Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden – ECLI:NL:GHARL:2026:2781
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.361.413 (zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 574572) beschikking van 7 mei 2026 inzake [appellant] , wonende te [woonplaats1] ,verder te noemen: de vader, advocaat: mr. J.B. de Jong, en [geïntimeerde] , wonende te [woonplaats2] , verder te noemen: de moeder, advocaat: mr. W.W.P. Mei.
1 1. Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 21 november 2024 en het proces-verbaal van de uitspraak (artikel 29a Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering) van 6 augustus 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.
2Het geding in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:
2.2 De mondelinge behandeling heeft op 10 april 2026 plaatsgevonden. De vader en de moeder zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Namens de raad voor de kinderbescherming (verder: de raad) is een vertegenwoordiger verschenen.
3De feiten 3.1 Partijen zijn de ouders van [minderjarige] , geboren [in] 2018. De moeder heeft alleen het gezag over [minderjarige] .
3.2 Bij de beschikking van 21 november 2024 heeft de rechtbank beslist over de achternaam van [minderjarige] en de door de vader aan de moeder te betalen kinderalimentatie. De beslissingen over het gezag en de omgangs-/zorgregeling zijn aangehouden in afwachting van de uitkomst van een raadsonderzoek. Dat raadsonderzoek is op 19 april 2025 gereed gekomen.
3.3 De vader had sinds juni 2019 begeleide omgang met [minderjarige] . De omgang is op 14 april 2025 stopgezet.
3.4 In de mondelinge uitspraak van 6 augustus 2025 heeft de rechtbank beslist dat het gezag alleen bij de moeder blijft en dat het niet in het belang van [minderjarige] is om de (begeleide) omvang te hervatten. De verzoeken van de vader zijn dus afgewezen.
4De omvang van het geschil 4.1 In geschil is of tussen de vader en [minderjarige] alsnog een omgangsregeling vastgesteld moet worden.
4.2 De vader is met één grief in hoger beroep gekomen van de beslissing van de rechtbank van 6 augustus 2025. Hij verzoekt het hof die beslissing, naar het hof begrijpt, deels te vernietigen en alsnog een omgangsregeling tussen hem en [minderjarige] vast te stellen. Een en ander ‘kosten rechtens’ en voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.
4.3 De moeder voert verweer en zij verzoekt het hof het hoger beroep van de vader af te wijzen en de beschikking van de rechtbank te bekrachtigen.
5De motivering van de beslissing ontvankelijkheid 5.1 De moeder heeft als meest verstrekkend verweer aangevoerd dat de vader niet-ontvankelijk is in zijn hoger beroep wegens schending van de goede procesorde. Daarbij wijst de moeder op het door de vader niet tijdig indienen van de benodigde processtukken en op een zitting op 14 januari 2026 die niet is doorgegaan waar enkel de ontvankelijkheid van het hoger beroep aan de orde zou komen. Het hof overweegt dat van de zijde van de vader het verzuim ten aanzien van het niet volledig indienen van processtukken is hersteld en hij ontvankelijk is in zijn hoger beroep. wat staat er in de wet 5.2 De rechter stelt op verzoek van de ouders of van één van hen, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast dan wel ontzegt, al dan niet voor bepaalde tijd, het recht op omgang.Ingevolge 1:377a lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (BW) ontzegt de rechter het recht op omgang slechts, indien:a. omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind, ofb. de ouder kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, ofc. het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang met zijn ouder heeft doen blijken, ofd. omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind. de gebeurtenissen op de zitting bij de rechtbank op 6 augustus 2025 5.3 Nu partijen in hun stukken verwijzen naar de gebeurtenissen op de zitting bij de rechtbank van 6 augustus 2025, citeert het hof een gedeelte uit de proces-verbaal uitspraak van de rechtbank: ‘Zo heeft de vader zich ook op de zitting van 6 augustus 2025 zeer bedreigend opgesteld. De moeder vertelde hoe het met [minderjarige] ging. Zij gaf aan dat [minderjarige] speltherapie krijgt en dat het beter met haar gaat, maar ook dat zij haar vader mist. Hierop werd vader zo boos, dat hij de zitting verliet met de woorden: dan weten jullie waar ik nu naartoe ga en dat hebben jullie dan