GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN zittingsplaats Leeuwarden Zaaknummer : Wahv 200.355.340/01 CJIB-nummer : 239373414 Uitspraak d.d. : 19 januari 2026 Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank MiddenNederland van 3 april 2025, betreffende [betrokkene] B.V. (hierna: de betrokkene), gevestigd te [vestigingsplaats]. De gemachtigde van de betrokkene is M.J.M. Bergers, kantoorhoudende te Maastricht. De beslissing van de kantonrechter De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gedeeltelijk gegrond verklaard en de sanctie gematigd tot een bedrag van € 112,
- Het verzoek om een proceskostenvergoeding is toegewezen tot een bedrag van € 907,-. Het verloop van de procedure De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding. De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend. De gemachtigde van de betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt. De beoordeling
- Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 150,- voor: “rijden op het trottoir, voetpad, fietspad, fiets/bromfietspad of het ruiterpad (niet de rijbaan gebruiken)”. Deze gedraging zou zijn verricht op 6 februari 2021 om 13:07 uur op de Langestraat 116 in Amersfoort met het voertuig met het kenteken [kenteken].
- De kantonrechter heeft het sanctiebedrag gematigd tot € 112,50, omdat de redelijke termijn van berechting als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) in eerste aanleg is overschreden.
- De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de betrokkene de gedraging ontkent. Daarnaast stelt de gemachtigde dat er geen schouwrapporten van een maand voor en een maand na de gedraging aanwezig zijn. Dat eerder is aangevoerd dat de schouwrapporten onduidelijk zijn, maakt nog niet dat dit gaat om schouwrapporten van een maand voor en een maand na de gedraging. Dit kan ook zien op andere schouwrapporten. De gemachtigde stelt dat de kantonrechter ten onrechte dit argument ter zijde heeft geschoven en niet heeft beoordeeld, terwijl dit nadrukkelijk ter zitting naar voren is gebracht.
- Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
- De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens: “Overtreden artikel: 10 lid 1 RVV 1990.”
- Verder bevat het dossier een aanvullend proces-verbaal van 23 juli 2021, waarin de ambtenaar onder meer verklaart: ““Aan te geven waar/welke bebording ter plaatse aanwezig is” In ons algemeen proces verbaal staan de locaties waar en welke bebording ter plaatse aanwezig is. Zie hier bijlage
- “Aan te geven wat de precieze gedragingsgegevens zijn” Niet de rijbaan gebruiken door te rijden over het trottoir, voetpad, (brom) fietspad of ruiterpad. Betrokkene is een G7 verkeersbord gepasseerd.” Ook bevat het dossier een foto van de gedraging. Op de foto is het bord G7 niet zichtbaar.
- Het hof begrijpt uit het hoger beroepschrift dat, gelet op hetgeen de gemachtigde in beroep bij de kantonrechter heeft aangevoerd, de gemachtigde zich beroept op het Beleidskader digitale handhaving geslotenverklaringen en voetgangersgebieden (hierna: Beleidskader) waarin onder meer het volgende is opgenomen: “Indien camerasystemen in werking zijn waarop de borden niet zichtbaar zijn, dan zal een (minimaal) maandelijkse omgevingsschouw moeten plaatsvinden door een opsporingsambtenaar. Deze legt in een proces-verbaal vast dat de borden en de daarbij behorende onderborden juist zijn geplaatst.”
- De advocaat-generaal heeft als bijlage bij het verweerschrift twee schouwrapporten van 15 oktober 2020 en 12 februari 2021 gevoegd, waarin staat dat de bebording G7 conform wet- en regelgeving is geplaatst en aanwezig was in de binnenstad van Amersfoort en het gebied Sint Jorisplein. De schouwrapporten bevatten foto’s van alle bebording G7 in het genoemde gebied. In beide rapporten zijn ook foto’s van de pleeglocatie met het bord G7 en het onderbord opgenomen.
- Het hof stelt vast dat een schouwrapport van januari 2021 ontbreekt. Uit het dossier blijkt dus niet dat de bebording in de periode rond de gedraging (minimaal) maandelijks is gecontroleerd. Het voorgaande brengt mee dat de gedraging niet op de in het Beleidskader voorgeschreven wijze kan worden vastgesteld en de ambtenaar geen gebruik had mogen maken van zijn bevoegdheid om een sanctie op te leggen. Het hof zal de inleidende beschikking daarom vernietigen.
- De proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking. Aan het indienen van het administratief beroepschrift, het indienen van het beroepschrift bij de kantonrechter, het verschijnen ter zitting van de kantonrechter en het indienen van het hoger beroepschrift bij het hof dienen in totaal vier punten te worden toegekend. Het hof zal, met toepassing van artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht, voor het telefonisch horen in administratief beroep een half punt toekennen. De waarde per punt bedraagt in administratief beroep € 666,- en in (hoger) beroep € 934,‑. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Omdat de beslissing van de kantonrechter na 31 december 2023 is bekendgemaakt en gelet op het arrest van het hof van 3 november 2025 (ECLI:NL:GHARL:2025:6853) wordt het bedrag van de in hoger beroep gemaakte kosten op grond van artikel 13a, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wahv vermenigvuldigd met factor 0,
- Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 1.550,25 (= ( 1,5 x € 666,- x 0,5) + (2 x € 934,- x 0,5) + (1 x € 934,- x 0,5 x 0,25)).
- Het hof beslist als volgt. De beslissing Het gerechtshof: vernietigt de beslissing van de kantonrechter; verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing; verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking gegrond; vernietigt de beschikking waarbij onder voormeld CJIB-nummer de administratieve sanctie is opgelegd; bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op grond van artikel 11 van de Wahv tot zekerheid is gesteld door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd; veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 1.550.
- Dit arrest is gewezen door mr. De Witt, in tegenwoordigheid van mr. Postma als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.