← Nederland

ECLI:NL:GHARL:2026:175

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem, afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof: 200.352.995 (zaaknummer rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo: 10910139) arrest van 13 januari 2026 in de zaak van [appellant] die woont in [woonplaats1] die hoger beroep heeft ingesteld en bij de kantonrechter optrad als eiser hierna: [appellant] advocaat: mr. S. Yadegari tegen [geïntimeerde] , voorheen handelend onder de naam [naam1] die woont in [woonplaats2] en bij de kantonrechter optrad als gedaagde hierna: [geïntimeerde] advocaat: mr. M.G.W.M. Geurts 1Het verloop van de procedure in hoger beroep Naar aanleiding van het arrest van 9 september 2025 heeft op 17 oktober 2025 een mondelinge behandeling bij een raadsheer-commissaris plaatsgevonden. Daarvan is een verslag (het proces-verbaal) gemaakt dat aan het dossier is toegevoegd. Hierna hebben partijen het hof gevraagd opnieuw arrest te wijzen. 2De kern van de zaak 2.

  1. Het gaat er in deze zaak om of een tweedehandsauto die [appellant] van [geïntimeerde] heeft gekocht niet voldeed aan wat [appellant] mocht verwachten en de koop daarom moet worden ontbonden, [geïntimeerde] de koopprijs moet terugbetalen en de schade van [appellant] moet vergoeden. Het hof zal [appellant] grotendeels gelijk geven. 2.
  2. [appellant] heeft op 25 oktober 2023 een tweedehands Volkswagen Passat CC (hierna: de Volkswagen) gekocht met een kilometerstand van 221.
  3. [appellant] heeft een Ford S-max (hierna: de Ford) ingeruild met een kilometerstand van 379.500 en heeft daarnaast € 7.000 aan [geïntimeerde] betaald. Op 31 oktober 2023 heeft [appellant] via Whatsapp aan [geïntimeerde] gemeld dat de Volkswagen vreemde geluiden maakt en dat er “dingen loshangen” aan de onderkant. Begin november 2023 heeft [appellant] via Whatsapp aan [geïntimeerde] laten weten dat de Volkswagen diverse gebreken heeft en dat hij deze terug wil brengen met terugbetaling van de koopprijs. [geïntimeerde] heeft gereageerd dat hij de gordels wel wilde laten repareren, omdat dat voor de veiligheid van belang was. [appellant] heeft de Volkswagen laten onderzoeken door [naam2] op 20 december
  4. In een rapport getiteld “Wettelijke Garantie Diagnose” wordt onder andere geconcludeerd: “differentieel achter lekkage” en wordt geconcludeerd dat een nieuwe differentieel achter noodzakelijk is. Vaststaat verder dat de bodemplaat van de auto loszit. Op 24 december 2023 heeft de advocaat van [appellant] een ingebrekestelling gestuurd aan [geïntimeerde] en hem gesommeerd de gebreken te herstellen. [geïntimeerde] heeft daarop op 24 december 2023 gereageerd. [geïntimeerde] heeft daarbij aangegeven niet meer in Nederland woonachtig te zijn en “weinig” meer voor [appellant] te kunnen doen. De auto staat inmiddels in de voortuin van [appellant] en de registratie bij de RDW is sinds februari 2024 geschorst. 2.
  5. [appellant] heeft bij de kantonrechter kort gezegd en voor zover in hoger beroep relevant primair terugbetaling van een koopsom van € 10.990 gevorderd bij volledige ontbinding van de koop en gevorderd dat [geïntimeerde] geboden wordt de Volkswagen op te halen en een deugdelijk vrijwaringsbewijs te verschaffen op straffe van verbeurte van een dwangsom. Ook heeft [appellant] gevorderd dat [geïntimeerde] wordt veroordeeld om als aanvullende schade te vergoeden € 84,66 aan motorrijtuigenbelasting per maand en € 305,49 aan verzekeringspremie per maand, in beide gevallen vanaf 25 oktober 2023 tot datum vrijwaring, herstel of schorsing. [appellant] wil ook € 1.070,73 aan buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter heeft de vorderingen van [appellant] afgewezen. 2.
