← Nederland

ECLI:NL:GHARL:2026:293

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden, afdeling civiel zaaknummer gerechtshof 200.334.920/01 zaaknummer rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen 9694856 arrest van 20 januari 2026 in de zaak van [appellante] , die woont in [woonplaats1] , die hoger beroep heeft ingesteld en bij de kantonrechter optrad als gedaagde, hierna: [appellante], advocaat: mr. R.J.A.M. Besselink te Arnhem, tegen de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid Vereniging van Eigenaars Appartementen Hooge Rijn, die is gevestigd in Hoogeveen, die ook (voorwaardelijk) hoger beroep heeft ingesteld en bij de kantonrechter optrad als eiseres, hierna: de VvE, advocaat: mr. J.A.C. Verheyden te Beilen. 1Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep 1.

  1. Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit: - het tussenarrest van 1 juli 2025; - het h16-formulier met productie 29 van de zijde van de VvE, van 23 mei 2025; - het h16-formulier met brief en bijlagen van de zijde van [appellante] , van 25 juni 2025; - het h16-formulier met e-mail van de zijde van de VvE, van 8 augustus 2025; - de akte van de zijde van [appellante] , tevens akte overlegging producties, van 16 september 2025; - de akte van de zijde van de VvE, van 16 september 2025; - de antwoordakte van de zijde van [appellante] , van 14 oktober 2025; - de antwoordakte van de zijde van de VvE, van 14 oktober
  2. 1.
  3. Vervolgens is een datum bepaald voor arrest. 2De stand van zaken; vervolg procedure 2.
  4. Uit de akten van partijen van 16 september en 14 oktober 2025 blijkt dat partijen er niet in geslaagd zijn om in overleg tot een oplossing te komen. Het hof gaat daarom in dit arrest alsnog over tot beoordeling van de vorderingen. Allereerst zal het hof hierna echter nog kort ingaan op de poging van partijen om in overleg tot een oplossing te komen. 2.
  5. Partijen hebben in een poging om tot een oplossing te komen, op de zitting bij het hof van 13 december 2024 (werk)afspraken met elkaar gemaakt. Daarbij is onder meer afgesproken dat de VvE zélf, door een door het hof te noemen deskundige, laat onderzoeken of de airco-installatie van [appellante] voldoet aan de geluidsnormen. Het geluidsonderzoek is in opdracht van de VvE uitgevoerd door [deskundige1] . Het rapport van deze deskundige is overgelegd (versie 11 mei 2025). Het rapport vermeldt, kort gezegd, dat het toelaatbaar geluidsniveau overschreden wordt. [appellante] heeft naar aanleiding van die bevinding (nogmaals) aan de VvE aangeboden de airco-installatie te voorzien van een geluiddempende omkasting. [appellante] stelt dat de VvE dat aanbod in redelijkheid niet mag weigeren. 2.
  6. Het betoog van [appellante] dat de VvE het aanbod in redelijkheid niet mag afslaan, wordt in deze procedure gepasseerd. Ten eerste is de vraag of de VvE het aanbod dient te accepteren, geen onderdeel van het geschil dat hier ter beoordeling voorligt aan het hof. De afspraken die partijen op de zitting van 13 december 2024 gemaakt hebben, zijn onderlinge werkafspraken in het kader van een poging om tot oplossing te komen. Een voldoende duidelijke wijziging van eis (of van de gronden van de eis) van de zijde van [appellante] ontbreekt ook. Ten tweede merkt het hof op dat de reden dat de VvE verwijdering van de airco-installatie verlangt, niet alleen gelegen is in de (mogelijke) overschrijding van de geluidsnorm. Een van de andere bezwaren is dat [appellante] voor haar airco-installatie, zonder voorafgaande toestemming van de VvE, een gat heeft gemaakt in de gevel van het complex. Dat bezwaar is niet weggenomen. Ook blijkt niet dat [appellante] de VvE tijdig en adequaat geïnformeerd heeft over de aard en omvang van de door haar gepleegde ingrepen in de gevel van het appartementencomplex. Dat de VvE het aanbod niet zou mogen weigeren, valt reeds om die reden ook niet in te zien. 2.
