← Nederland

ECLI:NL:GHARL:2026:1068

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.354.654 (zaaknummer rechtbank Gelderland 438978) beschikking van 24 februari 2026 inzake [verzoeker] , werkzaam bij [naam1] , kantoorhoudende te [vestigingsplaats] , in zijn hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen die (zullen) toebehoren aan: [naam2] , wonende in [woonplaats1] ,verzoeker in hoger beroep, verder te noemen: de vader, advocaat: mr. M.G.W.M. Geurts, en [verweerster] , wonende in [woonplaats2] , gemeente [gemeentenaam] , verweerster in hoger beroep, verder te noemen: de moeder, advocaat: mr. A.J.M. van Haaren. 1Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 19 februari 2025, uitgesproken onder nummer 438978, hierna ook: de bestreden beschikking. 2Het geding in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - het beroepschrift met bijlagen, ingekomen op 17 mei 2025; - het verweerschrift - een journaalbericht namens de vader van 17 september 2025 met bijlagen; - een journaalbericht namens de moeder van 18 september 2025 met bijlagen; - een journaalbericht namens de vader van 11 januari 2026 met bijlagen. 2.2 De mondelinge behandeling heeft op 20 januari 2026 plaatsgevonden. Aanwezig waren: - de vader, bijgestaan door zijn advocaat; - de moeder, bijgestaan door haar advocaat, beiden via een digitale verbinding. 2.3 Na de mondelinge behandeling is, zoals afgesproken tijdens de mondelinge behandeling op 20 januari 2026, namens de vader ingekomen een journaalbericht van 25 januari 2026, ontvangen op 27 januari 2026, met als bijlage de machtiging en instemmingsverklaring van de bewindvoerder van de vader van 23 januari

