← Nederland

ECLI:NL:GHARL:2025:918

Afdeling strafrecht Parketnummer: 21-000086-23 Uitspraak d.d.: 17 februari 2025 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland van 23 december 2022 met het parketnummer 16-124168-21 in de strafzaak tegen [verdachte] geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1982, wonende te [adres] . Het hoger beroep De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 3 februari 2025 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot: vernietiging van het vonnis van de politierechter; veroordeling van verdachte ter zake het primair tenlastegelegde tot een taakstraf van zestig uur, subsidiair dertig dagen hechtenis, waarvan dertig uur subsidiair vijftien dagen hechtenis voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft verder kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsvrouw, mr. T.S.S. Overes, naar voren is gebracht. Het vonnis waarvan beroep Bij het hierboven genoemde vonnis, waartegen het hoger beroep is gericht, heeft de politierechter: - verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde veroordeeld tot een taakstraf van tachtig uur, subsidiair veertig dagen hechtenis, waarvan dertig dagen subsidiair vijftien dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen. De tenlastelegging Aan verdachte is tenlastegelegd dat: hij, op of omstreeks 7 juni 2020 te [plaats] , openlijk, te weten, op/aan [locatie] en/of [locatie] , in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [aangever] , door - meermalen, althans eenmaal, tegen het lichaam van die [aangever] te trappen/te schoppen; - met zijn armen op/tegen de nek van die [aangever] aan te drukken; - in het been van die [aangever] te bijten en/of - die [aangever] met een voorwerp in het gezicht te slaan; terwijl dit door hem gepleegde geweld enig lichamelijk letsel, een bijtwond in het been, voor voornoemde [aangever] ten gevolge heeft gehad; subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij, op of omstreeks 7 juni 2020 te [plaats] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen [aangever] heeft mishandeld door - meermalen, althans eenmaal, tegen het lichaam van die [aangever] te trappen/te schoppen; - met zijn armen op/tegen de nek van die [aangever] aan te drukken; - in het been van die [aangever] te bijten en/of - die [aangever] met een voorwerp in het gezicht te slaan. Overweging met betrekking tot het tenlastegelegde Het standpunt van de advocaat-generaal De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde. Hiertoe heeft zij – kort gezegd – het volgende aangevoerd. Het staat vast dat er een gevecht heeft plaatsgevonden tussen de verdachte en zijn [medeverdachte] (hierna: de vader van verdachte) enerzijds en aangever anderzijds. De advocaat-generaal acht het niet geloofwaardig dat verdachte is weggerend op het moment dat de vader van verdachte nog in gevecht was met aangever en volgt daarom het verhaal van aangever dat hij werd aangevallen door verdachte en zijn vader en dat hij degene is geweest die de steeg in rende, waarna hij achtervolgd werd door verdachte. Zij voegt daaraan toe dat verdachte actief heeft bijgedragen aan het gevecht tussen aangever en de vader van verdachte door aangever zelf te slaan en te bijten. De advocaat-generaal voert daarnaast aan dat geen sprake was van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding waartegen verdachte zich noodzakelijkerwijs moest verdedigen. De verdachte was degene die het conflict heeft opgezocht en hij had zich kunnen onttrekken aan de situatie. Het was juist aangever die zichzelf verdedigde tegen de wederrechtelijke aanval van verdachte. Aangever mocht verdachte dus in bedwang houden en verdachte mocht zich daartegen niet verweren door aangever te bijten. Daarom is er geen sprake van een noodweersituatie. Bovendien is het bijten in het been van aangever geen proportionele reactie, mocht het hof wel aannemen dat sprake was van een noodweersituatie. Het standpunt van verdachte Door de raadsvrouw is bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het in vereniging plegen van openlijke geweld. Volgens de raadsvrouw is er geen wettig en overtuigend bewijs dat verdachte geweld heeft gebruikt en is bovendien geen sprake van een significante en wezenlijke bijdrage bij eventueel geweld van de vader van verdachte tegen aangever. Indien het hof meent dat er wel voldoende bewijs is voor openlijke geweldpleging, is de verdediging van mening dat ten aanzien van het onderdeel in de tenlastelegging, te weten het bijten, kan worden vastgesteld dat dit onderdeel uit noodweer was, waardoor verdachte partieel ontslagen dient te worden van alle rechtsvervolging. Er was immers sprake van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding van verdachte zijn lijf door aangever, waar hij zich tegen mocht verdedigen. Enkel door te bijten kon verdachte proberen om uit de houdgreep van aangever te komen en de aanval door aangever af te wenden. Indien het hof verdachte vrijspreekt van het primair tenlastegelegde, verzoekt de verdediging het hof om verdachte ten aanzien van het subsidiaire vrij te spreken nu hijzelf geen aandeel in het geweld van zijn vader had, dan