← Nederland

ECLI:NL:GHARL:2026:1070

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht zaaknummers gerechtshof 200.357.968/01, 200.363.392/01 en 200.363.393/01 (zaaknummers rechtbank Noord-Nederland 151786, 153470 en 153472) beschikking van 24 februari 2026 over de omgang met [minderjarige] in de zaak van [verzoeker] (de vader), [verzoekster] (de moeder), samen ‘de ouders’, die wonen in [woonplaats] , verzoekers in hoger beroep, advocaat: mr. J.E. Kötter te Amsterdam, en de gecertificeerde instelling, Stichting Jeugdbescherming Noord en Veilig Thuis Groningen (de GI), gevestigd te Assen. Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt: [belanghebbenden] (de pleegouders), die wonen op een bij het hof bekend adres. In zijn toetsende en/of adviserende taak is in alle zaken gekend: de raad voor de kinderbescherming (de raad), locatie Groningen. 1Samenvatting In de zaak met het zaaknummer 200.357.968/01 1.

  1. De kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, heeft op 10 juni 2025 de verzoeken van de vader en de moeder afgewezen. De vader had verzocht om de schriftelijke aanwijzing van de GI vervallen te verklaren en de omgangsregeling tussen [minderjarige] en hem te wijzigen. De moeder had verzocht een omgangsregeling tussen [minderjarige] en haar vast te stellen. De ouders hebben op de zitting bij het hof hun beroepschrift tegen de beslissing van de rechtbank ingetrokken, zodat het hof hun beroep in deze zaak niet-ontvankelijk zal verklaren. In de zaak met het zaaknummer 200.363.392/01 1.
  2. De kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, heeft op 24 december 2025 het verzoek van de GI om de omgangsregeling tussen de vader en [minderjarige] te wijzigen toegewezen en bepaald dat de vader en [minderjarige] eenmaal per maand omgang hebben in [een omgangshuis] . Het hof beslist dat dit zo moet blijven en dat de beslissing van de kinderrechter moet worden aangevuld. Het hof legt hierna uit waarom. In de zaak met het zaaknummer 200.363.393/01 1.
  3. De kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, heeft op 24 december 2025 het verzoek van de GI om een omgangsregeling tussen de moeder en [minderjarige] vast te stellen toegewezen en bepaald dat de moeder en [minderjarige] eenmaal per maand omgang hebben in [een omgangshuis] . Het hof beslist dat dit zo moet blijven en dat de beslissing van de kinderrechter moet worden aangevuld. Het hof legt hierna uit waarom. 2De feiten 2.
  4. De ouders hebben een kind: [minderjarige] . [minderjarige] is geboren [in]
  5. 2.
  6. De vader heeft alleen het gezag over [minderjarige] . Het gezag van de moeder over [minderjarige] is [in] 2022 beëindigd. 2.
  7. [minderjarige] staat sinds 20 september 2022 onder toezicht van de GI. De ondertoezichtstelling loopt tot 20 september
  8. Op 20 september 2022 is ook een machtiging tot uithuisplaatsing verleend en die is sindsdien verlengd en loopt tot 20 september
  9. [minderjarige] woont sinds zij vier maanden is in een pleeggezin, in eerste instantie in vrijwillig kader en sinds 20 september 2022 op basis van de machtiging tot uithuisplaatsing. 2.
  10. De vader had om de week onder begeleiding een contactmoment met [minderjarige] . Sinds februari 2024 is moeder ook bij die contactmomenten aanwezig. Op 28 maart 2025 heeft Yorneo geadviseerd om de omgang tussen [minderjarige] en haar ouders in frequentie en duur te verminderen naar een keer in de maand een uur. De contactmomenten tussen de ouders en [minderjarige] zijn naar aanleiding van dat advies teruggebracht tot een keer per maand een uur onder begeleiding in [een omgangshuis] . 3De procedure bij het hof In de zaak met het zaaknummer 200.357.968/01 3.
  11. De ouders zijn het niet eens met de beslissing van de kinderrechter. Zij komen daarvan in hoger beroep. Zij willen dat het hof de beslissing van de kinderrechter ongedaan maakt en alsnog de schriftelijke aanwijzing vervallen verklaart. De vader verzoekt daarnaast de omgangsregeling tussen [minderjarige] en hem te wijzigen en de moeder verzoekt om een omgangsregeling tussen [minderjarige] en haar vast te stellen. 3.
