GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden, afdeling civiel zaaknummer gerechtshof 200.348.713/01 zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 127612 arrest van 20 januari 2026 in de zaak van [appellant] , die woont in [woonplaats] , die hoger beroep heeft ingesteld, en bij de rechtbank optrad als eiser, hierna: [appellant], advocaat: mr. J.R. Bügel te Dronten, tegen Nederlandse Aardolie Maatschappij B.V., die is gevestigd in 's-Gravenhage, en bij de rechtbank optrad als gedaagde, hierna: NAM, advocaat: mr. P.A.Th. Kostwinder te Groningen . 1Het verloop van de procedure in hoger beroep 1.1 [appellant] heeft hoger beroep ingesteld tegen de vonnissen die de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, op 20 mei 2020, 11 november 2020 en 8 mei 2024 heeft gewezen. 1.2 Vervolgens hebben partijen de volgende stukken gewisseld: een memorie van grieven, met drie producties een memorie van antwoord, met één productie een akte uitlating productie van de zijde van [appellant] een akte overlegging producties van de zijde van [appellant] een akte wijziging van eis, met één productie van de zijde van [appellant] . 1.3 Daarna heeft op 4 december 2025 een mondelinge behandeling bij het hof plaatsgevonden. Daarvan is een verslag gemaakt dat aan het dossier is toegevoegd (het proces-verbaal). Hierna hebben partijen het hof gevraagd opnieuw arrest te wijzen. 2De kern van de zaak 2.1 Het gaat in deze zaak om de vraag of NAM aansprakelijk is voor schade aan de woning van [appellant] . 2.2 [appellant] heeft, na vermindering van eis, bij de rechtbank aanvankelijk gevorderd dat NAM wordt veroordeeld tot vergoeding van de kosten van herstel van de woning van € 24.002,73 inclusief btw. 2.3 De rechtbank heeft een deskundigenbericht gelast, waarover het hof in hoger beroep in een arrest van 5 juli 2022 heeft beslist. 2.4 Nadat het deskundigenbericht aan de rechtbank was uitgebracht, heeft [appellant] zijn vordering tot vergoeding van de kosten van herstel van de woning vermeerderd tot € 846.000 met rente vanaf 13 februari 2014, te vermeerderen met bijkomende kosten van € 50.000 met rente en met kosten van zijn deskundige van € 8.633,35 inclusief btw. 2.5 De rechtbank heeft in het vonnis van 8 mei 2024 de vordering afgewezen, behoudens de gevorderde kosten van deskundigenadvies en daarvoor € 6.534 toegewezen, onder bepaling dat NAM de kosten van het door de rechtbank gelaste deskundigenbericht moet dragen. Voor het overige zijn de proceskosten tussen partijen gecompenseerd. 2.6 De bedoeling van het hoger beroep is dat de vermeerderde vordering tot vergoeding van de kosten van herstel van de woning alsnog wordt toegewezen, onder vermeerdering van de vordering tot vergoeding van gemaakte kosten van deskundigenadvies, zowel bij de rechtbank als in hoger beroep, tot € 10.291,05, later verder vermeerderd tot € 12.955,
- 3De feiten waarvan het hof uitgaat 3.1 [appellant] is eigenaar van de woningen aan [adres1] (hierna: de woning) en [adres2] in [plaats] . De woning is in 1915 gebouwd; daarvan is [appellant] vanaf 1988 eigenaar. 3.2 In 2014 heeft [appellant] melding gemaakt van schade aan beide woningen als gevolg van de aardbeving bij Leermens op 13 februari 2014 bij Centrum Veilig Wonen. De schade aan de woning [adres2] is inmiddels afgehandeld. 3.3 Naar aanleiding van de schademelding heeft Octa Adviseurs (hierna: Octa) in opdracht van NAM de gemelde schade aan de woning onderzocht. Octa heeft vervolgens op 4 augustus 2014 een rapport uitgebracht. Octa heeft blijkens dit rapport geconstateerd dat er geen oorzakelijk verband is tussen de door [appellant] getoonde schade en de bevingen. Volgens Octa zijn de aangetroffen schades mogelijk veroorzaakt door zetting/verzakking. 3.4 [appellant] heeft vervolgens een contra-expertise laten uitvoeren door Troostwijk Expertises (hierna: Troostwijk). Troostwijk heeft in november 2015 de schade aan de woning onderzocht en haar bevindingen opgenomen in een rapportage d.d. 28 maart