  6. De bedoeling van het hoger beroep is volgens de dagvaarding in hoger beroep dat de vorderingen van [appellant] alsnog worden toegewezen. In zijn memorie van grieven formuleert [appellant] echter enigszins andere vorderingen. Hij wil – voor zover voor dit arrest relevant – nog steeds primair terugbetaling van de koopsom bij volledige ontbinding, maar de koopsom is nu € 8.
  7. Ook wil hij dat [geïntimeerde] hem een deugdelijk vrijwaringsbewijs verschaft op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500 per dag of dagdeel dat dit niet gebeurt met een maximum van € 20.
  8. [appellant] wil in hoger beroep ook veroordeling van [geïntimeerde] om de kosten te betalen voor de auto voor de periode dat [appellant] daarvan geen ongestoord gebruik heeft kunnen maken, thans begroot op € 84,66 aan motorrijtuigenbelasting en € 305,49 aan verzekeringspremies, dus € 319,15 per maand vanaf 25 oktober 2023 tot herstel of ontbinding van de koop. [appellant] wil ook terugbetaling van wat ter uitvoering van het vonnis van de kantonrechter betaald is en de buitengerechtelijke incassokosten van € 1.126,83, met wettelijke rente over de hoofdsom en nevenvorderingen vanaf 25 oktober
  9. 3De toelichting op de beslissing van het hof Is de Volkswagen non-conform? 3.
  10. [appellant] komt ertegenop dat de kantonrechter heeft geoordeeld dat geen sprake is van non-conformiteit van de auto. Daarbij wijst [appellant] onder andere op de lekkende differentieel en de loszittende bodemplaat. 3.
  11. Er is sprake is van een consumentenkoop in de zin van artikel 7:5 BW. Artikel 7:18 BW bepaalt, voor zover relevant, dat bij een consumentenkoop een afgeleverde zaak om aan de overeenkomst te beantwoorden geschikt moet zijn voor de doeleinden waarvoor zaken van hetzelfde type gewoonlijk worden gebruikt. Van het niet beantwoorden aan de overeenkomst is geen sprake als de koper er bij het sluiten van de overeenkomst uitdrukkelijk van in kennis werd gesteld dat een specifiek kenmerk van de zaak afweek en de koper die afwijking bij het sluiten van de overeenkomst uitdrukkelijk en afzonderlijk heeft aanvaard (artikel 7:18 leden 2 en 6 BW). Op grond van artikel 7:18a lid 2 BW wordt vermoed dat de zaak niet aan de overeenkomst beantwoordt, als de afwijking van wat verwacht mocht worden zich binnen één jaar na aflevering openbaart, tenzij de verkoper anders aantoont of de aard van de zaak of de aard van de afwijking zich daartegen verzet. 3.
  12. [appellant] heeft een auto gekocht die al flink wat kilometers had gereden voor een bedrag van € 7.000 na inruil van een andere auto. Een auto wordt, ondanks het aantal kilometers, gekocht om mee te rijden, onder andere op snelwegen, en om op een normale manier aan het verkeer deel te nemen. 3.
  13. [geïntimeerde] heeft in de koopovereenkomst als specifieke gebreken opgenomen: “Adaptieve cruise control werkt niet. Auto moet uitgelijnd worden. Diversen lichte schades aanwezig.” Deze koopovereenkomst is door [appellant] ondertekend. Hij betwist dit niet, of in ieder geval betwist hij dit onvoldoende gemotiveerd, zodat het hof het ervoor houdt dat [appellant] deze gebreken heeft geaccepteerd, ook als hij deze koopovereenkomst wel heeft getekend maar niet heeft gelezen. Het hof moet dus de vraag beantwoorden of er andere gebreken zijn, die in de weg staan aan het gebruik van deze auto voor normaal weggebruik. 3.