gedaan, waarbij hij met zijn vinger naar de rechter, griffier en de raadsmedewerker wees. De rechtbank heeft de bedreigingen van de vader serieus opgepakt. De zitting is enige tijd stilgelegd en de politie heeft meldingen gedaan bij de woongemeenten van de ouders. Daarnaast heeft de Raad op de zitting verteld dat de vader tegen de raadsmedewerkers heeft gezegd: jullie leven komt er anders uit te zien.’ de standpunten van de vader 5.4 De vader erkent zonder voorbehoud dat zijn gedrag op en rond de zitting van 6 augustus 2025 ernstig grensoverschrijdend is geweest. Hij heeft een kort lontje als het om zijn kinderen (naast [minderjarige] heeft hij nog meerdere kinderen) gaat en kan zich niet altijd inhouden. Hij begrijpt dat hij zich op de zitting bij de rechtbank onhandig heeft gedragen, maar hij heeft ook een andere kant. Hij is inmiddels in behandeling bij [zorginstelling1] en bij de [zorginstelling2] en bezig zijn leven op orde te krijgen volgens een plan van aanpak. De zitting van 6 augustus 2025 bij de rechtbank is voor de vader een ‘wake-up-call’ geweest. Hij wil dolgraag weer contact met [minderjarige] en wijst op artikel 3 IVRK. Hij verzoekt het hof een omgangsregeling vast te stellen en heeft dat op de mondelinge behandeling nader geconcretiseerd, in die zin dat hij verzoekt om begeleide omgang, bijvoorbeeld:
het oordeel van het hof 5.7 Het hof is van oordeel dat het niet in het belang van [minderjarige] is als er nu een omgangsregeling wordt bepaald, ook niet begeleid of anderszins. Uit het procesdossier blijkt dat de vader zich naar iedereen rond [minderjarige] en haar moeder, inclusief hulpverleners, begeleiders van de omgang, medewerkers van de raad en zelfs de rechter in eerste aanleg, agressief en intimiderend gedraagt als de zaken niet gaan op een wijze zoals hij dat wenst. De wijze waarop de vader dit doet is grensoverschrijdend en gaat alle perken te buiten. Hierdoor is sprake van een zeer onveilige situatie rondom [minderjarige] die ook [minderjarige] direct raakt. Niet voor niets ook heeft de vader een omgevingsverbod in de gemeente [naam gemeente] .
5.8 Illustratief zijn in dit kader ook de gebeurtenissen na afloop van de zitting bij het hof. Direct na afloop van die zitting is de vader de zittingszaal uitgebeend en heeft daar op de gang staan wachten. Daarop hebben de moeder en haar advocaat op advies van de tijdens de zitting aanwezige parketpolitie via een andere uitgang de zittingszaal verlaten. Ook de vertegenwoordiger van de raad is onder begeleiding van de parketpolitie de zittingszaal uitgeleid. Van de parketpolitie heeft het hof na de zitting vernomen dat de vader en zijn kennelijk ook aanwezige moeder zich verbaal agressief en onbehoorlijk binnen het gerechtsgebouw hebben gedragen richting de parketpolitie en de bodes en dat daarbij ook de advocaat van de vader zelf niet werd ontzien. De parketpolitie heeft vervolgens geregeld dat enkele procesdeelnemers door henzelf en de plaatselijke politie naar hun auto’s zijn begeleid.
5.9 Het is goed dat de vader zich heeft aangemeld bij [zorginstelling1] en [zorginstelling2] om aan zichzelf te werken, maar die trajecten zijn nog niet gestart. [zorginstelling1] gaat volgens de vader pas starten als hij van zijn middelengebruik af is. Daarvoor gaat hij eerst een traject (detox) bij de [zorginstelling2] doorlopen. De vader heeft daarin echter nog een lange weg te gaan en het ligt helemaal bij hem of die trajecten voor een bestendige gedragsverandering gaan zorgen. Eerst dan kan er worden bezien of omgang tussen de vader en [minderjarige] weer verantwoord is. Voor nu is dat naar het oordeel van het hof zeker niet het geval en dus ook niet in het belang van [minderjarige] .
6De slotsom 6.1 Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, faalt de grief. Het hof zal de bestreden beschikking bekrachtigen.
6.2 Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu partijen een relatie met elkaar hebben gehad en de procedure het uit die relatie geboren kind betreft.
7De beslissing Het hof, beschikkende in hoger beroep:
7.1 bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 6 augustus 2025;
7.2 compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt;
7.3 wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. S. Kuijpers, R. Prakke-Nieuwenhuizen en C.M. Schönhagen, bijgestaan door mr. H.P.J. Meijerink als griffier, en is op 7 mei 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.