GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem afdeling civiel recht zaaknummers gerechtshof 200.354.215 en 200.355.799 (zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 583561) beschikking van 18 december 2025 inzake [verzoekster] , wonende te [woonplaats1] ,verzoekster in het principaal hoger beroep, verweerster in het incidenteel hoger beroep, verder te noemen: de vrouw, advocaat: met ingang van 6 november 2025 mr. D.I.A. Schröder, daarvoor mr. E.I. Robert, en [verweerder] , wonende te [woonplaats2] , verweerder in het principaal hoger beroep, verzoeker in het incidenteel hoger beroep, verder te noemen: de man, advocaat: mr. E.A. Prins. 1Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland (locatie Utrecht ) van 7 februari 2025, uitgesproken onder het hiervoor genoemde zaaknummer. 2Het geding in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - het beroepschrift met producties 1 tot en met 3, ingekomen op 4 mei 2025; - het verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep met producties 1 tot en met 4; - het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep met producties 4 en 5; - een journaalbericht van mr. Prins van 7 oktober 2025 met productie 5. 2.2 De mondelinge behandeling heeft op 17 oktober 2025 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Mr. Schröder trad daarbij op als waarnemer van mr. Robert. Op 6 november 2025 heeft mr. Robert zich onttrokken en heeft mr. Schröder zich gesteld als advocaat van de vrouw. 2.3 Aan het einde van de mondelinge behandeling hebben partijen tot 7 november 2025 de tijd gekregen om het hof te laten weten of zij onderling alsnog tot overeenstemming konden komen. Als dat niet het geval zou zijn zou het hof op 18 december 2025 een beschikking geven. Het hof heeft van partijen niets vernomen. 3De feiten 3.1 Partijen zijn [in] 2018 gehuwd in gemeenschap van goederen. 3.2 De man heeft op 25 oktober 2024 een verzoek tot echtscheiding en tot het treffen van nevenvoorzieningen ingediend. De vrouw heeft geen verweer gevoerd. 3.3 Bij de beschikking van 7 februari 2025 (hierna ook: de bestreden beschikking) heeft de rechtbank de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Die beschikking was op het moment van de mondelinge behandeling nog niet ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. 3.4 Naast het uitspreken van de echtscheiding heeft de rechtbank: - bepaald dat de vrouw huurder zal zijn van de woning aan [adres1] met ingang van de dag waarop de beschikking tot echtscheiding is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand; en - bepaald dat de vrouw per maand € 1.350 dient te betalen aan de man als bijdrage in zijn kosten van levensonderhoud, met ingang van de datum dat de beschikking tot echtscheiding is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. 4De omvang van het geschil 4.1 Tussen partijen is in geschil de bijdrage in het levensonderhoud van de man (hierna ook: partneralimentatie) en de verdeling van de ontbonden gemeenschap van goederen. 4.2 De vrouw is in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Zij is het niet eens met de partneralimentatie die zij aan de man moet betalen en zij verzoekt het hof om de bestreden beschikking op dat punt te vernietigen en dit verzoek van de man alsnog af te wijzen. 4.3 De man voert verweer en heeft het verzoek dat hij bij de rechtbank had gedaan in hoger beroep vermeerderd met een verzoek tot verdeling van de gemeenschap van goederen en hij heeft een incidenteel verzoek gedaan over de partneralimentatie. Hij verzoekt het hof de bestreden beschikking ten aanzien van de partneralimentatie te vernietigen en te bepalen dat de vrouw hem € 1.970 per maand moet voldoen als bijdrage in zijn levensonderhoud, met ingang van de datum waarop de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Aanvullend verzoekt hij het hof de wijze van verdeling van de ontbonden gemeenschap van goederen te gelasten zoals hij dat voorstaat. 4.4 De vrouw voert daarop verweer en vraagt het hof de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoeken en anders deze af te wijzen. 