  14. Het hof is van oordeel dat van twee gebreken vaststaat dat ze in de weg staan aan normaal gebruik van de auto. Deze twee gebreken zijn het olielekkende achterdifferentieel en de loszittende bodemplaat van de auto. Dat de auto APK gekeurd was, brengt niet mee dat deze gebreken niet aan normaal gebruik van de auto in de weg staan. 3.
  15. Ten aanzien van het olielekkende achterdifferentieel geldt dat onvoldoende gemotiveerd betwist is dat een lekkende achterdifferentieel aan normaal gebruik in de weg staat. Volgens [geïntimeerde] , tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep, kan de auto als er voldoende olie uit de differentieel lekt niet meer rijden. [geïntimeerde] heeft wel betwist dat het achterdifferentieel lekte, maar heeft dat onvoldoende gemotiveerd gedaan. Tegenover het door [appellant] verstrekte rapport van [naam2] (hierna [naam2] ) staat enkel zijn betwisting met als motivering dat als er voldoende olie uit de differentieel lekt, de auto niet meer rijdt en deze auto nog wel reed. De lekkage kan echter bij aanschaf nog zodanig beperkt zijn geweest dat die het gebruik van de auto nog niet belemmerde. [naam2] heeft in december 2023 geconcludeerd dat het achterdifferentieel vervangen moet worden omdat deze olie lekt. Op grond van artikel 7:18a lid 2 BW moet vermoed worden dat dit gebrek er bij aflevering op 25 oktober 2023 al was. [geïntimeerde] heeft tegen dat vermoeden niets ingebracht. Met het defecte achterdifferentieel is daarmee gegeven dat de auto niet voldeed aan wat [appellant] op grond van de overeenkomst mocht verwachten. 3.
  16. Ten aanzien van de bodemplaat geldt dat [geïntimeerde] niet heeft betwist dat deze loszit. Volgens [geïntimeerde] is deze plaat er echter slechts voor de afwerking en is die niet relevant voor de veiligheid van de auto. De raadsheer-commissaris heeft op de mondelinge behandeling met partijen de foto’s van de bodemplaat bekeken. Daarop is te zien dat deze met een plastic tie-wrap vastzit en gescheurd is. [appellant] heeft onbetwist gesteld dat deze bodemplaat ook een klepperend geluid maakt wanneer met enige snelheid gereden wordt. Het hof is van oordeel dat het aan normaal gebruik in de weg staat als bij enige snelheid, zoals op de snelweg, de bodemplaat kleppert, waardoor zorg ontstaat of deze niet los zal komen. 3.
  17. [geïntimeerde] verweert zich. Hij stelt dat [appellant] een aankoopkeuring had kunnen laten doen en mede daarom niet aan zijn onderzoeksplicht heeft voldaan. Ook beroept [geïntimeerde] zich erop dat het hier om een oude auto ging, zodat – in de woorden van de advocaat van [geïntimeerde] – [appellant] “toch ook in alle redelijkheid niet [kan; toev. hof] verlangen dat hij een zo goed als nieuwe auto krijgt (…)” Het hof passeert deze verweren. Op de koopovereenkomst staat niet dat het achterdifferentieel lekt en dat de bodemplaat los zit. Ook is niet gesteld dat [appellant] uitdrukkelijk in kennis is gesteld dat deze twee gebreken aanwezig waren. [appellant] heeft deze gebreken dus niet uitdrukkelijk en afzonderlijk aanvaard. Dat op de (consument) koper in de gegeven omstandigheden een onderzoeksplicht rust om uit te sluiten dat er gebreken zijn die aan normaal gebruik in de weg staan vindt geen steun in het recht. [appellant] eist ook geen “zo goed als nieuwe auto” maar een auto die hij normaal kan gebruiken. Ook als de koopprijs € 7.000 is, zoals [geïntimeerde] zegt, mag [appellant] verwachten dat de auto in het normaal verkeer gebruikt kan worden, omdat geen sprake is van een zodanig laag bedrag dat [appellant] had moeten begrijpen dat de auto niet gebruikt kon worden om aan het verkeer deel te nemen. De leeftijd van de auto en het kilometrage maken dat in dit geval ook niet anders. Moet de koop worden ontbonden? 3.