  12. De GI erkent dat de omgangsregeling tussen de vader en [minderjarige] niet via een schriftelijke aanwijzing kon worden gewijzigd en dat de omgangsregeling tussen de moeder en [minderjarige] niet via een schriftelijke aanwijzing kon worden vastgesteld. De GI vindt wel dat de omgangsregeling tussen de ouders en [minderjarige] moet worden verminderd. 3.
  13. Op de zitting hebben de ouders hun beroep ingetrokken. De informatie die het hof heeft ontvangen 3.
  14. Het hof heeft de volgende stukken ontvangen: het beroepschrift, binnengekomen op 11 augustus 2025 de stukken van de ouders van 19 augustus 2025 het verweerschrift de brief van de raad van 20 oktober 2025, waarin de raad zich afmeldt voor de zitting het stuk van de GI van 19 november
  15. In de zaak met het zaaknummer 200.363.392/01 3.
  16. De vader is het niet eens met de beslissing van de kinderrechter. Hij komt daarvan in hoger beroep. Hij wil dat het hof de beslissing van de kinderrechter ongedaan maakt en een uitgebreidere omgangsregeling tussen [minderjarige] en hem bepaalt. 3.
  17. De GI wil dat de beslissing van de kinderrechter in stand blijft. De informatie die het hof heeft ontvangen 3.
  18. Het hof heeft de volgende stukken ontvangen: het beroepschrift, binnengekomen op 8 januari 2026 het bericht van de pleegouders van 14 januari 2026 de stukken van de GI van 14 januari 2026 de stukken van de ouders van 15 januari
  19. In de zaak met het zaaknummer 200.363.393/01 3.
  20. De moeder is het niet eens met de beslissing van de kinderrechter. Zij komt daarvan in hoger beroep. Zij wil dat het hof de beslissing van de kinderrechter ongedaan maakt en een uitgebreidere omgangsregeling tussen [minderjarige] en haar bepaalt. 3.
  21. De GI wil dat de beslissing van de kinderrechter in stand blijft. De informatie die het hof heeft ontvangen 3.
  22. Het hof heeft de volgende stukken ontvangen: het beroepschrift, binnengekomen op 8 januari 2026 het bericht van de pleegouders van 14 januari 2026 de stukken van de GI van 14 januari 2026 de stukken van de ouders van 15 januari
  23. In de zaken met de zaaknummers 200.357.968/01, 200.363.392/01 en 200.363.393/01 3.
  24. De zitting bij het hof was op 20 januari
  25. Aanwezig waren: de ouders met hun advocaat twee vertegenwoordigers van de GI twee vertegenwoordigers van Yorneo als informant. 4Het oordeel van het hof In de zaak met het zaaknummer 200.357.968/01 4.
  26. Het hof maakt uit de intrekking van het hoger beroep door de ouders op dat de gronden van het hoger beroep door hen niet worden gehandhaafd. Het hof zal daarom de ouders niet-ontvankelijk verklaren in dit hoger beroep. In de zaken met de zaaknummers 200.363.392/01 en 200.363.393/01 Wat staat in de wet? 4.
  27. De kinderrechter kan op verzoek van de gecertificeerde instelling voor de duur van de ondertoezichtstelling een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken of een regeling inzake de uitoefening van het recht op omgang vaststellen of wijzigen voor zover dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk is. Hoe oordeelt het hof? 4.
  28. Het hof is net als de kinderrechter van oordeel dat de contactregeling tussen de ouders en [minderjarige] moet worden beperkt in frequentie ten opzichte van de eerdere regeling waarbij zij iedere twee weken contact met [minderjarige] hadden. De beslissing van de kinderrechter zal daarom in stand blijven (worden bekrachtigd). Het advies van Yorneo van 28 maart 2025, dat mede is gebaseerd op de CHOP-lijst, is duidelijk over de noodzaak om de duur en de frequentie van de bezoekregeling tussen [minderjarige] en de ouders te verminderen. [minderjarige] heeft dit nodig om meer tot ontspanning te komen, zodat zij de ruimte heeft om zich te richten op haar ontwikkelingstaken. Die ontwikkelingstaken zijn onder andere haar schoolgang en het uitbreiden van het aantal lesdagen, de start bij de BSO vanaf februari 2026 en ook het bezig zijn met haar levensverhaal. Dit laatste ziet de GI als een opmaat naar de traumatherapie die [minderjarige] naar verwachting nodig zal hebben. 4.