  1. Een kopie hiervan is aan de advocaat van de moeder gestuurd. 3De feiten 3.1 Het huwelijk van partijen is op 18 maart 2025 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand. 3.2 De vader en de moeder zijn de ouders van [de minderjarige] (hierna: [de minderjarige] ), geboren [in] 2024, over wie partijen gezamenlijk het gezag uitoefenen. [de minderjarige] woont bij de moeder. 4De omvang van het geschil 4.1 Bij de bestreden beschikking is bepaald dat de vader met ingang van 23 juli 2024 € 165,- per maand moet betalen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] (hierna ook: kinderalimentatie). 4.2 De vader is in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Hij verzoekt het hof om die beschikking te vernietigen en te bepalen dat hij met ingang van 20 februari 2025 aan kinderalimentatie voor [de minderjarige] een bedrag van € 25,- per maand dient te voldoen. 4.3 De moeder heeft verweer gevoerd. Zij vraagt het hof om de vader niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek in hoger beroep dan wel dat verzoek af te wijzen. 5De motivering van de beslissing Ontvankelijkheid 5.1 Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof is gebleken dat de kantonrechter van de rechtbank Gelderland bij beschikking van 27 mei 2025 de goederen die (zullen) toebehoren aan de vader onder bewind heeft gesteld wegens zijn geestelijke of lichamelijke toestand. Door de vader is op 17 mei 2025 een beroepschrift ingediend, de vader is daarom ontvankelijk in zijn hoger beroep. Procespositie van de vader 5.2 Artikel 1:441 van het Burgerlijk Wetboek (BW) brengt mee dat in een kinderalimentatiezaak als deze, die betrekking heeft op de onder bewind gestelde goederen van de vader, de bewindvoerder de vader in en buiten rechte vertegenwoordigt. De bewindvoerder van de vader had dan ook, anders dan is gebeurd, door de vader moeten worden betrokken in de procedure in hoger beroep (HR 7 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:525). De strekking van wat de Hoge Raad heeft overwogen in zijn prejudiciële beslissing van 7 maart 2014 is dat het erom gaat dat de bewindvoerder in de procedure wordt betrokken en de kans krijgt zich inhoudelijk te bemoeien met de zaken die het bewind aangaan. 5.3 Nu in hoger beroep de bewindvoerder door middel van de machtiging en instemmingsverklaring van 23 januari 2026 alsnog in de procedure is betrokken en te kennen heeft gegeven dat hij instemt en volmacht geeft aan de advocaat van de vader om procedures aanhangig te maken en deze tot in de hoogste instantie door te zetten, zal het hof ervan uitgaan dat de bewindvoerder in rechte is verschenen en als formele procespartij het geding van de verzoeker in hoger beroep heeft overgenomen. De kinderalimentatie Vermeerdering verzoek 5.4 Namens de vader is zijn verzoek tijdens de mondelinge behandeling bij het hof gewijzigd. Hij verzoekt nu te bepalen dat hij met ingang van 23 juli 2024 (in plaats van 25 februari 2025) € 25,- per maand moet voldoen. In een alimentatiegeschil kunnen partijen, zelfs nog op de mondelinge behandeling in hoger beroep, nieuwe feiten en omstandigheden (en grieven) aanvoeren die betrekking hebben op de inkomenspositie van partijen. Deze uitzondering is gestoeld op de gedachte dat de omvang van de alimentatie op grond van artikel 1:401 BW steeds kan worden gewijzigd, zelfs met terugwerkende kracht, indien deze niet (langer) aan de wettelijke maatstaven voldoet. Wel moet worden beoordeeld of het toelaten van de nieuwe grief niet in strijd komt met de eisen van een goede procesorde. Daarvan is (in elk geval) sprake indien het leidt tot een onredelijke bemoeilijking van de verdediging of onredelijke vertraging van het geding. Naar het oordeel van het hof is daar geen sprake van. Het hof zal dan ook beslissen op het gewijzigde verzoek van de vader. Standpunten 5.5 De vader stelt dat hij tijdens de procedure bij de rechtbank niet goed zicht had op zijn financiële situatie. Op dat moment liep er een aantal sollicitaties, wat maakte dat de vader er vertrouwen in had dat hij de verzochte alimentatie zou kunnen betalen. Kort na de zitting bij de rechtbank is de vader in de crisisopvang van [naam3] terechtgekomen. Pas toen heeft hij een uitkering aangevraagd, die hem is toegekend per 20 februari
  2. Volgens de vader kan hij daarom niet meer kinderalimentatie betalen dan € 25,- per maand. 5.6 De moeder is het hier niet mee eens, zij vindt dat de rechtbank de juiste beslissing heeft genomen. Volgens de moeder laat de vader te weinig bewijs zien en kan hij de door de rechtbank vastgestelde alimentatie wel betalen. Oordeel van het hof 5.7 De ingangsdatum die de rechtbank heeft gehanteerd, 23 juli 2024, is tussen partijen niet in geschil, zodat het hof hier ook van uit zal gaan. Over de behoefte van [de minderjarige] bestaat ook geen discussie, deze bedraagt in 2024 € 190,- per maand (zoals door de moeder is berekend in de procedure bij de rechtbank). De ouders dienen samen, naar rato van hun draagkracht (en bij onvoldoende draagkracht tot de grens daarvan) te voorzien in de behoefte van [de minderjarige] . 5.8 De vader ontvangt vanaf 20 februari 2025 een uitkering op grond van de Participatiewet. Volgens de aanbevelingen voor de berekening van kinderalimentatie van de Expertgroep Alimentatienormen bedraagt de draagkracht in dit geval € 25,- per maand. Voor het hof staat hiermee vast dat de draagkracht van de vader, in ieder geval vanaf 20 februari 2025, € 25,- per maand bedraagt. 5.9 Vervolgens moet het hof de draagkracht van de vader beoordelen in de periode van 23 juli 2024 tot 20 februari
  3. Het hof vindt dat de vader voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij ook in deze periode een inkomen heeft genoten dat in ieder geval niet hoger is geweest dan de uitkering die hij op grond van de Participatiewet ontvangt. De vader heeft een verklaring geregistreerd inkomen 2024 van de Belastingdienst overgelegd. Hieruit blijkt dat de vader in 2024 in totaal € 18.963,- bruto heeft verdiend. Het hof zal de draagkracht van de vader in overeenstemming met de draagkrachttabel 2024 vaststellen op het minimum van € 25,- per maand. 5.10 Het hof gaat voorbij aan de stelling van de moeder dat bij de vader sprake is van verwijtbaar inkomensverlies dat ook nog eens voor herstel vatbaar is. Naar het oordeel van het hof heeft de moeder, tegenover de gemotiveerde betwisting van de vader, onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de vader eerder een substantieel hoger inkomen genoot en dat dit inkomen voor herstel vatbaar is. De vader heeft toegelicht dat hij begin 2024 is gestopt met zijn werk voor een uitzendbureau in verband met klachten aan zijn benen. Hierdoor was het voor de vader lang niet mogelijk om te werken. Kort na de bestreden beschikking is de vader in de crisisopvang van [naam3] terechtgekomen, waar hij nu nog steeds verblijft. Dit is door de moeder niet betwist. Het hof concludeert daarom dat geen sprake is van een herstelbaar of verwijtbaar inkomensverlies en houdt hiermee geen rekening. 5.11 Het hof zal de vader met ingang van 23 juli 2024 een minimale draagkracht toekennen van € 25,- per maand. 5.12 Partijen zijn het eens over de draagkracht van de moeder, deze bedraagt € 25,- per maand. De behoefte van [de minderjarige] is € 190,- per maand (in 2024), terwijl partijen een gezamenlijke draagkracht hebben van € 50,- per maand. Dat is minder dan de behoefte, zodat partijen hun gehele draagkracht moeten aanwenden ten behoeve van [de minderjarige] en het tekort in draagkracht bij helfte moeten dragen. Dit betekent dat de vader met ingang van 23 juli 2024 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] een bedrag van € 25,- per maand dient te voldoen. Terugbetalingsverplichting 5.13 De vader heeft vanaf 23 juli 2024 tot heden twee maal € 34 betaald. Er is niet meer betaald dan hij moet bijdragen. Er is geen terugbetalingsplicht van de moeder ontstaan. 6De beslissing Het hof, beschikkende in hoger beroep: vernietigt de beschikking van de rechtbank Gelderland van 19 februari 2025, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en in zoverre opnieuw beschikkende: bepaalt dat de vader aan de moeder met ingang van 23 juli 2024 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] € 25,- per maand zal betalen, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen; verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad; wijst het meer of anders verzochte af. Deze beschikking is gegeven door mrs. J.H. Lieber, H. Phaff en R. Krijger, bijgestaan door mr. K.E. Vaartjes-de Wit als griffier, en is op 24 februari 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier. HR 20 maart 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG9917, rov. 5.2.3.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.