedaan dat er signalen waren dat een medewerker van het toetsbureau van [naam 1] toetsen heeft verkocht. De melder wilde anoniem blijven, maar de identiteit van de melder is bekend bij [naam 1] . De melder heeft gezegd signalen te hebben opgevangen dat er een student is die contacten heeft bij het toetsbureau van [naam 1] waar hij op bestelling toetsen kan kopen voor € 200,00 per toets. De student verkoopt de toetsen vervolgens door aan andere studenten. Ook heeft de melder gezegd dat er in ieder geval drie personen bij betrokken zijn. Naast de medewerker van het toetsbureau zou het hierbij om (twee of minstens) één tussenhandelaar gaan die ook student is bij [naam 1] . [naam 1] heeft naar aanleiding van de melding intern onderzoek laten verrichten door het recherchebureau [naam 3] . Op 24 december 2021 zijn daarop de mailboxen van de medewerkers werkzaam hij het toetsbureau veiliggesteld. Op 24 januari 2022 heeft nog een oud-student van [naam 1] een melding gedaan. Deze tweede melder heeft gehoord dat er toetsen werden verkocht door een medewerker van het toetsbureau. De toetsen werden digitaal beschikbaar gesteld door de inlogcodes van een hotmailadres te geven en de toets kon vervolgens vanaf dat hotmailaccount worden gedownload. Dit alles zou al spelen sinds het derde of vierde kwartiel van het studiejaar 2020-2021. [naam 1] heeft beide melders nagetrokken en geconcludeerd dat beiden als zeer betrouwbaar moeten worden aangemerkt. Na het doorzoeken van de mailboxen heeft [naam 3] ontdekt dat e-mails vanuit de privé e-mail en WhatsApp van medeverdachte [naam 2] (hierna: [naam 2] ) naar zijn [naam 1] -account worden gestuurd. De inhoud van deze e-mails en Whatsappberichten bestaan uit vragen van derden naar de beschikbaarheid van toetsen en of zij die kunnen krijgen. [naam 2] was medewerker van het toetsbureau van [naam 1] en vanuit zijn functie had hij toegang tot alle toetsen die in het toetsenopslagsysteem (hierna: TOS) zijn opgeslagen. [naam 2] had geen toestemming om die informatie te delen met anderen. De informatie was alleen voor hem beschikbaar voor zover hij deze nodig had voor het uitoefenen van zijn functie. Een medewerker van het toetsbureau doet inhoudelijk niets met de toets, maar zorgt ervoor dat de toets die door docent is geüpload en opgeslagen in het TOS wordt geprint. Uit screenshots van WhatsAppchats die [naam 2] vanaf zijn privé e-mailadres naar zijn [mail] heeft gestuurd, komt naar voren dat hij heeft gechat met verdachte en met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ). Verdachte was ten tijde van het ten laste gelegde feit student bij [naam 1] . [medeverdachte] was oud-student van [naam 1] . In WhatsAppchats vragen verdachte en [medeverdachte] bij [naam 2] naar de beschikbaarheid van tentamens die nog niet zijn afgenomen. [naam 2] heeft verklaard dat hij werkzaam was bij het toetsbureau van [naam 1] en dat hij toen al anderhalf jaar op verzoek van verdachte en medeverdachte [medeverdachte] toetsopgaven en volledige toetsen heeft overgenomen en aan hen heeft doorgegeven. Beiden wisten dat [naam 2] werkzaam was bij [naam 1] en vanuit die functie toegang had tot de toetsen. [naam 2] kreeg vaker verzoeken van verdachte dan van [medeverdachte] . Hij kreeg dan een Whatsappbericht met toetscodes waarna hij keek of de toets beschikbaar was. Als dit het geval was, mailde hij de toets aan verdachte (of [medeverdachte] ) door. De toetsen werden via e-mail verstrekt. [naam 2] heeft verklaard dat hij op een gegeven moment ook een vergoeding kreeg voor het geven van de toetsen aan verdachte. Voor overdracht van het geld spraken verdachten eerst nog af, maar later ging het via een kluisje in [naam 1] . Een kluisje dat je kunt gebruiken en vastzetten door een code die je zelf kunt instellen. Het geld werd in zo’n kluisje gelegd en [naam 2] kreeg de code door om het geld te innen. Gezien de