  7. Op de zitting van 13 december 2024 is afgesproken dat [appellante] opdracht zal geven aan een deskundige om onderzoek te doen naar de technische aspecten van de airco-installatie. De aangewezen deskundige – [deskundige2] – heeft op 25 augustus 2025 een concept-rapport uitgebracht. Het concept-rapport, dat ook in het geding is gebracht, vermeldt dat de deskundige geen gebreken heeft geconstateerd en dat de installatie volledig veilig is. Deze conclusie wordt door [appellante] onderschreven. Het hof ziet gelet daarop geen aanleiding om [appellante] nog de gelegenheid te geven het definitieve rapport in het geding te brengen. Het hof zal – zonder te beslissen of de conclusie van [appellante] gelet op het door de VvE in het geding gebrachte rapport van KSN juist is – bij de verdere beoordeling uitgaan van de veronderstelling dat, zoals [appellante] bepleit heeft, de airco-installatie voor wat betreft de technische aspecten voldoet. Ook als van die veronderstelling wordt uitgegaan, komt het hof echter – zoals hierna wordt toegelicht – tot de conclusie dat het hoger beroep van [appellante] verworpen moet worden. Het hof merkt nog op dat de VvE niet benadeeld is doordat zij niet meer gereageerd heeft op de producties bij de antwoordakte van [appellante] . Die producties liggen niet (mede) ten grondslag aan enige beslissing ten nadele van de VvE. 3De kern van de zaak 3.
  8. Het gaat in deze zaak om een conflict tussen een vereniging van eigenaars van een appartementencomplex (de VvE) en een van de appartementseigenaars ( [appellante] ). [appellante] heeft een gat in de gevel van het complex geboord, dit voor de aanleg van een airco-installatie in haar appartement. Ook heeft [appellante] een aantal drainagetegels van het gebouw verwijderd en vervangen door grind. Volgens de VvE had [appellante] die handelingen niet mogen verrichten zonder toestemming van de vergadering van eigenaars van de VvE. Die toestemming is, aldus de VvE, niet gegeven. 3.
  9. De VvE heeft bij de kantonrechter onder meer gevorderd om [appellante] te veroordelen om het gat in de gevel te dichten en om de drainagetegels terug te plaatsen. Ook heeft de VvE gevorderd om [appellante] te veroordelen tot afgifte van een gebruikersverklaring van de huurder van het appartement van [appellante] . De kantonrechter heeft deze vorderingen op 4 april 2023 toegewezen. Daarbij is [appellante] veroordeeld om de gevel te herstellen en de drainagetegels terug te plaatsen, dit op straffe van verbeurte van een dwangsom. De kantonrechter heeft [appellante] ook veroordeeld tot het verstrekken van een gebruikersverklaring en tot vergoeding van de proceskosten. Het vonnis van de kantonrechter is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. 3.
  10. [appellante] heeft hoger beroep ingesteld. [appellante] wil dat de vorderingen die zien op het herstel van de gevel en op het terugplaatsen van de drainagetegels, alsnog worden afgewezen. De VvE heeft ook hoger beroep ingesteld, maar alleen voor het geval dat het hoger beroep van [appellante] geheel of gedeeltelijk slaagt. 3.
  11. Het hof zal het hoger beroep van [appellante] verwerpen. Verder stelt het hof vast dat de voorwaarde waaronder de VvE haar hoger beroep heeft ingesteld, niet vervuld is. Het hof zal dit oordeel hierna toelichten. Daarbij wordt eerst een kort overzicht gegeven van de feiten. 4De feiten 4.
  12. De VvE is de vereniging van eigenaars van het perceel met appartementengebouw aan de Rijn 2 t/m 84 te Hoogeveen. Bij akte van splitsing van 11 juli 1997 is het complex gesplitst in 70 appartementsrechten. 4.
  13. [appellante] is rechthebbende van het appartementsrecht bekend als [adres2] (kadastraal bekend [nummer1] ) (hierna: het appartement). [appellante] heeft het appartement gekocht van haar tante, mevrouw [naam1] (hierna: [naam1] ). Het appartement is [in] 2020 aan [appellante] geleverd. [naam1] is in het appartement gaan wonen. 4.
  14. De splitsingsakte van 11 juli 1997 vermeldt dat het modelreglement 1992 van toepassing is verklaard, dit voor zover dat modelreglement in de splitsingsakte niet is gewijzigd of aangevuld. Dit reglement (hierna: het Reglement) bepaalt onder meer: “F. Gebruik, beheer en onderhoud van de gemeenschappelijke gedeelten en de gemeenschappelijke zaken Artikel 9
  15. Tot de gemeenschappelijke gedeelten en gemeenschappelijke zaken worden onder meer gerekend, voor zover aanwezig: a. (...) de dragende muren en de kolommen, het geraamte van het gebouw met de ondergrond, het ruwe metselwerk, alsmede de vloeren met uitzondering van de afwerkingen in de privé gedeelten, de buitengevels, (...) de balkonconstructies, (...) de terrassen (...), de daken (...); b. (...)
