GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem, afdeling civiel zaaknummer gerechtshof 200.360.452 zaaknummer rechtbank Gelderland 452099 beschikking van 13 januari 2026 over de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van [de minderjarige] in de zaak van [verzoekster] (de moeder) die woont in [woonplaats1] advocaat: mr. C.C. Sneper en Raad voor de kinderbescherming (de raad)die is gevestigd in Arnhem en [belanghebbende] (de vader) die woont in [woonplaats2] en de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Regio Amsterdam, handelend onder de naam Jeugd Veilig Verder (de GI) 1Samenvatting De kinderrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, heeft [de minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI tot 3 juni 2026 en een machtiging tot uithuisplaatsing verleend tot 3 december
- Het hof beslist dat dit zo moet blijven en legt hierna uit waarom. 2De feiten 2.
- De moeder en de vader zijn de ouders van [de minderjarige] . [de minderjarige] is [in] 2019 geboren. De ouders hebben samen het gezag over [de minderjarige] . [de minderjarige] woonde samen met haar halfzus [naam1] bij haar moeder. Sinds januari 2025 verblijft [de minderjarige] bij haar oma (vaderszijde). 2.
- De kinderrechter heeft bij beschikking van 5 maart 2025 [de minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld tot 5 juni 2025 en een spoedmachtiging verleend tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een voorziening voor (netwerk)pleegzorg tot 2 april
- 2.
- De kinderrechter heeft bij beschikking van 14 maart 2025 een machtiging verleend om [de minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor (netwerk)pleegzorg tot 5 juni
- 2.
- Bij beschikking van 12 juni 2025 heeft dit hof de moeder niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek in hoger beroep tegen de beschikking van 5 maart 2025, voor zover het de voorlopige ondertoezichtstelling betreft en de beschikkingen van de kinderrechter van 5 maart 2025 en 14 maart 2025 over de machtigingen tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] , bekrachtigd. 2.
- De kinderrechter heeft bij beschikking van 3 juni 2025 [de minderjarige] onder toezicht gesteld van 3 juni 2025 tot 3 juli 2025 en een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] verleend in een voorziening voor (netwerk)pleegzorg met ingang van 3 juni 2025 tot 3 juli
- 2.
- De kinderrechter heeft [de minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI tot 3 juni 2026 en een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verleend tot 3 december
- 2.
- De kinderrechter heeft ook beslist dat de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing mogen worden uitgevoerd, ook al is er hoger beroep ingesteld (uitvoerbaar bij voorraad verklaard). 2.
- Die beslissingen zijn vastgelegd in een beschikking van 2 juli
- 3De procedure bij het hof 3.
- De moeder is het niet eens met de beslissingen van de kinderrechter. Zij komt daarvan in hoger beroep. Zij wil dat de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing worden opgeheven en dat wordt bepaald dat verdere begeleiding in vrijwillig kader plaatsvindt. Als dat niet kan dan wil de moeder dat de ondertoezichtstelling wordt beperkt tot maximaal zes maanden, dat de machtiging tot uithuisplaatsing wordt opgeheven, en dat binnen drie maanden actueel onderzoek naar alle mogelijkheden wordt verricht en de uitvoerbaarverklaring bij voorraad wordt opgeheven. Dan wel verzoekt de moeder het hof een beslissing te nemen die het hof juist en in het belang van [de minderjarige] vindt. De informatie die het hof heeft ontvangen 3.
- Het hof heeft de volgende stukken ontvangen: het beroepschrift een verweerschrift namens de raad een stuk met bijlagen namens de GI een journaalbericht namens de moeder van 17 november 2025 met bijlagen een journaalbericht namens de moeder van 25 november 2025 3.
- Bij het hiervoor genoemde journaalbericht van 25 november 2025 heeft mr. Sneper het hof bericht dat de zaak schriftelijk kan worden afgedaan. De geplande mondelinge behandeling op 27 november 2025 is daarom niet doorgegaan. 4Het oordeel van het hof Ondertoezichtstelling Wat staat in de wet? 4.
- De kinderrechter kan een kind onder toezicht stellen als het kind ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Dat is als er grote zorgen zijn over zijn ontwikkeling. Ook moet vast komen te staan dat de ouders niet of niet genoeg meewerken aan vrijwillige hulpverlening. Ten slotte moet de kinderrechter ervan kunnen uitgaan dat de ouders de opvoeding en verzorging binnen een aanvaardbare termijn weer helemaal zelf op zich kunnen nemen. Dat is de periode van onzekerheid die een kind kan overbruggen zonder ernstige schade op te lopen in zijn ontwikkeling. Hoe oordeelt het hof? 4.
- Het hof vindt ook dat [de minderjarige] onder toezicht moet worden gesteld. De beslissing van de kinderrechter zal in stand blijven (worden bekrachtigd). 4.
