GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden, afdeling civiel zaaknummer gerechtshof 200.361.598/01 en 200.361.598/02 (zaaknummer rechtbank Overijssel 336202) beschikking van 13 januari 2026 over de ondertoezichtstelling van [minderjarige1] , [minderjarige2] en [minderjarige3] in de zaak van [verzoekster] (de moeder), die woont in [woonplaats] , verzoekster in hoger beroep, advocaat: mr. M.A. Knobben te Nijverdal, en de gecertificeerde instelling, Stichting Jeugdbescherming Overijssel (de GI), die is gevestigd in Zwolle. Als overige belanghebbende(
- n)is aangemerkt: [naam1] (de vader), die woont op een voor het hof onbekend adres. 1Samenvatting De kinderrechter in de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, heeft de ondertoezichtstelling van [minderjarige1] , [minderjarige2] en [minderjarige3] verlengd tot 17 september 2026. Het hof beslist dat dit niet zo moet blijven en legt hierna uit waarom. 2De feiten 2.1 De ouders hebben een relatie gehad. Zij hebben drie kinderen: [minderjarige1] , geboren [in1] 2013; [minderjarige2] , geboren [in2] 2015; en [minderjarige3] , geboren [in3] 2024. 2.2 De ouders hebben samen het gezag over de kinderen. 2.3 De kinderen wonen bij de moeder. 2.4 Bij (tussen-)beschikking van 9 september 2024 heeft de kinderrechter [minderjarige1] en [minderjarige2] en (de op dat moment nog ongeboren) [minderjarige3] onder toezicht gesteld tot 17 maart 2025. Bij beschikking van 21 februari 2025 heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling van de kinderen verlengd tot 17 september 2025. Laatstgenoemde beschikking is door dit hof op 12 juni 2025 bekrachtigd. 3De procedure bij de kinderrechter 3.1 De GI heeft verzocht de ondertoezichtstelling van de kinderen te verlengen met een jaar. 3.2 De kinderrechter heeft het verzoek van de GI toegewezen en de ondertoezichtstelling van de kinderen verlengd tot 17 september 2026. 3.3 De kinderrechter heeft beslist dat de ondertoezichtstelling mag worden uitgevoerd, ook al is er hoger beroep ingesteld (de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaard). 3.4 Die in hoger beroep bestreden beslissing is op schrift gesteld op 25 september 2025, waarbij is vermeld dat de beslissing op 11 september 2025 mondeling is uitgesproken. Uit het proces-verbaal van de zitting van 11 september 2025 maakt het hof op dat de kinderrechter ter zitting heeft aangekondigd de ondertoezichtstelling voor de duur van twee maanden uit te spreken. Het hof begrijpt de bestreden beslissing aldus dat de ondertoezichtstelling op 11 september 2025 voor de duur van twee maanden is verlengd en dat op 25 september 2025 het overigens door de GI verzochte is toegewezen. 3.5 Omdat in de schriftelijke weergave van de beschikking per abuis stond vermeld dat de ondertoezichtstelling was verlengd tot 17 september 2025, is op 27 oktober 2025 een herstelbeschikking gegeven waarin is aangegeven dat de ondertoezichtstelling is verlengd tot 17 september 2026. 4De procedure bij het hof 4.1 De moeder is het niet eens met de beslissing van de kinderrechter. Zij komt daarvan in hoger beroep. Zij wil dat het hof de beslissing van de kinderrechter vernietigt, dan wel de ondertoezichtstelling in duur bekort, dan wel een beslissing neemt die het hof juist acht. 4.2 De moeder heeft een door haar gedaan verzoek tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de ondertoezichtstelling ter zitting van het hof ingetrokken. 4.3 De GI heeft verweer gevoerd en wil dat de beslissing in stand blijft. 4.4 Het hof heeft de volgende stukken ontvangen: - het beroepschrift met bijlage(n), ingekomen op 14 november 2025; - een brief van de raad van 24 november 2025 waarin de raad heeft aangegeven niet ter zitting te zullen verschijnen; - het verweerschrift van de GI met bijlage(n). 4.5 [minderjarige1] en [minderjarige2] hebben op 15 december 2025 gesproken met een raadsheer en een griffier van het hof. Zij hebben verteld wat zij vinden van de ondertoezichtstelling. 