  16. Het is een eigenaar of gebruiker zonder toestemming van de vergadering niet toegestaan veranderingen aan te brengen in de gemeenschappelijke gedeelten en de gemeenschappelijke zaken, ook als deze zich in de privé gedeelten bevinden. Artikel 10 Indien er twijfel bestaat of een gedeelte van het gebouw of een zaak al dan niet tot (...) de gemeenschappelijke zaken behoort, wordt hierover beslist door de ledenvergadering.” 4.
  17. Het appartement is voorafgaand aan de verkoop aan [appellante] , grondig gerenoveerd. De renovatiewerkzaamheden zijn in mei/juni 2020 afgerond. Bij de renovatie is het appartement onder meer voorzien van een airco-installatie. De airco-installatie bestaat uit een binnenunit en een buitenunit. Ten behoeve van de aansluiting van de buitenunit is een gat geboord in de gevel van het gebouw. Bij de renovatie heeft [appellante] ook circa 25 drainagetegels van het dakterras vervangen door basaltgrind. Voor deze werkzaamheden was niet vooraf aan de VvE om toestemming gevraagd. 4.
  18. Op 5 maart 2020 heeft de VvE [naam1] , die toen de appartementseigenaar was, een brief gestuurd over de verbouwing van het appartement. Daarbij heeft de VvE [naam1] geïnformeerd over welke werkzaamheden zij niet zonder uitdrukkelijke toestemming mag uitvoeren. 4.
  19. Op 6 mei 2020 heeft de VvE per e-mail aan heer [naam2] (destijds vertegenwoordiger van zowel [naam1] als [appellante] ) verzocht om de airco-installatie te verwijderen. Aan dit verzoek is niet voldaan. 4.
  20. Op 22 juli 2020 vond een bijeenkomst plaats van de vergadering van eigenaars van de VvE. Voor de vergadering waren in verband met het dispuut met [appellante] twee verzoeken / voorstellen geagendeerd. Ten eerste het verzoek van [appellante] om achteraf toestemming te verlenen voor het plaatsen van de airco-installatie en het hebben van het daarbij behorende gat in de gevel. Ten tweede een voorstel van het bestuur van de VvE om haar te machtigen om rechtsvorderingen in te stellen tegen de rechthebbende van het appartement. De vergadering van eigenaars heeft het verzoek van [appellante] afgewezen. Het door het bestuur gevraagde mandaat is verleend. 4.
  21. Op 27 mei 2021 heeft de advocaat van de VvE [appellante] per brief gesommeerd om (onder meer) het grind van het dakterras te verwijderen, de drainagetegels terug te plaatsen en de airco-installatie te verwijderen. Aan het slot van de brief wordt vermeld: “Het bestuur van cliënte wil meewerken om de toestemming voor een airco op de eerstvolgende agenda van de vergadering van eigenaars te plaatsen. Het bestuur heeft mij laten weten dat zij - indien alle formaliteiten in acht worden genomen door mevrouw [appellante] - niet onwelwillend overstaat tegen de plaatsing van een airco die geen geluidsoverlast veroorzaakt. Een uiteindelijk besluit over het al dan niet toestaan van een airco blijft voorbehouden aan de vergadering van eigenaars. Ik kan daar geen toezeggingen over doen.” 4.
  22. Op 6 december 2021 heeft de advocaat van de VvE aan de advocaat van [appellante] een brief gestuurd over onder meer een vordering van de VvE op [appellante] tot betaling van rente en van kosten van juridische bijstand, de verstrekking van een gebruikersverklaring, en de kwestie van de airco-installatie. Deze brief vermeldt over de kwestie van de airco-installatie: “Ten aanzien van de litigieuze airco in het appartement van uw cliënte heeft te gelden dat daarvoor in tegenstelling tot het bepaalde in het Modelreglement en het Huishoudelijk Reglement vooraf aan de plaatsing geen toestemming is gevraagd. Gezien het door u namens uw cliënt gestelde over de gezondheidstoestand van de huurster is cliënte onder de conditie dat de airco bij einde verhuur wordt verwijderd en de oorspronkelijke toestand wordt hersteld, bereid hiervoor alsnog toestemming te verlenen. (...)” 4.