5De motivering van de beslissing 5.1 De vrouw stelt dat de man niet-ontvankelijk is in zijn verzoek om de wijze van verdelen van de gemeenschap van goederen te gelasten. Volgens haar heeft de man daar bij de rechtbank niet om verzocht en kan hij dat niet voor het eerst in hoger beroep doen. 5.2 Het hof overweegt dat op grond van artikel 827 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering een verzoek tot het vaststellen van een nevenvoorziening, zoals het verzoek tot verdeling van de huwelijksgemeenschap, voor het eerst in hoger beroep kan worden gedaan. Het hof zal dus ook op het betreffende verzoek van de man beslissen. partneralimentatie 5.3 De vrouw heeft één grief geformuleerd, waarin zij de behoefte van de man, zijn behoeftigheid en haar eigen draagkracht aan de orde stelt. behoefte 5.4 Ten aanzien van de behoefte zijn partijen het er op de zitting over eens geworden dat in het kader daarvan van een netto besteedbaar inkomen van de vrouw van € 4.200 kan worden uitgegaan. De man heeft gesteld dat aan zijn zijde van een netto besteedbaar inkomen van € 2.052 kan worden uitgegaan voor de vaststelling van de behoefte. 5.5 Gezamenlijk hadden partijen dus een netto besteedbaar inkomen van € 6.252 en dat resulteert in een netto behoefte van € 3.751 op grond van de zogenoemde hofnorm. Die norm stelt de behoefte op 60% van het gezamenlijk inkomen toen partijen nog bij elkaar waren (in 2021). Geïndexeerd naar 2025 is de behoefte € 4.470 netto per maand. behoeftigheid 5.6 Vervolgens dient te worden bezien in hoeverre de man zelf in staat is in die behoefte te voorzien. Voor het deel dat hij daarin niet kan voorzien is hij behoeftig. 5.7 De man werkt 45 uur per week als vrachtwagenchauffeur en bevoorraadt horecabedrijven. Hij heeft blijkens de door hem overgelegde loonstroken uit 2025 een bruto inkomen van € 2.925 per maand. Daarop wordt € 122,29 pensioenpremie ingehouden en € 48,96 wegens een ANW-hiaat regeling. Rekening houdend met 8% vakantiegeld komt dit neer op een netto besteedbaar inkomen van € 2.587 per maand. 5.8 De man komt dus € 1.883 netto per maand (€ 4.470 minus € 2.587) tekort om volledig in zijn behoefte te kunnen voorzien. Bruto is dat € 3.668 per maand. 5.9 De vrouw heeft gesteld dat de man sinds het uiteengaan van partijen financieel de eindjes aan elkaar heeft kunnen knopen en ook niet om partneralimentatie heeft verzocht. Door het tijdsverloop is volgens haar de lotsverbondenheid tussen partijen afgenomen en is de behoefte verbleekt. De man kan dus geacht worden geheel in zijn eigen levensonderhoud te voorzien, zodat de vrouw van mening is dat zij hem geen bijdrage hoeft te betalen. 5.10 Het hof volgt die redenering niet. De lotsverbondenheid tussen partijen ontstaat door het huwelijk en kan de alimentatieverplichting doen ontstaan, maar het voortduren van die verplichting berust niet op het voortduren van de lotsverbondenheid. Daarom kan het ‘afnemen’ of ‘vervallen’ van lotsverbondenheid geen grond zijn voor beëindiging van de alimentatieverplichting, Ook kan de behoefte niet ‘verbleken’. Bij de vaststelling van de behoefte wordt rekening gehouden met alle relevante omstandigheden van het geval, een eenmaal vastgestelde behoefte kan niet verminderen of ‘verbleken’. De man verklaarde ter zitting dat hij er niet van op de hoogte was dat hij al eerder om partneralimentatie had kunnen verzoeken, bijvoorbeeld bij wege van voorlopige voorziening. Verder heeft hij toegelicht dat hij nu in een grote kamer woont, maar voorzieningen als een keuken en een badkamer moet delen. Dat is niet ideaal en de man wil ook naar zelfstandige woonruimte verhuizen. Het hof constateert dat de man zijn uitgavenpatroon heeft aangepast aan de feitelijke situatie en dus de ‘tering naar de nering’ heeft gezet, maar dat betekent niet dat de huwelijksgerelateerde behoefte is gewijzigd. De toelichting van de man is voor het hof voldoende om de behoefte te houden op hetgeen hiervoor al is berekend. De man is kortom behoeftig en de vrouw dient de man een bijdrage in zijn levensonderhoud te betalen voor zover haar draagkracht dat toelaat. draagkracht 5.11 Nu vaststaat dat de man behoeftig is, dient gekeken te worden in hoeverre de vrouw in staat is om de man een bijdrage te betalen; het hof zal de draagkracht van de vrouw vaststellen. 5.12 De vrouw werkt in de zorg. Zij werkt 24 uur per week in loondienst bij [naam1] en daarnaast 15 uur per week als zelfstandige (zzp’er) onder de naam ‘ [naam2] ’. In totaal werkt zij dus 39 uur per week. Weliswaar werkte ze in het verleden meer uren
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.