- Troostwijk komt tot de conclusie dat de constatering van Octa dat er geen oorzakelijk verband is tussen de schade en de gaswinning niet juist is. 3.5 Op 14 februari 2017 is, nadat de partij-deskundigen niet tot overeenstemming over de schadevaststelling konden komen, bij akte een derde expert / arbiter (Janze Expertisebureau; hierna: Janze) verzocht de schade binnen de grenzen van de taxaties van de eerdere deskundigen bindend vast te stellen. Janze komt in haar rapport van 11 december 2017 tot de conclusie dat bij de woning sprake is van scheurvorming, waarvan het aannemelijk is dat deze door aardbevingen is ontstaan of verergerd, dat de schade aan de al in slechte staat verkerende buitengevels daardoor voor een klein deel is toegenomen, dat het buitenproportioneel is alle aanwezige schade als aardbeving gerelateerd toe te kennen en dat de schade door bevingen kan worden vastgesteld op € 8.656,68 inclusief btw. 3.6 JBG Bedrijfsburo heeft – blijkens haar brieven met bijlagen van 26 juni 2017 – de totale herstelkosten (binnen en buiten) aan de woning begroot op € 24.002,73 inclusief btw. 3.7 De door de rechtbank benoemde deskundige dhr. ing. [naam2] heeft in een op 16 september 2023 uitgebracht rapport (hierna: het deskundigenrapport) de aan hem gestelde vragen beantwoord op basis van de zogenaamde TNO methodiek “Methodiek voor onderzoek naar de oorzaak van gebouwschade – versie 2”. De deskundige komt in zijn rapport onder meer tot de conclusie dat de schades niet veroorzaakt zijn door gaswinning, dat de schades allemaal bouwkundig van aard zijn en niet door een aardbeving zijn verergerd, dat de mate van zekerheid dat de schade ook zonder de bodembeweging als gevolg van mijnbouwactiviteiten zou zijn ontstaan, 100% is en dat de scheurvorming wordt veroorzaakt door zetting (consolidatie en krimp) en/of doorbuiging van een balklaag en/of geen deugdelijke lateiconstructie en/of geen deugdelijke/passende fundatie. 3.8 In opdracht van [appellant] heeft dhr. ir. [naam3] (hierna: [naam3] ) het deskundigenrapport becommentarieerd. [naam3] komt in zijn rapport van 14 januari 2024 tot de conclusie dat het deskundigenrapport op geen enkele manier een andere schadeoorzaak aantoont dan gaswinning met als gevolg bodembewegingen. Op 10 februari 2025 heeft [naam3] op verzoek van [appellant] een nader rapport en op 12 februari 2025 nog een aanvullend rapport uitgebracht. 3.9 NAM heeft ingenieursbureau Witteveen+Bos te Deventer gevraagd op de rapporten van [naam3] te reageren. In haar notitie van 26 mei 2025 bestrijdt Witteveen+Bos de door [naam3] gehanteerde methodiek alsook zijn bevindingen en conclusies. 