  23. In reactie daarop heeft de advocaat van [appellante] op 16 december 2021 aan de VvE laten weten dat [appellante] bereid is om aan de voorwaarde met betrekking tot de airco-installatie gevolg te geven én om voor de terhandstelling van de gebruikersverklaring te zorgen, mits de VvE schriftelijk aangeeft dat zij afziet van incassering van de gepretendeerde vordering wegens kosten van juridische bijstand en wegens rente. 4.
  24. Enkele maanden later heeft de VvE [appellante] gedagvaard voor de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen. De kantonrechter heeft op 22 november 2022 een tussenvonnis gewezen en op 4 april 2023 volgde het eindvonnis. Dit eindvonnis is hersteld bij herstelvonnis van 2 mei
  25. In het eindvonnis heeft de kantonrechter [appellante] veroordeeld tot – kort samengevat – herstel van de schade aan de gevel en het terugplaatsen van de drainagetegels. Aan deze veroordelingen heeft de kantonrechter ook een dwangsom verbonden. [appellante] is ook veroordeeld tot het verstrekken van een gebruikersverklaring en tot betaling van de proceskosten. De veroordelingen zijn uitvoerbaar bij voorraad verklaard. 4.
  26. Tot nu toe heeft [appellante] het gat in de gevel niet hersteld en zijn de drainagetegels niet teruggeplaatst. Ook is de gebruikersverklaring niet verstrekt. 5Het oordeel van het hof 5.
  27. [appellante] heeft hoger beroep ingesteld tegen het tussenvonnis van 22 november 2022 en het eindvonnis van 4 april 2023 (zoals hersteld bij vonnis van 2 mei 2023). Het beroep van [appellante] bevat drie grieven. De eerste grief richt zich tegen het oordeel over het herstel van de gevel. Met de tweede grief betoogt [appellante] dat het voor haar onmogelijk is om aan de veroordeling tot herstel van de gevel te voldoen. De derde en laatste grief richt zich tegen het oordeel van de kantonrechter dat [appellante] de drainagetegels dient terug te plaatsen. Herstel van de gevel (boorgat voor airco-installatie) 5.
  28. [appellante] betoogt dat zij – anders dan de kantonrechter aannam – geen toestemming nodig had voor het maken van het boorgat in de gevel. Volgens [appellante] kan het aanbrengen van het gat namelijk niet aangemerkt worden als een ‘verandering’ in een gemeenschappelijk deel / een gemeenschappelijke zaak in de zin van artikel 9 lid 2 van het Reglement. Het gaat hier, aldus [appellante] , om een boorgat met een diameter van circa 50 millimeter, op een hoogte van ongeveer 1,8 meter (gemeten vanaf de vloer van het dakterras). Het maken van zo’n boorgat is geen verandering althans geen wezenlijke verandering in een gemeenschappelijk deel/zaak als bedoeld in het Reglement. Als voor elke kleine wijziging of aanpassing in of aan een gemeenschappelijke muur toestemming van de vereniging van eigenaars nodig zou zijn, zou dat ook tot onwerkbare of onwenselijke situaties leiden, aldus telkens [appellante] . 5.
  29. Het hof stelt bij de beoordeling voorop dat het Reglement onderdeel uitmaakt van de splitsingsstukken. Voor de uitleg van de splitsingsstukken komt het aan op de daarin tot uitdrukking gebrachte bedoeling van degene die tot splitsing is overgegaan. Indien de ingeschreven splitsingsstukken voor verschillende uitleg vatbaar zijn, dient de rechter vast te stellen welke uitleg van deze stukken naar objectieve maatstaven het meest aannemelijk is. 5.
  30. Niet ter discussie staat dat de gevel/muur waarin het boorgat is aangebracht, een dragende buitenmuur is en dat dit een gemeenschappelijke zaak is (zie ook artikel 9 lid 1 Reglement). Het Reglement bepaalt dat het zonder toestemming van de vergadering van eigenaars niet is toegestaan veranderingen aan te brengen in de gemeenschappelijke zaken, en dat geldt ook als deze zaken zich in privé-gedeelten bevinden (zie artikel 9 lid 2 Reglement). De vraag die voorligt is of ook het aanbrengen van een boorgat zoals hier aan de orde, zo’n ‘verandering’ is. 5.
