Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden – ECLI:NL:GHARL:2026:1781
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.357.312/01 (zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 582836) beschikking van 24 maart 2026 in de zaak van [verzoeker] (de vader), die woont in [woonplaats1] , verzoeker in het principaal hoger beroep, verweerder in het incidenteel hoger beroep, advocaat: mr. A.S. Bodha te Amsterdam, en [verweerster] (de moeder), die woont in [woonplaats2] , verweerster in het principaal hoger beroep, verzoekster in het incidenteel hoger beroep, advocaat: mr. L.D.H. Lesmeister te Almere.
In zijn toetsende en/of adviserende rol is gekend: de raad voor de kinderbescherming (de raad) regio Midden-Nederland, locatie Utrecht.
1De procedure in eerste aanleg Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar het proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, van 14 april 2025 (hierna ook: de bestreden uitspraak), uitgesproken onder voormeld zaaknummer.
2De procedure in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:
2.2 [de minderjarige] is uitgenodigd om te vertellen wat zij vindt van de zorgregeling, maar heeft hiervan geen gebruik gemaakt.
2.3 De mondelinge behandeling heeft op 24 februari 2026 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.
3De feiten 3.1 Het huwelijk van de partijen is [in] 2019 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking 3.2 Partijen zijn de ouders van [de minderjarige] , geboren [in] 2017. [de minderjarige] heeft haar hoofdverblijfplaats bij de moeder. Partijen oefenen gezamenlijk het gezag uit over [de minderjarige] .
3.3 Tussen partijen liep een zorgregeling, vastgesteld bij beschikking van 12 november 2020 van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystand, inhoudende dat [de minderjarige] bij de vader verblijft: - om het weekend in de even weekenden van vrijdag na de opvang dan wel na school tot maandag naar de opvang dan wel naar school;
4De omvang van het geschil 4.1 Tussen partijen is in geschil de zorgregeling tussen hen betreffende [de minderjarige] .
Bij de – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – bestreden beschikking is, voor zover hier van belang, de beschikking van de rechtbank van 12 november 2020 gewijzigd en een zorgregeling bepaald, inhoudende dat:- [de minderjarige] het ene even weekend van vrijdag na school tot zondag 18.30 uur bij de vader verblijft, waarbij de vader [de minderjarige] op vrijdag uit school haalt en haar op zondag om 18.30 uur bij de moeder thuisbrengt;- [de minderjarige] het andere even weekend van vrijdag na school tot maandagochtend naar school bij de vader verblijft, waarbij de vader haar haalt en brengt van en naar school;
4.2 De vader is met één grief in hoger beroep gekomen van de beschikking van 14 april 2025. De vader verzoekt het hof de bestreden uitspraak te vernietigen en opnieuw recht doende de door de rechtbank vastgestelde zorgregeling van 12 november 2020 te wijzigen, in die zin dat [de minderjarige] eenmaal per twee weken van vrijdag na school tot en met zondagavond 18.00 uur bij hem zal zijn, dan wel een beslissing te nemen die het hof juist acht.
4.3 De moeder voert verweer en is op haar beurt met één grief in incidenteel hoger beroep gekomen. De moeder verzoekt in het principaal beroep niet-ontvankelijkverklaring, dan wel ongegrondverklaring, dan wel afwijzing van het verzoek van de vader. In het incidenteel hoger beroep verzoekt zij de bestreden uitspraak van 14 april 2025 te vernietigen en het verzoek van de vader af te wijzen, dan wel een beslissing te nemen die het hof juist acht.
4.4 De vader voert verweer in het incidenteel hoger beroep en hij verzoekt afwijzing van het incidenteel hoger beroep van de moeder.
5De motivering van de beslissing 5.1 Ingevolge artikel 1:253a lid 4 van het Burgerlijk Wetboek (BW) in samenhang met artikel 1:377e BW kan de rechter op verzoek van de ouders of van een van hen een beslissing inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag alsmede een door de ouders onderling getroffen regeling daarover wijzigen op de grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Deze gewijzigde regeling kan omvatten een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken, alsmede met overeenkomstige toepassing van artikel 377a, derde lid, een tijdelijk verbod aan een ouder om met het kind contact te hebben.
