GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN zittingsplaats Leeuwarden Zaaknummer : Wahv 200.356.216/01 CJIB-nummer : 252474500 Uitspraak d.d. : 24 februari 2026 Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Gelderland van 4 maart 2025, betreffende [betrokkene] (hierna: de betrokkene), wonende te [woonplaats]. De gemachtigde van de betrokkene is mr. C.M.J.E.P. Meerts, kantoorhoudende te Beegden. De beslissing van de kantonrechter De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gedeeltelijk gegrond verklaard en de sanctie gematigd tot een bedrag van € 307,
- Het verzoek om een proceskostenvergoeding is toegewezen tot een bedrag van € 453,
- Het verloop van de procedure De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding. De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend. De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht. De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt. De beoordeling
- Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 410,- (na matiging: € 307,50) voor: “met een voertuig rijden, met gevaar dat de niet deugdelijk afgedekte losse lading valt”. Deze gedraging zou zijn verricht op 13 september 2022 om 19.21 uur op de Achterdijk in Rossum met het voertuig met het kenteken [kenteken].
- De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de kantonrechter ten onrechte de stelling van de betrokkene dat er geen gevaar bestond voor het afvallen van de lading niet heeft gevolgd. Dit is volgens de gemachtigde onbegrijpelijk. Deze overweging is gebaseerd op het aanvullend proces-verbaal waaruit zou blijken dat er al maïskolven van het voertuig waren afgewaaid, hetgeen de betrokkene betwist. Dat wat de ambtenaar op de weg heeft zien liggen moet van een eerder voertuig zijn geweest. De gemachtigde verwijst naar een uitspraak van het hof in een zaak waarin was aangevoerd dat voldoende ruimte was vrijgelaten bij de randen van de bak. Uit het dossier en de foto die door de advocaat-generaal is overgelegd blijkt niet het tegendeel. De stelling van de advocaat-generaal dat zichtbaar zou zijn dat de aanhangwagen in het midden tot boven de rand is gevuld en in ieder geval aan de zijkant tot aan de rand is volgeladen, klopt volgens de gemachtigde niet.
- De onderhavige gedraging betreft een overtreding van artikel 5.1.2 in samenhang met artikel 5.18.6, tweede lid, van de Regeling voertuigen (Rv). Artikel 5.1.2 Rv luidt, voor zover hier van belang: “Het is de bestuurder van een voertuig of een samenstel van voertuigen verboden daarmee te rijden (…), indien niet wordt voldaan aan de in afdeling 18 van dit hoofdstuk ten aanzien van het gebruik van voertuigen of samenstellen van voertuigen van de categorie of categorieën, waartoe die voertuigen behoren, gestelde eisen.”
- Artikel 5.18.6 Rv, tweede lid, luidt: “Losse lading die naar haar aard niet op of aan het voertuig bevestigd kan worden, moet deugdelijk zijn afgedekt indien gevaar of hinder ontstaat of kan ontstaan als gevolg van afvallende of wegwaaiende lading.”
- De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens: “Wij, verbalisanten, zagen dat betrokken voertuig een aanhangwagen achter zich trok. Op deze aanhangwagen lag groene maïs dat boven de schotten uitkwam. Hierover zagen wij geen net gespannen. (…) Verklaring betrokkene: ik had groene maïs en dat kan er niet af waait (naar het hof begrijpt: afwaaien).”
- Verder bevat het dossier een aanvullend proces-verbaal d.d. 8 februari
- Hierin verklaart de ambtenaar – voor zover relevant – het volgende: “(…) Ik, verbalisant, zag dat de lading niet was gezekerd en dat deze onder normale verkeerssituaties, waaronder begrepen volle remmingen, plotselinge uitwijkmanoeuvres en slecht wegdek van het voertuig kon vallen of de stabiliteit van het voertuig in gevaar kon brengen. Ik zag dat de lading bestond uit; - Maïskolven. Ik zag dat over de lading geen net was gespannen. Ik zag dat er al stukken maïskolven vanaf waren gewaaid en dat deze over de weg waar de betrokkene vandaan kwam waren verspreid. Ik zag dat het op het moment van verbaliseren begon met regenen. Hierdoor kunnen de bladeren van de maïskolven glad worden waardoor er gevaar ontstaat voor het overige verkeer en voornamelijk voor de motoren die op deze provinciale weg kunnen rijden.”
- Het dossier bevat foto’s van de gedraging. Hierop is een tractor met een aanhangwagen te zien waarin losse lading ligt. Zichtbaar is dat de lading niet is afgedekt en in het midden van de laadbak ruimschoots boven de rand uitkomt, terwijl de laadbak aan de zijkant vrijwel tot de rand is gevuld.
- Ter beantwoording van de vraag of de lading die door de betrokkene vervoerd werd, afgedekt moest worden, is bepalend of gevaar of hinder is ontstaan of kon ontstaan door afvallende of wegwaaiende lading. Naar het oordeel van het hof is dat in deze zaak het geval. Het gaat hier om (gehakselde) maïskolven die niet waren afgedekt. Uit de verklaring van de ambtenaar en de foto's blijkt dat in de aanhangwagen groene maïs lag die boven de schotten uitkwam en dat de laadbak vrijwel tot aan de rand was gevuld. De lading kon onder normale verkeerssituaties, waaronder volle remmingen, plotselinge uitwijkmanoeuvres en een slecht wegdek, van het voertuig vallen of de stabiliteit van het voertuig in gevaar brengen. Verder blijkt uit de verklaring van de ambtenaar dat stukken maïskolven van de aanhangwagen waren gewaaid en verspreid lagen op het wegdek waar de betrokkene vandaan kwam. Voor zover de betrokkene betwist dat de stukken maïskolven die op de weg lagen van zijn voertuigcombinatie waren afgevallen, wordt dit weersproken door de verklaring van de ambtenaar. Voor zover de betrokkene heeft gesteld dat de groene maïs niet van de aanhangwagen zou kunnen afwaaien, dan wel niet zou kunnen afvallen, heeft hij zijn stelling niet aannemelijk gemaakt. Het arrest waarnaar de gemachtigde verwijst heeft geen betrekking op een vergelijkbare situatie. Ten eerste ging het in de desbetreffende zaak niet om vervoer van maïs, maar om een lading bieten. Verder had het hof, anders dan in de onderhavige zaak, vastgesteld dat uit een foto bleek dat een lading bieten in een laadbak werd vervoerd en dat daarbij (voldoende) ruimte was gelaten aan randen van de laadbak. Het hof komt in de onderhavige zaak tot de slotsom dat de gedraging is verricht.
- Het hof zal de beslissing van de kantonrechter daarom bevestigen. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen. De beslissing Het gerechtshof: bevestigt de beslissing van de kantonrechter; wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af. Dit arrest is gewezen door mr. De Witt, in tegenwoordigheid van mr. Reuver als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken. Hierbij verwijst de gemachtigde naar een arrest van dit hof van 26 oktober 2020 (met het zaaknummer Wahv 200.244.525), r.o. 20.