GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN zittingsplaats Leeuwarden Zaaknummer : Wahv 200.352.756/01 CJIB-nummer : 250950193 Uitspraak d.d. : 13 januari 2026 Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Gelderland van 30 januari 2025, betreffende [de betrokkene] (hierna: de betrokkene), wonende te Apeldoorn. De gemachtigde van de betrokkene is mr. I.N.D.J. Rissema, kantoorhoudende te Dordrecht. De beslissing van de kantonrechter De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gedeeltelijk gegrond verklaard en de sanctie gematigd tot een bedrag van € 135,-. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is toegewezen tot een bedrag van € 453,
- Het verloop van de procedure De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding. De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend. De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht. De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt. De beoordeling
- Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 240,- voor: “als bestuurder tijdens het rijden een mobiel elektronisch apparaat vasthouden”. Deze gedraging zou zijn verricht op 14 juli 2022 om 13:58 uur op de Laan van Zevenhuizen in Apeldoorn met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
- De kantonrechter heeft het bedrag (vanwege schending van de hoorplicht en vanwege overschrijding van de redelijke termijn van berechting) gematigd tot een bedrag van € 135,-.
- De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de betrokkene de gedraging niet heeft verricht. Hij heeft van meet af aan betwist dat er sprake was van rijden, hij heeft zijn telefoon uitsluitend vastgehouden toen hij stilstond voor het rood licht uitstralende verkeerslicht. Gelet op de uitvoerige verklaring en consistente ontkenning van de betrokkene dient aan de verklaring van de ambtenaar te worden getwijfeld.
- Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
- De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens: “Gedragingsgegevens: ik zag dat de bestuurder tijdens het rijden een smartphone met de linkerhand vasthield. Ik zag namelijk dat de bestuurder naar het scherm keek voor enkele seconden terwijl hij de smartphone vast had. (…) Verklaring betrokkene: ik zat niet op mijn telefoon tijdens het rijden. Ik stond stil bij een stoplicht.”
- De advocaat-generaal heeft bij het verweerschrift een aanvullend proces-verbaal van 10 juli 2025 overgelegd, waarin de ambtenaar op ambtsbelofte onder meer verklaart: “Ik kan mij gezien het tijdsverloop inhoudelijk niet meer herinneren wat er precies door mij of betrokkene is gezegd tijdens de staande houding. Wel kan ik het volgende verklaren. Ik zal enkel een proces-verbaal opmaken indien ik volledig zeker ben van de geconstateerde overtreding. Bij enige twijfel over het begaan van het strafbare feit of de gedraging zal ik nooit een proces-verbaal kunnen en mogen opmaken. Ik ben er dan ook volledig zeker van dat ik de betrokkene rijdend op een snor-/bromfiets heb gezien met een mobiele telefoon in zijn linkerhand. Indien een persoon stilstaand een mobiel communicatieapparaat in zijn/haar handen heeft is dit niet strafbaar en zal ik hier logischerwijs ook nooit een proces-verbaal voor kunnen opmaken. Ik lees in het verweer dat betrokkene aangeeft dat een snor-/bromfiets lastig te besturen is met een telefoon in zijn hand omdat hij gas moet geven en moet sturen. Zoals in het proces-verbaal aangegeven zag ik dat betrokkene in zijn linkerhand een mobiele telefoon vast had. Een snor-/bromfiets is gemakkelijk te besturen met enkel de rechterhand omdat de gashendel aan de rechterzijde van het stuur zit en met dezelfde hand gestuurd kan worden. Ik lees in het verweer dat betrokkene aangeeft dat ik geen duidelijk zicht op betrokkene had. Dat kan ik ontkrachten aangezien ik in een dienstauto op de rijbaan reed. De betrokkene reed op het fietspad dat gescheiden van de rijbaan lag. (…) Ik heb direct naast dan wel linksachter betrokkene gereden en had direct en onbelemmerd zicht op betrokkene tijdens het begaan van de gedraging. (…)”
- In het zaakoverzicht heeft de ambtenaar volstaan met het in het sjabloon opgenomen woord "rijdend". De ambtenaar heeft niet, naar aanleiding van hetgeen de betrokkene bij de staandehouding heeft verklaard, benadrukt dat hij gezien heeft dat en waar de betrokkene reed terwijl hij de smartphone vasthield. Hoewel de betrokkene zowel in administratief beroep als in beroep bij de kantonrechter heeft aangevoerd dat hij de smartphone alleen heeft vastgehouden, terwijl hij stilstond voor het verkeerslicht, is de ambtenaar niet gevraagd om bij aanvullend proces-verbaal te reageren op hetgeen de betrokkene heeft aangevoerd.
- Eerst is hoger beroep is de ambtenaar gevraagd om een aanvullend proces-verbaal. Het hof leidt uit dit proces-verbaal af dat de ambtenaar -begrijpelijk- zich de situatie niet meer kan herinneren. Daardoor kan de ambtenaar niet expliciet verklaren dat hij heeft waargenomen dat en waar de betrokkene reed terwijl hij de smartphone vasthield. Hetgeen de ambtenaar in het aanvullend proces-verbaal opmerkt over de omstandigheden waaronder hij in het algemeen een sanctie als deze oplegt, kan niet worden aangemerkt als waarneming van de ambtenaar van de gedraging hier aan de orde. Ook de opmerking van de ambtenaar dat hij direct en onbelemmerd zicht had op de betrokkene tijdens het begaan van de gedraging en dat hij gezien heeft dat de betrokkene op het fietspad reed terwijl de ambtenaar in de dienstauto over de rijbaan reed, omvat geen expliciete en ondubbelzinnige verklaring dat de betrokkene reed terwijl hij de smartphone vasthield.
- In aanmerking genomen dat de betrokkene van meet af aan heeft ontkend dat hij de smartphone heeft vastgehouden terwijl hij reed, bevat het dossier naar het oordeel van het hof onvoldoende gegevens om de gedraging te kunnen vaststellen.
- Dit leidt tot de volgende beslissing.
- De proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking. Aan het indienen van het administratief beroepschrift, het beroepschrift bij de kantonrechter, het hoger beroepschrift en een nadere toelichting op het hoger beroep dienen in totaal 3,5 punten te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt voor het administratief beroep € 666,- en voor het (hoger) beroep € 934,-. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Omdat de beslissing van de kantonrechter na 31 december 2023 is bekendgemaakt en gelet op hetgeen is overwogen in het arrest van het hof van 24 september 2025 (ECLI:NL:GHARL:2025:5863), wordt het bedrag van de in hoger beroep gemaakte kosten op grond van artikel 13a, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wahv vermenigvuldigd met factor 0,
- Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 975,13 (= (1 x € 666,- x 0,5) + (1 x € 934,- x 0,5) + (1,5 x € 934,- x 0,5 x 0,25)). De beslissing Het gerechtshof: vernietigt de beslissing van de kantonrechter; verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing; verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking gegrond; vernietigt de beschikking waarbij onder voormeld CJIB-nummer de administratieve sanctie is opgelegd; bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van artikel 11 van de Wahv tot zekerheid is gesteld door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd; veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 975,
- Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Landstra als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.