  18. [appellant] heeft, zo begrijpt het hof de memorie van grieven, ontbinding van de koopovereenkomst gevorderd. Voor zover relevant bepaalt artikel 7:21 BW dat als het afgeleverde niet aan de overeenkomst beantwoordt, de koper herstel of vervanging kan eisen (lid 1), tenzij dit onmogelijk is of van de verkoper niet gevergd kan worden (lid 4). De verkoper is verplicht om, mede gelet op de aard van de zaak, binnen een redelijke termijn en zonder ernstige overlast voor de koper, deze verplichting na te komen (lid 3). De koper stelt de zaak ter beschikking van de verkoper voor herstel of vervanging. De verkoper neemt de zaak op zijn kosten terug (lid 7). Artikel 7:22 BW bepaalt, voor zover relevant, dat de consumentenkoper de bevoegdheid heeft de overeenkomst te ontbinden (artikel 7: 22 lid 1 BW), wanneer de verkoper tekortschiet in zijn verplichting om de zaak, binnen een redelijke termijn en zonder ernstige overlast voor de koper, te herstellen of te vervangen (artikel 7:22 lid 2 BW). 3.
  19. Het hof is van oordeel dat aan de vereisten voor ontbinding is voldaan. Dat herstel onmogelijk is of niet van [geïntimeerde] gevergd kan worden, is niet gesteld of gebleken. [geïntimeerde] heeft de auto niet binnen een redelijke termijn en zonder ernstige overlast voor [appellant] hersteld. [geïntimeerde] heeft namelijk van aanvang af zijn herstelverplichtingen beperkt tot die gebreken die verholpen moesten worden omdat anders de veiligheid in het geding zou zijn. Daarmee heeft hij duidelijk gemaakt dat hij slechts beperkt uitvoering zou geven aan zijn herstelverplichting. Partijen verschillen van mening over de vraag aan wie het te wijten is dat [appellant] de auto niet in [plaats1] heeft achtergelaten toen hij de auto ging terugbrengen. Maar vaststaat dat [geïntimeerde] ook na de ingebrekestelling van 24 december 2023 niets heeft gedaan om herstel van de auto te bewerkstelligen. Hij heeft wel aangegeven niet meer in Nederland woonachtig te zijn en “weinig” meer voor [appellant] te kunnen doen. Daaruit blijkt dat [geïntimeerde] niet bereid was om tot herstel binnen een redelijke termijn en zonder ernstige overlast voor [appellant] over te gaan. [appellant] heeft daarom het recht de koop te ontbinden. Moet [geïntimeerde] een vrijwaringsbewijs verschaffen? 3.
  20. [appellant] vordert ook dat [geïntimeerde] hem op straffe van verbeurte van een dwangsom een deugdelijk vrijwaringsbewijs zal verschaffen. Het hof is van oordeel dat dit inderdaad van [geïntimeerde] gevraagd kan worden. Het hof acht een termijn van twee weken redelijk voor [geïntimeerde] om de auto op te halen en een vrijwaringbewijs te verschaffen. Het hof zal hem daarom gebieden om binnen twee weken na betekening van dit arrest een deugdelijk vrijwaringsbewijs te verschaffen op straffe van een dwangsom van € 500 per dag of dagdeel dat hieraan niet is voldaan, met een maximum van € 10.
