GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.353.302 zaaknummer rechtbank Overijssel 320416 arrest in kort geding van 16 december 2025 Stichting Zwols Kegel-Huis (SZK) die is gevestigd in Zwolle advocaat: mr. M.P.H. van Maanen Winters en Gemeente Zwolle (de Gemeente) die zetelt in Zwolle advocaat: mrs. J. de Roos en W. Nooteboom. 1Het verloop van de procedure in hoger beroep SZK heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen het vonnis dat de voorzieningenrechter in de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, (hierna: de voorzieningenrechter) op 6 december 2024 tussen partijen heeft uitgesproken. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit: de dagvaarding in hoger beroep de memorie van grieven de memorie van antwoord tevens memorie van grieven in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep de memorie van antwoord in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep een akte uitlating producties van de Gemeente het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 24 november 2025 is gehouden. Hierna hebben partijen arrest gevraagd. 2De kern van de zaak 2.1 Centraal in dit kort geding staat de vraag of de Gemeente veroordeeld moet worden tot hervatting van onderhandelingen met SZK over de verlenging van de erfpachtovereenkomst. Dit geschil speelt tegen de achtergrond van de volgende feiten. 2.2 De Gemeente is eigenaar van percelen grond die plaatselijk bekend zijn als Van Wevelinkhovenstraat 103 in Zwolle (hierna: de percelen). 2.3 SZK heeft de percelen sinds 1967 in erfpacht. Zij heeft de grond bebouwd en kegelbanen en horeca- en sanitaire voorzieningen aangebracht (het Kegelhuis). Het erfpachtrecht was aanvankelijk verleend tot en met 1997 en is verlengd tot en met 31 december 2007. 2.4 Partijen hebben vanaf 1999 gesprekken gevoerd over de verdere verlenging van het erfpachtrecht tot 2038. 2.5 Op 12 oktober 2006 heeft de Gemeente aan SZK een concept toegestuurd voor een nieuwe (notariële) erfpachtakte voor de periode 1 januari 2003 tot 1 januari 2028. 2.6 Met een brief van 27 december 2010 heeft de Gemeente de erfpacht opgezegd per 1 januari 2012. SZK heeft zich tegen die opzegging verweerd, omdat volgens haar overeenstemming was bereikt over een verlenging van de erfpachtovereenkomst tot 2038. Volgens de Gemeente was die overeenstemming echter niet bereikt. 2.7 Op 27 juni 2012 heeft de Gemeente nog een voorstel gedaan aan SZK om de erfpachtovereenkomst te verlengen tot 1 juli 2022. Met dat voorstel heeft SZK niet ingestemd. 2.8 De Gemeente heeft de erfpacht, voor zover die nog mocht bestaan, opnieuw opgezegd op 24 maart 2021 tegen 1 april 2022. 2.9 De Gemeente heeft SZK gedagvaard om tot ontruiming over te gaan van de percelen. In die procedure is door de rechtbank op 27 juli 2022 geoordeeld dat partijen overeenstemming hadden bereikt. Zij heeft de Gemeente veroordeeld om met SZK een erfpachtovereenkomst te sluiten conform het concept uit 2006. De Gemeente heeft aan die veroordeling voldaan door aan SZK een voorstel te doen overeenkomstig het concept van 2006. Tot het sluiten van een nieuwe erfpachtovereenkomst is het echter niet gekomen. Over de oorzaak daarvan verschillen partijen van mening. In hoger beroep heeft het hof het vonnis van de rechtbank vernietigd in een arrest van 25 juni 2024. Volgens het hof was indertijd geen overeenstemming bereikt over verlenging van de erfpachtovereenkomst op basis van het concept uit 2006. SZK is veroordeeld om de percelen te ontruimen. Van dat arrest is geen cassatie ingesteld. 2.10 SZK heeft daarop een kort geding aanhangig gemaakt tegen de Gemeente. Daarin vorderde zij om de Gemeente te veroordelen de onderhandelingen met SZK over verlenging van de erfpachtovereenkomst te hervatten en om de Gemeente te verbieden om het arrest van 25 juni 2024 ten uitvoer te leggen tijdens die onderhandelingen. Aan die vorderingen heeft SZK ten grondslag gelegd dat het afbreken door de Gemeente van de onderhandelingen over de verlenging van het erfpachtcontract onrechtmatig was. Volgens SZK waren de onderhandelingen over een verlenging van die overeenkomst zo ver gevorderd dat zij er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat overeenstemming zou worden bereikt over de verlenging van het erfpachtcontract tot 2038. De vorderingen van SZK zijn door de voorzieningenrechter afgewezen in het vonnis van 6 december 2024. Van dat vonnis is SZK in hoger beroep gekomen op 3 januari 2025. Dat betreft dit hoger beroep. 2.11 Hangende dit hoger beroep is de Gemeente op 4 februari 2025 overgegaan tot ontruiming van de percelen. Het Kegelhuis is daarna in de maanden mei en juni 2025 gesloopt. 2.12 SZK heeft haar vordering hierop aangepast. In dit hoger beroep vordert zij niet langer een verbod van de tenuitvoerlegging van het arrest van 25 juni 2024. Wel heeft zij haar vordering gehandhaafd om te Gemeente te veroordelen tot het hervatten van de onderhandelingen over een verlenging van de erfpachtovereenkomst tot 2038. 