4Het oordeel van het hof Bezwaar tegen nadere aktes 4.1 NAM heeft bezwaar gemaakt tegen de toelating van de door [appellant] op 24 november 2025 ingediende akte uitlating productie en de op 2 december 2025 ingediende akte wijziging van eis. De op 24 november 2025 ingediende akte is tijdig ingediend en houdt een reactie in op de door NAM bij haar memorie van antwoord gevoegde productie. Dat die akte deels een reactie omvat van de door [appellant] ingeschakelde deskundige maakt die akte, gelet ook op de aard en inhoud van het partijdebat, niet ontoelaatbaar. De inhoud van de akte zal, zoals hierna zal blijken, worden betrokken bij de van de deskundige te vragen nadere deskundigenbericht. Aan het bezwaar van NAM tegen deze akte gaat het hof dan ook voorbij. Het tegen de vermeerdering van eis gemaakte bezwaar zal hierna worden besproken. Vermeerderingen van eis 4.2 [appellant] heeft, nadat de door rechtbank benoemde deskundige zijn rapport had uitgebracht, zijn vordering vermeerderd. Voor zover die vermeerdering zag op de kosten van de door [appellant] ingeschakelde [naam3] heeft de rechtbank die vermeerdering toelaatbaar geacht. Voor het overige heeft de rechtbank de toelaatbaarheid van die eisvermeerdering in het midden gelaten. Voor alle duidelijkheid overweegt het hof dat zij recht zal doen op de vordering van [appellant] zoals die is komen te luiden in [appellant] conclusie van 17 januari 2024 (en zoals nadien vermeerderd). Het hof stelt vast dat NAM, gezien het door haar gestelde in randnummer 3.3.2 van haar memorie van antwoord, in hoger beroep ook van die vordering uitgaat. Het hof heeft in dit verband overigens vastgesteld dat de verwoording van [appellant] vermeerderde vordering in rov. 2.12 van het vonnis van 8 mei 2024 op een kennelijke rekenfout berust; [appellant] heeft zijn vordering tot vergoeding van de kosten van herstel van zijn woning vermeerderd als hiervoor vermeld in rov. 2.
- 4.3 [appellant] heeft in hoger beroep zijn vordering, voor zover die ziet op de kosten van de door hem geraadpleegde deskundige [naam3] , tweemaal vermeerderd. 4.4.1 De eerste vermeerdering tot € 10.291,05 heeft processueel op het juiste moment plaatsgevonden en NAM heeft daartegen geen bezwaar gemaakt. Ook ambtshalve ziet het hof geen reden deze eiswijziging buiten beschouwing te laten. 4.4.2 De tweede vermeerdering van eis tot € 12.955,47, ingediend op 2 december 2025, is van ná het nemen van de in artikel 347 lid 1 Rv genoemde conclusies (memories). De mogelijkheid om de eis of de grondslag daarvan daarna nog te wijzigen, is beperkt tot de uitzonderingen die zijn genoemd in HR 20 juni 2008 en HR 19 juni 2009, waaronder kort gezegd een nieuwe feitelijke ontwikkeling. 4.4.3 [appellant] heeft zijn partijdeskundige opnieuw ingeschakeld om hem van advies te dienen over de bij de memorie van antwoord gevoegde notitie van Witteveen+Bos van 26 mei 2025 aan de hand waarvan NAM de stellingen van [appellant] bestrijdt. Dit is daarmee een na de memorie van grieven van [appellant] voorgedane nieuwe feitelijke ontwikkeling. Verder had [appellant] in zijn memorie van grieven al een bedrag gevorderd tot vergoeding van zijn eerdere kosten van door hem ingeschakelde partij-deskundige, zodat [appellant] dit deel van zijn vordering met de nieuwe extra kosten wil vermeerderen. NAM heeft zich tegen deze eiswijziging inhoudelijk kunnen verweren en dat ook gedaan. Het hof acht onder deze omstandigheden ook de tweede vermeerdering van eis toelaatbaar. Omvang van het hoger beroep 4.4 [appellant] heeft opnieuw hoger beroep ingesteld tegen de tussenvonnissen van 20 mei 2020 en 11 november 2020 en daarvan – ook bij zijn memorie van grieven – de vernietiging gevorderd. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft [appellant] , daarnaar gevraagd, meegedeeld dat de gevorderde vernietiging van die vonnissen een verschrijving betreft zodat het hof dat buiten beschouwing laat. 4.5 [appellant] heeft vier bezwaren opgeworpen tegen wat in het vonnis van 8 mei 2024 is overwogen en beslist. Deze bezwaren zien op de in aanmerking te nemen maatstaf, het deskundigenrapport en de afweging van de rechtbank of NAM het in artikel 6:177a BW, zoals dat luidt sinds 1 juli 2023, genoemde vermoeden van causaal verband tussen de gestelde schades en de aanleg of exploitatie van het mijnbouwwerk heeft weerlegd. Het debat van partijen daarover leidt het hof tot de volgende te bespreken onderwerpen die het hof hierna in cursief weergeeft. Uitgangspunten 4.6 De rechtbank heeft in het tussenvonnis van 20 mei 2020 geoordeeld dat [appellant] vanwege de door hem gestelde scheurvorming van de woning een beroep toekomt op het wettelijk bewijsvermoeden van artikel 6:177a BW en dat het aan NAM is om dit bewijsvermoeden te weerleggen. Op grond van deze bepaling wordt vermoed, bij fysieke schade aan gebouwen en werken, die naar haar aard redelijkerwijs schade door beweging van de bodem als gevolg van de aanleg of de exploitatie van een mijnbouwwerk ten behoeve van het winnen van gas uit het Groningenveld of gasopslag bij Norg of de gasopslag bij Grijpskerk zou kunnen zijn, dat die schade is veroorzaakt door de aanleg of de exploitatie van dat mijnbouwwerk. 4.7 Over de weerlegging van het bewijsvermoeden stelt het hof, onder verwijzing naar de prejudiciële uitspraak van de Hoge Raad over aardbevingsschade, het volgende voorop. 4.8 Indien het wettelijk bewijsvermoeden geldt, moet NAM het weerleggen. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat een exploitant als NAM dat bewijsvermoeden alleen dan met succes weerlegt, als hij erin slaagt te bewijzen dat de schade niet is veroorzaakt door de aanleg of de exploitatie van het mijnbouwwerk. Voor dat bewijs is niet vereist dat de te bewijzen feiten en omstandigheden onomstotelijk komen vast te staan. Voor bewijs kan volstaan dat de te bewijzen feiten en omstandigheden voldoende aannemelijk worden, maar dat is meer dan dat NAM twijfel zaait over de oorzaak van de schade. 4.9 Bij de beoordeling of het bewijsvermoeden door NAM is weerlegd, is verder van belang dat aan het bouwwerk in beginsel niet de eis mag worden gesteld dat het zonder schade bodembeweging doorstaat. Alleen als het gaat om schade aan een gebouw met een bijzondere kwetsbaarheid en aannemelijk is dat de schade ook zonder bodembeweging op enig moment in de toekomst zou zijn opgetreden, geldt dat de schade niet ‘in conditio sine qua non’-verband staat met bodembeweging als gevolg van mijnbouwactiviteiten. Voor het weerleggen van het bewijsvermoeden is dan ook onvoldoende dat aannemelijk wordt gemaakt dat het bouwwerk een bijzondere kwetsbaarheid heeft. 4.10 Voor zover [appellant] onder verwijzing naar rechtspraak van de Raad van State aanvoert dat in dit geval moet worden uitgegaan van een andere, voor NAM strengere maatstaf – te weten dat NAM het bewijsvermoeden alleen heeft weerlegd als wordt aangetoond dat de schade is te herleiden tot een evidente en autonome oorzaak – volgt het hof, gezien het voorgaande, hem daarin niet. 4.11 In lijn met wat het hof eerder in andere procedures heeft overwogen, is voor het antwoord op de vraag of in een concreet geval bewezen is – dus in de zin van: voldoende aannemelijk gemaakt – dat de schade aan een gebouw niet door bodembeweging als gevolg van gaswinning is veroorzaakt (of verergerd), het volgende van belang. 4.11.1 Indien (al dan niet uit onderzoek volgt dat) trillingen door aardbevingen op de locatie van het gebouw, vanwege bijvoorbeeld de afstand tot de epicentra en/of de kracht van de bevingen, niet zo krachtig zijn geweest dat erdoor schade aan het gebouw kan zijn ontstaan of verergerd, is voldoende aannemelijk dat de schade niet (mede) door aardbevingen kan zijn ontstaan of verergerd. 