  21. Wat moet [geïntimeerde] betalen? 3.
  22. Ontbinding van de koop leidt tot een verplichting van partijen om de koop ongedaan te maken (artikel 6:271 BW). Daarnaast is [geïntimeerde] door een non-conforme auto te leveren in de nakoming van de koopovereenkomst tekort geschoten. Op 24 december 2023 is hij in gebreke gesteld. Herstel heeft niet plaatsgevonden. [geïntimeerde] is dus in verzuim. [geïntimeerde] is dan ook verplicht de schade van [appellant] die er het gevolg van is dat hij een non-conforme auto heeft geleverd te vergoeden (artikel 6:74 BW). 3.
  23. [appellant] heeft terugbetaling van € 8.994 gevorderd. Omdat de koopovereenkomst wordt ontbonden, heeft [appellant] recht op terugbetaling van wat hij betaald heeft, en op teruggave van zijn ingeruilde Ford. Vaststaat dat [appellant] € 7.000 betaald heeft. Dat bedrag moet [geïntimeerde] dus in ieder geval terugbetalen. Ongedaanmaking van de inruil van de Ford is niet meer mogelijk, omdat [geïntimeerde] de Ford heeft verkocht. Daarom moet [geïntimeerde] de waarde van de Ford vergoeden. Partijen verschillen van mening over die waarde. [appellant] wijst op de koopovereenkomst voor de Volkswagen, waarin een inruilwaarde van de Ford van € 1.995 is vermeld. [geïntimeerde] zegt dat hij de Ford maar voor € 500 heeft kunnen verkopen en dat het bedrag van € 1.995 alleen maar als inruilprijs is vermeld, omdat hij op de koopovereenkomst niet aan kon geven dat dit bedrag eigenlijk de korting was die hij aan [appellant] heeft gegeven voor de Volkswagen. 3.
  24. Het hof volgt het standpunt van [appellant] : in de koopovereenkomst is een tekstblok voor opmerkingen opgenomen waar [geïntimeerde] ook de korting had kunnen vermelden, maar dat niet heeft gedaan, terwijl hij daar wel andere punten heeft vermeld. De koopovereenkomst vermeldt duidelijk de inruilprijs van € 1.995, zodat het hof uitgaat van die prijs. Dat [geïntimeerde] de auto heeft doorverkocht voor € 500 is onvoldoende aanleiding om van een ander bedrag uit te gaan. Omdat [appellant] betaling van een bedrag van € 8.994 heeft gevorderd (en niet € 8.995), zal het hof [geïntimeerde] veroordelen dat bedrag terug te betalen. 3.
  25. [appellant] vraagt ook de door hem voldane motorrijtuigenbelasting en verzekeringspremies terug vanaf de dag van aankoop tot ontbinding. [geïntimeerde] heeft hiertegen geen verweer gevoerd, ook niet tegen de hoogte van de maandelijkse bedragen daarvan. Hij heeft louter aangevoerd dat de auto niet meer verzekerd was. [appellant] heeft onbetwist gesteld dat de auto op 9 februari 2024 is geschorst. Uit de door [geïntimeerde] overgelegde kentekencheck blijkt ook dat [appellant] de auto niet meer verzekerd heeft. De onbetwiste schadepost voor maandelijkse motorrijtuigenbelasting en verzekeringspremies zal daarom worden toegewezen van 25 oktober 2023 tot februari
  26. 3.
  27. [appellant] heeft de wettelijke rente gevorderd over de hoofdsom en de nevenvorderingen vanaf 25 oktober
  28. Omdat het hof de ontbinding zal uitspreken moet [geïntimeerde] de koopsom en de inruilprijs voor zijn Ford teruggeven door deze uitspraak. [geïntimeerde] komt in verzuim, omdat hij heeft aangegeven de koopprijs niet vrijwillig te zullen teruggeven en hij de Ford niet meer kan teruggegeven. De wettelijke rente over de € 8.994 zal daarom worden toegewezen vanaf de datum van deze uitspraak. Ten aanzien van de onbetwiste bedragen betaald aan motorrijtuigenbelasting en verzekeringspremies geldt dat de ingangsdatum van de wettelijke rente, die verder ook niet betwist is, niet in kan gaan voordat [appellant] zelf deze bedragen betaald heeft. Het hof zal de wettelijke rente over deze bedragen dus toewijzen vanaf de dag dat [appellant] deze kosten gemaakt heeft. Buitengerechtelijke incassokosten 3.
