GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.362.073 (zaaknummer rechtbank Gelderland 451949) beschikking van 24 februari 2026 inzake [verzoekster] , wonende te [woonplaats1] ,verzoekster in hoger beroep, verder te noemen: de vrouw, advocaat: mr. B. Eijgelsheim, en [verweerder] , wonende te [woonplaats2] , verweerder in hoger beroep, verder te noemen: de man, zonder advocaat. 1Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 28 augustus 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. 2Het geding in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - het beroepschrift met producties 1 tot en met 4, ingekomen op 28 november
- 2.2 De mondelinge behandeling heeft op 30 januari 2025 plaatsgevonden. Daar zijn partijen verschenen, waarbij de vrouw werd bijgestaan door haar advocaat. 3De feiten 3.1 Het geregistreerd partnerschap van partijen is op 2 december 2021 geëindigd door inschrijving van de ontbindingsbeschikking van 15 november
- 3.2 Partijen zijn de ouders van: - [minderjarige] , geboren op [geboortedag]
- Partijen oefenen gezamenlijk het gezag uit over [minderjarige] . 3.3 In het kader van de beëindiging van hun geregistreerd partnerschap hebben partijen op 27 oktober 2021 een ouderschapsplan opgesteld. Daarin is onder meer afgesproken dat [minderjarige] haar hoofdverblijf bij de vrouw heeft, is een verdeling van de zorg- en opvoedtaken afgesproken (de zorgregeling) en is afgesproken dat de man iedere maand € 116 aan de vrouw zal betalen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] (de kinderalimentatie). 4De omvang van het geschil 4.1 De vrouw heeft de rechtbank verzocht om de zorgregeling te wijzigen en ook de afspraak over de kinderalimentatie. Ten aanzien van dat laatste heeft zij de rechtbank verzocht om te bepalen dat de man haar met ingang van 4 februari 2025 € 900 per maand aan kinderalimentatie moet voldoen. De rechtbank heeft de zorgregeling wel gewijzigd, maar het verzoek om de kinderalimentatie te verhogen afgewezen. Die beslissingen staan in de beschikking van 28 augustus 2025 (hierna ook aangeduid als: de bestreden beschikking). 4.2 De vrouw is van die beschikking in hoger beroep gekomen. Zij verzoekt het hof om de tussen partijen in het ouderschapsplan overeengekomen kinderalimentatie met ingang van 4 februari 2025 - of een datum die het hof juist acht - te wijzigen naar € 273 per maand. Ook verzoekt de vrouw het hof om te bepalen dat de man binnen een week na de beschikking van het hof bepaalde stukken die over zijn inkomen gaan aan de vrouw ter beschikking moet stellen, zoals zijn aangifte inkomstenbelasting, jaarstukken en een jaaropgave. 4.3 Van de zijde van de man is geen verweerschrift ontvangen. 5De motivering van de beslissing 5.1 Uit de processtukken en wat er tijdens de zitting is besproken is het hof gebleken dat de afspraken die partijen destijds hebben gemaakt over de kinderalimentatie van aanvang af niet hebben beantwoord aan de wettelijke maatstaven. Zo is het eigen aandeel van partijen in de kosten van [minderjarige] (hierna ook aangeduid met: de behoefte) nooit vastgesteld en is ten aanzien van de draagkracht van partijen ook partijen zelf niet duidelijk waar destijds vanuit is gegaan en hoe die is vastgesteld. 5.2 Op de mondelinge behandeling bij het hof hebben partijen overeenstemming bereikt over de door de man aan te vrouw te betalen bijdrage. Afgesproken is dat de man met ingang van 1 maart 2026 aan de vrouw € 175 per maand betaalt als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] . Deze bijdrage wordt jaarlijks geïndexeerd als bedoeld in artikel 1:402a BW, voor het eerst op 1 januari
- Het hof heeft met partijen mede op grond van de overgelegde en getoonde jaaropgaves de behoefte van [minderjarige] vastgesteld per heden op € 727 per maand, welke behoefte als basis dient voor eventueel toekomstige aanpassingen van de bijdrage. Partijen hebben afgesproken dat zij jaarlijks met elkaar in overleg zullen gaan om te bezien of herberekening van de bijdrage nodig is. 5.3 De vrouw heeft haar verzoeken in hoger beroep overeenkomstig de hiervoor vermelde afspraken aangepast. Het hof zal de overeenkomst (ouderschapsplan) volgens de gemaakte afspraken wijzigen. 6De beslissing Het hof, beschikkende in hoger beroep: 6.1 wijzigt de overeenkomst van partijen van 27 oktober 2021 en bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van 1 maart 2026 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] € 175 per maand zal betalen, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen, welke bijdrage wordt jaarlijks geïndexeerd, voor het eerst op 1 januari 2027; 6.2 verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad; 6.3 compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt; 6.4 wijst het meer of anders verzochte af. Deze beschikking is gegeven door mrs. L. Hamer, J.U.M. van der Werff en C.M. Schönhagen, bijgestaan door mr. H.P.J. Meijerink als griffier, en is op 24 februari 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.