wel partieel vrij te spreken van de mishandeling, te weten ten aanzien van het bijten, wegens noodweer. Oordeel van het hof Feiten en omstandigheden Uit het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting volgt dat aangever vanuit zijn met een heg omheinde tuin richting verdachte liep, terwijl verdachte op dat moment met zijn jonge kind achterop de fiets voor zijn eigen voordeur stond. Tussen verdachte en aangever ontstond een conflict waarna zij in gevecht raakten, waarbij het onduidelijk is welke geweldshandelingen op dat moment door wie zijn gepleegd. Kort daarop komt de vader van verdachte naar buiten en ontstaat er een gevecht tussen aangever en de vader van verdachte. Op dat moment rent verdachte weg richting [locatie] . Aangever rent achter verdachte aan, waarna verdachte ten val komt. Op dit moment begint de tweede fase van het incident en gaat aangever bovenop verdachte zitten. Verdachte bijt vervolgens in het been van aangever en kort daarna trekt de vader van verdachte aangever van verdachte af. Vrijspraak van het primair tenlastegelegde In casu zal beoordeeld moeten worden of verdachte in vereniging met zijn vader openlijk geweld heeft gepleegd jegens aangever. Het hof stelt voorop dat van het "in vereniging" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld. Het hof is van oordeel dat dit op basis van het dossier en hetgeen ter terechtzitting is behandeld niet kan worden vastgesteld en overweegt daartoe het volgende. De vader van verdachte heeft zich ongevraagd in het conflict tussen verdachte en aangever gemengd en heeft daarbij geweld gebruikt tegen aangever. Direct op dat moment is verdachte weggerend. Weliswaar geeft aangever aan dat hij degene is geweest die als eerste weggerend is, maar het hof acht de verklaring van verdachte dat hij degene was die als eerste wegrende, aannemelijk geworden. Het was immers de vader van verdachte die aangever op de grond geduwd hield en zijn keel smoorde en vanaf dat moment had verdachte de mogelijkheid om weg te rennen. Niet is gebleken dat de verdachte op enige wijze door verbale of fysieke handelingen de geweldshandelingen van zijn vader tegen aangever, zoals tenlastegelegd, heeft ondersteund of anderszins heeft bijgedragen in het ontstaan of het voortduren daarvan. Verdachte is tijdens de eerste fase van het incident weggerend op het moment dat de vader van verdachte tussen het gevecht van verdachte en aangever kwam. Ten aanzien van de tweede fase van het incident is onvoldoende gebleken dat verdachte op dat moment zelf, behoudens het bijten in het been van aangever, geweld heeft gebruikt. Daar komt bij dat de vader van verdachte zich wederom pas later heeft betrokken bij deze fase van het incident en verdachte toen zelf geen geweld meer heeft gebruikt. Gelet op het voorgaande is niet komen vast te staan dat verdachte een significante bijdrage heeft geleverd aan het door de vader van verdachte gepleegde geweld. Dit heeft tot gevolg dat het ten laste gelegde ‘’in vereniging’’ niet kan worden bewezen. Gelet daarop zal verdachte worden vrijgesproken van het hem primair tenlastegelegde feit. Overweging ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde Zoals hiervoor overwogen is het hof van oordeel dat geen sprake is van het in vereniging plegen van geweld, zodat de door de vader van verdachte verrichte geweldshandelingen jegens aangever niet aan verdachte kunnen worden toegerekend en dit deel van de tenlastelegging dus niet bewezen kan worden. Het hof stelt vast dat niet ter discussie staat dat verdachte aangever in zijn been heeft gebeten. De vraag die voorligt is of verdachte heeft gehandeld uit noodweer en dat daardoor geen sprake is van wederrechtelijkheid van zijn handelen. Gelet op de feiten en omstandigheden is het hof van oordeel dat hetgeen verdachte heeft verklaard over het incident, te weten dat hij geen lucht meer kreeg doordat aangever met zijn knie en zijn volle gewicht bovenop verdachte zat, aannemelijk is geworden en dat verdachte hierdoor handelde uit noodweer. Verdachte werd geconfronteerd met een onmiddellijk dreigend gevaar voor een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van zijn eigen lichaam, waardoor verdachte niet anders kon handelen dan hij heeft gedaan. Het handelen van verdachte acht het hof proportioneel in verhouding tot de situatie waarin hij zich bevond: op de grond klem gehouden waarbij hij door de druk van de knie van aangever hoog op zijn borst geen adem meer kreeg. Verdachte had zich hieraan niet op een andere wijze kunnen onttrekken, waardoor ook aan de eisen van subsidiariteit is voldaan. Nu verdachte een beroep op noodweer toekomt en de wederrechtelijkheid van zijn handelen daarmee niet is komen vast te staan, zal hij worden vrijgesproken van de subsidiair tenlastegelegde mishandeling. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair en subsidiair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij. Aldus gewezen door mr. F.E.J. Goffin, voorzitter, mr. O. Anjewierden en mr. J.A.M. Kwakman, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. L. Kiemel, griffier, en op 17 februari 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.