4.6 De zitting bij het hof was op 16 december 2025. Aanwezig waren: - de moeder met haar advocaat; - twee vertegenwoordigers van de GI. 5Het oordeel van het hof Wat staat in de wet? 5.1 De kinderrechter kan een kind onder toezicht stellen als het kind ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Dat is als er grote zorgen zijn over zijn ontwikkeling. Ook moet vast komen te staan dat de ouders niet of niet genoeg meewerken aan vrijwillige hulpverlening. Ten slotte moet de kinderrechter ervan kunnen uitgaan dat de ouders de opvoeding en verzorging binnen een aanvaardbare termijn weer helemaal zelf op zich kunnen nemen. Dat is de periode van onzekerheid die een kind kan overbruggen zonder ernstige schade op te lopen in zijn ontwikkeling. 5.2 De kinderrechter kan de ondertoezichtstelling verlengen. Dat mag steeds voor maximaal een jaar. Hoe oordeelt het hof? 5.3 Het hof is van oordeel dat niet langer wordt voldaan aan de gronden van de ondertoezichtstelling. Het hof zal de bestreden beschikking daarom met ingang van heden vernietigen. 5.4 De zorgen over de ontwikkeling van de kinderen waren gelegen in de voelbare spanningen tussen de ouders, het onvoorspelbare contact met de vader en de onduidelijkheid over de rol van de vader in het leven van de kinderen. De ondertoezichtstelling was gericht op het verbeteren van de samenwerking tussen de ouders en het scheppen van duidelijkheid en structuur ten aanzien van de omgang tussen de vader en de kinderen. De betrokken jeugdbeschermers hebben ter zitting van het hof verteld dat het hun niet lukt om contact te krijgen met de vader en de samenwerking vorm te geven. Er is inmiddels al geruime tijd geen contact meer tussen de vader enerzijds en de kinderen of de moeder anderzijds. Volgens de GI lijkt er rust te zijn gekomen in het gezin nu de vader uit beeld lijkt. Volgens de GI is het wel nodig dat zij nog enige tijd betrokken blijft om een en ander te evalueren en zorgvuldig af te sluiten. Bovendien is het in het verleden vaker voorgekomen dat de vader toch weer opduikt in het leven van de kinderen. De GI wil de kinderen en de moeder weerbaar maken en ondersteunen om hiermee om te kunnen gaan. 5.5 Het hof overweegt dat door het uitblijven van de samenwerking tussen de GI en de vader niet meer gewerkt kan worden aan de doelen van de ondertoezichtstelling. Afgezien daarvan is voor het hof niet gebleken dat het uitblijven van contact met de vader of het in de toekomst weer opduiken van de vader op zichzelf een dusdanige ontwikkelingsbedreiging voor de kinderen vormt die een (verlenging van
- de)ondertoezichtstelling langer rechtvaardigt. Daar komt bij dat de moeder hulpverlening in het vrijwillig kader heeft geaccepteerd. Bovendien heeft zij verteld dat zij steun ervaart van haar familie waar het de uitdagingen van het ouderschap betreft. Het hof concludeert dat daarom niet langer wordt voldaan aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling. 5.6 Op grond van het voorgaande zal het hof de moeder niet-ontvankelijk verklaren in haar verzoek tot schorsing van de tenuitvoerlegging en de bestreden beschikking met ingang van heden vernietigen. 6De beslissing Het hof: in zaaknummer 200.361.598/02 verklaart de moeder niet-ontvankelijk in haar verzoek tot schorsing van de tenuitvoerlegging; in zaaknummer 200.361.598/01 vernietigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle van 25 september 2025, hersteld bij beschikking van 27 oktober 2025, voor zover daarbij de ondertoezichtstelling van [minderjarige1] , [minderjarige2] en [minderjarige3] voor de periode na de datum van deze beschikking is verlengd; wijst het verzoek van de GI tot verlenging van de ondertoezichtstelling van [minderjarige1] , [minderjarige2] en [minderjarige3] voor de periode na de datum van deze beschikking af; bekrachtigt de bestreden beschikking voor het overige Deze beschikking is gegeven door mrs. M.A.F. Veenstra, R. Feunekes en L. van Dijk, bijgestaan door mr. M.J. van Mourik als griffier, en is op 13 januari 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier. artikel 1:255 lid 1 onder a en b BW artikel 1:260 lid 1 BW