GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.346.011/01 (zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 145232) beschikking van 23 december 2025 in de zaak van [verzoeker] (de man), die woont in [woonplaats1] , verzoeker in hoger beroep, advocaat: mr. C. van Tellingen-Okken te Groningen, en [verweerster] (de vrouw), die woont in [woonplaats2] , verweerster in hoger beroep, advocaat: mr. E. Blokzijl te Meppel. Als overige belanghebbende is aangemerkt: mr. C.C.N. Cats (de bijzondere curator), kantoorhoudende te Emmen, in haar hoedanigheid van bijzondere curator over [minderjarige] . In zijn toetsende en/of adviserende taak is gekend: de raad voor de kinderbescherming (de raad), regio Noord Nederland, locatie Groningen. 1Het verloop van het geding in hoger beroep 1.1 Voor het verloop van het geding tot 22 oktober 2024 verwijst het hof naar zijn tussenbeschikking van die datum. 1.2 Het verdere verloop blijkt uit: - het verweerschrift; - een journaalbericht namens de man van 31 oktober 2024 met productie(s); - een journaalbericht namens de man van 7 november 2024; - een rapport van de raad van 10 juni 2025; - een journaalbericht namens de bijzondere curator van 24 september 2025; - een journaalbericht namens de man van 7 november 2025 met bijlage(n). 1.3 De mondelinge behandeling heeft op 13 november 2025 plaatsgevonden. Verschenen zijn: - de man, bijgestaan door zijn advocaat; - de vrouw (digitaal), bijgestaan door haar advocaat; - de bijzondere curator; - een vertegenwoordiger van de raad. 1.4 Namens de vrouw is ter zitting bezwaar gemaakt tegen overlegging van genoemd journaalbericht namens de man van 7 november 2025, waarbij een evaluatie van GGZ Drenthe van 6 november 2025 is gevoegd. Volgens de vrouw had de man zijn behandelend psycholoog, die de evaluatie heeft geschreven, ook eerder om een evaluatie kunnen vragen. De vrouw is primair van mening dat het journaalbericht van 7 november 2025 buiten beschouwing moet worden gelaten, omdat het te laat is ingediend. Voor het geval het hof daarover anders oordeelt is de advocaat van de vrouw ter zitting ingegaan op de inhoud van de evaluatie. Hoewel de evaluatie buiten de in het procesreglement opgenomen termijn voor het indienen van aanvullende stukken is overgelegd, neemt het hof dit stuk wel mee in zijn beoordeling. Gezien de recente datum kon dit stuk niet eerder worden overgelegd. Bovendien beschrijft de evaluatie het hulpverleningstraject van de man en die informatie vindt het hof relevant voor de beoordeling omdat het een actueel beeld schetst van de situatie van de man. Verder is ter zitting naar voren gekomen dat de psycholoog, die de evaluatie heeft geschreven, net een andere functie heeft gekregen en verder niet meer bij de man betrokken zal zijn. Het is denkbaar dat deze evaluatie eerst ter gelegenheid van die omstandigheid is geschreven. Daarbij komt dat de vrouw ter zitting voldoende gelegenheid heeft gehad om op de relatief korte en eenvoudig te doorgronden inhoud van de evaluatie te reageren. 2De feiten 2.1 Partijen hebben van mei 2021 tot juli 2022 een relatie met elkaar gehad. Uit deze relatie is op 5 maart 2023 [minderjarige] geboren. DNA-onderzoek heeft uitgewezen dat de man de biologische vader is van [minderjarige] . De vrouw heeft het gezag over [minderjarige] . [minderjarige] woont bij de vrouw. [minderjarige] is niet door de man erkend en hij heeft [minderjarige] nooit ontmoet. 2.2 De vrouw heeft op 31 juli 2021 aangifte gedaan van mishandeling door de man. 2.3 De man is bij vonnis van de politierechter van 22 juli 2022 wegens mishandeling van de vrouw veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 100 uren, subsidiair 50 dagen hechtenis, en voorts tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 dagen met aftrek van het voorarrest, waarvan 14 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. 