  29. Het contact tussen [minderjarige] en de ouders is ook een ontwikkelingstaak van [minderjarige] waarvoor tijd en ruimte moet zijn. Het is voor haar identiteitsontwikkeling van groot belang dat zij weet wie haar ouders zijn en dat zij een regelmatig contact met hen heeft. De kinderrechter heeft niet bepaald wat de duur van de contactregeling zou moeten zijn, maar enkel een beslissing genomen over de frequentie daarvan (éénmaal per maand). De beschikking van de kinderrechter laat dus ruimte om de duur van het contact nader in te vullen. Gebleken is dat de betrokkenen daarbij lijken uit te gaan van een duur van een uur per keer. Nu uit de verslagen over de contactmomenten tussen [minderjarige] en haar ouders blijkt dat deze over en weer goed verlopen, vindt het hof het van belang dat er een ondergrens voor de duur van die contactmomenten wordt bepaald. Weliswaar is de huidige duur van de contactmomenten conform het advies van Yorneo, maar uit datzelfde advies blijkt dat de CHOP meer ruimte geeft en uitgaat van maximaal een dagdeel. De raad heeft op de zitting bij de kinderrechter op 9 december 2025 opgemerkt dat het een optie is om (incidenteel) de contactmomenten iets langer te laten duren, zodat [minderjarige] leuke activiteiten met de ouders kan ondernemen en daardoor meer ontspannen het contact met de ouders kan aangaan. Het hof kan zich vinden in dat advies en zal daarom de beslissing van de kinderrechter aanvullen en bepalen dat het contactmoment minimaal anderhalve uur dient te duren. De GI moet de mogelijkheden van uitbreiding van de contactmomenten in frequentie en duur blijven onderzoeken, ook buiten de met de ouders geplande evaluatiemomenten om. 4.
  30. De spanning tussen de pleegouders en de ouders is een punt van aandacht en het is in het belang van [minderjarige] dat de verhouding tussen hen verbetert. Zowel de ouders als de pleegouders dienen zich hiervoor in te zetten. De ouders hebben ter zitting aangegeven mee te willen werken aan wat daarvoor noodzakelijk is en zij stelden voor om daarover met elkaar in gesprek te gaan. Het hof gaat ervan uit dat de GI begeleiding van een dergelijk gesprek, dan wel andere acties ter verbetering van de verhouding, begeleidt. Uitvoerbaar bij voorraad 4.
  31. Nu het hof de uitspraak van de kinderrechter aanvult en het hof vindt dat die aanvulling ook daadwerkelijk uitgevoerd moet worden, zal het hof de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren. Dit betekent dat, ook al zou een van de belanghebbenden de beslissing van het hof voorleggen aan de Hoge Raad, de uitvoering daarvan niet wordt geschorst. 5De beslissing Het hof: in de zaak met het zaaknummer 200.357.968/01 5.
  32. verklaart de ouders niet-ontvankelijk in het hoger beroep; in de zaak met het zaaknummer 200.363.392/01 5.
  33. bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 24 december 2025 en vult aan dat de zorgregeling tussen de vader en [minderjarige] per contactmoment minimaal anderhalve uur duurt; in de zaak met het zaaknummer 200.363.393/01 5.
  34. bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 24 december 2025 en vult aan dat de omgangsregeling tussen de moeder en [minderjarige] per contactmoment minimaal anderhalve uur duurt; in de zaken met de zaaknummers 200.363.392/01 en 200.363.393/01 5.
  35. verklaart deze beschikking wat betreft de aanvulling uitvoerbaar bij voorraad; in de zaken met de zaaknummers 200.357.968/01, 200.363.392/01 en 200.363.393/01 5.
  36. wijst af het meer of anders verzochte. Deze beschikking is gegeven door mr. K.H.P. Selcraig, mr. E.B.E.M. Rikaart-Gerard en mr.C. Coster, bijgestaan door mr. M. Marsnerova als griffier, en is op 24 februari 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier. Artikel 1:265g lid 1 BW

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.