5.2 Het hof overweegt als volgt. De op 12 november 2020 door de rechtbank vastgestelde zorgregeling, is gebaseerd op de situatie zoals die destijds gold tussen partijen. Uit de stukken van het dossier en het verhandelde ter zitting van het hof blijkt dat de vader sindsdien een (andere) baan heeft (voorheen werkte hij als zelfstandige) waarbij hij zijn werktijden niet meer zelf kan bepalen. Hij woont in [woonplaats1] en moet ’s ochtends op tijd op kantoor zijn. Ook is zijn gezin uitgebreid met kinderen van en met zijn huidige partner, en kinderen van een voormalige partner, voor wie hij ook zorg draagt. Daarmee zijn de omstandigheden gewijzigd als bedoeld in artikel 1:253a BW., zodat de vader ontvankelijk is in zijn verzoek.
5.3 Het hof is van oordeel dat de rechtbank op goede gronden heeft beslist dat [de minderjarige] het ene omgangsweekend op zondagavond naar de moeder teruggaat en het andere omgangsweekend door de vader op maandagochtend naar school wordt gebracht. Vaststaat dat beide partijen op maandagochtend door hun werk een logistiek probleem hebben en het hof is met de rechtbank van oordeel dat op deze manier de pijn eerlijk tussen de ouders wordt verdeeld. Ten aanzien van het doordeweekse omgangsmoment, van woensdag uit school tot donderdag naar school, ziet het hof aanleiding om anders te beslissen dan de rechtbank heeft gedaan.
5.4 Uit de stukken en wat op de zitting is besproken, is gebleken dat de vader hier sinds het begin van 2026 geen uitvoering aan geeft. Hij haalt [de minderjarige] op de woensdagen niet op en is hierover niet in overleg getreden met de moeder. De vader verklaart hierover dat hij niet in staat is op die dagen, naast de maandagen, heen en weer te rijden vanwege de verantwoordelijkheden op zijn werk. De moeder heeft inmiddels haar werktijden zo aangepast dat zij [de minderjarige] om de week op maandag op kan halen en deze werkuren op een ander moment kan compenseren. De moeder heeft zich bereid verklaard de vader tegemoet te komen in zijn wensen ten aanzien van de zorgregeling, mits hij akkoord gaat met de achternaamswijziging van [de minderjarige] . Gebleken is dat de moeder in staat is om (ook) deze doordeweekse dagen op te vangen en dat de omgang op deze dagen bij haar goed verloopt.
5.5 Al met al levert dit voor [de minderjarige] een pijnlijke situatie op. Een situatie waar zij zelf niet om heeft gevraagd, en waarin ook merkbaar is dat [de minderjarige] zelf met oplossingen komt om het geschil tussen haar ouders op te lossen. Het hof acht dat niet in haar belang. Om die pijnlijke momenten voor [de minderjarige] te beperken en haar duidelijkheid te geven, en nu gebleken is dat er bij de ouders, weliswaar met wisselgeld, ook nog ruimte is om de zorgen bij [de minderjarige] weg te nemen, acht het hof het in het belang van [de minderjarige] om het doordeweekse omgangsmoment van woensdag uit school tot donderdag naar school te laten vervallen.
5.6 Het hof gaat ervan uit dat de zorgregeling zoals die nu wordt vastgesteld niet alleen duidelijkheid voor [de minderjarige] zal geven, maar ook voor de ouders, zodat eventuele terugkerende geschillen kunnen worden voorkomen. Het is aan de ouders om in het belang van [de minderjarige] vorm te geven aan een gezamenlijk ouderschap waarbij beide partijen openstaan voor overleg en rekening houden met elkaar mogelijkheden en beperkingen.
5.7 Vorenstaand oordeel brengt mee dat het hof de bestreden beschikking vernietigt, en onder wijziging van de bij de beschikking van 12 november 2020 vastgestelde zorgregeling, het volgende bepaalt: [de minderjarige] verblijft bij de vader:
6De slotsom Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof beslissen als na te melden.
7De beslissing Het hof, beschikkende in het principaal en het incidenteel hoger beroep: vernietigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 14 april 2025 en opnieuw recht doende: wijzigt de bij de beschikking van 12 november 2020 vastgestelde verdeling van de zorg- en opvoedingstaken ten aanzien van [de minderjarige] aldus dat [de minderjarige] bij de vader verblijft:
Deze beschikking is gegeven door mr. L. Pieters, mr. M.A.F. Veenstra, en mr. M. Bootsma, bijgestaan door mr. I.I. Buitenhuis als griffier, en is op 24 maart 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.