  31. Het hof neemt bij de beantwoording van die vraag onder meer in aanmerking dat artikel 9 van het Reglement, het vereiste van toestemming niet beperkt tot veranderingen van een bepaalde aard of omvang. De overige delen van het Reglement en de verdere splitsingsstukken bevatten ook geen concrete aanwijzing voor een dergelijke beperking. Verder neemt het hof in aanmerking dat het, zoals [appellante] opmerkt, in het maatschappelijk verkeer (wellicht) gebruikelijk is om als bewoner van een appartement bijvoorbeeld enkele schroeven in een muur van dat appartement te bevestigen om daar iets aan op te hangen. 5.
  32. Of het in artikel 9 lid 2 van het Reglement genoemde toestemmingsvereiste ook geldt voor beperkte wijzigingen, zoals het aanbrengen van een schroef, kan hier in het midden blijven. Het gaat hier namelijk om een boorgat met een diameter van ongeveer 5 cm. Dat gat is aangebracht in een dragende buitenmuur, en het gaat daarbij niet gaat om een boring ‘in’ een muur, maar om een doorboring over de volledige diepte van de gevel/muur. Dat een dergelijke meer ingrijpende wijziging gebruikelijk zou zijn, valt niet in te zien, en dat het vereisen van toestemming voor dergelijke gevallen onwerkbaar of onwenselijk zou zijn, valt evenmin in te zien. In artikel 9 van het Reglement is, zoals vermeld, het toestemmingsvereiste niet beperkt tot wijzigingen van een bepaalde aard of omvang. Evenmin staat daarin dat het toestemmingsvereiste slechts zou gelden indien de wijziging bijvoorbeeld gevolgen heeft voor de constructieve veiligheid of indien een ander hinder ondervindt van de wijziging. De bepaling moet bij toepassing van de hiervoor bedoelde objectieve uitlegmaatstaf naar het oordeel van het hof gelet daarop zo begrepen worden dat dit vereiste óók geldt voor het aanbrengen van een boorgat zoals dat hier aan de orde is. Of er deugdelijke gronden zijn om een dergelijke toestemming te weigeren, is een andere vraag. Dat het in dit geval gaat om een boorgat dat is aangebracht in het kader van de plaatsing van een airco-installatie met een buitenunit, maakt dat alles niet anders. Het betoog van [appellante] dat er op grond van artikel 9 lid 2 van het Reglement geen toestemming nodig was voor het aanbrengen van het boorgat, wordt dan ook verworpen. 5.
  33. [appellante] stelt zich – subsidiair – op het standpunt dat het bestuur van de VvE in de brief die de VvE op 6 december 2021 toezond aan de advocaat van [appellante] , toestemming heeft gegeven voor het aanbrengen van het boorgat. Het hof verwerpt dat betoog. De VvE wijst er terecht op dat niet het bestuur van de VvE, maar de vergadering van eigenaars toestemming kan geven voor de wijziging. Dat de bevoegdheid tot het verlenen van toestemming bij de vergadering van eigenaars lag en niet bij het bestuur, was kennelijk overigens ook bekend bij [appellante] . Zo had [appellante] medio 2020 al aan de vergadering van eigenaars verzocht om de benodigde toestemming te verlenen. Overigens wijst de VvE erop dat in de brief van 6 december 2021 bij het aanbod van het bestuur, als voorwaarde is vermeld dat de airco-installatie bij het einde van de verhuur verwijderd wordt en dat dan de oorspronkelijke toestand dan hersteld wordt (zie hierboven, onder 4.9). Volgens de VvE heeft [appellante] niet met die voorwaarde ingestemd maar heeft zij in haar reactie van 16 december 2021 nadere eisen gesteld (vgl. ook hierboven, onder 4.9 en 4.10). Dit laatste is niet voldoende gemotiveerd weersproken. Het betoog van [appellante] dat met de brief van 6 december 2021 de benodigde toestemming is verleend, is dus ook om die reden tevergeefs. 5.
  34. [appellante] vraagt aan het hof – voor het geval dat geoordeeld mocht worden dat [appellante] toestemming nodig had voor het aanbrengen van het boorgat en dat die toestemming ontbreekt – om haar op de voet van artikel 5:121 BW een vervangende machtiging te verlenen. Dit verzoek van [appellante] is tevergeefs. Een partij die in de procedure in eerste aanleg als gedaagde niet (tijdig) een vordering heeft ingesteld of verzoek heeft ingediend, kan in hoger beroep niet alsnog in een tegenverzoek worden ontvangen. Het verzoek van [appellante] is dan ook niet-ontvankelijk. 5.