3De motivering van de beslissing 3.1 De rechtbank heeft in de bestreden beschikking van 13 juni 2024 de verzoeken van de man om hem vervangende toestemming te verlenen voor de erkenning van [minderjarige] , om hem gezamenlijk met de vrouw te belasten met het ouderlijk gezag over [minderjarige] en om een omgangsregeling dan wel een informatieregeling te bepalen afgewezen. De rechtbank achtte zich voldoende geïnformeerd om tot deze beslissing te komen en heeft geen gebruik gemaakt van het aanbod van de raad om onderzoek te doen. 3.2 De man is in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De man verzoekt het hof om de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw beschikkende: Primair: I. vervangende toestemming te verlenen voor de erkenning van [minderjarige] door de man; II. te bepalen dat de man, samen met de vrouw, wordt belast met het ouderlijk gezag over[minderjarige] ; III. een omgangsregeling te bepalen tussen de man en [minderjarige] van één middag per week gedurende een halfjaar, uit te breiden met een overnachting na een halfjaar tot één weekend per veertien dagen en de helft van de vakanties en feestdagen vanaf de 3-jarige leeftijd, dan wel een regeling vast te stellen die het hof juist acht; Subsidiair: IV. te bepalen dat de vrouw maandelijks aan de man informatie dient te verstrekken over de gezondheid en ontwikkeling van [minderjarige] , maandelijks foto's van hem dient te verstrekken aan de man, dan wel een informatieregeling vast te stellen die het hof juist acht. 3.3 In het kader van regievoering heeft het hof kort na binnenkomst van het beroepschrift de raad verzocht een onderzoek in te stellen naar de vraag of er factoren zijn die pleiten tegen een erkenning van [minderjarige] door de man, en – voor het geval het verzoek tot vervangende toestemming tot erkenning zal worden toegewezen – naar het door de man verzochte gezamenlijke gezag over [minderjarige] en de mogelijkheden voor het vaststellen van een omgangsregeling/zorgregeling dan wel informatieregeling. 3.4 De vrouw heeft een verweerschrift ingediend. Zij verzoekt het door de man ingestelde beroep af te wijzen en de beschikking van 13 juni 2024 te bekrachtigen en de verzoeken van de man af te wijzen. 3.5 De raad heeft op 10 juni 2025 een rapport uitgebracht. De raad adviseert het hof het verzoek van de man om erkenning van [minderjarige] af te wijzen. De raad is tot de conclusie gekomen dat erkenning de vrouw schaadt in een ongestoorde verhouding met [minderjarige] . De raad heeft zijn advies ter zitting gehandhaafd. 3.6 Hoewel de bijzondere curator het verzoek van de man in haar verslag van 10 januari 2024 en ter zitting in eerste aanleg nog toewijsbaar achtte, volgt de bijzondere curator thans het advies van de raad, zoals dat is neergelegd in het raadsrapport. Gezag, omgang en informatieregeling 3.7 De man heeft ter zitting in hoger beroep zijn primaire verzoeken onder II en III en zijn subsidiaire verzoek onder IV ingetrokken. Daarom behoeven het ouderlijk gezag, de zorg-/omgangsregeling en de informatieregeling geen bespreking meer. Ook grief 1 van de man over het door de rechtbank ten onrechte passeren van het aanbod van de raad om een raadsonderzoek te verrichten behoeft geen bespreking meer, nu de raad in opdracht van het hof inmiddels een raadsonderzoek heeft verricht. Erkenning 3.8 Het hof komt tot hetzelfde oordeel over de erkenning als de rechtbank. Het hof is het eens met de raad en de bijzondere curator dat het verzoek van de man om [minderjarige] te erkennen niet alsnog moet worden toegewezen. In hoger beroep zijn geen nieuwe feiten of omstandigheden naar voren gekomen die tot een andersluidend oordeel zouden moeten leiden. Het hof neemt de gronden van de rechtbank over en maakt die – na eigen onderzoek – tot de zijne. In aanvulling daarop overweegt het hof als volgt. 