  29. [appellant] heeft buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. Op grond van artikel 6:96 lid 2 aanhef en onder c BW kunnen redelijke kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte als schade worden toegewezen. Het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is niet van toepassing. [appellant] heeft echter onvoldoende gesteld om vast te kunnen stellen dat zijn werkzaamheden meer behelsden dan verrichtingen waarvoor de in artikel 237-240 Rv bedoelde kosten een vergoeding plegen in te sluiten. Deze vordering zal dan ook worden afgewezen. Bewijsaanbiedingen 3.
  30. Voor zover al bewijsaanbiedingen in hoger beroep gedaan zijn, kunnen deze niet tot een andere conclusie leiden. Daarom worden ze gepasseerd. Conclusie 3.
  31. Het hoger beroep slaagt. Omdat [geïntimeerde] in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof hem tot betaling van de proceskosten zowel in hoger beroep als bij de kantonrechter veroordelen. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening. Omdat het hoger beroep slaagt zal ook de vordering van [appellant] tot terugbetaling van wat hij op grond van het vonnis van de kantonrechter aan [geïntimeerde] heeft betaald worden toegewezen. 4De beslissing Het hof: 4.
  32. vernietigt het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Almelo van 3 december 2024 en beslist als volgt; 4.
  33. ontbindt de koopovereenkomst voor de Volkswagen tegen inruil voor de Ford tussen [appellant] en [geïntimeerde] en veroordeelt [geïntimeerde] om aan [appellant] te betalen een bedrag van € 8.994, met wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag van dit arrest tot volledige voldoening; 4.
  34. beveelt [geïntimeerde] binnen twee weken na betekening van dit arrest een deugdelijk vrijwaringsbewijs voor de Volkswagen te verschaffen op straffe van een dwangsom van € 500 per dag of dagdeel dat hieraan niet is voldaan, met een maximum van € 10.000; 4.
  35. veroordeelt [geïntimeerde] om aan [appellant] te betalen € 84,66 en € 305,49 per maand vanaf 25 oktober 2023 tot februari 2024, met wettelijke rente over deze bedragen vanaf de dag van betaling door [appellant] tot de dag van voldoening; 4.
  36. veroordeelt [geïntimeerde] tot terugbetaling aan [appellant] van alles wat [appellant] op grond van het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Almelo aan [geïntimeerde] heeft betaald, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van de betaling door [appellant] tot aan de dag van terugbetaling; 4.
  37. veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling van de volgende proceskosten van [appellant] tot aan de uitspraak van de kantonrechter: € 87,- aan griffierecht € 143,37 aan kosten voor het betekenen (bekendmaken) van de dagvaarding aan [geïntimeerde] € 812 aan salaris van de advocaat van [appellant] (2 procespunten x het toepasselijke tarief van € 406) en tot betaling van de volgende proceskosten van [appellant] in hoger beroep: € 362 aan griffierecht € 148,90 aan kosten voor het betekenen (bekendmaken) van de dagvaarding aan [geïntimeerde] € 2.428 aan salaris van de advocaat van [appellant] (2 procespunten x het toepasselijke tarief II à € 1.214); bepaalt dat al deze proceskosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag. Als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente; 4.
  38. verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad; 4.
  39. wijst af wat verder is gevorderd. Dit arrest is gewezen door mrs. M.S.A. van Dam, D. Visser en M.P.M. Hennekens en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 13 januari
  40. HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.