4.11.2 Indien niet kan worden uitgesloten dat (mede) door trillingen vanwege aardbevingen schade kan zijn ontstaan aan het gebouw, ligt het voorgaande anders, ook als met behulp van de SBR-Trillingsrichtlijn A en de EGMPE-methode of andere, vergelijkbare wiskundige modellen is vastgesteld dat de kans op schade door aardbevingen (zeer) gering is. De met deze methode berekende kans is een voorspellende kans. Een voorspellende kans brengt tot uitdrukking wat bij een bepaalde gebeurtenis (gebeurtenis A) de kans is op een bepaald gevolg (gevolg B). Het geeft in de situatie dat gevolg B zich heeft voorgedaan, geen antwoord op de vraag of dat gevolg veroorzaakt is door gebeurtenis A (of hoe groot de kans is dat dit veroorzaakt is door gebeurtenis A). Die relatie (van gevolg naar oorzaak) kan ook tot uitdrukking worden gebracht in een percentage, de verklarende kans. Dat percentage komt niet overeen met dat van de voorspellende kans. Wanneer de voorspellende kans dat gebeurtenis A tot gevolg B leidt zeer klein is, kan als gevolg B zich eenmaal heeft voorgedaan de verklarende kans dat gevolg B is veroorzaakt door gebeurtenis A toch zeer groot zijn, bijvoorbeeld wanneer er geen aannemelijke alternatieve oorzaken zijn. 4.11.3 In het geval schade door aardbevingen niet op voorhand kan worden uitgesloten, is voor het bewijs dat de schade niet (mede) door aardbevingen is veroorzaakt, in ieder geval het bestaan van een of meer alternatieve mogelijke schadeoorzaken vereist. Bovendien is vereist dat het voldoende aannemelijk is dat de schade door een of meer van die alternatieven is veroorzaakt. Het is aan NAM om inzichtelijk te maken waarom, als de schade op zichzelf ook door aardbevingen kan zijn veroorzaakt, voldoende aannemelijk is dat de schade door andere schadeoorzaken is veroorzaakt en niet (mede) door aardbevingen. 4.11.4 Hiervoor is steeds het woord ‘mede’ gebruikt. Want, ook als sprake is van meerdere schadeoorzaken en aardbevingen één van die oorzaken is, maar niet voldoende aannemelijk is dat de schade ook zou zijn ontstaan wanneer de aardbevingen als oorzaak worden ‘weggedacht’, is niet bewezen dat de schade niet door aardbevingen is veroorzaakt. 4.11.5 Een en ander is niet beperkt tot schade als gevolg van aardbevingen. Artikel 6:177a BW ziet immers op bodembeweging; dus ook op schade als gevolg van bodemdaling en/of -stijging. Wat hiervoor is beschreven, kan ook daarop worden toegepast, rekening houdend met relevante feitelijke verschillen. De noodzaak voor een aanvullend deskundigenbericht 4.12 In het deskundigenbericht van 16 september 2023 (zie 3.7) heeft de deskundige de aan hem gestelde vragen beantwoord, zoals verwoord in het arrest van 5 juli
- Daarbij heeft hij betrokken de door partijen gemaakte opmerkingen op zijn conceptbericht. In zijn bericht heeft de deskundige niet betrokken – en ook niet kunnen betrekken – de daarna over zijn bevindingen en conclusies geschreven rapporten van de door [appellant] ingeschakelde partijdeskundige [naam3] van 14 januari 2024, 10 en 12 februari 2025 en diens nader commentaar, zoals verwoord in de akte van [appellant] van 24 november 2025, en evenmin de door NAM verkregen notitie van Witteveen+Bos van 26 mei