3.9 Bij de beoordeling van een verzoek op grond van artikel 1:204 lid 3 aanhef en onder a van het Burgerlijk Wetboek komt het aan op een afweging van de belangen van betrokkenen. Daarbij geldt als uitgangspunt dat zowel het kind als de verwekker er aanspraak op heeft dat hun relatie rechtens wordt erkend als een familierechtelijke rechtsbetrekking. De rechter moet het belang en de aanspraak van de verwekker en het kind op erkenning afwegen tegen de belangen van de moeder en het kind bij niet-erkenning. De rechter geeft geen vervangende toestemming voor erkenning als de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind hierdoor zouden worden geschaad, of als de evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van het kind hierdoor in het gedrang zou komen. Bij de afweging van deze belangen van de moeder en het kind gaat het noodzakelijkerwijs om een verwachting over toekomstige feiten en het feit dat de na verkregen toestemming gedane erkenning onomkeerbaar is. 3.10 De vrouw verzet zich tegen de door de man gevraagde toestemming om [minderjarige] te erkennen. De vrouw stelt dat zij bij erkenning van [minderjarige] door de man in een zodanige toestand komt te verkeren dat zij [minderjarige] niet meer een stabiel opvoedingsklimaat kan bieden. De vrouw kampt met psychische problemen als gevolg van de relatie die zij met de man heeft gehad. De vrouw stelt dat de relatie van partijen zich kenmerkte door huiselijk geweld van de man richting haar, waarvoor de man strafrechtelijk is veroordeeld. De foto’s van het betreffende letsel bij de vrouw zitten in het dossier. De vrouw voert aan dat de man haar niet alleen fysiek mishandelde, maar dat hij ook controles uitvoerde. Zo controleerde de man de locatie van de vrouw, moest zij haar telefoon bij hem inleveren en controleerde en inspecteerde hij haar geslachtsdeel. De vrouw is nog altijd ontzettend bang voor de man. Hoewel zij de man sinds het verbreken van de relatie niet meer heeft gezien, heeft hij nog wel via anderen geprobeerd contact met haar op te nemen. Volgens de vrouw vindt de man het toepassen van huiselijk geweld, zowel fysiek als psychisch, normaal. Zij heeft vernomen dat hij dat bij meerdere ex-partners heeft gedaan en dat hij is veroordeeld voor huiselijk geweld tegen een ex-partner. Ook stelt de vrouw dat een ex-partner een aangifte of melding van huiselijk geweld heeft ingetrokken onder druk van de man. Meerdere ex-partners zijn erg bang voor de man. De vrouw heeft sinds 2023 psychische hulp voor spanning- en stressklachten gerelateerd aan de relatie met de man. In 2024 is zij gestart met EMDR-therapie. Na een eerdere onderbreking vanwege een toename in klachten door het ingestelde hoger beroep is de EMDR-therapie in aanloop naar de zitting wederom gestaakt, omdat dit momenteel de draagkracht van de vrouw overstijgt. De vrouw heeft de zitting digitaal bijgewoond, omdat zij de confrontatie met de man niet aandurfde. 3.11 Uit de in het dossier aanwezige informatie van de psycholoog van de vrouw en de huisarts, alsmede het raadsrapport blijkt dat het onderwerp ‘de man’ en het verband tussen de man en [minderjarige] , de vrouw diepe angst (doodsangst) inboezemt en er sprake is van een trauma. De vrouw is hiervoor in behandeling, maar door de verzoeken van de man aan eerst de rechtbank (september 2023) en vervolgens het hof (september 2024) en nu weer het raadsonderzoek
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.