  35. [appellante] betoogt verder dat de VvE geen redelijk belang heeft bij de vordering tot het dichtmaken van het boorgat, en dat de VvE het ontbreken van toestemming oneigenlijk inzet om zo te verhinderen dat [appellante] de airco-installatie gebruikt. Het hof verwerpt deze betogen. Naar het oordeel van het hof kan de VvE in redelijkheid vasthouden aan het vereiste van toestemming voor het aanbrengen van een dergelijk boorgat en aan de eis om de gevel te herstellen, ook waar het gaat om een boorgat dat wordt aangebracht in het kader van het plaatsen van een airco-installatie. Dat het de VvE daarbij vooral of alleen zou gaan om de airco-installatie en niet om het boorgat, maakt dat alles niet anders. Zo wijst de VvE er terecht op dat zij er een redelijk belang bij heeft dat een dergelijke airco-installatie voldoet aan de geldende geluids- en veiligheidsnormen. Niet is in te zien waarom de VvE zou moeten dulden dat de gemeenschappelijke gevel wordt aantast door het boren van een gat met een diameter van 5 cm voor het plaatsen van een airco-installatie, als – zoals hier aan de orde is – daarbij niet duidelijk is of die airco-installatie aan de geldende normen voldoet. De VvE heeft, nu in elk geval niet is aangetoond dat de airco-installatie voldoet aan de geldende geluidsnormen, ook een redelijk belang bij haar vordering om de gevel weer te herstellen. Overigens behoeft de VvE ook geen genoegen te nemen met een toezegging van [appellante] dat zij alsnog een geluiddempende omkasting zal plaatsen. De VvE wijst er in dat verband op dat [appellante] op meerdere punten – ook voor wat betreft de drainagetegels en de gebruikersverklaring – niet voldaan heeft aan de veroordeling door de kantonrechter van 4 april
  36. Dat de VvE erop dient te vertrouwen dat [appellante] wél zal voldoen aan de belofte om alsnog om omkasting te plaatsen, valt zonder verdere toelichting en onderbouwing – welke ontbreekt – niet in te zien. 5.
  37. [appellante] betoogt ook tevergeefs dat de VvE de toestemming zonder redelijke grond geweigerd heeft en dat de belangen van [appellante] en van de bewoner ( [naam1] ) zwaarder dienen te wegen dan de belangen van de VvE. Als [appellante] meent dat de toestemming – bijvoorbeeld vanwege de belangen van [naam1] – ten onrechte geweigerd is, dan kan zij de kantonrechter vragen een vervangende machtiging te verlenen (zie artikel 5:121 BW). In het eindvonnis van 4 april 2023 heeft de kantonrechter [appellante] ook uitdrukkelijk de tijd en de gelegenheid gegeven alsnog een dergelijk verzoek in te dienen (zie vonnis van 4 april 2023, dictum onder 2). [appellante] heeft van die mogelijkheid kennelijk geen gebruik gemaakt. Dat de toestemming mogelijk zonder deugdelijke grond geweigerd is en dat er aan de zijde van [appellante] zwaarwegende belangen zijn bij het handhaven van de airco-installatie, maakt in de gegeven omstandigheden daarom niet dat de vordering van de VvE tot herstel van de gevel niet toewijsbaar zou zijn. Slotsom is dat de eerste grief van [appellante] verworpen wordt. Kan [appellante] aan de veroordeling voldoen? 5.
  38. [appellante] betoogt dat zij niet in staat was om te voldoen aan de veroordeling van de kantonrechter voor zover deze zag op het herstel van de gevel (zie vonnis van 4 april 2023, dictum onder 2). Die veroordeling is dan ook ten onrechte, aldus [appellante] . 5.
  39. Het hof wijst er allereerst op dat de kantonrechter heeft overwogen dat er gezien de recente ontwikkelingen binnen de VvE, geen aanleiding was om [appellante] te veroordelen de gevel op korte termijn te herstellen. De kantonrechter vermeldt dat het bestuur van de VvE inmiddels aan de vergadering van eigenaars het voorstel heeft gedaan om het aanbrengen van een airco-installatie onder bepaalde voorwaarden alsnog toe te staan. Als dat voorstel van het bestuur zou worden aangenomen en als [appellante] aan de voorwaarden zou voldoen, zou het [appellante] – zo overwoog de kantonrechter – in feite alsnog worden toegestaan om een doorgang in de muur te hebben ten behoeve van haar airco-installatie. Gelet daarop heeft de kantonrechter [appellante] alleen veroordeeld om de muur te herstellen, voor het geval dat:

(1)de airco-installatie op 1 januari 2024 niet zou voldoen aan de voorwaarden die de vergadering van eigenaars daarvoor heeft gesteld (daaronder valt, aldus de kantonrechter, ook het geval dat de vergadering van eigenaars nog geen besluit heeft genomen), en
(2)[appellante] op die datum ook niet alsnog toestemming van de vergadering van eigenaars of vervangende machtiging van de kantonrechter heeft verkregen (zie het vonnis van 4 april 2023, rov. 2.8 en dictum onder 2). 5.