hoeveelheid toetsen die verdachte van hem vroeg, wist [naam 2] dat de medeverdachten mogelijk meer personen hadden voor de toetsen die hij hem gaf. Verdachte heeft op de zitting in hoger beroep verklaard dat hij [naam 2] kende van voetbal. Eerder had hij ook al verklaard dat hij gebruikt maakt van het nummer [telefoonnummer] . In augustus 2020 heeft verdachte de iPhone waar dit nummer aan gekoppeld was, in gebruik genomen. Uit onderzoek aan deze iPhone is naar voren gekomen dat verdachte ook gebruikmaakt van verschillende e-mailaccounts of user-accounts. Deze waren grotendeelsverbonden aan zijn iPad, die ook in beslag is genomen en aan onderzoek is onderworpen. Uit het onderzoek aan de iPhone van verdachte is naar voren gekomen dat verdachte via WhatsAppgesprekken veelvuldig toetsen (die nog moesten worden afgenomen) kocht bij [naam 2] en deze via WhatsApp (voor de toetsdatum) doorverkocht aan derden. Het verkopen van de toetsen heeft verdachte in zoverre ook op de zitting in hoger beroep bekend. Uit het dossier blijkt dat hij hierbij tevens gericht is geweest op het behalen van winst. Zo onderhandelde hij namelijk niet alleen over de prijs voor de toetsen, maar hield hij in notities op zijn iPhone en iPad ook een administratie bij. Hierin stond aangegeven welke afnemer welke toets had afgenomen en of de afnemer hiervoor al had betaald of nog moest betalen. Het hof is op grond van het hiervoor overwogene van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan. Bewezenverklaring Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: hij op meer tijdstippen in de periode van 27 augustus 2020 tot en met 14 februari 2022 in Nederland niet-openbare gegevens, te weten opgaven uit toetsen en/of volledige toetsen, toebehorend aan en/of in gebruik bij Hogeschool [naam 1] , heeft verworven en voorhanden heeft gehad, terwijl hij, verdachte, ten tijde van de verwerving en het voorhanden krijgen van deze gegevens wist dat deze door misdrijf waren verkregen en hij op meer tijdstippen in de periode van 27 augustus 2020 tot en met 14 februari 2022 in Nederland niet-openbare gegevens, te weten opgaven uit toetsen en/of volledige toetsen, toebehorend aan en/of in gebruik bij Hogeschool [naam 1] , ter beschikking aan leerlingen van het [naam 1] heeft gesteld en aan leerlingen van het [naam 1] bekend heeft gemaakt en uitwinstbejag voorhanden heeft gehad en heeft gebruikt door de toets aan studenten te verstrekken voordat de betreffende toets zou worden afgenomen, terwijl hij, verdachte, wist dat het door misdrijf verkregen gegevens betrof. Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde levert op: het verwerven en voorhanden hebben van niet-openbare gegevens, terwijl hij ten tijde van de verwerving en het voorhanden krijgen van deze gegevens wist dat deze door misdrijf zijn verkregen, meermalen gepleegd en het ter beschikking stellen van niet-openbare gegevens aan anderen, het bekendmaken van niet-openbare gegevens aan anderen, het uit winstbejag voorhanden hebben en het gebruiken van niet openbare gegevens, terwijl hij wist dat het door misdrijf verkregen gegevens betrof, meermalen gepleegd. Strafbaarheid van de verdachte Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn. Oplegging van straf De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Het hof heeft hierbij in het bijzonder het navolgende meegewogen. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het verkrijgen en het meermalen voorhanden hebben van niet openbare gegevens, te weten toetsvragen en volledige toetsen. Tegelijkertijd heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het meermalen uit winstbejag voorhanden hebben, het gebruiken, het beschikbaar stellen en het bekendmaken aan anderen van die gegevens. Dit terwijl hij wist dat deze uit misdrijf afkomstig waren. Verdachte verkreeg de (delen van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.