- 4.13 [appellant] heeft in hoger beroep met verwijzing naar de door hem overgelegde stukken van [naam3] betoogd dat NAM het bewijsvermoeden niet heeft weerlegd. In dat verband is onder meer aangevoerd dat de deskundige van onjuiste feitelijke uitgangspunten is uitgegaan en (mede daardoor) onjuiste berekeningen heeft uitgevoerd en dat daarbij uit het oog is verloren dat de woning in 1915 is gebouwd en nagenoeg 100 jaren schadevrij en zonder constructieve problemen in gebruik is geweest. Volgens NAM heeft de door [appellant] (en zijn partijdeskundige) uitgeoefende kritiek op het deskundigenbericht geen (relevante) grond en is het nodige aan te merken op de door [naam3] gehanteerde methodiek alsook op zijn bevindingen en conclusies, waartoe zij verwijst naar de notitie van Witteveen+Bos. 4.14 Vanwege de specialistische aspecten van het nadere debat van de door partijen geraadpleegde deskundigen heeft het hof, zoals met partijen tijdens de mondelinge behandeling is besproken, behoefte aan nadere voorlichting en nadere beantwoording door de deskundige van de eerder aan hem gestelde vragen, die - voor alle duidelijkheid - volledig worden gehandhaafd. Het hof wil in dat verband dat de deskundige reageert op de rapporten en het commentaar van [naam3] en de notitie van Witteveen+Bos en daarbij verwoordt of, en zo ja in welk opzicht en om welke redenen, de eerder door hem gegeven antwoorden aanpassing behoeven. 4.15 Gelet op wat hiervoor in rechtsoverwegingen 4.11 tot en met 4.11.5 is overwogen, heeft het hof er verder behoefte aan dat de deskundige de meerbedoelde vragen beantwoordt – en daarmee de door hem vastgestelde schade beoordeelt – zonder (behulp van) de kansberekening als verwoord in en voorafgaand aan zijn tussenconclusies 2 en 3 en in paragraaf C.
- (pagina 120) van zijn deskundigenbericht, en een en ander zo nodig bijstelt. Het hof vraagt de deskundige dus om de gestelde vragen (in elk geval ook en afzonderlijk) te beantwoorden zonder daarbij gebruik te maken van gegevens die (mede) gebaseerd zijn op voorspellende kansen (vgl. ook hierboven, in 4.11.2). Verder vraagt het hof aan de deskundige om, in het geval hij van oordeel is dat de (verklarende) kans dat de schade veroorzaakt is door de gaswinning, dusdanig klein is dat die gaswinning als schadeoorzaak redelijkerwijs dient te worden uitgesloten, dat nader toe te lichten en te onderbouwen. 4.16 [appellant] heeft in reactie op de door het hof tijdens de mondelinge behandeling geuite behoefte aan een aanvullend deskundigenbericht, nog aangevoerd dat NAM zijns inziens daarmee ten onrechte opnieuw een kans wordt gegeven om bewijs te leveren en dat daarmee in feite [appellant] in strijd met het wettelijk bewijsvermoeden wordt belast met het bewijs van zijn schade en de aansprakelijkheid van NAM daarvoor. Het hof kan [appellant] daarin niet volgen. Gezien het (nadere) debat van partijen over oorzaak van de door [appellant] gestelde schade, dat zij hebben bijgezet met reacties van door hen geraadpleegde deskundigen, heeft het hof behoefte aan nadere voorlichting en advies en dat is de reden om een nader deskundigenbericht in te winnen, wat ook zijn discretionaire bevoegdheid is. Daarmee heeft het hof geen bewijsoordeel gegeven en evenmin iets afgedaan aan wat in de rechtsoverwegingen 4.6 en volgende is overwogen. 