  1. [appellante] betoogt dat het airco-voorstel ten onrechte niet in stemming is gebracht in de vergadering van eigenaars. Volgens [appellante] is het haar daarmee onmogelijk gemaakt om aan de veroordeling te voldoen. Aan die veroordeling is ook ten onrechte een dwangsom verbonden, aldus [appellante] . Het hof verwerpt dit betoog. De kantonrechter heeft bij de beslissing uitdrukkelijk rekening gehouden met de mogelijkheid dat de vergadering van eigenaars op 1 januari 2024 nog geen besluit zou hebben genomen over het airco-voorstel (zie vonnis van 4 april 2023, rov. 2.8). De kantonrechter heeft er ook uitdrukkelijk op gewezen dat [appellante] , als er niet alsnog toestemming was verleend door de vereniging van eigenaars, de mogelijkheid had om bij de rechter een vervangende machtiging te vragen (vgl. artikel 5:121 BW). Van die mogelijkheid heeft [appellante] kennelijk geen gebruik gemaakt. De veroordeling van de kantonrechter houdt in dat [appellante] onder die omstandigheden de gevel dient te herstellen, op straffe van verbeurte van een dwangsom. Dat het voldoen aan de veroordeling vanwege het uitblijven van een besluit door de vergadering van eigenaars, niet mogelijk zou zijn, valt niet in te zien. 5.
  2. Dat herstel van de gevel, zoals [appellante] betoogt, vanwege ontbreken van medewerking van de huurder ( [naam1] , de tante van [appellante] ) niet mogelijk zou zijn, valt niet in te zien, in elk geval niet zonder nadere toelichting en onderbouwing. Een huurder is immers verplicht om de verhuurder de nodige medewerking voor dergelijk herstel te bieden (vgl. artikel 7:220 BW). De nakoming van die verplichting kan zo nodig ook in rechte en met behulp van de sterke arm worden afgedwongen. 5.
  3. Dat de door de kantonrechter opgelegde dwangsom van maximaal € 5.000,- te hoog zou zijn, valt gelet op de betrokken belangen aan de zijde van de VvE – en gezien ook het gegeven dat de gevel kennelijk nog steeds niet hersteld is – niet in te zien. Dit betekent dat ook de tweede grief van [appellante] verworpen wordt. De drainagetegels 5.
  4. [appellante] betoogt dat zij ten onrechte is veroordeeld om het aangebrachte basaltgrind te verwijderen en om de verwijderde drainagetegels terug te plaatsen. Volgens [appellante] heeft de kantonrechter miskend dat de tegels behoorden tot de ‘afwerklaag’ van de vloer en dat [appellante] de tegels daarom zonder toestemming van de VvE mocht verwijderen. 5.
  5. Artikel 9 lid 1 van het Reglement bepaalt dat tot de gemeenschappelijke gedeelten en gemeenschappelijke zaken onder meer gerekend worden “de vloeren, met uitzondering van de afwerklagen in de privé gedeelten” (zie hierboven, onder 4.9). Het deel van het complex met de drainagetegels, is – zoals, naar het hof begrijpt, niet ter discussie staat – (ook) een ‘vloer’ in de zin van deze bepaling. De vraag die partijen verdeeld houdt, is of de tegels behoren tot de ‘afwerklaag’ van de vloer als bedoeld in artikel 9 lid 1 van het Reglement. Dit Reglement moet worden uitgelegd met de uitlegmaatstaf als hierboven onder 5.3 is bedoeld. 5.