- Uit de stukken is het hof gebleken dat er grote zorgen zijn over de opvoedingssituatie van [de minderjarige] bij de moeder. Uit de raadsrapporten van 22 mei 2025 en 19 juni 2025 blijkt dat de ouders onvoldoende bereid en/of in staat zijn onder eigen verantwoordelijkheid de bedreiging weg te nemen en hulpverlening te accepteren. Dit omdat de moeder niet meewerkt aan de hulpverlening en de vader geen ruimte ervaart om voor [de minderjarige] te zorgen. Daarnaast wordt [de minderjarige] door beide ouders blootgesteld aan ruzies en conflicten. [de minderjarige] heeft contact met haar beide ouders. Uit de informatie van de GI blijkt dat de omgang bij de moeder thuis nog onvoldoende veilig wordt geacht. Er zijn verschillende hoogoplopende conflicten tussen de moeder en derden geweest, ook in het bijzijn van [de minderjarige] . De moeder heeft [de minderjarige] tweemaal meegenomen tegen de afspraken in. Ook heeft de moeder onverwacht bij de oma voor de deur gestaan en op de ramen gebonkt, door de brievenbus geroepen en geschreeuwd. Hier is [de minderjarige] erg van geschrokken. De GI ziet dat de moeder het erg lastig vindt om haar emoties van boosheid en frustratie bij [de minderjarige] weg te houden. Moeder is onvoorspelbaar in het contact naar de professionals maar ook naar [de minderjarige] . Op 14 juli 2025 is de omgang met [de minderjarige] abrupt stopgezet na een incident bij de moeder. De GI heeft op 6 november 2025 een schriftelijke aanwijzing gegeven over het contact tussen de moeder en [de minderjarige] tijdens de uithuisplaatsing. Om de veiligheid van [de minderjarige] te waarborgen heeft de GI begeleide omgang noodzakelijk geacht. De omgang wordt begeleid door [naam2] . Het (video)belcontact is door de GI stopgezet, omdat dit te belastend was voor [de minderjarige] doordat moeder uitspraken deed tegen [de minderjarige] die niet passen bij een moeder-kind relatie. Voor het geval de moeder bezwaar heeft gemaakt tegen de beperkt omgang met [de minderjarige] , dan is dat een punt dat nu niet door het hof wordt getoetst omdat de kinderrechter geen beslissing over de omgang heeft genomen. De ernstige ontwikkelingsbedreiging is met het voorgaande gegeven. 4.
- Het hof acht het noodzakelijk dat de jeugdbeschermer de regie over de hulpverlening en de omgang blijft voeren. Uit het gezinsplan blijkt dat het gezin samen met hulpverlening zal moeten werken aan het vergroten van de blijvende veiligheid, gericht op het verwerken en omgaan van de ervaringen die [de minderjarige] in het verleden heeft opgedaan, het verduidelijken en versterken van haar opvoedsituatie en een duidelijk en voorspelbaar contact tussen [de minderjarige] en haar ouders en halfzusje. De moeder zal starten met haar eigen hulpverlening en moet zorgen dat zij haar verslavingsproblematiek onder controle krijgt. De vader zal meewerken aan hulpverlening vanuit [naam3] . Deze organisatie biedt het NIKA-traject aan zodat de vader handvatten krijgt om [de minderjarige] de opvoeding te bieden die bij haar ontwikkeling past. De oma start met Intensieve Ambulante Gezinshulp waarbij de oma leert om met het onvoorspelbare gedrag van de ouders om te gaan zodat zij niet onbedoeld [de minderjarige] extra belast. Ook [de minderjarige] is aangemeld voor het NIKA-traject. In dit traject zal ook onderzocht worden of er sprake is van trauma bij [de minderjarige] . [de minderjarige] start met speltherapie, hier kan ze bij een neutraal persoon haar verhaal kwijt. Uithuisplaatsing Wat staat in de wet? 4.
- De kinderrechter kan een machtiging geven een kind uit huis te plaatsen. De kinderrechter kan die machtiging geven als dat noodzakelijk is voor de verzorging en opvoeding van het kind of voor onderzoek van het kind. Hoe oordeelt het hof? 4.
- De machtiging tot de uithuisplaatsing van [de minderjarige] liep tot 3 december 2025 en is dus verlopen op de datum waarop het hof zijn beschikking geeft. Ondanks het verlopen van de machtiging dient het hof middels een rechtmatigheidstoets te beoordelen of de machtiging door de kinderrechter wel mocht worden gegeven. 4.8 Het hof is van oordeel dat de kinderrechter op de juiste gronden de machtiging tot uithuisplaatsing heeft verleend. De moeder stelt in het beroepschrift dat de situatie stabiel is en dat [de minderjarige] zonder problemen bij de oma verblijft. De moeder voert aan dat zij meewerkt aan begeleiding en dat een machtiging tot uithuisplaatsing daarom niet nodig was. Volgens de moeder was een dwangmaatregel niet nodig. Het hof is van oordeel dat uit de stukken blijkt dat [de minderjarige] niet bij één van de ouders kon wonen, gelet op de zorgen die er waren, bestaande uit pedagogische, fysieke, emotionele verwaarlozing. Ook wilde de moeder niet meewerken met de GI zodat er geen zicht kon komen op de opvoedsituatie bij de moeder thuis en de zorgen hierover bleven bestaan. Met de kinderrechter is het hof van oordeel dat de zorgen niet of onvoldoende konden worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening. De maatregel is proportioneel en niet in strijd met het EVRM. Het hof zal dus ook de beslissing van de kinderrechter tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing in stand laten (bekrachtigen). 5De beslissing Het hof: 5.
- bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem van 2 juli 2025; 5.
- wijst het meer of anders verzochte af. Deze beschikking is gegeven door mrs. S. Kuijpers, H. Phaff en F. Kleefmann, bijgestaan door de griffier en is in het openbaar uitgesproken op 13 januari
- artikel 1:255 lid 1 onder a en b BW artikel 1:265b lid 1 BW.