3De toelichting op de beslissing van het hof inleiding 3.1 Het hof zal het vonnis van de voorzieningenrechter bekrachtigen. Hoe het hof daartoe komt zal hieronder worden uitgelegd. geen spoedeisend belang 3.2 In een kort geding moet het hof altijd (en zo nodig ambtshalve) beoordelen of de partij die de voorlopige voorziening vordert daarbij nog een spoedeisend belang heeft. Die vraag moet worden beantwoord aan de hand van een afweging van de belangen van partijen, beoordeeld naar de toestand ten tijde van de uitspraak van het hof. 3.3 De voorlopige voorziening die SZK verlangt is dat de Gemeente verplicht wordt om met SZK de onderhandelingen te hervatten over een erfpachtovereenkomst tot 2038. Bij het treffen van die voorziening heeft SZK, gelet op de ontruiming en sloop die inmiddels heeft plaatsgevonden, echter geen spoedeisend belang meer. Niet valt namelijk in te zien hoe een hervatting van de onderhandelingen over de verlenging/vernieuwing van het erfpachtcontract zal kunnen resulteren in het weer kunnen gebruiken van die percelen door SZK voor haar activiteiten als kegelhuis. 3.4 SZK heeft nog wel aangevoerd dat in het geval alsnog overeenstemming wordt bereikt over voortzetting van de erfpachtovereenkomst, zij beschikt over donoren die haar in staat zullen stellen om een nieuw kegelhuis op te richten (in afgeslankte vorm), maar die stelling heeft SZK niet concreet onderbouwd en is zonder een dergelijke onderbouwing niet aannemelijk. 3.5 Bovendien acht het hof de stelling van de Gemeente geloofwaardig dat zij de grond waarop het recht van erfpacht rustte nodig zal hebben voor het realiseren van (woning)bouwplannen, te weten de herontwikkeling van de Stilohal-locatie, waarvan de percelen deel uitmaken. En dat op de korte termijn zij die grond nodig zal hebben als opslagplaats voor het kunnen realiseren van het nieuwbouwproject ‘Nieuwstad’ op direct naastgelegen percelen. In de procedure zijn verschillende bescheiden overgelegd die dat ondersteunen, zoals de raadsbrief van 29 januari 2025. Dat gebruik zal, naar de Gemeente heeft aangevoerd, in de weg staan aan verlenging van de erfpacht door SZK. Dat is door SZK niet gemotiveerd weersproken. 3.6 SZK heeft tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep aangevoerd dat zij er een belang bij heeft dat wordt vastgesteld dat de Gemeente de onderhandelingen over verlenging onrechtmatig heeft afgebroken, met het oog op een tegen de Gemeente in te stellen vordering tot schadevergoeding. Een dergelijk belang is echter niet aan te merken als een voldoende (spoedeisend belang) voor een kortgedingprocedure; daarvoor is een bodemprocedure de aangewezen weg. 3.7 Alleen al vanwege dat ontbreken van een spoedeisend belang van SZK bij toewijzing van haar vordering tot hervatting van de onderhandelingen, dienen haar vorderingen in hoger beroep te worden afgewezen. Aan een inhoudelijke beoordeling van die vordering komt het hof in zoverre dus niet toe. proceskostenveroordeling door de voorzieningenrechter is terecht 3.8 De eis dat een partij bij de gevorderde voorziening ook in hoger beroep een spoedeisend belang moet hebben, ziet echter niet mede op de eerdere proceskostenveroordeling. Het hoger beroep van SZK omvat ook een grief (= bezwaar) tegen haar veroordeling door de voorzieningenrechter in de proceskosten. Het hof moet dus nog wel beslissen over de vraag of die veroordeling terecht is. Daartoe moet worden beoordeeld of de vordering van SZK zoals die voorlag aan de voorzieningenrechter, terecht door hem is afgewezen. Of dat zo is, moet worden beoordeeld met inachtneming van het in hoger beroep gevoerde debat. 3.9 Ook met kennisneming van wat partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, is het hof van oordeel dat de voorzieningenrechter de vorderingen van SZK terecht heeft afgewezen. Het hof gaat daarbij uit van dezelfde maatstaf die de voorzieningenrechter in zijn vonnis in overweging 5.10 heeft weergegeven. Die maatstaf is ontleend aan de uitspraak van de Hoge Raad van 12 augustus 2005 en geldt nog steeds. Het volgende wordt in dat verband overwogen. 3.10 SZK heeft aangevoerd dat zij er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat partijen overeenstemming zouden bereiken over een verlenging van de erfpachtovereenkomst tot 2038. Dat vertrouwen baseerde zij op een raadsbesluit uit 2002 en de daarop in 2006 gevolgde voorlegging door de Gemeente aan SZK van de concept (notariële) akte van verlenging. Volgens SZK waren partijen het over die concept akte nagenoeg eens en verschilden zij daarover alleen nog maar op ondergeschikte punten, waarover zij het wel eens hadden zullen worden. 3.11 Het hof heeft in zijn uitspraak van 25 juli 2024 geoordeeld dat, anders dan SZK toen nog meende, partijen geen overeenstemming hebben bereikt over dat concept, en dat zij in ieder geval over twee voorwaarden die de Gemeente stelde voor verlenging van mening verschilden, te weten (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.