  6. De VvE heeft verklaard dat er bij de bouw van het complex, op advies van de aannemer, gekozen is voor plaatsing van de drainagetegels. De tegels zouden namelijk voorkomen dat het dakleer opwaait. Er is, aldus de VvE, niet gekozen voor het aanbrengen van grind, dit omdat grind in de afvoer zou komen. Dat de drainagetegels (mede) bedoeld waren om te voorkomen dat het dakleer opwaait, is door [appellante] niet voldoende gemotiveerd weersproken. [appellante] heeft zich in dit verband beroepen op de overgelegde verklaring van Motz Dakbedekkingen van 30 maart
  7. Ook uit die verklaring kan echter worden afgeleid dat de tegels als functie hadden om het wegwaaien van de dakbedekking te voorkomen. Het hof is van oordeel dat zodoende voldoende duidelijk is dat de tegels een wezenlijke functie als onderdeel van het gebouw hebben en dat de tegels daarmee niet zijn aan te merken als een ‘afwerklaag’ van vloer als bedoeld in artikel 9 lid 1 van het Reglement. Toepassing van de genoemde uitlegmaatstaf brengt namelijk mee dat de term ‘afwerklaag’, gezien onder meer de gebruikelijke betekenis van dat woord en de kennelijke bedoeling die degene die tot splitsing is overgegaan met de bepaling heeft gehad – te weten (in elk geval) het handhaven van de veiligheid en deugdelijkheid van het gebouw –, géén betrekking heeft op een deel van de vloer dat niet verwijderd kan worden zonder dat dit afbreuk doet aan de constructie en de veiligheid van het gebouw. 5.
  8. De VvE heeft er recht op dat het door [appellante] geplaatste grind verwijderd wordt en dat de drainagetegels worden teruggeplaatst. Dat de VvE, bijvoorbeeld vanwege een ongelijke behandeling van de bewoners of appartementseigenaren, geen aanspraak zou kunnen maken op terugplaatsing van de tegels, valt zonder nadere toelichting en onderbouwing niet in te zien. Volgens de VvE is het juist dat er, zoals [appellante] opmerkt, ook op enkele andere onderdelen van het gebouw grind ligt en geen drainagetegels. Volgens de VvE gaat het daarbij echter om grind dat daar al vanaf de oplevering van het gebouw aanwezig is. Dit laatste is niet of niet voldoende gemotiveerd weersproken. 5.
  9. De stelling van [appellante] dat zij vanwege gebrek aan medewerking van haar tante niet aan de veroordeling kan voldoen, wordt verworpen. [appellante] kan die medewerking zo nodig immers afdwingen (zie ook hierboven, onder 5.14). Dat de aan de veroordeling verbonden dwangsom van maximaal € 5.000,- te hoog is en dat een lagere dwangsom al een afdoende prikkel tot nakoming zou vormen, valt niet in te zien. [appellante] zelf verklaart immers dat niet aan de veroordeling is voldaan. Dit betekent dat ook de derde grief van [appellante] verworpen wordt. Conclusie 5.
  10. De conclusie is dat het hoger beroep van [appellante] verworpen moet worden. De VvE heeft ook hoger beroep ingesteld, dit onder de voorwaarde dat een of meer grieven van [appellante] slagen of een vordering van [appellante] toewijsbaar is. Die voorwaarde is niet vervuld en het hof komt dus niet toe aan een beoordeling van het hoger beroep van de VvE. 5.
  11. Omdat [appellante] in het ongelijk wordt gesteld, zal het hof [appellante] veroordelen tot betaling van de proceskosten van het hoger beroep. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening. 5.
  12. De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een partij de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad). 6De beslissing Het hof: 6.
  13. bekrachtigt de vonnissen van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen van 22 november 2022 en 4 april 2023 (zoals hersteld bij vonnis van 2 mei 2023); 6.
  14. verwerpt het hoger beroep van [appellante] en stelt vast dat de voorwaarde waaronder het hoger beroep van de VvE is ingesteld, niet vervuld is; 6.
  15. veroordeelt [appellante] tot betaling van de volgende proceskosten van de VvE: - € 783 aan griffierecht; - € 3.642,- aan salaris advocaat (3 procespunten x appeltarief II); 6.
  16. bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag; als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente; 6.
  17. verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad; 6.
  18. wijst af wat verder is gevorderd. Dit arrest is gewezen door mrs. A.A.J. Smelt, D.H. de Witte en M. Wolters, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 20 januari
  19. Zie onder meer Hoge Raad 14 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:337, en Hoge Raad 1 november 2013, ECLI:HR:2013:1078 Zie onder meer het proces-verbaal van de zitting bij de kantonrechter van 11 januari
  20. Zie onder meer Hoge Raad 14 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:
  21. Zie productie 14 bij conclusie van antwoord. Zie HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.