Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden – ECLI:NL:GHARL:2026:1460
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.353.406 (zaaknummer rechtbank Gelderland 436344) beschikking van 10 maart 2026 inzake [verzoeker] (de man) die woont in [woonplaats] advocaat: voorheen mr. S.A. Ray, nu zonder advocaat en [verweerster] (de vrouw) die woont in [woonplaats] advocaat: mr. R. van Coolwijk en de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente [gemeentenaam] (de ABS) niet verschenen 1Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar het proces-verbaal (hierna ook: het proces-verbaal) met de mondelinge uitspraak van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 13 januari 2025 en de beschikking van diezelfde datum (hierna ook: de bestreden beschikking), uitgesproken onder zaaknummer 436344.
2Het geding in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:
2.2 De mondelinge behandeling heeft op 16 oktober 2025 plaatsgevonden. Hierbij waren aanwezig:
Op deze mondelinge behandeling heeft de man de drie behandelende raadsheren gewraakt, waarna de behandeling van de zaak is geschorst. De man is in zijn verzoek tot wraking niet-ontvankelijk verklaard (beschikking van de wrakingskamer van dit hof van 24 december 2025). De wrakingskamer heeft bepaald dat een volgend verzoek om wraking in deze zaak niet in behandeling zal worden genomen.
De mondelinge behandeling in deze zaak is vervolgens voortgezet op 2 maart 2026 in de stand waarin de behandeling zich bevond op het moment van schorsing. Bij de voortzetting van de mondelinge behandeling waren aanwezig de man en de vrouw met haar advocaat.
3De feiten 3.1 De man en de vrouw zijn [in] 2014 in [plaats1] (gemeente [gemeentenaam] ) met elkaar getrouwd.
3.2 De rechtbank heeft bij beschikking van 1 november 2023 de echtscheiding tussen partijen uitgesproken (hierna ook: de echtscheidingsbeschikking).
3.3 De vrouw heeft op 30 januari 2024 hoger beroep ingesteld bij dit hof. De vrouw heeft hierin het volgende aan het hof verzocht: “De vrouw uw Gerechtshof verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende te bepalen dat het verzoek van de vrouw strekkende tot wijziging van het gezag, in die zin dat de vrouw eenhoofdig zal worden belast met het gezag over de kinderen, alsnog wordt toegewezen.”
3.4 De man heeft op 25 maart 2024 een verweerschrift bij het hof ingediend. Hierin heeft de man incidenteel hoger beroep ingesteld en het volgende aanvullende verzoek gedaan ten aanzien van de echtscheiding: “De man verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen, voor wat betreft de (wil van de vrouw over de) echtscheiding (...) en, opnieuw beschikkende: o indien en voor zover het hof twijfelt aan de visie van de man over de werkelijke wil van de vrouw daar waar het haar verzoek om echtscheiding betreft: ten behoeve van de vaststelling van de werkelijke wil van de vrouw, daar waar het de echtscheiding betreft, een deskundige te benoemen, zoals een psychiater verbonden aan het NIFP, zo mogelijk met specialistische kennis van ASS/UHB (uitzonderlijk hoogbegaafd) comorbiditeit; (...). ”
3.5 Op 14 juni 2024 heeft het hof een bericht van de vrouw ontvangen dat zij haar verzoek als volgt wijzigt: “De vrouw uw Gerechtshof verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking voor wat betreft de afwijzing van haar verzoek om eenhoofdig gezag te vernietigen en opnieuw rechtdoende te bepalen dat het verzoek van de vrouw strekkende tot wijziging van het gezag in die zin dat de vrouw eenhoofdig zal worden belast met het gezag over de kinderen alsnog wordt toegewezen.”
3.6 Op 19 april 2024 heeft de gemeente [gemeentenaam] de echtscheidingsbeschikking ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
3.7 Dit hof heeft bij beschikking van 16 juli 2024 de man niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek in incidenteel hoger beroep dat ziet op de echtscheiding.
3.8 De man heeft op 24 mei 2024 de rechtbank op voet van artikel 1:24 BW verzocht om, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: de ABS te gelasten om de akte van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking, ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand van de gemeente [gemeentenaam] op 19 april 2024, door te halen; de griffier op te dragen, nadat deze beschikking in kracht van gewijsde is gegaan, een afschrift van deze beschikking te zenden aan de ABS.
3.9 Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank beslist als volgt:
3.10 Op 16 april 2025 is de inschrijving van 19 april 2024 van de echtscheidingsbeschikking doorgehaald en op 16 april 2025 is de echtscheidingsbeschikking opnieuw ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Het huwelijk is hierdoor op 16 april 2025 ontbonden.
4De procedure bij het hof 4.1 De man is met twee grieven in hoger beroep gekomen. De man verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende: te bepalen dat de echtscheidingsbeschikking niet eerder dan 14 november 2024 in kracht van gewijsde is gegaan, dan wel op 17 oktober 2024; de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente te gelasten de akte van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking, zoals op 19 april 2024 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand van de gemeente door te halen en de griffier daartoe een afschrift van deze beschikking aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente [gemeentenaam] te laten zenden en de vrouw te veroordelen in de proceskosten, alsmede de kosten van deze procedure in hoger beroep, volgens het liquidatietarief.
4.2 De vrouw voert verweer en vraagt het hof de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek en/of zijn verzoek af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen, met veroordeling van de man in de kosten van het hoger beroep.
5De motivering van de beslissing intrekking verzoek in hoger beroep 5.1 Het verzoek van de man in hoger beroep is drieledig en bestaat uit de onderdelen a-c. De eerste grief van de man staat los van deze verzoeken. Op de voortzetting van de mondelinge behandeling op 2 maart 2026 heeft de man zijn verzoek in hoger beroep ingetrokken, nadat zijn verzoeken om uitstel van die voortzetting zijn afgewezen. Dat betekent dat het hof de man niet-ontvankelijk zal verklaren in zijn verzoek in hoger beroep. proceskosten hoger beroep 5.2 Het hof zal de man veroordelen aan de vrouw haar proceskosten in dit hoger beroep te vergoeden.
5.3 De redenen daarvoor zijn:
6De beslissing Het hof: verklaart de man niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep tegen de mondelinge uitspraak van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 13 januari 2025 en de beschikking van de rechtbank Gelderland van diezelfde datum; veroordeelt de man tot betaling van de volgende proceskosten van de vrouw: € 362 aan griffierecht € 3.870 aan salaris van de advocaat van de vrouw (3 procespunten x het toepasselijke tarief II) en bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag.
Deze beschikking is gegeven door mrs. J.H. Lieber, K. Mans en K.A.M. van Os - ten Have en is op 10 maart 2026 uitgesproken in het openbaar.