4.17 Het hof zal NAM belasten met het voorschot op de kosten van de deskundige. De te benoemen deskundige, die zich bereid heeft verklaard een aanvullend bericht uit te brengen, heeft aangegeven eerst het dossier te willen ontvangen voordat hij een voorstel kan doen voor het voorschot op zijn kosten. Om die reden zal het hof dat voorschot nog niet in dit tussenarrest vaststellen. Dat zal in een latere beslissing gebeuren, nadat partijen ook op het voorstel van de deskundige hebben kunnen reageren. In die latere beslissing zal ook bepaald worden op welke termijn de deskundige zijn onderzoek moet afronden. De deskundige zal ook daarover na bestudering van het dossier een voorstel doen. 4.18 Nadat de deskundige zijn aanvullend deskundigenbericht heeft ingeleverd en partijen daarop hebben kunnen reageren met memories na deskundigenbericht, zal het hof bezien of een nadere mondelinge behandeling van de zaak is aangewezen en of het dienstig is dat de deskundige bij die mondelinge behandeling aanwezig is om zijn aanvullend bericht verder toe te lichten en/of daarover vragen te beantwoorden. De deskundige moet daarmee bij zijn voorstel voor een voorschot op zijn kosten rekening houden. 4.19 In afwachting van een en ander zal iedere verdere beslissing worden aangehouden. 5De beslissing Het hof: de benoeming 5.1 Het hof benoemt tot deskundige: de heer ing. [naam2], verbonden aan [bedrijf] B.V. Postadres: [adres3] [postcode+plaats] Telefoonnummer: [telefoonnummer1] Mobiel: [telefoonnummer2] E-mailadres: [emailadres] om een nader onderzoek in te stellen en nader schriftelijk bericht uit te brengen over de eerder in deze procedure aan hem gestelde vragen en om daarbij in aanmerking te nemen wat in rechtsoverweging 4.15 van dit arrest is overwogen, en om in de beoordeling te betrekken en te reageren op de reacties van de partijdeskundigen als aangeduid rechtsoverweging 4.12 van dit arrest. 5.2 Het hof zal het voorschot op de kosten van de deskundige bepalen nadat de deskundige daarover een voorstel heeft gedaan en partijen op dat voorstel hebben gereageerd. NAM moet het voorschot betalen. aanwijzingen voor de deskundige 5.3 Pas als de griffier heeft laten weten dat het voorschot is betaald, hoeft de deskundige met het onderzoek te beginnen. 5.4 De deskundige moet schriftelijk antwoorden op de hiervoor geformuleerde vragen. 5.5 Bij de uitvoering van het onderzoek moet de deskundige de Leidraad deskundige in civiele zaken volgen die is gepubliceerd op www.rechtspraak.nl. 5.6 Als de deskundige vragen heeft, kan hij die stellen aan mr. W.F. Boele als raadsheer-commissaris. 5.7 Het hof zal in een latere beslissing bepalen wanneer het deskundigenbericht moet worden ingeleverd. aanwijzingen voor partijen 5.8 Het Landelijke Dienstencentrum voor de Rechtspraak zal nadat het voorschot is vastgesteld aan NAM een voorschotfactuur sturen. Dit voorschot moet binnen 4 weken na de datum op de factuur zijn betaald. 5.9 [appellant] moet aan de deskundige een (digitale) kopie van het dossier sturen. De griffier stuurt de deskundige een kopie van dit arrest. 5.10 Partijen moeten de deskundige de inlichtingen geven waarom deze vraagt. 5.11 Iedere verdere beslissing wordt aangehouden. Dit arrest is gewezen door mrs. W.F. Boele, A.A.J. Smelt en H. Mollema-De Jong, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 20 januari
- De vonnissen van 20 mei 2020 en 11 november 2020 zijn niet gepubliceerd. Dit vonnis is gepubliceerd onder ECLI:NL:RBNNE:2024:
- Dit arrest is gepubliceerd onder ECLI:NL:GHARL:2022:
- ECLI:NL:HR:2008:BC
- ECLI:NL:HR:2009:BI
- HR 19 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1278, rov. 2.9.7 en 2.10.
- Zie ook HR 16 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:182, NJ 2018/394, m.nt. E. Verhulp, rov. 3.4.3 (met verwijzing, vergelijkenderwijs, naar de conclusie van A-G De Bock (ECLI:NL:PHR:2017:1058, nrs. 3.24-
- 25 en 3.27-3.29) en zie ook de conclusie van A-G De Bock (ECLI:NL:PHR:2024:1260, nrs. 4.26 en 4.27) bij HR 7 februari 2025, ECLI:NL:HR:2025:
- Zie rov. 4.6 van het arrest van 24 juni 2025 (ECLI:NL:GHARL:2025:3971).